Super interessant: Brightsite doet op Chemelot onderzoek naar de mogelijkheden om met kunstmatige intelligentie incidenten te voorkomen. En de eerste resultaten bij chemiebedrijf Anqore zijn hoopgevend. Tijdens de European Industry & Energy Summit 2020 hadden we daar in december een interessante talkshow over in de livestream. Uitgezonden vanuit Chemelot.

Het is vooral interessant omdat de eerste resultaten van het onderzoek hoopgevend zijn. Met een beperkt aantal historische gegevensbronnen waren voorspellingen te doen over het gedrag van installaties. Zo kondigde zich een incident – dat ook daadwerkelijk plaatshad – zich al een tijdje van tevoren aan. Dat stond dus niet in de sterren, maar in de data geschreven.

Alleen heb je om dat te ‘lezen’ krachtige computers nodig. Dat is sowieso het mooie van deze tijd. In een iPhone zit inmiddels meer rekencapaciteit dan in zogenoemde supercomputers van een kwart eeuw geleden. Natuurlijk vraagt het ook om slimme analytische programma’s die de juiste verbanden kunnen leggen. Causaliteiten die voor de mens op het oog niet zichtbaar zijn en zelfs niet na uitvoerige papieren analyses. Ook op dat vlak zijn er interessante ontwikkelingen.

Tot nu toe leert de industrie vooral achteraf van incidenten. En ze hoopt met de nodige ervaring incidenten in de toekomst te voorkomen. Het vervelende is echter dat bijna geen ongeluk hetzelfde is. Dus het verleden zegt lang niet alles over de toekomst. De mogelijkheid om met heel veel beschikbare data risico’s te voorspellen kan dus een aardige stap voorwaarts zijn en de industrie weer significant veiliger maken.

Apple Carplay

Toch lijkt me hier wel een bijsluiter op zijn plaats. Het is door de jaren heen duidelijk geworden dat de menselijke verantwoordelijkheid ook heel belangrijk is bij de veiligheidscultuur in de industrie. Te veel vertrouwen op machines kan ook een ongewenste afhankelijkheid creëren.

De avond voor de talkshow op Chemelot werd ik nog eens met de neus op de feiten gedrukt. Op de heenweg naar het zuiden werkte de koppeling tussen mijn autocomputer en mijn iPhone niet. Oftewel, Apple Carplay deed zijn werk niet. Zo kon ik Google Maps niet openen. En toen merkte ik weer eens hoe afhankelijk ik ben geworden van routebegeleiding. Waar ik vroeger bepaalde bestemmingen eenvoudig en zonder enige hulp kon vinden, stuur ik tegenwoordig bijna bij elke rit op de routeplanner. Ook als ik er al meer dan vijf keer ben geweest.

Begrijp me niet verkeerd. Ik verlang niet per se terug naar de tijd dat je af en toe moest stoppen om het 100.000-stratenboek van Shell erbij te halen. Of die uitklapbare landkaarten. Die hadden wel hun charme, als je op vakantie ging. Voor zakelijk verkeer verlang ik daar zeker niet naar terug.

Extended

Wel lijkt het me essentieel om de eigen beoordeling van mensen voortdurend te blijven trainen. Om je niet reddeloos verloren te voelen als de routebegeleiding het onverhoopt niet doet. In de industrie lijkt het me van belang om operators te blijven trainen op bijzondere omstandigheden. Immers, ze kunnen incidenten dan lang niet altijd zien aankomen, maar ze kunnen in veel gevallen wel beter dan machines reageren op crises. Dit is ook regelmatig gebleken in het verleden.

Daarbij komt dat de gegevens waarop de computersystemen zich baseren bijvoorbeeld uit shift- en inspectierapporten komen. Door mensen ingevuld. Dus als zij een vergissing maken, wat menselijk is, kan de computer zich ook vergissen. En dan is het belangrijk dat de mens in sommige situaties nog een second opinion kan geven.

Geweldig dat kunstmatige intelligentie de industrie veiliger kan maken. Daar kunnen we zeker hoopvol over zijn. Maar laten we onze eigen verantwoordelijkheid en intelligentie tegelijkertijd niet teveel extended maken.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter: @wimraaijen

DCMR-directeur Rosita Thé is geen voorstander van centralisatie van veiligheid- en milieutoezicht. Liever ziet ze betrokken maar strenge toezichthouders die met BRZO-bedrijven meedenken hoe ze veiliger kunnen werken. ‘Waar nodig moeten we de stok hanteren, maar als we de veiligheidscultuur in een bedrijf echt willen verbeteren, werkt de dialoog beter.’

In de vijftig jaar dat de DCMR Milieudienst Rijnmond bestaat, is de wereld behoorlijk veranderd. Veel assets van de bedrijven in het gebied hebben inmiddels een vergelijkbare leeftijd en in die periode is ook veel nieuwe bedrijvigheid en technologie ontstaan. Waarmee risicobeheersing een andere focus krijgt en moet meebewegen met zowel ageing als innovatie.

Alweer bijna tien jaar geleden moest de vergunningverlener, toezichthouder en handhaver zichzelf opnieuw uitvinden. De tekortkomingen en near misses bij tankopslagbedrijf Odfjell riepen Kamervragen op en leidden zelfs tot een evaluatie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). Die trok harde conclusies die neerkwamen op onvoldoende aandacht voor milieu en veiligheid bij het bedrijf, zowel bij het management als bij de Raad van Commissarissen. Ook wees de raad nadrukkelijk op tekortkomingen bij de inspectiediensten, zowel op het vlak van werkwijzen als samenwerking.

Onafhankelijk

Voor DCMR-directeur Rosita Thé is het Odfjell-dossier vooral een les uit het verleden. Haar carrière bij DCMR startte vijf jaar geleden. ‘Toch merk ik dat het O-woord hier nog erg gevoelig ligt’, zegt Thé. ‘De conclusies uit het rapport van de OvV veroorzaakten destijds een schokgolf door de organisatie. Men werkte en werkt hier nog steeds met de grootste inzet om de veiligheid te borgen en het milieu in het Rijnmondgebied te beschermen. Dat daar fouten in kunnen worden gemaakt, is menselijk. Je moet er natuurlijk wel van leren. De aanbevelingen uit het rapport zijn dan ook allemaal overgenomen en in de organisatie ingebed.’

