Het is een woelige periode voor de industrie.  Het imago staat onder druk, onder andere in de maatschappelijke discussies over de energietransitie. Dat terwijl de chemische industrie er juist een enorm positieve invloed op kan hebben met innovaties. Volgens Manon Bloemer, de nieuwe directeur van de Koninklijke VNCI, moet de chemie zichzelf daarom veel meer laten zien. ‘Met meer Marinussen Tabak had de industrie een veel minder groot imagoprobleem.’ 16 oktober is Bloemer een van de keynotes van Eemsdeltavisie 2019.

Ze kwam dit voorjaar over van Vopak. Met plezier kijkt ze terug op haar tijd bij de wereldwijde gigant in de opslag van brandstoffen en chemicaliën. Vooral de ambitie van het op- en overslagbedrijf sprak haar aan. ‘Binnen de opslagsector wil Vopak voortdurend koploper zijn als het gaat om verduurzaming en veiligheid’, stelt Manon Bloemer. ‘Dat boeide me enorm en ik haalde er ook veel voldoening uit.’ Steeds nieuwe stappen zetten, dat werkt ook stimulerend.

Bij Vopak was dat vooral als alerte volger. Want het is ook zoals haar ex-collega Jan Bert Schutrops het een paar jaar geleden in Petrochem realistisch verwoordde: ‘Bedrijven als Vopak bepalen niet het tempo van de energietransitie. We zijn goed in de logistiek en de opslag van moleculen en van daaruit ontwikkelen wij onze visie. Daarbij volgt het bedrijf op de voet de keuzes van de partijen die bepalend zijn in de transitie.’

Communicatief

Toen ze de kans kreeg om nog dichter op de verandering te komen, greep ze die een paar maanden geleden met beide handen aan. Als de nieuwe directeur van de VNCI vertegenwoordigt ze nu bedrijven die volgens haar zeer bepalend zijn en dat ook willen zijn. ‘Dat beeld had ik vooraf heel sterk. De chemische industrie zit in het hart van de transitie. Het moet nu ook echt gebeuren. Daar is de industrie van doordrongen. De urgentie wordt door de hele sector gevoeld. Het beeld dat ik vooraf had, blijkt dus te kloppen.’

Ze deinst ook niet terug voor het imago van de chemie dat de laatste tijd onder druk staat. Discussies zullen er immers altijd zijn. Ze maakt zich alleen wel zorgen over het effect op jongere generaties. ‘We hebben heel veel enthousiaste mensen nodig om de transitie ook daadwerkelijk vorm te geven.’

In dat kader is Manon Bloemer erg blij met het open en zeer communicatieve karakter van Plant Manager of the Year 2019 Marinus Tabak, die in juni is verkozen. Als nieuw jurylid heeft ze de verkiezing van dichtbij meegemaakt. ‘Met meer Marinussen Tabak had de industrie een veel minder groot imagoprobleem.’ Maar niet iedereen hoeft zo communicatief te zijn. De chemie heeft naast boegbeelden ook mensen nodig die enthousiast op andere, vaak minder zichtbare plaatsen aan de transitie werken.

Vooroplopen

Ze impliceert met de behoefte aan meer Marinussen wel dat het imagoprobleem niet alleen van buitenaf komt. ‘Als industrie moeten we veel meer naar buiten treden. Onbekend maakt onbemind. En er is juist zoveel om trots op te zijn. Veel chemische patenten staan bijvoorbeeld op naam van Nederlandse bedrijven. En Nederland heeft 0,2 procent van de wereldbevolking en maar liefst twee procent van de chemische productie. Dat is een factor tien. Daarover mogen we best wat vaker onze trots uiten. Meer Hollands Glorie. Laten we mooie verhalen vertellen, want die zijn er. Ook om op die manier jonge mensen aan te trekken en te laten zien wat we doen. Die jonge generatie hebben we nodig om nieuwe technologie te ontwikkelen. Er zijn momenteel drie technologiegebieden die zeer hoopgevend zijn en ervoor kunnen zorgen dat we op den duur klimaatneutraal kunnen produceren. En waarin we als Nederlandse chemie voorop kunnen lopen. Ten eerste elektrificatie van de industrie en elektrochemie. Ten tweede de bio- en circulaire grondstoffen. Heel interessant welke ontwikkelingen er nu bijvoorbeeld zijn in de chemische recycling van kunststoffen. De derde lijn is CCU/CCS. Het afvangen van CO2 om het op te slaan of om het, wat nog beter is, als grondstof in te zetten voor de chemie.’

