Theoretisch gezien is er natuurlijk niets beters dan een chemische industrie die grondstoffen uit de directe omgeving haalt. Waterstof uit water, koolstof uit CO2, stikstof uit de lucht en bioafval omdat er anders te weinig koolstof voorradig is. Hoewel, als we er in slagen om CO2 uit de lucht te halen, dan kunnen we daar ook nog wel een tijdje mee voort.

Het is voor mij niet de vraag of dit grootschalig gaat gebeuren, maar vooral wanneer. En moeten we dan eerst zigzaggend wat kleine stapjes zetten, of gaan we rechtstreeks op ons doel af? Gaan we heel veel gemeenschapsgeld spenderen aan dure tijdelijke oplossingen, of gaan we op korte termijn heel veel inzetten op energiebesparing en CO2-reductie om tegelijkertijd versneld aan doorbraaktechnologie werken?

Wat concreter: gaan we nu vol inzetten op ondergrondse opslag van CO2 of subsidiëren we op korte termijn energiebesparende en CO2-reducerende maatregelen en financieren we gelijktijdig projecten die de inzet van CO2 als grondstof versnellen? Zelf neig ik naar de tweede route, hoewel er op dit vlak zelfs nog een middenweg is: als we dan toch CO2 onder de grond stoppen, dan moeten we het er ook weer uit kunnen halen, op het moment dat grootschalige inzet van CO2 als grondstof mogelijk is. Dan heb je toch nog een beetje return on investment. CCS is en blijft een lineaire compensatiestrategie. Boetedoening. Minder van het slechte.

Nieuwe identiteit

Meer van het goede doen is natuurlijk veel leuker en uiteindelijk levert dat ook veel meer op dan calvinistisch compensatiegedrag. In het begin van het jaar wensen we elkaar toch ook niet minder van het slechte, maar juist al het goede!

In dat licht vind ik het goede voornemen van AkzoNobel en Gasunie om in Delfzijl een groene waterstoffabriek te bouwen een hoopgevende stap. Ze willen een installatie ontwikkelen die, met een twintig megawatt waterelektrolyse-unit, duurzaam geproduceerde elektriciteit omzet in drie kiloton groene waterstof per jaar. De omzettingstechniek waarbij water met behulp van stroom wordt gesplitst in waterstof en zuurstof, wordt ook wel power-to-gas genoemd. Een definitief besluit over de bouw van de installatie wordt in 2019 verwacht.

Dergelijke projecten zijn ontzettend belangrijk om elektrochemische processen betaalbaar te maken. Nu nog zijn elektrolyzers duur en hebben ze nog maar een beperkte capaciteit. Zo heeft de geplande faciliteit een vermogen van twintig megawatt. De – tot nu toe – grootste geplande elektrolyse-unit in Nederland heeft een capaciteit van één megawatt. Het doel is om uiteindelijk installaties te kunnen bouwen die op nog grotere schaal (vanaf honderd megawatt) duurzame stroom converteren en opslaan in de vorm van waterstof.

Het effect is natuurlijk veel breder dan alleen waterstof. Een voorbeeld. Het eveneens in Delfzijl aanwezige BioMCN bindt sinds afgelopen jaar haar reststroom waterstof aan pure CO2 dat wordt afgevangen bij een biovergister. Daarmee wordt extra methanol gemaakt. In haar hoofdproces wordt methanol echter nog steeds gemaakt van aardgas en biogas.

Maar wat is er mooier als op den duur het bijproces van BioMCN het hoofdproces wordt? Op het moment dat er voldoende groene waterstof beschikbaar is en als CO2 dat uit schoorstenen in de nabije omgeving wordt afgevangen, niet eindigt als ‘onder-de-grond-stof’, maar een nieuwe identiteit krijgt als grondstof boven de grond.

Voor 2018 wens ik u oprecht heel veel meer van het goede!

 

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl
of via twitter : @wimraaijen

Cas König is nu bijna vijf maanden directeur van Groningen Seaports. Tijd voor een inhoudelijk gesprek over de koers van het havenbedrijf. Met project ‘ZERO’ is de toon sowieso al gezet. De Eemsdelta moet de groenste chemiehaven van Europa worden. ‘Bij de verschillende bedrijven leven al geweldige ideeën, die ze overigens niet of nauwelijks van elkaar wisten. En de spirit zit er bij de bedrijven echt in.’ 

Hij is een heel ander type dan zijn flamboyante voorganger Harm Post, is toch wel de algemene opinie over de nieuwe directeur van Groningen Seaports. Flamboyant is immers niet het eerste woord dat opkomt bij Cas König. Eerder bedachtzaam, maar toch zeker ook zeer gedreven en open als eenmaal het ijs is gebroken.

Kenmerkend was wellicht zijn reactie toen hij vanuit Groningen Seaports werd gevraagd om te solliciteren op de functie. Vanbinnen maakte hij een vreugdedansje: in deze functie komen industrie en beleid dicht bij elkaar. Voor hem een geweldige combinatie. Tegelijkertijd speelde echter zijn bedachtzame kant op. Hij vroeg zich af wat de consequenties zouden zijn als hij het onverhoopt niet zou worden. Het industriële wereldje in de Eemsdelta is klein. König: ‘Na twee weken belden ze me wat ongeduldig op. Of ik wel geïnteresseerd was. Dat was ik zeker, maar ik had juist die twee weken nodig om er eens goed over na te denken. Toen was ik er overigens ook wel uit.’

Een ander verschil met zijn voorganger is dat Cas König voor honderd procent uit de industrie komt, het zwaartepunt van de economie in de Eemsdelta. Een gedroomde kandidaat. Het profiel was gericht op iemand uit het bedrijfsleven en hij of zij moest gevoel hebben voor de regio. Dat was nog bewust wat breed gehouden. De stille hoop was er wel, maar de verwachting werd tevoren alvast wat getemperd. Groningse nuchterheid.

Gebak

Dat Cas König boegbeeld kan zijn, had hij al eerder bewezen. In 2013 werd hij landelijk verkozen tot Plant Manager of the Year van de procesindustrie. Een rol die hij met verve invulde. Ook in Groningen waren ze trots op hun Cas. Veel felicitaties en de regionale pers is er aardig mee aan de haal gegaan. Ook zijn nieuwe werkgever. Uit een interview met König in 2013 (Petrochem september 2013): ‘Om het succes te delen, hebben we de dag na de verkiezing op gebak getrakteerd. En weet je wat het leuke was? Twee dagen later zat iedereen weer aan het gebak. Deze keer van Groningen Seaports. De directeur van het havenbedrijf (Harm Post, red.) was ook een van de eersten die me de dag daarna feliciteerde.’ Voortekenen? ‘Het heeft zeker niet tegen me gewerkt. Bij elk gesprek in deze sollicitatieprocedure is de titel van 2013 wel voorbijgekomen.’

Urgentie

De aanstelling van Cas König legt direct de ambitie bloot van het industriële cluster in de Eemsdelta en het havenbedrijf in het bijzonder. Zo begon Groningen Seaports een paar maanden na de benoeming met het project ‘Zero’, het masterplan emissiereductie van Eemshaven. Daarmee geeft het aan een leidende rol te willen spelen in de transitie naar een CO2-arme toekomst. Dit jaar stelt het havenbedrijf samen met onder andere de aanwezige bedrijven en belangenorganisaties het masterplan op, met daarbij een routekaart en uitvoeringsstrategie. Op die manier moet de Eemsdelta de groenste chemiehaven van Europa worden.

Om daartoe te komen, organiseert het verschillende bijeenkomsten. König is blij met de gezamenlijke aanpak. ‘We moeten het vooral samen doen. Dan bereik je het meest.’ De eerste bijeenkomsten zijn inmiddels geweest. De nieuwe havendirecteur was vooral zeer positief verrast over de resultaten van een rondetafel begin november met industriële CEO’s uit de Eemsdelta. ‘Bij de verschillende bedrijven leven nu al geweldige ideeën, die ze overigens niet of nauwelijks van elkaar wisten. En de spirit zit er bij de bedrijven echt in. Geen discussie over of we wel aan de slag moeten, maar vooral over wat nodig is. De urgentie is bij iedereen duidelijk. We moeten echt vaart maken, want zoveel tijd is er niet.’

Fluctuaties

Hij voelt zich daarbij als een vis in het water. König staat er om bekend dat hij economie en ecologie aan elkaar wil verbinden. Dat was al duidelijk toen hij als directeur van ESD-SIC werd verkozen tot Plant Manager of the Year. König heeft in dat jaar regelmatig een lans gebroken voor energiebesparing en verduurzaming in productieketens. Over de hekken van bedrijven heen.

Ook gaf hij het goede voorbeeld bij ESD-SIC. Bij de producent van siliciumcarbide zijn onder zijn leiding economie en ecologie op verschillende manieren aan elkaar verbonden. Bijzonder aan het elektrochemische proces van het bedrijf is dat het snel kan worden in- en uitgeschakeld. In de tijd dat König er de scepter zwaaide, ging het bedrijf daar steeds handiger gebruik van maken door veel te produceren op winderige en zonnige dagen. Dagen met overschotten aan duurzaam geproduceerd energie. Niet alleen vergroende het bedrijf de productie daarmee aanmerkelijk, het hield tegelijk de energiekosten laag door slim te handelen op de energiemarkt. Toen al werd de basis gelegd voor een inspirerende samenwerking met energiebedrijf Engie, dat vorig jaar, een jaar na zijn vertrek bij ESD-SIC, tot stand kwam. Engie mag in avonden en weekenden het stuur bij de producent overnemen. Zodoende kan het bedrijf vraag en aanbod op het elektriciteitsnet meer in balans brengen. ESD-SIC is immers een grote afnemer van stroom, nummer acht in Nederland.