Veel van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad hadden te maken met de samenhang tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving en vooral het belang van onafhankelijkheid in het inspectiewerk. Men trok de analogie van de slager die zijn eigen vlees keurt door en stelde voor vergunningverlening enerzijds en handhaving en toezicht anderzijds te scheiden.

Specialisatie

Thé: ‘Nu hebben we twee aparte afdelingen met twee aparte bestuurders om alle schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Ook de samenwerking tussen de inspectiediensten, een van de andere aanbevelingen uit het rapport, is inmiddels een stuk verbeterd. DCMR is tenslotte niet de enige partij die de industriële veiligheid controleert. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en de Inspectiedienst van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houden op hun beurt toezicht op de brandveiligheid en arbeidsomstandigheden. De diensten stemmen weer af met het openbaar ministerie om ook de strafrechtelijke handhaving te betrekken bij de zogenaamde BRZO+ samenwerking. Om het lijstje compleet te maken zitten ook Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de waterschappen en Staatstoezicht op de Mijnen in het overlegorgaan.’

Rosita Thé (DCMR): ‘Het is een beetje een achterhaalde gedachte om alles centraal te willen uitvoeren.’

Het is niet geheel toevallig dat Thé ook voorzitter is van de landelijke samenwerking. De grootste milieudienst van het land heeft de meeste BRZO-bedrijven in zijn portfolio. ‘De concentratie chemiebedrijven is zeer hoog in het Rotterdam-Rijnmondgebied. Inmiddels is DCMR bovendien verantwoordelijk voor het toezicht op de Zeeuwse industrie. Die stap vloeit voort uit de verbeterplannen naar aanleiding van het OvV-onderzoek. Na Odfjell is namelijk afgesproken dat het toezicht op de risicobedrijven wordt geconcentreerd bij zes gespecialiseerde inspectiediensten.’

Decentraal

Ook de vorig jaar in het leven geroepen Commissie van Aartsen werpt zich inmiddels op verbetering van het vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)-stelsel. De commissie kreeg van staatssecretaris van Milieu Stientje van Veldhoven de opdracht te adviseren over versterking van milieutoezicht en -handhaving. Van Veldhoven wil met name weten hoe de onafhankelijkheid en deskundigheid van toezichthouders, in het bijzonder omgevingsdiensten, kan worden versterkt. Ook wil de staatssecretaris weten hoe het stelsel van handhaving en toezicht eenvoudiger, effectiever en transparanter kan.

veiligheidThé zegt niet dat er niks te verbeteren valt, maar waarschuwt ervoor om het stelsel weer helemaal om te gooien. ‘Het is ook een beetje een achterhaalde gedachte om alles centraal te willen uitvoeren. Kijk maar wat er nu gebeurt bij de Belastingdienst. Daar is de menselijke maat verdwenen door ogenschijnlijk gelijkwaardige zaken op één hoop te gooien.’ Thé pleit er dan ook voor om vanuit het opgebouwde stelsel van omgevingsdiensten nu verder te bouwen en de samenwerking en kwaliteit verder te versterken.

‘De uitvoering van het toezicht van de BRZO-bedrijven is nu veel beter dan ten tijde van Odfjell en bijvoorbeeld Chemiepack. Bij de grote dossiers trekken de toezichthouders gezamenlijk op en zetten hun specifieke expertise in om bedrijven te controleren en ondersteunen. De voorbeelden waar de OvV destijds zijn advies op baseerde, zijn inmiddels ook achterhaald. Daar hebben we nu talloze voorbeelden voor terug van bedrijven die snelle sprongen maken en open en transparant samenwerken. Incidenten op het gebied van veiligheid en milieu hebben doorgaans te maken met menselijke fouten. Wil je die fouten in de toekomst voorkomen, dan zit de oplossing ook vaak bij die mensen.’

Advies

De veiligheidscultuur van bedrijven is volgens Thé niet altijd in getallen uit te drukken. ‘Onze inspecteurs komen regelmatig over de vloer bij bedrijven en doorzien, dankzij jaren van ervaring, snel hoe veiligheid is geborgd. Dat zie je bijvoorbeeld al bij het melden van incidenten. Sommige bedrijven melden zelfs de kleinste incidenten en bellen gelijk terug als we informatie nodig hebben. De bedrijven met een goed doorwrochte veiligheidscultuur belonen vaak ook mensen die near misses melden. Liever drie keer voor niets ingegrepen dan een keer een incident, redeneren ze. Er zijn zelfs bedrijven die intern strengere normen hanteren dan de wet voorschrijft. Uiteraard moeten wij nog steeds controleren of ze ook daadwerkelijk aan de zelf opgelegde normen voldoen. Maar alleen de stok hanteren als het fout gaat, werkt niet. Zo is onze ervaring.’

Naast toezichthouden is DCMR ook veel bezig met advisering over vergunningverlening. ‘Het invullen van zo’n aanvraag is niet eenvoudig en bedrijven worstelen vaak met hoofd- en bijzaken. Door vooraf voorlichting te geven ontlasten we niet alleen de bedrijven, maar zijn we er ook zeker van dat ze hun tijd kunnen steken in de zaken die bijdragen aan de veiligheid. Het doel is tenslotte niet het op orde hebben van de papieren, maar het borgen van de veiligheid.’

Toezichtlast

Intussen merkt Thé dat de burger een stuk kritischer is geworden en risico’s anders inschat dan een aantal jaren geleden. ‘Dat is ook niet vreemd. We delen een klein gebied met miljoenen mensen. Het is soms ook best wonderlijk hoe dicht mensen op de industrie wonen. Vroeger hoorde je uit die omliggende dorpen minder klachten vandaan komen omdat de meeste mensen bij diezelfde industrie werkten. Dat is inmiddels wel veranderd.’