Studiereis

Zelf wil de VNCI nog meer de brug slaan tussen de industrie en de samenleving. Bijvoorbeeld door vaker regionaal aanwezig te zijn. Vorig jaar, toen de vereniging honderd jaar bestond, heeft de VNCI daarvoor Behind the Scenes in het leven geroepen. Verbindende evenementen in en rondom de chemische clusters in Nederland. ‘We merken aan de sfeer tijdens deze bijeenkomsten dat deze aanpak heel goed werkt. De volgende stap is dat we nog meer de samenleving daarbij betrekken.’

Manon Bloemer VNCI

Manon Bloemer (VNCI): ‘Onbekend maakt
onbemind. En er is juist zoveel om trots op te zijn.’

In die zin is de VNCI-directeur ook heel blij met de komende Behind the Scenes op 16 oktober in Delfzijl, die tijdens – en geïntegreerd met – het congres Eemsdeltavisie 2019 wordt georganiseerd. De laatste in de reeks, maar mogelijk ook de meest bezochte. Bloemer: ‘Fantastisch bijvoorbeeld de wedstrijd voor studenten en young professionals die in dat licht wordt georganiseerd. Dat is precies de verbinding die we moeten zoeken.’ Zes teams met drie jonge mensen hebben in dit kader hun whitepapers ingeleverd. Daarin beschrijven ze de stappen die de Eemsdelta de komende jaren het beste kan zetten om de inmiddels bekende klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 ook daadwerkelijk te kunnen halen. Tijdens Eemsdeltavisie strijden drie finalistenteams om een studiereis naar Japan.

Veiligheidscultuur

Naast innovatie rond de energietransitie en druk op de arbeidsmarkt is er nog een ander terugkerend thema voor de VNCI: veiligheid. Zo werd de industrie onlangs verrast door een artikel in het NRC. Uit onderzoek van criminologen van de Universiteit van Leiden en de Vrije Universiteit van Amsterdam zou een verontrustend beeld ontstaan. Tussen 2006 en 2017 begingen 494 chemiebedrijven samen 7.362 overtredingen. Volgens het onderzoek overtreedt zeven procent   stelselmatig de regels.

Er is nog helemaal geen sprake van een eindrapport, stelt Bloemer. Dat komt pas het einde van dit jaar. Het artikel kwam onverwacht aan het einde van de zomer en is gebaseerd op een verslag van de onderzoekers in december vorig jaar. Hoor en wederhoor is niet toegepast. Bloemer: ‘Het is bovendien lastig om op een rapport te reageren dat nog moet verschijnen.’

Ze wil vooral voorkomen dat het een reactieve discussie wordt. ‘Vooropgesteld zijn we zeer geïnteresseerd in het onderzoek en de database waaruit de cijfers komen. We gaan graag in gesprek met de onderzoekers en hebben ook al contacten gelegd. We willen blijven leren om de veiligheidscultuur te verbeteren. Dat is een continu proces.’

Crimineel

Toch wil ze er kort op reageren. De overheid brengt op basis van dezelfde database jaarlijks het rapport De Staat van de Veiligheid uit, dit is openbaar toegankelijk. Dat beeld ziet er heel anders uit. Bloemer: ‘Uit de cijfers van de afgelopen jaren blijkt dat het aantal overtredingen in de chemische industrie juist afneemt. En dat er een duidelijke beweging is van zwaar, naar middel naar licht. Alleen daarom al vind ik het woord crimineel dat rond het onderzoek van de criminologen hangt heel zwaar. Maar nogmaals, we willen graag leren, vooral van elkaar. Zo is Veiligheid Voorop een belangrijke samenwerking om dat industriebreed verder te brengen.’

Al met al zijn haar eerste honderd dagen bij de VNCI voorbijgevlogen. ‘Ik heb daar ook over nagedacht. Tussen 2020 en 2050 resten ruim honderd maal honderd dagen. Dat is dus zo voorbij.’ No time to waste dus, om er maar eens een oude leus van een grote ngo bij te halen.