Een voorbeeld van een samenwerking die inmiddels navolging krijgt. Zo tekenden Nuon en AkzoNobel in december een flexibele stroomleverovereenkomst van 1,5 terrawattuur per jaar. Deze overeenkomst biedt de chemiereus mogelijkheden om de voordelen te benutten van flexibiliteit in chemische productie en de eigen elektriciteitsopwekking. Net als bij de samenwerking tussen Engie en ESD-SIC kan het energiebedrijf hiermee fluctuaties in het netwerk opvangen en kunnen beide partijen kostenvoordelen behalen.

tekst gaat verder onder de afbeelding
Cas König: ‘Groningen Seaports wil een leidende rol spelen in de transitie naar een CO2-arme 
toekomst.’

Cas König: ‘Groningen Seaports wil een leidende rol spelen in de transitie naar een CO2-arme toekomst.’

Gigantische energiebesparing

Toen Cas König ESD-SIC verruilde voor aluminiumsmelter Aldel bleef hij zoeken naar vernieuwingen met economische en ecologische voordelen. Daarbij kwam zijn ervaring met elektrochemische productieprocessen zeer van pas. De productie van aluminium uit aluinaarde gebeurt immers ook via elektrische processen.

Bij de aluminiumsmelter was König vooral enthousiast over een idee om het productieproces om te zetten naar een andere vorm van gelijkstroomaansturing. König: ‘Iemand rekende me voor wat het kan betekenen als we DC/DC-converters op al onze ovens zetten. Dat is echt indrukwekkend.’

Bij elke procesverstoring verslechtert momenteel de stroomvoorziening en in sommige gevallen gaat alles plat. Door in een stroomkring met DC/DC-converters te gaan werken, is elke oven apart uit te zetten, waardoor de rest gewoon door kan produceren. König: ‘De verbetering kan echt enorm zijn. Het proces wordt er veel stabieler van, er is veel meer uptime en de overgangsweerstand neemt af. Dat kan bij elkaar een gigantische energiebesparing opleveren.’

8.000 megawatt

Het heeft nog geen concreet project opgeleverd, maar het zal in zijn nieuwe positie als directeur van Groningen Seaports zeker zijn aandacht houden. ‘Op dit moment wordt intensief gewerkt om het project nader uit te werken. Maar we moeten het vooral ook breder trekken. In Delfzijl hebben we nog twee enorm grote elektriciteitsverbruikers, de chloorproductie bij AkzoNobel en de productie van siliciumcarbide bij ESD-SIC. Die kunnen ook profijt hebben van een gelijkstroom-hub. De kabel van NorNed ligt er al en Cobra wordt momenteel aangelegd. In beide gevallen leveren die gelijkstroom van groene stroomprojecten uit respectievelijk Noorwegen en Denemarken. Waarom niet in het ontvangstation een aparte verbinding voor gelijkstroom aanleggen, voordat het aan het bestaande net als wisselstroom wordt aangeleverd?’

Een gelijkstroom-hub in de Eemsdelta zou de regio op voorsprong kunnen zetten en het bedje kunnen spreiden voor mogelijk meer elektrochemische activiteiten. ‘Vergeet niet dat we in de Eemsdelta een unieke situatie hebben. Door NorNed, Cobra en de groei van windenergie op de Noordzee groeit de aanvoer van groene stroom hier enorm. Het gaat snel in de richting van 8.000 megawatt opgesteld vermogen in onze regio.’

Kunststoffen buisleiding

Het is niet zomaar een stokpaardje van de nieuwe havendirecteur. Elektrochemie kan ook de rol van groen waterstof versterken in Noord-Nederland. König: ‘Er wordt nog te gemakkelijk gezegd dat er voor waterstof enorme investeringen nodig zijn en dat die vooralsnog niet uitkunnen. Maar, we zullen wel moeten. Bovendien moeten we naar mijn inschatting met waterstof echt dezelfde richting op als met offshore-wind. De aanleg van nieuwe windparken wordt steeds goedkoper.’

Het is daarom van belang dat de eerste stappen worden gezet. Om de vliegwielen op gang te brengen. Zo is Groningen Seaports in november op het Chemie Park Delfzijl begonnen met de aanleg van een waterstofleiding tussen de chloorfabriek van AkzoNobel en een toekomstig waterstoftankstation. Het zal eerst om restgas gaan van de fabrieken. Vanaf dit jaar moeten twee waterstofbussen hier hun brandstof tanken. Ze gaan rijden tussen Delfzijl, Groningen en Assen. König: ‘Dat is niet het enige innovatieve. Speciaal hiervoor is een kunststoffen buisleiding ontwikkeld door techneuten van Groningen Seaports, waardoor de verbinding aanzienlijk sneller en goedkoper kan worden gelegd en de onderhoudskosten vele malen lager zijn dan bij traditionele leidingen. Dat is straks ook erg belangrijk bij het verder uitbreiden van de infrastructuur.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
‘Er wordt nog te gemakkelijk gezegd dat er voor waterstof enorme investeringen nodig zijn en dat die vooralsnog niet uitkunnen.'

‘Er wordt nog te gemakkelijk gezegd dat er voor waterstof enorme investeringen nodig zijn en dat die vooralsnog niet uitkunnen.’

Walsdraad

Om de ambities te halen, moet de Eemsdelta alle zeilen bijzetten. Zo is de inzet van biomassa ook belangrijk voor de vergroening van de chemie. Eerst nog vooral als brandstof, maar gaandeweg steeds meer als grondstof. Niet voor niets zit het havenbedrijf in een coalitie met Avantium, RWE, AkzoNobel en Staatsbosbeheer om de bouw van een bioraffinaderij mogelijk te maken.

König ziet ook veel in de mogelijkheden van recycling. Erg blij is hij met de voorgenomen investering van Purified Metal Company (PMC) in Delfzijl. Binnenkort wil PMC beginnen met de bouw van een fabriek voor verwerking van vervuild staalschroot. Het bedrijf heeft een nieuw procedé ontwikkeld om met asbest vervuild staalschroot te recyclen tot een hoogwaardige grondstof voor de staalindustrie. Hierbij verdwijnt de vervuiling en wordt fors CO2 bespaard ten opzichte van staal uit ijzererts. Het schroot wordt tot 1500 graden verhit, waardoor asbestvezels uiteenvallen in zand, glas en magnesiumoxide. Delfzijl is gekozen uit veertien locaties in Nederland. Belangrijk voor deze keuze is het grote aanbod van elektriciteit. De inductieoven die het bedrijf gaat bouwen verbruikt circa twintig megawatt aan elektriciteit per jaar.

Nog recenter is de investeringsaankondiging van Van Merksteijn, net voor kerst. De fabrikant van wapeningsproducten en hekwerkpanelen wil zelf walsdraad gaan produceren uit staalschroot. Daartoe wil het een fabriek bouwen met een investering van 250 tot 300 miljoen euro.

Ook voor de Tukkers is het grote aanbod van elektriciteit in de Eemshaven van groot belang. Voor de aan- en afvoer van staalschroot en walsdraad is bovendien een grote plek aan open water nodig. Speciaal daarvoor kocht het bedrijf 28 hectare aan in de nabijheid van de Magnum-centrale van Nuon en heeft het nog eens 30 hectare in optie genomen.

Vooroplopen

Vergroening van de chemie, circulaire ketens en ook de combinatie van energie en data zullen veel aandacht krijgen in het project ‘Zero’. Natuurlijk was de komst van Google een paar jaar geleden al een enorme opsteker. Maar wil de Eemsdelta ook op dit vlak groeien dan zullen investeringen in wind- en zonne-energie nog een vlucht moeten nemen. König: ‘Met name dit soort bedrijven willen oranjegroene energie. Dus duurzaam opgewekte energie van Nederlandse bodem. We hebben al eens een investering misgelopen omdat er nog niet voldoende lokaal was.’

En dan is daar natuurlijk Top Dutch, de noordelijke flirt met Tesla voor de bouw van een batterijenfabriek. ‘Natuurlijk zou het fantastisch zijn als een bedrijf met die allure zich bij ons gaat vestigen. Maar we moet ons daar niet op blindstaren. We wedden op meerdere paarden, maar uiteraard wel op bedrijven die vooroplopen met innovatie en vergroening. Die passen bij onze ambitie en groene havenvisie.’

Wie over de plant van kunstmestproducent Yara in Sluiskil rijdt, komt langs prachtige oude industriële gebouwen. Ook het oude laadgebouw voor ureum behoort daartoe. Maar hoe mooi zo’n stuk industrieel erfgoed ook is, efficiëntie gaat toch voor. Het gebouw uit 1929 met equipment uit de jaren zestig, was dringend aan vervanging toe. Eind 2017 is daarom een nieuw laadgebouw geopend. Komend voorjaar opent ook nog een nieuwe Ureum-8 granulatiefabriek, waarin kunstmestkorrels kunnen worden gemaakt.