Rosita Thé (DCMR): ‘Wij begrijpen dat het voor bedrijven lastig is al die bordjes draaiende te houden.’

veiligheid

 

Mensen stellen terecht vragen als er stoffen als PFAS of andere zeer zorgwekkende stoffen in het milieu terechtkomen. ‘Binnen BRZO+ hebben we een gremium gevonden waar we dit soort informatie kunnen uitwisselen om er gezamenlijk van te leren. De industrie werkt op zijn beurt meer samen met wetenschappers en overheden in Safety Delta Nederland. Al bij de oprichting drongen we er op aan om ook bij de besprekingen aan tafel te komen. Anders loop je het risico dat de partijen allemaal mooie plannen bedenken en dat de overheden dan moeten zeggen: dat kan helemaal niet. Dan denken we liever van tevoren mee om er zeker van te zijn dat we in lijn liggen.’

Intellectueel eigendom

Tegelijkertijd ziet de industrie ook steeds meer op zich afkomen. Bedrijven geven aan te zuchten onder de toezichtlast en vragen wat ze zelf kunnen doen om het vertrouwen te winnen. Thé gaat daar gedeeltelijk in mee. ‘Het huidige tijdsgewricht is best complex voor BRZObedrijven. Naast verscherpte wetgeving, bijvoorbeeld rondom zeer zorgwekkende stoffen, vraagt de maatschappij ook of ze hun CO2-uitstoot wil beperken en circulaire processen inricht. Wij begrijpen ook wel dat het voor bedrijven lastig is al die bordjes draaiende te houden. We horen dan ook nog wel eens de wens om een met de luchtvaart vergelijkbaar toezicht in te richten. Wat ze niet moeten vergeten is dat het jarenlang overleg en opbouwen van vertrouwen vergde voor ILT en de luchtvaart tot een just culture kwam. Een groot deel van het opgebouwde vertrouwen is gebaseerd op transparantie. En dat zie ik nog niet altijd terug bij de chemische industrie. We snappen ook wel dat bedrijven soms hun intellectueel eigendom moeten beschermen. Maar waar het om gevaarlijke stoffen en processen gaat, moeten ze in onze ogen meer openheid van zaken geven.’

Transparantie

Andersom geldt dat volgens Thé overigens ook. ‘Wij moeten ook onze processen transparant en openbaar toegankelijk maken. Daar zijn we mee bezig met het inrichten van altijd actuele digitale vergunningen. In de toekomst moeten bedrijven alle uitstaande vergunningen op één plek kunnen inzien. In het meest ideale geval kunnen bedrijven daar ook zelf hun eigen vergunningen aanvragen. Dan hoeven wij alleen te kijken of ze dat goed hebben gedaan.’

Een goed voorbeeld van de toenemende transparantie vond Thé bij kunststofproducent Ducor. Toen de Plastic Soup Foundation plastic korrels vond in de Londenhaven, trok ze aan de bel bij DCMR. ‘Ducor heeft direct het boetekleed aangetrokken en actie ondernomen om de korrels op te ruimen en spills in de toekomst te voorkomen. Ook buiten haar eigen bedrijfsgrenzen. Doordat het bedrijf zo open en transparant was, kon DCMR samen met de gemeente Rotterdam en Ducor optrekken om het probleem bij de wortel aan te pakken. Dit soort acties dragen meer bij aan het opbouwen van vertrouwen dan het tekenen van convenanten. Al is dat natuurlijk een begin.’

Een van de doelen van Philippe Engels is om mensen in een veranderende en uitdagende industriële omgeving te begeleiden. De plantmanager van Air Liquide in Rozenburg zit daarvoor op een uitstekende plek, midden in de haven van Rotterdam. Een groeiende omgeving waar hard wordt gewerkt aan de energietransitie. Air Liquide speelt daarin een grote rol op het gebied van waterstof.

‘Het liefste werk ik met mensen’, zegt Philippe Engels (58 jaar, 32 jaar in dienst). ‘Ik wil hen vooruithelpen.’ Een functie waarbij hij ‘alleen op de winkel past’, past niet bij hem. Hij gaat graag aan de slag om projecten op te zetten en verbeteringen en veranderingen door te voeren. Dat kan allemaal op de site in Rozenburg waar Air Liquide waterstof, koolmonoxide, CO2, elektriciteit en stoom produceert.

Dat er groei en innovatie mogelijk is, is niet alleen economisch gezien een voordeel voor het bedrijf, maar het helpt volgens Engels eveneens om zijn teams te motiveren. ‘Ik heb vroeger ook in streken in Frankrijk gewerkt waar de industrie eerder achter- dan vooruitging. Daar werd afgebouwd en men ging meer naar een dienstenomgeving toe. Dan is het moeilijker om teams te motiveren en om te verbeteren op de site. Dat is hier helemaal het geval niet. In de wereld in het algemeen wordt er veel naar duurzaamheid gekeken, maar Rotterdam is daar een voortrekker in. Het is leuk om projecten op dat gebied te zien verschijnen en om er denkoefeningen over op te zien komen. Hoe gaan we er over tien, twintig en dertig jaar mee om?’

Philippe Engels (Air Liquide): ‘De betrouwbaarheid van onze installaties moet enorm zijn. Een heel stuk van de Botlek hangt aan elkaar.’

Energietransitie

Air Liquide is zelf volop bezig met de energietransitie. Engels: ‘Wij produceren al enkele decennia waterstof. Op dit moment is dat voornamelijk grijze waterstof. Maar binnen de groep wordt gewerkt aan het maken van koolstofarme en koolstofvrije waterstof. We nemen bijvoorbeeld deel aan het Rotterdamse Porthos-project voor CO2-afvang en opslag. Hierbij worden pijpleidingen gelegd om de afgevangen CO2 naar een onderzees gasveld te brengen. Op die manier komt er geen CO2 in de atmosfeer, kunnen wij blauwe waterstof produceren en bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen.’

Air Liquide neemt onder andere ook deel aan het project H-vision. Als eerste willen de partijen in dit project twee grootschalige blauwe waterstoffabrieken bouwen waarbij de CO2 wordt afgevangen, getransporteerd en onderzees opgeslagen. De kennis, investeringen en infrastructuur moeten uiteindelijk de weg effenen naar groene waterstof.

