Zo’n twintig onderzoekers van Evonik en Siemens gaan samenwerken om CO2 om te zetten in specialties als butanol en hexanol. De eerste testfabriek zal volgens een eerste planning tegen 2021 draaien op de site van Evonik in Marl (Duitsland) en daarna zou een fabriek moeten volgen met een productiecapaciteit van twintigduizend ton per jaar.

De onderzoekers gaan in het proces gebruikmaken van bacteriën (fermentatieprocessen) en duurzaam opgewekte elektriciteit (elektrolyse). Het project heet Rheticus en heeft een looptijd van twee jaar. Doel ervan is om productieprocessen te ontwerpen die zowel kosten besparen als het milieu ontzien. Bovendien kunnen de processen dienen als energieopslag en om het elektriciteitsnet te stabiliseren bij een overschot aan duurzame energie.

Beide bedrijven brengen hun eigen expertise in. Zo levert Siemens de elektrolysetechnologie, die wordt gebruikt om kooldioxide en water met elektriciteit om te zetten in waterstof en koolmonoxide. Evonik zet vervolgens zijn kennis van fermentatieprocessen in, zodat speciale micro-organismen via metabolische processen de CO omzetten in bruikbare producten. In het Rheticus-project worden deze twee stappen vanuit het laboratorium opgeschaald en gecombineerd in de testfabriek.

Grote toekomstmogelijkheden

Evonik en Siemens zien voor de gecombineerde processen grote toekomstmogelijkheden. Het plan is om toekomstige fabrieken schaalbaar te maken, zodat ze flexibel aan de lokale omstandigheden kunnen worden aangepast. Op die manier kunnen ze overal worden geïnstalleerd waar sprake is van een bron van CO2. De fabrieken kunnen dan het elektriciteitsnet stabiliseren als er sprake is van overproductie van duurzame energie, en tegelijkertijd bijdragen aan het verlagen van de uitstoot van kooldioxide in de atmosfeer. Zo zal voor de productie van één ton butanol drie ton CO2 nodig zijn.