Het Circular Materials Center in Kortrijk (West-Vlaanderen) krijgt begin volgend jaar een volledig uitgebouwde recyclelijn om cursisten en bedrijven intensief op te leiden en vertrouwd te maken met de nieuwste recycleprocessen voor kunststoffen in een circulaire economie. De exploitatie van deze ‘circulaire fabriek’ is gegund aan opleidingsorganisatie Plastiq.

De ‘circulaire fabriek’ is een complete recyclelijn voor opleidingsprogramma’s en demonstratieprojecten rond de best beschikbare recycletechnieken voor het circulair gebruik van kunststoffen. Dit moet het mogelijk maken om kunststofafval en bepaalde reststromen binnen de kunststofproductie te verwerken tot grondstoffen voor hergebruik in nieuwe kunststofmaterialen. De installatie is naar verwachting in de eerste maanden van 2022 operationeel en wordt modulair opgebouwd uit een vermaler, meng- en doseersystemen, granulator en een profiel- en plaatextruder.

Plastiq zet de opleidingsinfrastructuur in voor de training en coaching van studenten, werkzoekenden, werknemers en bedrijven uit de kunststoffensector. De ‘circulaire fabriek’ staat in het recent geopende Circular Materials Center in Kortrijk. Dit onderzoeks- en opleidingscentrum voor de kunststoffen- en textielsector is een gezamenlijk initiatief van POM West-Vlaanderen, Centexbel, KU Leuven en Plastiq.

De investering in de ‘circulaire fabriek’ maakt deel uit van het EFRO-project Upskill dat de komende twee jaar acht miljoen euro investeert in hoogstaande opleidingsinfrastructuur om te beantwoorden aan de vraag van bedrijven naar divers talent met de noodzakelijke technische en digitale skills.

Een nieuwe pijpleiding tussen Antwerpen en het Ruhrgebied dat de chemiebedrijven in Vlaanderen ondergronds verbindt met de chemie-industrie in Nederlands Limburg en Duitsland. Dat zou zowel ecologisch als economisch een goede zaak zijn. Sectorfederatie Essenscia Vlaanderen reageert positief op de beslissing van Vlaamse minister van Omgeving Zuhal Demir om de procedures hiervoor op te starten.

Pijpleidingen halen jaarlijks tienduizenden vrachtwagens van de weg. Ze zorgen voor veilige extra transportcapaciteit en versterken de concurrentiekracht van de Antwerpse haven en de chemiesector in Vlaanderen.

Logistieke troef

Pijpleidingen zijn al decennialang de onzichtbare logistieke troef van de chemiesector in de Antwerpse haven en de rest van Vlaanderen. Het is een essentieel transportmiddel voor de veilige, filevrije en milieuvriendelijke aan- en afvoer van allerlei grondstoffen, chemieproducten en industriële gassen, zoals zuurstof of stikstof. De bestaande pijpleiding Antwerpen-Limburg-Luik zorgt jaarlijks voor zowat 100.000 vrachtwagens minder op de weg tussen de Antwerpse haven en Chemelot in Geleen.

De verbinding tussen Europa’s grootste chemiecluster in de haven van Antwerpen en Chemelot is een cruciale route voor nieuwe pijpleidingen. Vele chemiebedrijven langs het Albertkanaal in Geel, Meerhout, Beringen en Tessenderlo kunnen op dit netwerk aansluiten. Bovendien is dit tracé van strategisch belang voor de verbinding met het Duitse Ruhrgebied en het BASF-complex in Ludwigshafen.

Cruciale rol in energietransitie

Voor de verdere economische groei van de chemiesector in Vlaanderen is bijkomende ruimte voor pijpleidingen een absolute noodzaak. Dit heeft logistieke en maatschappelijke voordelen. Door een voorkeurstraject af te bakenen en dit wettelijk vast te leggen ontstaat een gereserveerde strook voor pijpleidingen. Ook infrastructuur zoals kabels, rioleringen of andere nutsvoorzieningen kunnen snel en efficiënt ondergronds gebundeld worden. Bovendien spelen pijpleidingen de komende jaren een cruciale rol in de energietransitie. Denk daarbij aan het transport van waterstof of CO2.