Elektrolyzers

‘De plannen voor elektrolyzers liggen bij ons op tafel’, zegt Engels. ‘Maar voordat we die uitvoeren, moet er goed worden gekeken naar capaciteit. Als je de waterstofproductie van vandaag zou willen maken via elektrolyzers, dan wordt dat heel moeilijk. Om die volumes te houden moet je reusachtige elektrolyzers bouwen. Daar heb je plaats voor nodig en ook windmolens en zonnepanelen die genoeg elektriciteit leveren. Dat is een stap die we samen met de overheid moeten bekijken.’

Een ander punt waar Air Liquide rekening mee moet houden, is de prijs van groene waterstof. Het is vandaag nog een stuk duurder dan grijze of blauwe waterstof. ‘De overheid zal daar ook een stukje in mee moeten helpen. De toekomst is groene waterstof. Technologieën zullen de komende decennia evolueren zodat er kleinere installaties of meer intensieve installaties kunnen worden gebouwd.’

Mobiliteit

Ondertussen merkt Engels dat de vraag naar blauwe en groene waterstof van klanten groter wordt. ‘We zien dat klanten bereid zijn om wat duurdere waterstof te kopen. Dat is een trend.’ Net als dat waterstof een rol gaat spelen in mobiliteit. ‘Samen met het Havenbedrijf Rotterdam hebben we het plan om voor 2025 een duizendtal vrachtwagens op waterstof te laten rijden. Om het vrachtvervoer van Rotterdam naar het achterland duurzamer te maken.’ Sinds 2014 heeft Air Liquide al een waterstoftankstation in Rhoon, naast de A15. Het bedrijf wil deze uitbreiden zodat er naast personenauto’s en vervoersbussen van Connexion, ook vrachtwagens terecht kunnen.

‘We moeten nu nog een goede manier vinden tussen het correctieve onderhoud, het plannen van dagelijks onderhoud en gepland onderhoud.’

Warmtekrachtcentrales

Air Liquide richt zich voor de energietransitie niet alleen op de verschillende kleuren waterstof, maar kijkt ook naar haar warmtekrachtcentrales. In Rozenburg staan er drie. Engels: ‘Warmtekrachtcentrales zijn de meest efficiënte manier om stoom mee te maken omdat je ook nog eens elektriciteit produceert. Ook daar kijken we naar verduurzaming. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over een stoomnetwerk in de Botlek met verschillende bedrijven die stoom produceren en andere die stoom nodig hebben. Daarnaast zijn ook e-boilers een mogelijkheid. Die wereld verandert de komende jaren.’

plantmanagerAir Liquide houdt de veranderende wereld en bedrijven in Rotterdam goed in de gaten, want als een bedrijf uitbreidt, moet de leverancier van gassen daarop in kunnen spelen. Veel bedrijven zijn voor hun productie afhankelijk van de producten van Air Liquide.

Dat zorgt voor een van de grootste uitdagingen van Engels. ‘De betrouwbaarheid van onze installaties moet enorm zijn. Een heel stuk van de Botlek hangt aan elkaar. Als wij een storing hebben, is dat een breder probleem. Om onze klanten zo weinig mogelijk te storen, zijn wij altijd heel keen op de betrouwbaarheid van onze installaties. We zien daar altijd nog verbetermogelijkheden.’

Onderhoud

Zo loopt er momenteel een project om de maintenance excellence verder te verbeteren. Daar is mee begonnen nadat er een aantal wijzigingen zijn doorgevoerd in de organisatie. Het meerjaarlijkse onderhoud werd namelijk eerst door een apart team voor de hele Benelux voorbereid. Dat is nu nog maar deels zo. Een aantal taken zijn bij sites zelf terecht gekomen. ‘Dat gaat om het stuk rond elektriciteit en instrumentatie’, legt Engels uit. ‘We moeten nu nog een goede manier vinden tussen het correctieve onderhoud, het plannen van dagelijks onderhoud en gepland onderhoud. Dat vraagt een aanpassing aan de organisatie en de manier van werken van de medewerkers.’

In Rozenburg worden daarom de methodes toegepast van het centrale team voor de Benelux. Zo moeten de lokale teams die eerder verantwoordelijk waren voor het dagelijkse en correctieve onderhoud transformeren naar verantwoordelijken voor langetermijnonderhoud.

Turnarounds zijn een grote uitdaging voor Engels. Er moet rekening worden gehouden met al die bedrijven die afhankelijk zijn van de producten van Air Liquide. ‘Turnarounds moet je heel goed inplannen zodat ze zoveel mogelijk gelijklopen met plannen van klanten.’ Er moet voldoende waterstof kunnen worden geproduceerd voor de afnemers. Verschillende waterstofinstallaties verbonden aan een pijpleidingennetwerk dat zelfs reikt tot Noord-Frankrijk moeten aan de vraag kunnen voldoen. Er zijn daarom niet veel windows, waarin een stop kan plaatvinden.

Porthos

Air Liquide is betrokken bij Porthos, het project voor CO2afvang en opslag in Rotterdam. Ze heeft subsidievragen ingediend en werkt nu mee aan technische ontwikkelingen. Het project loopt op schema. Vanaf 2024 moet met het project jaarlijks 2,5 miljoen ton CO2 van de industrie worden opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee. Eind vorig jaar hebben vier bedrijven (Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell) samen ingeschreven op in totaal twee miljard euro uit de SDE++-regeling voor de komende vijftien jaar. In het voorjaar wordt de toekenning van deze subsidie verwacht.

Eind 2021 zijn naar verwachting de vergunningprocedures achter de rug. 2021 wordt door de bedrijven vooral benut om zich voor te bereiden op de aanleg van de afvanginstallaties. De Porthos-projectorganisatie (EBN, Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam) gebruikt dit jaar om de aanleg van de pijpleidingen op het land en in de zeebodem, het compressorstation en aanpassing van het platform op zee technisch voor te bereiden. Begin 2022 is de finale investeringsbeslissing voor Porthos gepland en kan de realisatie van start gaan.

Belangrijke ontwikkelingen in het afgelopen jaar waren het indienen van het milieueffectrapport (MER) en een aantal vergunningaanvragen, het maken van afspraken tussen Porthos en de vier bedrijven die van het Porthos-systeem gebruik willen gaan maken en de toezegging van de EU om 102 miljoen euro aan het project bij te dragen.

De plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over zijn werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren?Kent u interessante plantmanagers? Mail dan naar redactie@industrielinqs.nl

Ineos sloot onlangs zowel met RWE als Engie een zogenoemd power purchase agreement (PPA) af. Kunstmestproducent Yara deed hetzelfde met Ørsted. Hoewel de motivatie en achtergrond van de samenwerkingen verschillen, zijn het wel typische voorbeelden van hoe de industrie integreert met de energiewereld. Hoe ver bedrijven daar in willen gaan, is met name afhankelijk van de flexibiliteit van de productieprocessen. Maar dat het aandeel duurzame elektriciteit in de energiemix toeneemt, mag duidelijk zijn.

De inzet van groene elektriciteit is een van de instrumenten van de zware industrie om haar CO2-uitstoot te verlagen. Nu kan die elektriciteit worden ingezet om elektrische pompen of verlichting te voeden, maar nog interessanter wordt het als de stroom de inzet van (proces)gas kan vervangen. Steeds meer (petro)chemische bedrijven sluiten dan ook zogenaamde power purchase agreements  (PPA’s) af met energiebedrijven. De PPA is een redelijk nieuw instrument dat de ontwikkeling, bouw en financiering van hernieuwbare energieprojecten ondersteunt. Traditionele PPA’s hebben doorgaans een looptijd van tien tot soms zelfs 35 jaar. In die jaren krijgt de klant vaak tegen een vaste prijs hernieuwbare energie. Veel leveranciers bieden daarbij nog extra diensten.

Groene ammoniak

Ammoniak krijgt inmiddels al mythische proporties in de discussie rondom de overgang naar een koolstofemissieloze energievoorziening. Waar waterstof alleen vloeibaar wordt bij zeer lage temperaturen, is ammoniak dat bij kamertemperatuur. Ideaal om waterstof (en stikstof) over grotere afstanden te transporteren. Het lijkt dan ook niet heel verwonderlijk dat een van de grootste kunstmestproducenten ter wereld een rol wil spelen in deze interessante markt. Want kunstmest bestaat voornamelijk uit ammoniak: een anorganische verbinding van waterstof en stikstof, waarvan het deel waterstof nu nog uit aardgas wordt gewonnen. Het is echter ook mogelijk ammoniak te produceren door stikstof te laten hydrogeneren met groene waterstof. Op die manier zou in afgelegen gebieden geproduceerde groene waterstof eenvoudig via schepen kunnen worden getransporteerd.

Offshore windenergie-leveranciers lijken de Nederlandse industrie steeds vaker te vinden bij het afsluiten van PPA’s.

Het Noorse bedrijf Yara vond een sterke bondgenoot in het Deense Ørsted dat steeds meer offshore windparken ontwikkelt. De samenwerking kan goed uitpakken voor beide bedrijven omdat Ørsted zeker is van een vaste afname van zijn windstroom. Yara op haar beurt bespaart honderdduizend ton CO2, wat het bedrijf emissierechten oplevert. Om de omzet van elektriciteit naar waterstof mogelijk te maken, investeren de bedrijven eerst in een honderd megawatt elektrolyzer. Daarmee kan Yara jaarlijks 75 duizend ton groene ammoniak produceren. Dat is nog maar tien procent van de totale capaciteit van de grootste ammoniakfabriek in Sluiskil. Voordat het zover is, moeten de bedrijven er nog wel zeker van zijn dat de subsidie en regelgeving voor waterstof in orde is. Maar als dat obstakel is genomen, verwacht men rond 2024/2025 operationeel te zijn.

Ørsted staat momenteel op het punt het windpark op zee Borssele 1&2 in gebruik te nemen. Dit windpark is het op één na grootste ter wereld, gelegen voor de kust van Zeeland, vlakbij de fabriek van Yara in Sluiskil. De groene ammoniak wordt voorlopig nog ingezet bij de productie van groene meststoffen. Daarmee kan de voedselketen verder CO2-neutraal worden gemaakt. In de toekomst kan de groene ammoniak mogelijk ook worden gebruikt voor klimaatneutrale scheepsbrandstof.

Propaandehydrogenatie

Ineos kan organische grondstoffen voorlopig niet vervangen, maar wel zorgen dat de productie ervan duurzaam verloopt. Het bedrijf tekende in 2016 een overeenkomst met de stad Antwerpen en de Vlaamse overheid voor de bouw van twee chemische installaties voor de productie van ethyleen en propyleen. Die zouden medio 2025 in gebruik moeten worden genomen. Helaas gooit corona ook bij dit zogenaamde Project One roet in het eten. Met name de propaandehydrogenatie-eenheid wordt voorlopig vooruitgeschoven. Dat is jammer omdat deze kraker grotendeels op groene elektriciteit zou draaien. De ingekochte duurzame energie kan echter alsnog worden aangewend in de ethaankraker, die als eerste wordt gebouwd. De voor het proces benodigde waterstof is namelijk honderd procent groen.

power purchase agreement

Offshore Windpark Burbo Bank Extension

Overigens zijn de contracten van zowel Engie als RWE al begin dit jaar ingegaan. De stroom wordt voorlopig dan ook nog ingezet op de sites van Ineos in Zwijndrecht en Lillo. Ook daar bekijkt men de mogelijkheden voor elektrificatie en de inzet van waterstofgas in de productieprocessen of de warmtekrachtcentrale. Engie levert de komende tien jaar stroom uit zijn Norther offshore windpark. De overeenkomst geldt voor een capaciteit van 84 megawatt. Het Franse bedrijf berekende al dat Ineos in die tien jaar meer dan één miljoen ton CO2-uitstoot vermijdt.

De overeenkomst van RWE geldt eveneens voor tien jaar. Het bedrijf verwacht jaarlijks 198 gigawattuur groene stroom te kunnen leveren van zijn Northwester 2-offshore windpark. De PPA vertegenwoordigt ongeveer 25 procent van de elektriciteit die Northwester 2 opwekt. Dankzij de PPA vermindert Ineos de koolstofvoetafdruk in België met 745.000 ton CO2 tijdens de looptijd van de overeenkomst.