Yara heeft de afgelopen zes jaar in Sluiskil maar liefst zevenhonderd miljoen euro geïnvesteerd in splinternieuwe installaties. De nieuwste aanwinsten zijn het laadgebouw voor ureum − de meest gebruikte kunstmeststof ter wereld − en de Ureum 8 granulatiefabriek met een capaciteit van 660.000 ton per jaar. In die laatste heeft de kunstmestproducent maar liefst 240 miljoen euro geïnvesteerd en het laadgebouw heeft 27,3 miljoen gekost.

Waarom investeert het Noorse moederbedrijf zoveel in deze productielocatie? Woordvoerder Gijsbrecht Gunter: ‘Iemand van het internationaal management zei eens: “Als je een fabriek bouwt in Sluiskil, dan weet je zeker dat hij gaat draaien.” Het is natuurlijk geweldig als je zo’n reputatie hebt. Een mooi voorbeeld is de Ureum 7 fabriek, een investering van 420 miljoen, die in 2011 is opgeleverd. Het team heeft die fabriek honderdtwintig procent boven de design capaciteit draaiende gekregen. En ze is bovendien meer dan zeshonderd dagen non-stop in bedrijf geweest. Het is niet de grootste ureumplant ter wereld, maar we hebben er wel de hoogste productie van de wereld mee gedraaid. Dat is heel knap.’

De kwaliteiten van de medewerkers zijn een belangrijke reden voor Yara om in Sluiskil te investeren, maar er zijn ook veel praktische redenen. De site ligt naast heel diep vaarwater en schepen zitten zo op de Noordzee. Daarnaast zijn de fabrieken aangesloten op hoogcalorisch Noordzeegas en op Gronings gas. Niet onbelangrijk, want de gasinname van het bedrijf is twee miljard kuub per jaar, waarvan tachtig procent als grondstof wordt gebruikt.

tekst gaat verder onder de afbeelding
Ureum 8 in aanbouw

Ureum 8 in aanbouw

Ureum 8

Ureum 8 en het nieuwe laadgebouw zijn een volgende strategische stap van Yara. De nieuwe fabriek is schoner dan haar voorganger, de priltoren Ureum 6 uit de jaren zeventig, en heeft een grotere productiecapaciteit. Bovendien wordt de uitstoot van stof hiermee site-breed tot de helft teruggebracht. Dit komt onder andere doordat de laatste priltoren wordt gesloten als de nieuwe fabriek open gaat en daarmee de stofemissie tot nul wordt gereduceerd.

De in de omgeving herkenbare gele priltoren zal niet langer worden gebruikt en verdwijnt dus op termijn. Hierin worden nu nog kleine korrels kunstmest gemaakt, prils geheten. Deze werden vroeger vaak op het land gebruikt, maar nu zijn grotere korrels meer in trek omdat die met strooimachines verder en gemakkelijker over het land zijn te verspreiden.

Pijpreactor

Bijzonder aan de nieuwe fabriek is de mogelijkheid om zwavel aan het ureum toe te voegen. Gunter: ‘Je ziet in de markt een stijgende vraag naar zwavelhoudende kunstmest. Vroeger kwam zwavel gewoon met regen uit de lucht vallen, maar dat wordt steeds minder door het gebruik van schonere brandstoffen. Bovendien kwam het natuurlijk niet alleen op landbouwgewassen terecht, maar ook overal waar we het juist niet willen hebben. In Ureum 8 gebruiken we een nieuwe technologie, de zogenoemde pijpreactor, waarmee we zwavelzuur aan het ureum kunnen toevoegen.’ Zwavel in de vorm van sulfaat is essentieel voor de groei van gewassen.

Met Ureum 8 en Ureum 7 kunnen er van de ruim 5.200 ton ammoniak die per dag op de plant wordt geproduceerd, verschillende producten worden gemaakt. Gunter: ‘Onze drie ammoniakplants zijn de backbone van de fabriek. Die ammoniak zouden we direct op de wereldmarkt kunnen verkopen, maar de kunst is om er producten van te maken zodat je meer toegevoegde waarde hebt. Dat doen we middels een ureumkant en een nitraatkant, met een deel salpeterzuur en CO2 die als industriële producten weggaan. Bijkomend voordeel van Ureum 7 is dat we minder ammoniak hoeven te exporteren over de Westerschelde. Dat verbetert de externe veiligheid, want die schepen moeten allemaal langs Vlissingen.’

Laadgebouw

In het nieuwe laadgebouw kan een miljoen kilo product (ureum, amidas en ureas) per uur worden verwerkt op twee transportlijnen van ieder 500 ton per uur. Het oude gebouw uit 1929 kon maar maximaal 350 ton per uur aan. Daarnaast gaat bijna alles in de nieuwe situatie volautomatisch.

Trots geeft Ruud Meima (production support engineer) een rondleiding. Hij is betrokken geweest bij de bouw en kent de nieuwe accommodatie op zijn duimpje. ‘Het gebouw maakt ons werk sneller en efficiënter’, vertelt hij als we buiten langs het volledig geautomatiseerde laadstation voor vrachtwagens lopen. ‘Vroeger moesten we het laden van vrachtwagens echt inplannen, want er moest altijd een operator met de vrachtwagenchauffeur mee. Nu kan er 24 uur per dag worden geladen en kan de chauffeur zelf beslissen wanneer hij komt. Het laden gaat veel sneller en wij hoeven er geen rekening mee te houden. We moeten er alleen voor zorgen dat er genoeg voorraad is.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Laadgebouw Yara Sluiskil vlak voor de afronding

Laadgebouw Yara Sluiskil vlak voor de afronding

Helemaal boven in het veertig meter hoge laadgebouw staan twee grote zeven, waar het product vanuit de silo op terecht komt. Grote stukken of juist te kleine korrels worden er hier uit gehaald, waarna het product in de bunker komt, gewogen wordt en via een transportband naar de kade wordt gebracht. Hier wordt het in schepen gestort die het naar de klanten brengen.

In het laadgebouw is het stoffig, al is dat niet meer te vergelijken met het oude gebouw. Stof is iets dat lastig te voorkomen valt volgens Meima, omdat het ureum vliegstof bevat. ‘Het is geen gevaarlijke stof. Voor het stof hebben we wel veel veranderd in het nieuwe gebouw. Om aan allerlei milieueisen te voldoen, hebben we overal ontstoffingsapparatuur op geplaatst. Hiermee kunnen we het ureumstof opvangen en weer gebruiken in ons product. In het oude laadgebouw was dit niet aanwezig en kwam het voor een deel in de omgeving terecht.’

Sneller, beter, goedkoper

Het laadgebouwproject is volledig in eigen beheer van Yara Sluiskil uitgevoerd en niet door het Yara-projectbureau uit Brussel zoals gebruikelijk is. Gunter: ‘Dat was voor het eerst en daar zijn we ontzettend trots op. Het project is helemaal binnen budget en planning gedaan door de collega’s in Sluiskil.’

De grootste uitdaging van dit project zat nog vóór de bouw. Yara Sluiskil moest het internationaal management ervan overtuigen dat een nieuw laadgebouw nodig was. Gunter: ‘Er was tenslotte al veel geïnvesteerd in nieuwe logistiek. Op zich werkte het oude gebouw nog wel. Maar om sneller, beter en goedkoper te kunnen werken, was een nieuwe accommodatie nodig. We moesten dus goed nadenken over de terugverdientijd en heel goed kijken wat we echt nodig hebben. De scope van het project is stevig neergezet.’ Nadat ze door verschillende decision gates waren, kregen ze groen licht voor de bouw. In september 2016 is daarop de eerste steen gelegd.

In maart van dat jaar werd al begonnen met de bouw van Ureum 8 en deze moest tegelijkertijd met het laadgebouw klaar zijn. Door onvoorziene omstandigheden is de oplevertijd van het project echter uitgesteld tot april 2018. Momenteel wordt men man en macht aan de afronding gewerkt.

Staking

Begin oktober kwam Yara voor een uitdaging te staan toen honderdvijftig werknemers van een onderaannemer van Ureum 8 hun werk stillegden. De medewerkers waren al lange tijd niet uitbetaald. Zij werkten onder andere aan de piping van de fabriek. De rest van de (onder)aannemers kon door hun staking ook niet door, waardoor al het werk grotendeels stil kwam te liggen. Gunter: ‘Zoiets is van te voren niet te voorspellen, het is echt wat je noemt overmacht. Wij werken met een hoofdaannemer, het Italiaanse Tecnimont. Deze partij stuurt zo’n honderd onderaannemers aan, waarvan er tijdens het project één door omstandigheden in de financiële problemen is gekomen. Hoewel we er niks aan kunnen doen dat deze medewerkers hun loon niet kregen, wordt het ons als Yara soms aangerekend en dat doet wel zeer. Wij zijn vergunninghouder en de fabriek wordt bij ons op de plant gebouwd, dus het is ook wel logisch dat men naar ons kijkt, maar eigenlijk niet terecht. Dat was het niet leuke van het project, maar het mooie is dat er nu een bijzondere plant staat, die bijna klaar is en waarbij zowel de toekomst van Yara Sluiskil als het milieu gebaat is.’