Frank Beckx, gedelegeerd bestuurder Essenscia vlaanderen: ‘Pijpleidingen zijn op ecologisch vlak een van de beste transportkeuzes. Ze zorgen voor minder verkeer, minder uitstoot en ze veroorzaken geen visuele, geluids- of geurhinder. Ze zijn ook ontzettend belangrijk voor de internationale concurrentiepositie van de Antwerpse haven en de chemiesector in Vlaanderen. Door op korte termijn ruimte te reserveren voor extra pijpleidingen tussen Antwerpen en Geleen verankeren we de logistieke infrastructuur én de werkgelegenheid in de chemie op lange termijn. Een wettelijk vastgelegde gereserveerde strook zal de realisatie van nieuwe pijpleidingen ook aanzienlijk versnellen. Dat biedt de chemiesector en de Vlaamse economie een concurrentievoordeel.’

Samenwerking verder uitgebouwd

Eind vorig jaar al bereikten acht internationale chemiebedrijven (BASF, Borealis, BP, Dow, Evonik, Ineos, LyondellBasell en Sabic), samen met de havens van Antwerpen en Rotterdam, een samenwerkingsakkoord. Dit focust op verdere uitbouw van de pijpleidingeninfrastructuur tussen Vlaanderen, Nederland en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen.

Op die manier kan de bevoorradingszekerheid van een van de belangrijkste industriële sectoren in Europa – goed voor meer dan 350.000 banen en een omzet van 180 miljard euro – op een milieuvriendelijke manier worden gewaarborgd. Het initiatief past in de trilaterale chemiestrategie. De overheden van Vlaanderen, Nederland en Noordrijn-Westfalen maken hun onderling sterk verbonden chemiesectoren tot drijvende kracht van een duurzame wereldeconomie.

De chemie- en farmasector in Vlaanderen heeft momenteel bijna 1.500 openstaande vacatures. Dat blijkt uit de Jobbarometer, een jaarlijkse enquête van sectorfederatie Essenscia Vlaanderen bij meer dan honderd sectorbedrijven.

De – om preciezer te zijn – 1.485 openstaande vacatures zijn er ondanks dat de sector jaar na jaar meer mensen aanwerft. Vorig jaar werden er 3.733 nieuwe medewerkers aangetrokken. Dat is ruim de helft meer dan twee jaar voordien. In totaal heeften chemie en pharma de voorbije drie jaar 9.682 mensen aangeworven. Deels om de pensionering van oudere werknemers op te vangen.  Deels gaat het echter  ook om nieuwe functies dankzij de sterke banengroei in de chemie en life sciences. Het aantal banen in de sector stijgt namelijk al vijf jaar op rij: van 59.366 in 2013 tot 62.154 in 2018, goed voor 2.788 nieuwe jobs.

Technische studie

Volgens Frank Beckx, gedelegeerd bestuurder Essenscia Vlaanderen is de boodschap duidelijk: ‘Jongens én meisjes, Emma of Lucas, Youssef of Aïsha, kies voor een technische of wetenschappelijke studie. De chemie- en farmasector zal jullie in de armen sluiten, want elk talent telt.’

Ook de chemie roert zich in de Belgische discussie over de voorgenomen sluiting van alle kerncentrales in 2025. Essenscia roept op om twee Belgische kerncentrales tot 2035 open te houden. Een gefaseerde sluiting moet volgens de sectorfederatie meer leveringszekerheid en stabiliteit bieden. ‘Tegen lagere kosten en met minder uitstoot.’

Al eerder sprak de Vlaamse chemie haar zorgen uit over het onbezonnen energiebeleid in België. Onder andere bij monde van Wouter de Geest, hoogste man van BASF Antwerpen en voorzitter van Essenscia. In het decembernummer (2017) van Petrochem stelt hij: ‘Als we tegen 2025 alle kerncentrales willen sluiten, moeten we alternatieven hebben en voor liefst 3600 megawatt capaciteit. Met de windprojecten op de Noordzee en de zonnepanelenpromotie krijgen we dat gat niet gedicht. Gascentrales kunnen helpen, maar ongeveer één per jaar bouwen – zoals experts becijferden – met alle nodige investeringsplannen en vergunningsprocedures is onhaalbaar.’

Klaarheid

Nu voelt de brancheorganisatie zich ook ondersteund door een recente studie van de Gentse hoogleraar Johan Albrecht. In een persbericht stelt de federatie: ‘De cijfers bevestigen opnieuw dat een gefaseerde kernuitstap meer leveringszekerheid biedt tegen een lagere kost en met minder uitstoot. Het is nu aan de beleidsmakers om klaarheid te scheppen, vooral over de financiering van de maatregelen in het Energiepact.’