Trend

De offshore windenergie-leveranciers lijken de Nederlandse industrie inmiddels steeds vaker te vinden bij het afsluiten van PPA’s. Zo kregen kregen AkzoNobel Specialty Chemicals, DSM, Google en Philips in 2018 voor het eerst stroom van het windpark Bouwdokken. Een jaar later volgde de elektriciteit van windpark Krammer. In de twee jaren daarvoor tekenden de partijen de samenwerkingsovereenkomst voor de bouw van de twee windparken met een gezamenlijk vermogen van 140 megawatt.

Alle vier de bedrijven streven naar een honderd procent groene energievoorziening. Net als overigens 280 andere bedrijven die zich committeerden aan de Climate Group RE 100 doelstelling van honderd procent groene energie. Google en Philips hadden dat streven met deze investering al bereikt. Akzonobel, nu Nobian (was hiervoor Nouryon, red.) zat ongeveer op de helft.

Shell sloot eind vorig jaar nog een vijftienjarige PPA af met de ontwikkelaars van het Dogger Bank Windpark: SSE Renewables en Equinor. Het Dogger Bank Windpark A en B, dat voor de kust van Yorkshire ligt heeft een vermogen van maar liefst 2,4 gigawatt. Shell zal daarvan 480 megawatt gebruiken.

Waterstof kan als opslagmedium een belangrijke rol spelen in het afstemmen van energieproductie en -consumptie.

Elektrificatie

Tegelijk met de vergroening van de elektriciteitsvoorziening, bekijken de bedrijven ook hoe ze hun processen kunnen elektrificeren. De elektrochemische processen van Nobian, dat chloor produceert uit zout, zijn het eenvoudigst te vergroenen. Maar het bedrijf wil ook andere processen elektrificeren. Zo onderzoekt men de inzet van e-boilers voor de productie van stoom.

Intussen onderzoeken Shell en Dow of ze in de toekomst elektrische fornuizen kunnen inzetten. Deze technologie staat nu echter nog in de kinderschoenen. In de tussentijd bekijken de bedrijven wel hoe ze andere processen kunnen elektrificeren. Zo verving Shell Moerdijk tijdens een grote stop de stoomaandrijving van de MSPO-1 door een elektrische aandrijving. Op jaarbasis zorgt deze nieuwe aandrijving voor een CO2-reductie van dertienduizend ton.

Minstens zo interessant lijkt het om de groene stroom aan te wenden voor de productie van groene waterstof. Zeker als opslagmedium kan waterstof een belangrijke rol spelen in het afstemmen van energieproductie en -consumptie. Nobian heeft wat dat aangaat de meeste ervaring met elektrolyseprocessen. Het bedrijf heeft meer dan honderd jaar ervaring met elektrolyse en beheert wereldwijd meer dan 1.000 megawatt aan elektrolyse-capaciteit. Deze technologie wordt nu nog met name gebruikt voor de productie van chloraat, chloor en loog, maar door elektrolyse van water is het ook mogelijk op grotere schaal groene waterstof te produceren.

Ook andere bedrijven hebben interesse in elektrolysecapaciteit. De energiebedrijven omdat ze daarmee meer kans maken op het binnenhalen van concessies. De industriële gebruikers kunnen de waterstof op hun beurt inzetten in hun processen. Onderdeel van het CrossWind-project, een joint venture tussen Shell en Eneco, is dan ook de aanleg van een tweehonderd megawatt elektrolyzer. De windenergie komt van het offshore windpark Hollandse Kust. Het windpark heeft een geïnstalleerd vermogen van in totaal 759 megawatt en levert ten minste 3,3 terawattuur groene stroom per jaar.

Havenbedrijf Rotterdam maakte al een terrein vrij met ruimte voor in totaal twee gigawatt conversiecapaciteit, ofwel elektrolyzers en bijbehorende assets. Als alles daadwerkelijk doorgaat zal Shell in 2023 dagelijks zo’n vijftig tot zestigduizend kilogram waterstof maken. Deze groene waterstof gebruikt Shell in het begin in zijn krakers in Pernis. De ambitie is om vanaf 2023 voldoende groene waterstof te hebben om de transportsector rechtstreeks te verduurzamen.

Zonneparken

Hoewel veel eigenaren van offshore windparken power purchase agreements afsluiten, weten zonneparkbeheerders de industrie inmiddels ook te vinden. Zo tekende PV-ontwikkelaar Solaria begin dit jaar een PPA met Shell Energy Europe voor zes zonne-energiecentrales in Spanje met een gecombineerde capaciteit van driehonderd megawatt. De overeenkomst heeft een looptijd van tien jaar en de stroomlevering begint na de voltooiing van de installaties. Men verwacht dat de centrales samen ongeveer 570 gigawatt elektriciteit per jaar produceren. Shell had al een PPA in Spanje afgesloten voor een PV-installatie van 26,1 megawatt.In 2019 sloot Shell nog een vergelijkbare deal met de Noord-Amerikaanse tak van EDF. Het bedrijf tekende voor een vijftien jaar lange afname van stroom van een zonnepark in Californië. Het bedrijf gebruikt ‘slechts’ 132 megawatt van de in totaal vijfhonderd megawatt vermogen van het Palen Solar’s Maverick 7 Solar Project.

Zou ik dan toch leiden aan beroepsdeformatie? Ben ik dan diegene die alleen een hamer heeft en daarom alle problemen met spijkers denkt op te kunnen lossen? Oordeel zelf en vertel het mij.

Wat is het geval? Om de ouders te ontlasten die thuiswerken, hadden wij tijdens de lockdown onze kleinkinderen te logeren. Ze zitten in groep 3 en 5 van het basisonderwijs. ’s Morgens om half negen begon de thuisschool met een kringgesprek via Teams van groep 3 en later in de ochtend die van groep 5. Vervolgens moesten de nodige vakken worden gedaan. Leuk om zo mee te maken en te vergelijken met mijn tijd zestig jaar geleden. Is er veel veranderd?