De hoofdaannemer heeft half oktober een nieuwe partner aangetrokken waardoor het werk kon worden hervat. De verwachting is dat de fabriek voor 1 mei operationeel is. Gunter is trots op wat er is bereikt en op het vertrouwen dat Sluiskil krijgt van het moederbedrijf. Als de fabriek klaar is, kan hij ook een nieuwe luchtfoto laten maken voor in zijn kantoor. De foto die er hangt, is in 2012 genomen, maar klopt toch helemaal niet meer. Door de vele investeringen is de site al flink veranderd.

Feiten en cijfers

infographic

Amerika is hard op weg een grote exporteur van LNG te worden. Door het grote aanbod en de lage prijs worden de klanten niet alleen talrijker, maar ook machtiger. 

In februari 2016 vertrok een LNG-tanker van de Chenière Energy Sabine Pass-installatie in de Amerikaanse staat Louisiana richting Portugal. Het was bijzonder, voor het eerst exporteerde een Amerikaanse site uit een andere staat dan Alaska LNG.

Kenai LNG, een vijftig jaar oude installatie in Alaska, was tot 2016 de enige Amerikaanse installatie voor de export van LNG, maar gaat nu ten onder aan concurrentie van de nieuwe plants. Eigenaar ConocoPhillips kan er geen koper voor vinden en heeft daarom besloten de verouderde Kenai in de mottenballen te stoppen.

In de steigers

In december 2017 ging ook Cove Point, een LNG-fabriek van Dominion Energy, in Maryland van start. Voor 2020 zullen waarschijnlijk nog eens vier nieuwe Amerikaanse LNG-installaties in gebruik worden genomen. Alle zes LNG-plants van de ‘first wave’ kunnen dan samen per jaar zo’n zeventig miljoen ton product produceren. Daarmee hebben de VS na Qatar en Australië de grootste capaciteit om LNG te exporteren.

En daarmee is de kous nog niet af. Volgens de US Energy Information Administration staan er in de VS nog eens twintig LNG-projecten in de steigers. De Canadese plannen voor een gigantische LNG-terminal in British Columbia zijn wel van de baan.

Technologische innovaties

Adviesbureau Capra Energy voorspelt dat in de komende vijf jaar wereldwijd honderdveertig miljoen ton per jaar aan nieuwe LNG-capaciteit onstream komt, waarvan de helft in de VS. Het is mogelijk dat de VS binnen tien jaar de grootste exporteur van LNG zullen zijn. Dat is opzienbarend voor een land waar men acht jaar geleden alleen nog dacht aan het importeren van gas.

De schaliegasrevolutie is de drijvende kracht achter de Amerikaanse export. Ondanks een daling van de productie ten opzichte van 2015, veroorzaakt door een lage gasprijs op de binnenlandse markt, waren de VS in 2016 voor het zesde opeenvolgende jaar de grootste producent van aardgas in de wereld. Amerika produceert aanzienlijk meer gas dan het zelf nodig heeft.

Er is vaak voorspeld dat het schaliegas door de hoge kosten van het ‘fracken’ een vlam in de pan zou zijn. Het tegendeel blijkt waar. Dankzij technologische innovaties, zoals betere 3D-modelering en betere boortechnieken, slagen de gasproducenten er in steeds hogere percentages van het gas uit leisteenformaties te persen en de kosten te drukken tot vier dollar per miljoen BTUs (British Thermal Unit, eenheid van energie, red.).

(c)BP

(c)BP

Megaprojecten

Amerikaanse petrochemische bedrijven en andere sectoren hadden gehoopt dat de overheid de export van gas aan banden zou leggen. Ze vrezen dat de export van LNG een einde zal maken aan een periode van supergoedkope energie. President Trump wil echter zoveel mogelijk aardgas, steenkool en olie exporteren zodat de Amerikaanse handelsbalans er florissanter uit gaat zien.

Ook Australië zal in de komende jaren de productie van LNG aanzienlijk opvoeren. Dat komt vooral door het in gebruik nemen van megaprojecten zoals het Gorgon-veld en Shells drijvende LNG-platform Prelude. De Australische export bedroeg in 2015 52 miljoen ton. Reuters voorspelt dat dit in 2018 74 miljoen ton zal zijn.

Klanten en prijs

Omdat er in de komende jaren zoveel LNG-capaciteit bijkomt, is er volgens Tamir Druz, een analist van Capra Energy, nu sprake van een ‘buyers market’, de klant is koning. Het zal daarom voor de tweede golf van Amerikaanse LNG-installaties moeilijk, zo niet onmogelijk, zijn afnemers te vinden die langlopende contracten willen sluiten.

De bouw van LNG-capaciteit is enorm duur. Chevron, Exxon en Shell hebben naar verluid meer dan vijftig miljard dollar gestoken in het Australische Gorgon-project. Ook de bouw van import- en exportterminals loopt in de honderden miljoenen euro’s. De bouw van de Gate-terminal in de haven van Rotterdam kostte achthonderd miljoen euro.

De financiers en bouwers van LNG-installaties hebben zich altijd tegen de grote financiële risico’s kunnen indekken door het afsluiten van langlopende contracten. Met contracten van vijftien tot twintig jaar kon een aanzienlijk deel van het risico doorgeschoven worden naar de afnemers van het gas. Die tijd lijkt voorbij.

De prijs van LNG staat ook onder druk door ontwikkeling van de spotmarkt. Dit is een deel van de markt waar levering en betaling zeer kort na het afsluiten van de transactie plaatsvinden. Volgens de International Gas Union werd in 2000 niet meer dan vijf procent van alle LNG verhandeld via kortlopende contracten. In 2016 bedroeg dit reeds 28 procent.

De plannen voor de eerste golf van Amerikaanse LNG-installaties werden gemaakt in 2012 toen Japan nog achttien dollar per miljoen BTU betaalde voor LNG. De vloer in de markt ligt sinds het einde van 2016 op vijf dollar per miljoen BTU. In oktober 2017 betaalden Japanse LNG-importeurs op de spotmarkt 8,5 dollar per miljoen BTU.

Beperkende bepalingen

Het groeiende aanbod van LNG geeft afnemers meer macht. Petronet LNG, een Indiase joint-venture voor de import van LNG, bedong in september 2017 bij Exxon een verlaging van de prijs voor het gas dat het over een periode van twintig jaar afneemt van het Gorgon-project. De Indiase gas-utility Gail wil nu het contract dat het in 2013 afsloot met Cove Point openbreken om ook een lagere prijs te betalen in ruil voor een grotere afname.

De kopers van LNG slikken allerlei beperkende bepalingen niet langer. Tokyo Gas, een bedrijf dat jaarlijks veertien miljoen ton LNG importeert, kondigde in oktober 2017 aan niet langer contracten te zullen tekenen waarin de doorverkoop van het gas aan banden wordt gelegd. Verder wil dit bedrijf het aandeel LNG dat het koopt op de spotmarkt verhogen van twintig naar dertig procent.

China, de grote koper

Japan, Zuid-Korea, China, India en Taiwan zijn momenteel de vijf grootste importeurs van LNG. Samen zijn ze goed voor zeventig procent van de markt.

De verwachting is dat zowel West-Europa als Japan op de lange termijn minder gas zullen gebruiken. Wie gaat dan al die extra LNG wel afnemen? Dat zullen volgen de Berkeley Research Group vooral China, India en Zuid-Korea zijn. Daarbij voegt zich een groep kleinere landen die zich aandienen als nieuwe afnemers.

Het gebruik van aardgas steeg in China in 2016 met vijftig procent ten opzichte van het jaar daarvoor. China maakt ernst met het bestrijden van de gigantische luchtvervuiling en is daarom gedwongen kolencentrales te sluiten. Gas is dan nodig om schonere elektriciteit op te wekken met minder emissies.

Het Internationale Energie Agentschap verwacht dat het gebruik van gas in China tot 2022 ieder jaar met 8,2 procent zal toenemen. Hoe groot de import van LNG zal zijn, hangt af van de binnenlandse productie. Wanneer in 2018 of 2019 een gasleiding vanuit Rusland in gebruik wordt genomen, kan China Gazprom en de LNG-leveranciers tegen elkaar uitspelen om een lagere prijs te bedingen.

Volgens Tamir Druz is ook Zuid-Korea een groeimarkt. De nieuwe Koreaanse president Moon Jae-in is een fervent tegenstander van zowel steenkool als kernenergie. LNG blijft dan, naast hernieuwbare energie, over als enige optie.

(c) Skangas

(c) Skangas

Aan land

Het aantal landen dat LNG importeert is volgens het Internationale Energie Agentschap tussen 2005 en 2016 gegroeid van 15 naar 39. Door de lage prijs is de import van LNG zeer aantrekkelijk voor economieën in Afrika en Latijns-Amerika die schreeuwen om energie en voor landen als Polen en Litouwen die niet afhankelijk willen zijn van Russische gasleveringen.

Het probleem met de nieuwe klanten is dat ze vaak geen LNG-terminals hebben en ook geen distributienetwerken voor het gas. Het Texaanse bedrijf Excelerate Energy verhuurt daarom offshore LNG-installaties (floating storage and regasification units of FSRU’s) die LNG omzetten in gas en dan via een leiding naar de kust brengen.