Onverantwoorde gok

Ook met de nieuwe studie van professor Albrecht blijven er volgens Essenscia grote vraagtekens bestaan over de betaalbaarheid van het Energiepact van de Belgische overheid. In het persbericht: ‘De hamvraag blijft op welke manier het pact de bevoorradingszekerheid zal garanderen en het concurrentievermogen van de bedrijven verzekert.’ De federatie vreest enorme verhogingen van de energiekosten voor de industrie. ‘Dit terwijl de energiekosten voor de industrie in België vandaag al tien  tot veertig procent hoger liggen dan in de buurlanden. Dit concurrentienadeel nog vergroten terwijl tegelijk de onzekerheid over een gegarandeerde energiebevoorrading toeneemt, is een onverantwoorde gok met tienduizenden jobs.

Realisme

Yves Verschueren, gedelegeerd bestuurder van Essenscia:  ‘Het totale kostenplaatje van het Energiepact blijft hoogst onzeker. Het zou onverantwoord zijn om strategische beleidsbeslissingen van deze omvang te nemen met een blanco cheque in de hand, waarbij achteraf nieuwe taksen moeten ingevoerd worden om de schuldenput te vullen. Een energietransitie kost geld. Daarom moet er een duidelijke financiering gekoppeld worden aan de ambities in het Energiepact. We stellen het einddoel van de energietransitie niet in vraag, maar pleiten voor realisme over de weg ernaar toe.’

Buitenlandse ondernemingen uit de sector van de chemie, kunststoffen en life sciences investeerden in 2016 bijna 825 miljoen euro in Vlaanderen. Dat is goed voor bijna de helft van het totale investeringsbedrag van buitenlandse bedrijven in Vlaanderen. Daarmee bevestigt de chemie- en farmasector haar koppositie in de Vlaamse economie.

Uit cijfers van FIT (Flanders Investment & Trade) blijkt dat de chemie en life sciences vorig jaar niet alleen de meeste, maar vooral ook de meest omvangrijke investeringsprojecten naar Vlaanderen haalde. Met 41 BDI-projecten (Buitenlandse Directe Investeringen) is de sector goed voor meer dan 20 procent van het totaal aantal investeringen, het hoogste procentuele aandeel van de voorbije jaren. Die investeringen vertegenwoordigen samen een bedrag van 825 miljoen euro en dat is liefst 44,2 procent van de 1,87 miljoen euro die buitenlandse ondernemingen vorig jaar in Vlaanderen investeerden.

De chemie en life sciences in Vlaanderen is de voorbije jaren uitgegroeid tot een magneet voor buitenlandse investeringen. Sinds 2010 trok de sector 241 investeringsprojecten aan, goed voor een bedrag van bijna 6 miljard euro. Het gaat hierbij enkel om investeringen in vaste activa, zoals de bouw van nieuwe installaties, de modernisering van bestaande productievestigingen of uitbreidingen van de productiecapaciteit. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling werden voor deze berekeningen buiten beschouwing gelaten.

De toenemende digitalisering zal in de chemie, kunststoffen en life sciences in Vlaanderen vooral een impact hebben op de jobinhoud. Daardoor zullen werknemers en leidinggevenden meer en andere competenties nodig hebben. Het opleidingsaanbod afstemmen op deze jobs van de toekomst vormt dan ook een grote uitdaging voor het onderwijs en het HR-beleid in de ondernemingen. Dat is samengevat de conclusie van ‘The future of jobs in chemistry and life sciences’, een sectorspecifieke studie van de Antwerp Management School (AMS). De resultaten zijn deze weekwerden gisteren voorgesteld tijdens het jaarevent van essenscia vlaanderen.

Industry 4.0, big data, the internet of things. Er is vandaag heel wat te doen over de vierde industriële revolutie. Maar welke impact zullen digitalisering, automatisering en robotisering hebben op de jobs in de chemie, kunststoffen en life sciences? Met 60.000 directe en 100.000 indirecte jobs is dat een van de economische sleutelsectoren in Vlaanderen. In opdracht van essenscia vlaanderen hebben professor Ans De Vos en senior researcher Tim Gielens van de Antwerp Management School hierover een studie uitgevoerd waarvoor 50 experten uit 25 sectorbedrijven werden bevraagd.

De onderzoekers stellen vast dat technische basiskennis cruciaal blijft, maar dat het belang van sociale vaardigheden toeneemt. Er is dus nood aan experts die van alle markten thuis zijn en detailkennis combineren met een bredere kijk. Digitale vaardigheden zijn bovendien een must voor elke medewerker, waarbij digital natives hun meer ervaren collega’s kunnen helpen om de omschakeling te maken. Het rapport doet ook enkele concrete aanbevelingen voor het onderwijs. Dat moet meer praktijkgericht zijn, ook op universitair niveau, en meer aandacht hebben voor soft skills in zowel de onderwijsmethode als de beoordeling.