Weinig veranderd

Toen ik tijdens de vorige lockdown mijn zoldercoronaproject deed, kwam ik het strikdiploma van mijn dochter van dertig jaar later geleden tegen en dat was volledig identiek aan dat van haar eigen dochter nu. Ook de inhoud van de vakken is in grote lijnen gelijk gebleven. Dat lijkt mij ook prima voor de basisschool. Lezen, schrijven en rekenen zijn basisvaardigheden die eeuwigheidswaarde hebben, hoop ik. Geschiedenis en aardrijkskunde dragen bij tot maatschappelijk begrip. Gelukkig zie ik nu wel dat die maatschappij dichterbij komt. Zo moest mijn kleinzoon van acht een poster maken over voedselverspilling. De vakken, ook in het voortgezet onderwijs, blijven echter gelijk zoals dat al een eeuw gebruikelijk is. Is dat goed? De maatschappij is nogal veranderd. Veel technischer, maar bevat ook meer communicatie en sociale interactie. Ok, techniek is er op sommige scholen als vak bijgekomen. Maar in grote lijnen is er weinig veranderd.

Interactie

Dat zette mij aan het denken. Een vak dat na de Tweede Wereldoorlog goed gestalte heeft gekregen is de cybernetica: de techniek en wetenschap die zich bezighoudt met besturing van systemen in de ruimste zin van het woord. De cybernetica kent vele toepassingen in regeltechniek, lucht- en ruimtevaart, elektronica, robotica, kunstmatige intelligentie, biologie en biomedische wetenschappen enzovoorts. Zelfs in beleid, didactiek, bedrijfsleer en psychologie, aldus Wikipedia. Hoewel zelden bekend onder de naam de overkoepelende term cybernetica zelf. Norbert Wiener, de grondlegger van dit vakgebied, schreef het boek The Human Use of Human Beings waarin hij stelt dat de samenleving alleen kan worden begrepen door studie van de interactie tussen machines en mensen en ook hun onderlinge interactie. Het toepassingsgebied kan bijna niet breder: van hightech tot dus menselijke interactie. Het leven zelf is zonder cybernetica, in dit geval feedback, niet mogelijk. Denk maar aan de temperatuurregeling en zuurstofregeling inclusief hartslagregeling in het menselijk lichaam, of de evenwichtsregeling om te kunnen lopen en fietsen.

Hamer

Ook onze sociale interactie zit vol feedback-kringen. Veel fysiologische processen worden automatisch geregeld, maar bij de sociale processen, zoals hoe we met elkaar omgaan, moeten we dat zelf doen. Dan is kennis van de feedback toch wel handig. Of van feed forward. Dat leidt tot een beter begrip en een betere interactie. Bijvoorbeeld bij het regelen van maatschappelijke zaken als werkeloosheid, gezondheid, onderwijs, of het bedwingen van de corona-epidemie. Met een beter begrip worden betere maatregelen genomen en ook beter geaccepteerd en nageleefd. Vandaar mijn pleidooi om cybernetica als algemeen vak breed in het onderwijs in te voeren. Als dat het geval zou zijn geweest, had ik vanuit mijn vakgebied (de meet- en regeltechniek) minder hoeven te worstelen met het uitleggen van nieuwe regelingen in fabrieken die soms wegens onbegrip niet werden geaccepteerd met alle nadelige consequenties van dien. Ik ben benieuwd of u het met mijn zienswijze eens bent, of dat u vindt dat de cybernetica toch mijn hamer is.

 

Henk Leegwater is onafhankelijk consultant.
henk.leegwater@lexxin.com

Steeds meer horen we over de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie en machine learning. Maar kunnen deze datagedreven technieken ook de procesindustrie helpen, om bijvoorbeeld onveilige situaties te voorkomen? Brightsite onderzoekt dat momenteel op het chemiepark Chemelot. Tijdens de European Industry and Energy Summit in december ontspon daarover een interessant gesprek in de livestream.

Bestaande managementsystemen voor health, safety and environment (HSE) zijn beperkt, als het gaat om het voorkomen van onveilige situaties. Programma-manager Esta de Goede van Brightsite: ‘Traditionele HSE-systemen kijken terug naar incidenten en ze onderzoeken hoe die konden gebeuren. En daar leren we dan van. Maar ze kijken nauwelijks naar voren.’

Deze manier van reageren zal steeds minder wenselijk zijn, is haar overtuiging. Zo brengt de transitie naar duurzamere processen nieuwe en complexere situaties met zich mee. En dan heb je vaak niet veel aan wat je tot nu toe hebt geleerd. Tegelijkertijd accepteert de samenleving ook steeds minder risico’s. De Goede: ‘In de toekomst moet de chemische industrie zich daarom steeds meer richten op het voorspellen en voorkomen van incidenten en onveilige situaties.’

Interessant perspectief

En dat kan ook, stelt ze. Zo is er al heel veel data beschikbaar, bijvoorbeeld over hoe chemische fabrieken opereren. Die gegevens worden ook opgeslagen. Veel van deze data wordt nog steeds niet gebruikt om de veiligheid van installaties te verbeteren. Daarom doet het team van De Goede op chemiepark Chemelot onderzoek naar de mogelijkheden om data van bijvoorbeeld inspecties, numerieke gegevens van installaties en verslagen van shifts en incidenten te gebruiken om voorspellingen te doen.

De eerste resultaten zijn hoopgevend. Vooral in combinatie met moderne digitale technologie. De Goede: ‘Voor een mens blijkt het heel moeilijk om overzicht te houden in deze enorme hoeveelheid informatie, laat staan belangrijke verbanden te zien. Echter met behulp van kunstmatige intelligentie en machine learning, slaagden we er inmiddels al in om zwakke signalen op te vangen en verborgen patronen te herkennen, gebaseerd op slechts twee historische databronnen.’

Volgens De Goede biedt dat een interessant perspectief voor nieuwe HSE-systemen en -tools. ‘Toekomstige systemen kunnen de operatie van chemische fabrieken op elk niveau helpen om onveilige situaties te voorkomen. En ze kunnen bijvoorbeeld ook engineers ondersteunen om veiligere installaties te ontwerpen.’