Grote leveranciers van LNG hebben natuurlijk ook de optie om nieuwe klanten te helpen bij de financiering van importfaciliteiten. Zo onderzoekt Shell de mogelijkheid om samen met het Nigeriaans bedrijf Shoreline Energy driehonderd miljoen dollar te investeren in Nigeria om daar LNG aan land te kunnen brengen.

Nederland wordt importeur

De Nationale Energieverkenning van 2016 gaat er van uit dat Nederland door het afbouwen van de gaswinning in Groningen in 2030 een netto-importeur van gas zal zijn. Kennisinstituut TNO kwam echter in augustus 2017 op de proppen met een scenario waarin Nederland misschien al in 2021 meer gas importeert dan exporteert. Dit zou kunnen gebeuren wanneer de publieke opinie gaswinning in Groningen onmogelijk maakt.

Gas wordt in Nederland en andere Europese landen gezien als een transitiebrandstof. De bedoeling is dat Nederland op de lange termijn helemaal van het gas afraakt. Hoe snel dat zal gaan weet niemand. Zolang hernieuwbare bronnen te weinig energie produceren, zal Nederland vooral afhankelijk zijn van gas uit Rusland en Noorwegen. Dankzij de Gate-terminal in Rotterdam is LNG ook een optie.

Het probleem is dat vrijwel alle cv-ketels, boilers en gasfornuizen in Nederland gebruik maken van laagcalorisch gas. Op de internationale markt is alleen het hoogcalorische gas te koop dat in Nederland alleen wordt gebruikt door bedrijven en gascentrales. Nederland kan laagcalorisch gas maken door stikstof toe te voegen aan het hoogcalorische gas.

Dankzij de terminal in Rotterdam is LNG een alternatief voor de import van Russisch gas. Dat kan hard gaan. In 2014 importeerde Nederland slechts één miljard vierkante meter LNG (LNG omgerekend naar gasvorm). In 2015 bereikte reeds 2,5 miljard vierkante meter Nederland. Nederland is een van de weinige landen in de wereld waarin de rol van gas in het opwekken van elektriciteit is teruggedrongen door steenkool. Ons land is daardoor onverhoeds de belangrijkste importeur van Amerikaanse steenkool geworden. Dat zal niet lang duren. In het regeerakkoord van Rutte III staat dat alle kolencentrales in 2030 gesloten moeten zijn.

Teake Zuidema woont in de Verenigde Staten en schrijft over alle mogelijke ontwikkelingen op het gebied van techniek en wetenschap.

Openingsfoto: PG&E Green Energy

Als ik midden december Wouter De Geest (CEO van BASF Antwerpen) tref voor onze columnbabbel heeft hij er drukke dagen opzitten. Anderhalve maand al zet hij alle zeilen bij om de Belgische beleidsmakers duidelijk te maken dat een volledige kernuitstap in 2025 wel eens nefast zou kunnen zijn voor de industrie van België. Hij vreest, bij gebrek aan een becijferd plan, voor de competitiviteit van de energie-intensieve industrie. Wat is er aan de hand?

Subsidiëringstraatje

In 2003, en dat is veertien jaar geleden, beslist een paarse federale regering (liberalen en sociaal-democraten) om in 2025 het land kernenergievrij te maken. Deze belofte wordt in 2015 herbevestigd door de huidige Belgische federale coalitie, waarin de sociaal-democraten zijn vervangen door de christen-democraten en de Vlaams Nationalisten (centrum-rechts). De uitstap wordt zelfs verankerd in een wet. In november 2017 herbevestigt de politieke wereld in Brussel de kernuitstap en wordt een zogenaamd Energiepact afgesloten tussen vier energieministers, één federale en drie gewestelijke, want het energiebeleid in Belgenland is een ‘beetje’ verkaveld. Wind en zon moeten de kernenergie vervangen.

Op dat moment schiet Wouter De Geest uit zijn krammen. Ondanks zijn contacten in de politieke wereld als voorzitter van de Belgische federatie voor life sciences (Essenscia) verschijnt hij met interviews in de media om duidelijk te maken dat het Pact geen implementatieplan voorziet, waardoor de volledige kernuitstap in 2025 echt een ‘black out’ kan veroorzaken.

De Geest: ‘Vooreerst hebben we er geen probleem mee dat we kernenergie verlaten en zoeken naar alternatieven. Wat me ongelofelijk stoorde, maar ook sterk verontruste in de Belgische aanpak, is dat er sinds 2003 niets, maar dan ook niets, is gebeurd om die kernuitstap in route te brengen en een alternatief traject uit te tekenen met haalbare én betaalbare doelstellingen. Onze eerste bekommernis is leveringszekerheid van de energiebevoorrading. Op dit moment komt nog meer dan vijftig procent van de stroomvoorziening in België uit kernenergie. Als we tegen 2025 alle kerncentrales willen sluiten, moeten we alternatieven hebben en voor liefst 3600 megawatt capaciteit. Met de windprojecten op de Noordzee en de zonnepanelenpromotie krijgen we dat gat niet gedicht. Gascentrales kunnen helpen, maar ongeveer één per jaar bouwen – zoals experts becijferden – met alle nodige investeringsplannen en vergunningsprocedures is onhaalbaar. Bovendien zijn er niet meteen energiegroepen die zomaar bereid zijn om in dure gasgestookte centrales te investeren en dan raken we in het subsidiëringstraatje. En als we dan toch de subsidieweg moeten kiezen, wat gaat dat de energieverbruikers kosten? Wat is betaalbaar? Het Energiepact geeft daar geen duidelijkheid over.’

Europees beleid

Voor Wouter De Geest heeft de politieke elite in België nagelaten om een duidelijk traject uit te tekenen en heeft ze de consequenties, ook qua kosten, vooruitgeschoven. ‘Pijnlijke besluitloosheid’, noemt hij het en hij verwijst naar de Duitse aanpak waar kanselier Merkel na de kernramp in Fukushima (eind 2011) de Duitse kernuitstap op de agenda zette en die meteen ook liet plannen. Eerst door de vervuilende bruinkoolcentrales meer te laten draaien, maar ze geleidelijk te vervangen door alternatieve energie (vooral wind en zon). Met voldoende duurzame investeringen kan Duitsland nu de bruinkoolcentrales beginnen afbouwen. ‘Ze hadden een routeplan en hebben het consequent gevolgd. Hebben we in België niet. Daarom pleiten wij voor het tijdelijk operationeel houden van de twee jongste kerncentrales. Als onze overheden voldoende hadden geluisterd naar onze stellingen en onze bekommernissen, dan hadden ze hun deadline gehaald.’

Heeft dat dan concrete gevolgen, wilde ik aan het einde van het gesprek nog weten. De Geest: ‘Begin december kostte 1 megawattuur in Duitsland amper 15 euro dankzij de overvloedige windenergie, bij ons in België lag die prijs op 57 euro. Energiebevoorrading en concurrentiële energieprijzen behoren tot de essentiële randvoorwaarden waarbinnen industriële activiteiten moeten gedijen. De kernuitstap is dus misschien wel haalbaar, maar of hij ook betaalbaar is, baart me zonder goed plan grote zorg. Wij moeten blijven gaan voor een Europees beleid, gebruikmakend van de sterktes van iedere lidstaat op het vlak van hernieuwbare energie. Onze uiteindelijke doelstelling wordt bepaald door de afspraken over het klimaat.’

Terwijl de Nederlandse politiek het afgelopen jaar met veel moeite een kabinet wist te vormen, is op initiatief van het Petrochem platform ‘het Schaduwkabinet van de Industrie’ geïntroduceerd. Wat vinden de schaduwministers en de schaduwpremier van het regeerakkoord? Sluit het aan op hun visie over hoe de industrie kan bijdragen aan het versterken van de BV Nederland?

Vorig jaar bleek uit de pleidooien van onze schaduwministers die werden gehouden tijdens Deltavisie 2017 dat de procesindustrie groener is dan menig politicus zal verwachten. De leden van het schaduwkabinet vinden CO2-reductie een absolute must. Verduurzamen vraagt echter om consistentie en een belangrijke basis ligt in innovatie, onderzoek en techniekonderwijs. Wat zegt het regeerakkoord hierover? Deelt ons schaduwkabinet het gedachtegoed van Rutte III ‘Vertrouwen in de toekomst’?

‘Merkwaardig dat doelstellingen zwaar leunen op CO2-opslag’

Gerrit-Jan van de Pol, algemeen directeur van GMB, trad vorig jaar aan als schaduwminister Klimaat en Energie, een zelfbedachte ministerspost. Hij pleitte er vorig jaar voor om CO2-reductie en circulaire innovaties te stimuleren met subsidies en belastingen.

Van de Pol is blij met de duidelijkheid over een aantal zaken in het regeerakkoord zoals de sluiting van kolencentrales uiterlijk in 2030 en het stoppen van de subsidiëring van bijstook van biomassa in kolencentrales na 2024. ‘Ik vind het een moedig besluit om de kolencentrales te sluiten nadat daar nog niet zo lang geleden in is geïnvesteerd.’