Behind the Scenes@Eemsdeltavisie

Manon Bloemer is een van de sprekers tijdens Eemsdeltavisie 2019, dat geïntegreerd met Behind the Scenes van de VNCI op 16 oktober in Delfzijl wordt georganiseerd. Thema: Natural Steps. Met de industrie-agenda voor de Eemsdelta en de uitkomsten van de Industrietafel Noord-Nederland zijn stevige, generieke doelstellingen geformuleerd. Er is gekozen voor een purpose driven aanpak waarbij niet op voorhand voor een enkele oplossingsrichting wordt gekozen. Maar wat betekenen deze ambities voor de korte en middellange termijn? Welke stappen kunnen ons dichter bij de uiteindelijke doelen brengen. En hoe kunnen we leren van stappen die we in het verleden hebben gezet?
Andere sprekers zijn onder andere Berend Aanraad (The Natural Step), Johan  Visser (Nouryon) en Marinus Tabak (RWE, Plant Manager of the Year 2019).

Kijk voor het volledige programma en om u nog snel aan te melden op: www.eemsdeltavisie.nl

Jeroen Jungschläger is sinds 2015 plantmanager van het Metaal Alkylen Bedrijf (MAE) van Nouryon, dat aan de overkant staat van de chloorfabriek in Rotterdam. Sinds zijn aantreden is de productiecapaciteit van de site met meer dan veertig procent gestegen. Een deel daarvan is te danken aan debottlenecking van de bestaande site. Aangevuld met een aantal slimme investeringen, staat er nu een nog modernere fabriek met een goed doordachte logistiek.

Voor wie onbekend is met metaal-alkylen kan de plant van Nouryon in de Botlek best imponerend overkomen. Niet omdat de plant nu zo groot is, maar de eigenschappen van stoffen als tri-ethyl-aluminium en di-ethyl-aluminium-chloride zijn alles behalve dagelijkse kost. De vloeistoffen zijn namelijk pyrofoor, wat wil zeggen dat ze kunnen ontbranden als ze met zuurstof in aanraking komen. Met water blussen heeft een averechts effect. Geen materiaal om zonder kennis te gebruiken dus. Veiligheid staat voor Nouryon dan ook altijd voorop.

De veiligheidscultuur op de site is inherent aan de risico’s, al zijn die risico’s afgedekt door het procesontwerp. Het grootste deel van de bewegingen van het medium gaat via zuurstofloze leidingen. Waar de kans bestaat dat het medium in aanraking kan komen met zuurstof, zorgt een laag stikstof ervoor dat dit niet gebeurt. De procedures om de metaalalkylen te verpompen zijn zeer strikt en het ontwerp van de afsluiters is dermate veilig dat er in principe niets fout kan gaan.

Modificaties

Het hart van het proces is een drietal reactoren waarvan er twee continu hetzelfde product maken en één kan wisselen tussen producten. Als basisgrondstoffen gebruikt MAE aluminiumpoeder, waterstof en etheen. Het waterstof krijgt de fabriek van de naastgelegen chloorfabriek. Het etheen komt binnen via een centrale leiding en vrachtwagens leveren het aluminiumpoeder af. Na de productie van de diverse metaalalkylen verlaadt MAE het medium in speciale tanks met wanden van tien millimeter koolstofstaal.

Jungschläger: ‘De producten die wij maken, zijn katalysatoren voor de polymerisatiereactie van etheen naar polyetheen of propeen naar polypro­peen. Maar ook producenten van zonnepanelen en LED-verlichting gebruiken metaalalkylen. Fabrieken als deze zijn er niet heel veel op de wereld, al hebben we wel scherpe concurrentie. Toch gaan onze producten de hele wereld over.’ Met name de toenemende vraag naar kunststoffen zorgt voor een behoorlijke groei in de afzetmarkt. ‘Dat konden we tot nog toe ondervangen door kleine modificaties in en rondom het proces. Maar we lopen nu wel langzaam tegen de fysieke grenzen van de fabriek aan. Met een overall equipment efficiency van 95 procent blijft er niet veel te verbeteren over.’