Voorkomen

Voor het onderzoek werkt Brightsite nauw samen met chemiebedrijf Anqore, dat op Chemelot is vertegenwoordigd met zes productiefabrieken. ‘Bij Anqore zijn we geïnteresseerd in de toepassing van kunstmatige intelligentie, en daarom nemen we graag deel aan dit project’, zegt HSE-manager Gui Hoedemakers. ‘De meeste incidenten in de operationele praktijk herhalen zich niet, maar zijn nieuw. Daarom kunnen we de kennis die we opdoen bij het leren van eerdere incidenten lang niet altijd inzetten. Dus als productiebedrijf zijn we zeer geïnteresseerd in tools die ons helpen om van tevoren te voorspellen wanneer onveilige situaties zich voordoen. Wanneer komen verschillende factoren samen die een incident kunnen veroorzaken? We hebben ook al tests gedaan met data van onze fabriek uit 2019.’

Nettoresultaat

Ze onderzochten gegevens die beschikbaar waren in aanloop naar een daadwerkelijk incident. ‘We kwamen tot de conclusie dat we al signalen uit de gegevens konden halen voordat het incident plaatshad. Gegevens die halve of zelfs een hele week van tevoren bekend waren. Als operators die informatie hadden gehad, waren ze veel bewuster geweest van de situatie.’ Dan hadden ze mogelijk het incident zelfs kunnen voorkomen.

Wanneer zich een incident voordoet, is dat vaak het resultaat van een hele reeks factoren. Hoedemakers: ‘Het incident kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door achterstallig onderhoud in combinatie met een order die de productiecapaciteit van de fabriek bijna overschrijdt, en het nettoresultaat van deze ongunstige factoren kan dan aanleiding geven tot een gevaarlijke situatie.’

Gui Hoedemakers (Anqore): ‘We moeten ons er van bewust zijn dat de informatie die de machine krijgt van mensen afkomstig is.’

Blauwdruk

Om dat soort situaties te identificeren, moeten verschillende bronnen van HSE-gerelateerde gegevens worden gecombineerd. Esta de Goede: ‘Dat kunnen ‘historische’ gegevens zijn zoals incidentenrapporten. Maar ook operationele gegevens, onderhoudsgegevens en real-time sensorgegevens. Wat we moeten doen, is nagaan welke bronnen belangrijk zijn en welke methoden kunnen worden gebruikt om de gegevens te doorzoeken, te analyseren en te beoordelen. Hoewel we in staat zullen zijn om generieke factoren te identificeren die van toepassing zijn op de chemische industrie als geheel, zullen de bronnen en methoden voor elke productie-installatie verschillend zijn. Uiteindelijk resulteren onze activiteiten in een bedrijfsspecifiek model voor elke fabriek, samen met een generieke component. Een fabriek kan de bedrijfsspecifieke component gebruiken om geavanceerde analyses uit te voeren. Dankzij onze samenwerking met Anqore ontwikkelen we momenteel de eerste blauwdruk.’

Behappen

Volgens Hoedemakers is het essentieel dat mens en machine goed samenwerken. Belangrijk is dat de betrokken mensen ook daadwerkelijk iets doen met de informatie die de machine geeft. ‘Tegelijkertijd moeten we ons ervan bewust zijn dat de informatie die de machine krijgt van mensen afkomstig is. Mensen hebben de rapporten ingevuld.’ Die gegevens moeten zo gepresenteerd worden dat de machine er ook iets mee kan.

Een datagedreven aanpak kan volgens hem ook een oplossing zijn voor de segmentatie binnen bedrijven. ‘De onderhouds- en productieafdelingen binnen fabrieken hebben verschillende informatie. Niemand kan al die informatie volledig behappen. Op dat vlak kan machine learning zeer behulpzaam zijn.’

Social media

Programmadirecteur van Safety Delta Nederland Arjan van Dijk is erg blij met dit soort initiatieven. ‘Wat mij betreft twee voeten op de grond en het hoofd in de cloud.’ Volgens hem kan de veiligheid van de Nederlandse industrie zeer gebaat zijn bij kunstmatige intelligentie en het combineren van heel veel bruikbare data. ‘Ik droom er van dat we over een paar jaar de veiligheidsprestaties van de Nederlandse industrie real-time kunnen volgen. Daarvoor hebben we informatie nodig van de bedrijven en van overheden die inspecties doen. Maar ook kunnen we de info gebruiken van mensen die naast de fabrieken wonen. Die zeggen relevante dingen, bijvoorbeeld op social media. Ben je in staat om die data te combineren in een grote computer, dan kun je daar relevante informatie uithalen. Daarmee kunnen we de veiligheidsprestatie van de hele industrie verbeteren. En vooral tijdig ingrijpen als iets fout dreigt te gaan.’

De eerste Petrochem van het jaar is naar de drukker. En zoals u van ons gewend bent, hier alvast tijdelijk online beschikbaar een preview in de bladerbare versie! Wat leest u in dit nummer? DCMR-directeur Rosita Thé is geen voorstander van centralisatie van veiligheid- en milieutoezicht. Liever ziet ze betrokken maar strenge toezichthouders die met BRZO-bedrijven meedenken hoe ze veiliger kunnen werken. ‘Waar nodig moeten we de stok hanteren, maar als we de veiligheidscultuur in een bedrijf echt willen verbeteren, werkt de dialoog beter.’

En verder:

De overheid moet vaart maken om een klimaatneutrale waterstofmarkt te helpen ontwikkelen. Volgens de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) hebben daarbij investeringen in infrastructuur en het stimuleren van de vraag naar CO2-vrije waterstof prioriteit.

Ineos sloot onlangs zowel met RWE als Engie een zogenoemd power purchase agreement (PPA) af. Kunstmestproducent Yara deed hetzelfde met Ørsted. Hoewel de motivatie en achtergrond van de samenwerkingen verschillen, zijn het wel typische voorbeelden van hoe de industrie integreert met de energiewereld. Hoe ver bedrijven daar in willen gaan, is met name afhankelijk van de flexibiliteit van de productieprocessen.

Een van de doelen van Philippe Engels is om mensen in een veranderende en uitdagende industriële omgeving te begeleiden. De plantmanager van Air Liquide in Rozenburg zit daarvoor op een uitstekende plek, midden in de haven van Rotterdam. Een groeiende omgeving waar hard wordt gewerkt aan de energietransitie.

Thema: Veiligheid

Petrochem 1 verschijnt 16 februari bij de lezer. Bekijk het blad tijdelijk alvast online!