Schaduwkabinet van de industrie

Gerrit Jan van de Pol

Merkwaardig
Over andere zaken is Van de Pol minder te spreken. ‘De doelstellingen van de regering zijn tamelijk ambitieus, ze wil de uitstoot van broeikasgassen in 2030 halveren (ten op zichte van 1990, red.). Maar dit streven leunt zwaar op de opslag van CO2 en dat vind ik merkwaardig. Initiatieven om dat te doen, zijn al eens gestrand. Er is dus weinig maatschappelijk draagvlak voor. Technisch kan de opslag wel, maar het is geen structurele oplossing voor CO2-reductie. Ik zou liever zien dat het geld dat hierin wordt gestopt, wordt gebruikt voor structurele maatregelen zoals het versnellen van alternatieve energiebronnen. Investeer in elektrificering van de Rotterdamse industrie en zorg dat elektriciteit uit duurzame bronnen zoals wind, zon en waterstof komt.’

Circulariteit
Vorig jaar pleitte Van de Pol ervoor dat de regering CO2-reductie en circulaire innovaties moet stimuleren met subsidies en belastingen. Hij vindt dat er een investeringsprogramma voor duurzame energie moet komen met een horizon van twintig jaar, zodat bedrijven de zekerheid hebben dat ze kunnen investeren in duurzame energie. ‘Zo’n investeringsprogramma zie ik niet terugkomen in het regeerakkoord’, zegt Van de Pol. ‘Daarin staat alleen redelijk vaag aangegeven dat de SDE+ (subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie, red.) ook gebruikt gaat worden voor de opslag van CO2. Dat is jammer, want die subsidie kan je beter gebruiken voor bijvoorbeeld waterstofopwekking. Er zijn verschillende initiatieven en routes om dat te bereiken.’

Om bedrijven te helpen om alternatieven te zoeken voor fossiele brandstoffen pleitte Van de Pol er ook voor om de Innovatiebox te verbreden om daar ook de circulaire economie mee te simuleren. ‘Fiscale maatregelen zijn niet geconcretiseerd. De SDE+ staat er wel in en de Innovatiebox blijft zoals hij is, net als de WBSO (fiscale regeling voor R&D, red.), maar er zijn geen nieuwe regelingen. Om bedrijven te laten innoveren moet er meer gebeuren, bijvoorbeeld door circulariteit ook onderdeel te maken van de Innovatiebox.’

Uitbreiden maatregelenpakket rond CO2-reductie

Schaduwminister Gert-Jan de Geus van Economische Zaken heeft vorige maand al uitvoerig zijn mening gegeven over het nieuwe kabinetsbeleid. In het hoofdinterview in Petrochem liet hij weten dat het kabinet keuzes maakt waar hij helaas niet volledig achter kan staan. Toch is de CEO van OCI Nitrogen wel blij met de duidelijkheid. ‘Het is voor de industrie vooral belangrijk om te weten waar we aan toe zijn.’

Als schaduwminister van Economische Zaken stelde hij tijdens Deltavisie 2017 dat op het gebied van energie en milieu alleen nog gestuurd dient te worden op CO2-reductie. ‘Dat is het grotere doel dat we met ons allen na willen streven en de rest is daarvan afgeleid.’

Op zich is De Geus er blij mee dat het nieuwe kabinet meer aandacht heeft dan voorheen voor CO2-reductie. Zo is hij een voorstander van CCS, de opvang en opslag van CO2, maar vindt hij het jammer dat alleen voor opslag onder de Noordzee wordt gekozen. ‘Nu profiteren alleen Rotterdam en Amsterdam daarvan, terwijl de bedrijven op Chemelot er weinig mee kunnen. Ik had daarom ook graag de mogelijkheid gezien van CCS op land. Maar goed, het is een heldere keuze en daar kunnen we ten minste rekening mee houden.’

Schaduwkabinet van de industrie

Gert Jan de Geus

Extra belasting
Bovendien is het maatregelenpakket wat hem betreft nog niet compleet. Hij ziet naast CCS ook veel mogelijkheden voor CCU, Carbon Capture en Usage, maar de huidige regering lijkt er nog weinig weet van te hebben. ‘Wat gebeurt er als we er in slagen CO2 als grondstof in te zetten? Bijvoorbeeld door het voor langere tijd te binden in melamine, wat onder meer langdurig wordt verwerkt in laminaatvloeren en keukenbladen. Mogen we dat dan aftrekken van onze CO2-footprint? Daar is nog niet over nagedacht.’ Tijdens het congres Industrie & Energie, waar de Geus in december sprak, kwam CCU ook ter sprake. Hoge EZ-ambtenaar Marian Hopman reageerde dat CCU zeker onder de aandacht staat van het ministerie, maar dat het onderwerp nog meer uitwerking behoeft.
De Geus pleit ook voor een CO2-belasting op ingevoerde producten. ‘CO2-protectionisme? Ja, laten we het zo noemen. Stel, er komen goedkope alternatieven van onze producten uit bijvoorbeeld Rusland, dan moeten we extra belasting heffen als die met veel meer CO2-uitstoot zijn geproduceerd dan hier.’

Gezamenlijk onderzoeken
De Geus ziet overigens wel wat positieve ontwikkelingen bij Economische Zaken. ‘Het ministerie wil graag in gesprek komen met de twaalf grootste uitstoters van CO2 in Nederland, om gezamenlijk te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Naast de raffinaderijen, grote chemiebedrijven als Dow en Akzo, horen de kunstmestfabrikanten, Yara Sluiskil en wij, daar ook bij.’ De Geus hoopt en verwacht dat daarbij uitbreiding van de CO2-maatregelen, groen waterstof en elektrochemie ook op tafel komen.

‘Gouden driehoek van over-heid, bedrijfsleven en kennis’

Vanuit haar rol als schaduwminister van Sociale Zaken pleit Sandra de Bont (directeur Votob) voor één toezichthouder voor BRZO-bedrijven. ‘Iemand die over zowel de goede- als verbeterpunten van bedrijven zou rapporteren. Het toezicht zou hiermee eenduidig worden met een reëel beeld van de BRZO-bedrijven.’ Helaas was dit voor het huidige kabinet een brug te ver. Maar De Bont heeft goede hoop. ‘Ze willen wel richting de spreekwoordelijke brug. De diverse inspecties krijgen namelijk de opdracht om beter samen te werken. Laten we hopen dat deze samenwerking leidt tot die ene toezichthouder.’

Schaduwkabinet van de industrie

Sandra de Bont

De Bont is blij dat deze nieuwe regering geld vrij maakt voor een betere samenwerking tussen bedrijfsleven en scholen. In het regeerakkoord staat dat het topsectorenbeleid (gericht op samenwerking van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid) sterker zal worden gefocust op de economische kansen die de volgende drie maatschappelijke thema’s bieden: energietransitie, landbouw, hightech. ‘We vroegen om samenwerking en steun en hebben dit ook gekregen, maar uit de praktijk zal moeten blijken of die kansen ook echt worden benut.’

Is Nederland op weg naar de derde Gouden Eeuw waarin overheid, bedrijfsleven en kennis zullen floreren als nooit tevoren? ‘We zullen zien. Als we bereid zijn om volop samen te werken en eenheid en trots uitstralen, dan komen we een heel eind.’

‘Ministerie van EZK moet richting geven’

Helaas is er geen ministerie van Innovatie in het leven geroepen. In dat geval zouden de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Economische Zaken en Klimaat (EZK) nauw moeten gaan samenwerken om gezamenlijk innovatie na te streven. ‘Dat laatste ministerie zou daarin leidend moeten zijn’, vindt Marco Waas. ‘Zij moet richting geven zodat de doelstellingen vanuit dit ministerie ook worden nagestreefd binnen het onderwijs en onderzoek.’

Schaduwkabinet van de industrie

Marco Waas

Global warming

In het regeerakkoord staat onder andere dat er een nationaal klimaat- en energieakkoord komt waarmee met alle partijen de CO2-uitstoot fors verlaagd gaat worden. Er is driehonderd miljoen euro gereserveerd voor CO2-reducerende maatregelen. Bovendien wordt de SDE+ regeling (en de daaraan gekoppelde opslag duurzame energie) voortgezet en verbreed. Waas: ‘Uit een rapport van de VN blijkt dat met de plannen die alle landen nu hebben, het afgesproken ‘twee-graden-doel’ uit Parijs nog lang niet in zicht komt. Het jaar 2020 komt echt heel snel dichterbij.’
Dat de Verenigde Staten nu een president hebben die hard roept dat ‘there is no such thing as global warming’ heeft volgens Waas wel effect. ‘Een positief effect zou ik willen zeggen. Hoe harder hij dit roept, hoe meer landen en individuele CEO’s opstaan en juist besluiten om nog een tandje harder te gaan lopen.’

Kansen zien

Voor het kabinet, dat de belangen van alle Nederlanders moet behartigen, lijkt er een discrepantie te zijn tussen enerzijds robotisering en innovatie en anderzijds de werkgelegenheid. In het regeerakkoord staat letterlijk: ‘Waar de een kansen ziet in robotisering, globalisering en innovatie, vrezen anderen voor hun baan en voor die van hun kinderen.’ Waas erkent dat de implementatie van nieuwe technieken banen kan gaan kosten. ‘Maar we moeten vooral focussen op de kansen. Nieuwe technieken kunnen het werkzame leven ook verbeteren en vergemakkelijken.’ Hij geeft een voorbeeld: ‘Nu draaien mensen nachtdiensten terwijl is gebleken dat dit ongezond is. Hoe kan techniek ons helpen om het aantal nachtdiensten of de zwaarte hiervan terug te dringen?’ Wel is nieuwe kennis nodig om met nieuwe systemen om te gaan. ‘We moeten nu aan de slag met het opleiden van mensen voor die nieuwe toekomst.’

