blog

Column: Winstprincipe

Publicatie

19 jan 2012

Auteur

Jan Van Doorslaer

Categorie

Petrochem

Soort

blog

Tags

onderzoek

Is het vrije onderzoek besmeurd? Zo luidde de titel van een debatavond die midden oktober werd georganiseerd aan de Universiteit Gent door het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan. Dit is een oude, maar vooral kritische studentenvereniging die harde taal durf te spreken, zeker over de gevestigde kerkorden. 

Een van de leden, die ik al jaren ken, mailde me met de vraag of ik soms een spreker van de industrie en met name BASF kon verleiden tot deelname. De biotech zou immers ter sprake komen en daar was BASF toch actief in en de ondertitel luidde Over de subsidiëring van universiteiten door bedrijven. Ik kreeg een oud-collega die jarenlang de relaties tussen BASF, universiteiten en onderzoeksinstituten coördineerde zover om deel te nemen. Afwezig blijven op dergelijke fora is ofwel niet durven het debat aan te gaan, ofwel het debat hooghartig afwijzen als niet-relevant. Ik kreeg mijn vroegere collega overtuigd en dus kon ik moeilijk afwezig blijven.

Op de avond zelf, met zowat 150 studenten aanwezig, kon hij duidelijk maken dat ondernemingen en bedrijven inderdaad contracten afsluiten met onderzoekers om deelonderzoeken te doen waarvoor de industrie geen mankracht heeft. En dat die contracten onderworpen zijn aan goedkeuring door de academische overheden en dat bedrijven toch wel wat verwachten voor hun financiering. Van louter subsidiëren is geen sprake.

En toen belandde het debat bij het heikele punt. Moeten de resultaten van de onderzoekers eigendom worden van de bedrijven, terwijl die onderzoekers in dienst zijn van een universiteit die wordt gefinancierd door belastinggeld van de gemeenschap? Een bio-ethica van de Gentse universiteit gaf voorbeelden van bedrijven die zich resoluut verzetten tegen publicatie van de voor hen uitgezochte gegevens. En dat soms op naïeve gronden. Daartegen werd dan weer ingebracht dat knowhow voor bedrijven een belangrijke hefboom is om te kunnen concurreren en dat dus niet zomaar alles te grabbel kan worden gegooid. Mocht dat wel het geval zijn, welke toegevoegde waarde zou een samenwerkingsproject tussen universitaire onderzoekers en bedrijven dan nog hebben?

En toen kwamen we terecht bij de biotechdiscussie, want ook op dat gebied is de samenwerking tussen academische onderzoekers en biotechbedrijven legio. Omdat het verspilling van geld, energie en tijd zou zijn als iedereen vanuit zijn eigen onderzoekscocon naar vergelijkbare oplossingen zou zoeken. Maar er kwam nog een andere aap uit de mouw. Grote bedrijven stappen in de biotech uit louter winstbejag, zo zei een duidelijke anti-ggo-stem.

De ex-collega weerlegde dat mooi en wees erop dat de winstvector niet de enige is die bedrijven aanzet tot het zoeken van nieuwe producten, ook al zijn dat aardappelen. Er is ook een maatschappelijke insteek, namelijk dat ondernemingen via dergelijke initiatieven willen bijdragen aan een betere maatschappij en een efficiëntere economie. Maar die interessante gedachte verder uitspitten, daartoe zijn we niet gekomen. Enkele duidelijk anti-ggo-stemmen vonden zelfs dat bedrijven met hun fikken van de landbouw moeten blijven en de landbouwers hun sector moeten laten organiseren. Maar geldt dan het winstprincipe –  ik heb het vroeger en nu nog altijd over toegevoegde waarde – dan niet voor de boeren? Komaan zeg! Landbouwers zijn de eersten om publiek aan de Klaagmuur te staan – en terecht – als ze hun oogst soms moeten slijten aan prijzen die niet eens hun kosten dekken. Technici en zeker biotechnici lijken me rijp voor bijkomende lessen economie.