Verbeteren in het dna

Jungschläger zegt het heel bescheiden, terwijl de prestatieverbeteringen op de site om meer uitleg vragen. ‘Toen ik hier begon, zag de fabriek er anders uit dan nu. Wat betreft veiligheid was alles onder controle. Maar wat betreft de prestaties, logistiek en uitstraling waren er wel wat verbeteringen mogelijk. Het prettige aan deze plant is dat hij redelijk overzichtelijk is en een heel trouw team aan medewerkers heeft. De fabriek startte in 1997 en veel medewerkers zijn er sindsdien nooit meer weggegaan. We werken dagelijks met een team van rond de veertig medewerkers, maar delen ook een aantal functies met de chloorfabriek. Mensen die op beide fabrieken werken, merken gelijk het verschil in sfeer, wat nog het best valt te omschrijven als ‘familiegevoel’. We kennen elkaar en de wachtchef maakt bijvoorbeeld regelmatig een pan soep voor het hele bedrijf. Het zijn kleine dingen, maar wel zaken die meer binden dan een salaris.’

Jeroen Jungschläger MAE Nouryon

Jeroen Jungschläger (Nouryon): ‘Iedereen ziet dat een schone en opgeruimde fabriek rust geeft.’

Jungschläger hoefde dan ook niet heel hard te duwen om de gewenste veranderingen erdoor te krijgen. ‘Door mensen de ruimte, vertrouwen en eigen verantwoordelijkheden te geven, komen ze vaak tot hogere prestaties dan wanneer je ze vertelt wat ze moeten doen. Ik heb het geluk dat ik een van de meest ervaren technologen op het gebied van metaal­alkylen aan boord heb. Ook de productiemanager en maintenance manager hebben verbeteren in hun dna. Samen keken we dan ook naar zowel de technische als de organisatorische bottlenecks en besloten die een voor een aan te pakken.’

5S

Een deel van de verbeteringen was eerder cosmetisch dan technisch noodzakelijk. Wie de fabriek in loopt, valt direct op hoe schoon het is en hoe leidingen voor diverse media allemaal hun eigen kleur hebben. ‘Zo was het vier jaar geleden niet’, zegt Jungschläger. ‘De site oogde rommelig en onverzorgd. We maken regelmatig met het managementteam een rondje over de site en besloten een aantal jaar geleden rommel op te ruimen. Zeker de eerste ronde haalden we behoorlijk wat vuilniszakken met rommel weg. Het is natuurlijk best beschamend als een directeur jouw rommel weghaalt, dus de tweede ronde waren er al heel wat minder vuilniszakken nodig. Het zijn misschien kleine dingen, maar juist door oog te hebben voor de kleine dingen, zie je ook de grotere problemen aankomen. We hebben ooit een incident, zonder letsel, gehad doordat iemand zich van pijpleiding vergiste. Die vergissing is nu moeilijker te maken omdat ieder soort leiding zijn eigen kleur en code heeft. Ik heb een 5S-coördinator die zeer fanatiek is in het toepassen van deze Japanse filosofie. Maar iedereen ziet inmiddels dat een schone en opgeruimde fabriek rust geeft.’

Knip

Wat betreft organisatie zette Jungschläger een knip tussen de productie en de verladingsbaaien. ‘In het verleden was één team verantwoordelijk voor zowel de productie als de verlading. Dat resulteerde erin dat productie veel aandacht kreeg en verlading er een beetje bij werd gedaan. En dat terwijl verladen eigenlijk een veel crucialer deel is van ons proces. Zeker bij de make-to-order-processen wil je er zeker van zijn dat de juiste producten op tijd bij de juiste klanten komen.

Als we bovendien wilden blijven groeien, moesten we ook meer aandacht schenken aan het inmiddels zevenduizend stuks tellende tankpark. We leveren over de hele wereld en als je bijvoorbeeld een tank in India hebt staan, ben je hem een half jaar kwijt. Het managen van de retourstromen levert ons direct geld op, maar voorkomt ook praktische problemen. De tanks moeten tenslotte ook eens in de tweeënhalf jaar gekeurd worden. Dit zijn eerder logistieke uitdagingen dan de dagelijkse uitdagingen in een chemische fabriek. Daar passen ook andere mensen bij.’