Faciliterend en stimulerend

Jeroen van Woerden

Jeroen van Woerden

Schaduwpremier Jeroen van Woerden (sinds oktober werkzaam als managing director van Clondalkin Flexible Packaging) vindt dat het kabinet Rutte III best wat scherpere keuzes had kunnen maken. ‘Om die 49 procent CO2-reductie te kunnen halen, is meer nodig dan de algemene maatregelen die het kabinet nu voorstelt.’ Van Woerden hoopte dat het kabinet richting de industrie een faciliterende en stimulerende rol zou gaan spelen. ‘De industrie kan veel zelf, maar heeft hulp nodig van de overheid op het gebied van infrastructurele en facilitaire maatregelen. Ik denk bijvoorbeeld aan de aanleg van pijpleidingen en het opleiden van een nieuwe generatie van wetenschappers.’ In het regeerakkoord staat dat milieuvervuilend gedrag wordt beprijsd, onder andere door de invoering van een CO2-minimumprijs en een hogere belasting op het storten en verbranden van afval. Van Woerden: ‘De lat ligt hoog en dat is goed, maar ik had liever gezien dat tijd, geld en energie wordt gestoken in het ondersteunen van de frontrunners in plaats van deze bestraffende maatregelen. Nu zitten we tussen twee vuren: enerzijds de dwingende kant van de overheid en anderzijds de marktkant waarin we concurrerend moeten blijven opereren.’

Hij pleit alsnog voor de aanstelling van een Nationaal Industrie Coördinator. ‘Iemand die ervoor zorgt dat de bottlenecks worden weggehaald. Iemand die een rol speelt in het opzetten van grensverleggend onderzoek naar bijvoorbeeld nieuwe filtertechnieken, nieuwe verwerkingstechnieken, alternatieve materialen en kansen op het gebied van bio-industrie die ons veel gaat brengen mits de keten wordt ondersteund.’ Kortom, Van Woerden hoopt dat de overheid alsnog de handschoen oppakt om de industrie te faciliteren en stimuleren.

In het komende jaar nemen diverse raffinaderijen nieuwe, imposante installaties in gebruik. Daarnaast verrijzen er in Rotterdam en Antwerpen vele opslagtanks in allerlei soorten en maten. Ook in de chemie wordt een aantal grote projecten dit jaar opgeleverd, en er liggen er meer in het verschiet. Het wordt een spannend jaar.

De Europese raffinagesector heeft het zwaar. De vraag naar olieproducten vlakt af, er is sprake van overcapaciteit en de import van reeds geraffineerde producten groeit. De Europese raffinage is sinds 2008 al twee miljoen vaten per dag aan capaciteit kwijtgeraakt.

Bovendien geldt voor de raffinaderijen in Rotterdam en Antwerpen dat de kosten voor energie en personeel hoog zijn en dat de installaties al flink op leeftijd zijn. Daarnaast zullen raffinaderijen moeten anticiperen op nieuwe regels voor scheepsbrandstoffen. Vanaf januari 2020 geldt dat de toegestane hoeveelheid zwavel in brandstof voor de scheepvaart wordt beperkt tot 0,5 procent.

Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, moeten raffinaderijen investeren, en dat doen ze bijna allemaal. Zo investeerde Total bij elkaar 1,1 miljard euro om het complex in Antwerpen te moderniseren en de concurrentiepositie ervan te versterken. Eind vorig jaar werden de nieuwe eenheden, die voortkwamen uit het omvangrijke project, officieel geopend. Het ging om een deasfalterings-installatie en een hydrokraker om de productie van lichte producten te verhogen en te voldoen aan de strengste milieunormen. Daarnaast bouwde Total een eenheid voor de recuperatie van rijk gas dat in de raffinaderij wordt geproduceerd. Daar worden nu weer grondstoffen van gemaakt.

Tevens zijn de twee stoomkrakers en de logistiek van de site aangepast om ethaan te kunnen invoeren en verwerken. De stoomkrakers van Antwerpen kunnen voortaan tot zestig procent voordelige grondstoffen uit gas verwerken, waarvan de prijzen een stuk lager liggen dan die van nafta uit aardolie.

Flexibiliteit

Ook Shell investeert in een project om de flexibiliteit van de raffinaderij verder te vergroten. Het concern bouwt in Pernis een solvent deasphalter (SDA). De SDA verwijdert zwaardere fracties uit aardolie, zodat de raffinaderij een groter deel van de ruwe aardolie kan verwerken tot lichtere, hoogwaardige producten. De nieuwe eenheid zal de totale verwerkingscapaciteit van de raffinaderij niet vergroten, maar zorgen voor een andere samenstelling van het productportfolio. Als alles volgens plan verloopt, kan Shell de SDA dit jaar in gebruik nemen.

Dat laatste zal zeker gelden voor de nieuwe installatie die ExxonMobil in Antwerpen heeft gebouwd. Begin dit jaar start het concern de delayed coker unit (DCU) op, een kraker die zware, hoogzwavelige restolie omzet in schonere olieproducten en transportbrandstoffen. De bouw van de DCU begon al in 2014 en kost in totaal ruim één miljard dollar.

Hetzelfde bedrag investeert ExxonMobil in zijn raffinaderij in Rotterdam. Daar breidt het concern de hydrocracker-installatie uit. De nieuwe installatie gaat zwaardere producten omzetten in schonere eindproducten, zoals hoogwaardige basisolie voor een nieuwe generatie smeermiddelen en ultra-laagzwavelige diesel. In april vorig jaar verrees al het hoogste en grootste onderdeel van de nieuwe hydrocracker op het raffinaderijcomplex, namelijk de vacuüm fractionatietoren van maar liefst vijftig meter hoog. De fractionatietoren kan producten onder lage druk scheiden, zodat minder energie nodig is in het verdere proces. Ook dit project wordt in 2018 afgerond.

Shell Pernis (c) Shell

Shell Pernis (c) Shell

Upgrade Gunvor

De tweehonderd miljoen dollar die Gunvor investeert in haar Rotterdamse raffinaderij is vooral bedoeld voor een upgrade. Het bedrijf kocht de raffinaderij in 2016 van Kuwait Petroleum en kwam direct met plannen om de raffinaderij te integreren in zijn supply chain en handelsplatform. Onder Gunvor opereert de raffinaderij als onderdeel van een wereldwijde handelsketen en moeten de installaties een grote variëteit aan ruwe oliën kunnen verwerken in plaats van alleen olie uit Koeweit. Het geld gaat daarom vooral naar de ontwikkeling en de verbetering van de infrastructuur van de installaties. Als het project in 2019 wordt afgerond, kan Gunvor de aangepaste Rotterdamse raffinaderij volledig integreren met haar raffinaderijen in Antwerpen en Ingolstadt, Duitsland.

Zonnepark Zeeland Solar

Intussen investeert Zeeland Refinery, onderdeel van Total en Lukoil, veertig miljoen euro in een uitbreiding van zijn hydrocracker. Het bedrijf bouwt een extra reactor van dertig meter hoog naast de twee bestaande reactoren. Daarmee wordt het productieproces efficiënter en flexibeler en verminderen de productiekosten. Tijdens de grote onderhoudsstop van de raffinaderij in 2020 zal de nieuwe reactor worden verbonden met de bestaande installatie, waarna deze in bedrijf kan worden genomen.

‘Zeeland Refinery behoort tot de tien procent meest energiezuinige raffinaderijen ter wereld. Met deze investering kunnen we deze positie verder verbeteren’, aldus algemeen directeur Tanneguy Descazeaud. In dat licht is het ook aardig om te vermelden dat Zeeland Refinery is begonnen met de ontwikkeling van zonnepark Zeeland Solar. Total Solar bouwt het zonnepark van ongeveer 28.500 zonnepanelen op de site. Zeeland Refinery heeft daar ruim elf hectare voor gereserveerd en verwacht dat het zonnepark de raffinaderij voor een flink deel kan voorzien van energie. Met een vermogen van elf megawatt zal het zonnepark vanaf medio 2018 op een zomerse dag 23 procent van het energieverbruik van de raffinaderij leveren.

Waterstoffabriek BP

BP heeft voor zijn raffinaderij in Rotterdam nog geen officiële investeringsplannen naar buiten gebracht. Wel heeft BP Raffinaderij Rotterdam in samenwerking met vijf andere partijen vorig jaar een haalbaarheidsonderzoek laten doen naar een fabriek voor groene waterstof op zijn terrein. De uitkomsten laten volgens Ruben Beens, CEO van BP Netherlands, zien dat de techniek hiervoor aanwezig is, maar dat het verdienmodel nog nader onderzoek en actie van de overheid vergt.

Door de toename van windmolens op zee is er op piekmomenten een overschot aan elektriciteit. Omgezet in waterstof is deze toepasbaar in het productieproces van raffinaderijen, bij de ontzwaveling van producten. Op dit moment zijn de investeringen echter nog niet lonend, onder meer omdat Europese regelgeving het gebruik van waterstof in raffinaderijen niet optelt bij emissiereductiedoelen.

‘Het zou het mooiste zijn als we zelf een waterstoffabriek zouden kunnen bouwen. Maar daar zijn wel een aantal dingen voor nodig’, stelt Beens. ‘Enerzijds moet je een goede businesscase hebben. Het maken van waterstof door middel van elektrolyse blijkt namelijk nog erg kostbaar. Anderzijds moet er maatschappelijk draagvlak voor zijn als je duurzame energie gaat gebruiken in het productieproces van fossiele energie. De komende tijd zullen we gebruiken om met verschillende partijen te kijken hoe we hier concreet invulling aan gaan geven.’

Investeringen Sea-Tank Terminal

Naast de miljarden- en miljoenenprojecten in raffinaderijen lopen er ook veel grote logistieke en opslagprojecten. Zo werkt Total aan een logistiek project, waarbij het complex in Antwerpen via een nieuwe pijpleiding wordt verbonden met de nabijgelegen opslagterminal van Sea-Tank Terminal. De capaciteit van die terminal, nu al 860.000 kubieke meter en uitsluitend bestemd voor Total, wordt door de bouw van acht grote opslagtanks van elk 20.000 kubieke meter nog eens verhoogd met 160.000 kubieke meter. Ook komen er drie laad- en losplaatsen bij. In totaal betekent dit een investering van honderd miljoen euro. Zowel Total als Sea-Invest, het moederbedrijf van Sea-Tank Terminal, leggen daarvoor in via de joint venture Totseanergy. In 2019 wordt de uitbreiding in gebruik genomen.

Sea-Tank Terminal richt voor Total ook een nieuwe installatie voor vloeibare bulk in aan het Hansadok in de haven van Antwerpen. Het gaat hierbij om een investering van vijftig miljoen euro. Bovendien bouwt Sea-Tank Terminal in Antwerpen een dedicated tankterminal voor ‘een wereldspeler uit de chemiesector’. Deze wil de terminal gebruiken als uitvalsbasis voor de import, export en transit van al zijn petroleumproducten in de ARA-range. In eerste instantie krijgt de terminal een capaciteit van 750.000 kubieke meter. In een tweede fase wordt er mogelijk meer capaciteit bijgebouwd. Naar verwachting kan de terminal eind 2018 in gebruik worden genomen. De investering wordt geraamd op 250 miljoen euro.
Tankopslag in Antwerpen

Eenzelfde bedrag wil Zenith Energy investeren in een compleet nieuwe tankterminal in Antwerpen. Zodra de beoogde concessie in Antwerpen is toegekend, kan Zenith beginnen aan de bouw van 500.000 kubieke meter aan opslagcapaciteit. En er zijn ook al plannen om de terminal op termijn uit te breiden tot een capaciteit van 1.000.000 kubieke meter.

Eveneens in Antwerpen investeert Oiltanking Antwerp Gas Terminal (OTAG) ruim honderd miljoen euro in nieuwe tankopslagcapaciteit. Het gaat om de bouw van een gekoelde butaantank met een capaciteit van 135.000 kubieke meter waarmee de opslagcapaciteit van de terminal in 2019 bijna zal verdubbelen tot 273.000 kubieke meter. De butaantank wordt overigens gebouwd voor Ineos, dat het butaan gaat inzetten als grondstof in haar kraker in Keulen, Duitsland.

Bovendien breidt Antwerp Terminal and Processing Company (ATPC) uit met een LPG-ethaan tankopslagpark van dertigduizend kubieke meter. De tanks zijn ontworpen voor de opslag van ethaan, propaan, butaan en afgeleide producten. Het bedrijf verwacht medio 2018 de volledige capaciteit in gebruik te kunnen nemen.

Tankopslag in Rotterdam

Ook in Rotterdam komen heel wat nieuwe opslagtanks te staan. Zo investeert HES International in een nieuwe tankterminal op Maasvlakte 1 voor de op- en overslag van olieproducten en biobrandstoffen. Op het terrein van 27 hectare komen 52 tanks met een capaciteit van circa 1,3 miljoen kubieke meter. De tanks variëren in grootte van vijf- tot vijftigduizend kubieke meter en zijn geschikt om verschillende producten in op te slaan. Ook wordt het op de terminal mogelijk om producten te mengen, additieven toe te voegen en lading te homogeniseren.

Aan- en afvoer zal deels via pijpleidingen plaatsvinden, maar vooral via schepen. Het Havenbedrijf Rotterdam bouwt daarom een kade van 1.100 meter voor drie grote of vijf kleinere zeeschepen en er komen negen aanlegplaatsen voor de binnenvaart.

Artist impression van de HES Hartel Tank Terminal (c) HES Hartel International

Artist impression van de HES Hartel Tank Terminal (c) HES Hartel International

De HES Hartel Tank Terminal wordt een onafhankelijke opslagterminal waar klanten olieproducten op- en over kunnen slaan. BP heeft al een meerjarig contract afgesloten en heeft plannen voor een pijpleidingverbinding tussen zijn Rotterdamse raffinaderij en de terminal. Volgens de planning wordt de terminal in 2018 en 2019 gebouwd en zal deze naar verwachting eind 2019 gereed zijn.

Daarnaast breidt Euro Tank Terminal, dochter van VTTI, haar opslagcapaciteit uit met ruim tien procent. Dankzij de bouw van vier nieuwe tanks komt er 174.000 kubieke meter bij. ETT bouwt de tanks om producten flexibeler te kunnen opslaan. De nieuwe tanks worden halverwege dit jaar in gebruik genomen.

Chemieprojecten

Op chemiegebied wordt binnenkort ook een groot project afgerond. Yara Sluiskil investeerde ruim 241 miljoen euro in een nieuwe ureumgranulatiefabriek, die een capaciteit krijgt van 660.000 ton per jaar. De verwachting is dat Ureum-8 in april operationeel is.

Eveneens op de planning voor afronding in het tweede kwartaal van dit jaar staat de investering van Nippon Shokubai. Het Japanse bedrijf investeert 350 miljoen euro in een uitbreiding van de productiecapaciteit voor superabsorberende polymeren (SAP) en de bouw van een nieuwe productie-eenheid voor acrylzuur in Zwijndrecht. De nieuwe installaties moeten in het tweede kwartaal van 2018 operationeel zijn.

En tegen het einde van dit jaar zal BioMCN in Farmsum een gerenoveerde productielijn voor methanol in gebruik nemen. Het bedrijf steekt honderd miljoen euro in de lijn, die sinds 2005 in de mottenballen lag. De herstart van de lijn voegt 430.000 ton toe aan de bestaande productiecapaciteit van 360.000 ton per jaar. Ook investeert het bedrijf 1,2 miljoen euro in een installatie waarmee CO2, die ontstaat bij de productie van biogas, kan worden omgezet in bio-methanol. Dit levert zo’n 15.000 ton bio-methanol op. BioMCN produceert nu nog jaarlijks 60.000 ton bio-methanol.

Borealis en Ineos

Iets verder in de toekomst springt vooral het project van Synvina in het oog. De joint venture van Avantium en BASF is van plan om een fabriek voor de productie van furaandicarbonzuur (FDCA) te bouwen op de site van BASF in Antwerpen. De fabriek krijgt een capaciteit van 50.000 ton FDCA per jaar, die zal worden gebruikt voor de productie van biogebaseerde plastics. Het project wordt geraamd op 250 tot 300 miljoen euro en de fabriek zal op z’n vroegst in 2021 in gebruik worden genomen. (noot van de redactie: inmiddels is bekend geworden dat de pilotfase met drie jaar is verlengd.)

Nog zo’n project is dat van Avantium, AkzoNobel en RWE. Zij willen samen een bioraffinaderij van 100.000 ton bouwen op het Chemie Park Delfzijl. In de raffinaderij zullen houtsnippers worden verwerkt tot zuivere suikers, die als grondstof kunnen dienen voor verven en lakken. Ook deze fabriek is nog verre toekomstmuziek, voorlopig staat de planning op 2022. De investering wordt geschat op honderd miljoen euro.

Ineos-site in Geel, België (c) Ineos

Ineos-site in Geel, België (c) Ineos

Eveneens interessant zijn de plannen die Borealis en Ineos onafhankelijk van elkaar hebben op het gebied van de dehydrogenering van propaan. Borealis wil op haar site in Kallo een propaandehydrogeneringsfabriek bouwen met een capaciteit van 740.000 ton per jaar. Ineos is op zoek naar een locatie in Europa voor eenzelfde fabriek met een capaciteit van 750.000 ton per jaar. Antwerpen is al als mogelijke, logische vestigingsplaats genoemd.

Borealis heeft bekendgemaakt dat het in het derde kwartaal van dit jaar een definitieve beslissing neemt over de investering. Mocht Borealis het besluit nemen te investeren in een nieuwe fabriek voor de dehydrogenering van propaan, dan wordt Oiltanking Antwerp Gas Terminal de logistieke partner voor de handling van propeen en propaan. Dan komt er nóg een project in Antwerpen bij, want Oiltanking bouwt in dat geval een nieuwe opslagtank voor propaan met een capaciteit van 135.000 kubieke meter.

Openingsfoto: Total|Jacques Rostand