Vacuüm

Op het gebied van technische verbeteringen heeft Jungschläger een voorsprong omdat hij van origine een procestechnoloog is. ‘De procestechnoloog en ik hebben soms ellenlange discussies over potentiële procesverbeteringen. Zo zijn we recent overgestapt op een andere katalysator, wat de reactie versnelde. Maar we hebben ook een modificatie uitgevoerd met behulp van een vacuümpomp. Door de druk in de destillatie te verlagen, hoef je minder energie toe te voegen, maar is de doorloop ook veel sneller. Etheen wil namelijk nog wel eens reageren tot butylen, die we er uit moeten destilleren en weggooien. Tegelijkertijd hebben we ook de leidingen vergroot, waardoor de destillatiecapaciteit toenam. We gebruiken nu dus minder energie en produceren minder afval, terwijl het proces veel eenvoudiger verloopt.’

Dromen

Daarmee was Jungschläger nog niet klaar met zijn missie. ‘In 2016, sprak ik een drietal dromen uit. Ik wilde een aluminiumsilo bouwen, de verlading automatiseren en inline kwaliteitsmeting aanbrengen.’

De aluminium silo vervangt een opslagsysteem van het aluminiumpoeder dat zeer arbeidsintensief was. Het poeder werd in gecompartimenteerde containers aangevoerd die vervolgens naar de top van de fabriek moesten worden gehesen. Ook daarboven moest nog het nodige met een kraan worden versleept. Jungschläger: ‘We hadden al een silo voor aluminiumchloride en ik verbaasde me er altijd over waarom we niet hetzelfde deden met onze meest gebruikte grondstof. Nu vullen we de silo aan de grond en blazen we het aluminium pneumatisch de fabriek in. Dit scheelde meer dan de helft aan handmatige transporthandelingen.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Jeroen Jungschläger MAE Nouryon

Jeroen Jungschläger (Nouryon): ‘Je kunt de beste spitsen binnenhalen, maar dat wil niet zeggen dat je dan landskampioen wordt.’

Wat betreft het automatiseren van de verlading zijn de nodige investeringen gedaan, waardoor het verladen niet alleen sneller gaat, maar ook veiliger. ‘Inmiddels kunnen we inline de kwaliteit van de producten testen, waardoor de procesoperators veel meer in control zijn. We zijn nu bezig om statistical process control in te voeren. Een van de voordelen van de overgang naar een nieuw bedrijf was dat ze ook nieuwe systemen invoerden. Zo is Nouryon zeer bedreven in kwaliteitsborging en heeft daar een aantal handige tools voor. Eenvoudig gezegd komt het er op neer dat je in digitale logboeken bijhoudt wat je hebt gedaan en wat de uitkomst van je handelen was. Als je weet welke parameters tot welke resultaten leiden, weet je ook wat je moet doen om hetzelfde resultaat weer te bereiken.’

Bad actors

Die kwaliteitsslag ziet Nouryon ook op het gebied van onderhoud. Jungschläger: ‘We hebben geen redundantie in het proces en maintenance moet daarom nog  vaak snel kunnen reageren op storingen. Toch krijgen we ook daar steeds meer grip op. Ik schat dat we nu zo’n zestig procent preventief onderhoud uitvoeren. We kunnen de meantime between failure van pompen al veel beter voorspellen en weten ook de inspectieregimes van een aantal assets te rekken naar zes tot soms zelfs twaalf jaar. Een maintenance engineer onderzoekt de terugkerende storingen, maar we zitten ook veel dichter op de kostenkant van het onderhoud. Door zorgvuldig uren en materiaalkosten te documenteren, haal je veel sneller de bad actors boven water en kan je tijdig ingrijpen.’

De grootste winst is echter gehaald door verbeterde samenwerking tussen operations en maintenance. ‘Die stonden vier jaar geleden nog lijnrecht tegenover elkaar. Door inzicht te geven in elkaars motieven en zorgen, kom je erachter dat je hetzelfde nastreeft. Nu gaan maintenance en operations hand in hand. De operators voeren in principe het eerstelijns onderhoud uit en sleutelen waar mogelijk mee. We hebben een OEE bereikt van 95 procent, wat moeilijk nog te verbeteren is. Dat wil echter niet zeggen dat we stil blijven zitten.’

Teamprestatie

Jungschläger benadrukt dat een goed draaiende plant een teamprestatie is. ‘Toen ik hier in 2015 werd binnengehaald, presteerde hij niet goed. Dat is niemand te verwijten, de grens tussen succes en geen succes is nu eenmaal flinterdun. Je kunt de beste spitsen binnenhalen, maar dat wil niet zeggen dat je dan landskampioen wordt. Alle teamgenoten zijn belangrijk en moeten zich veilig en gewaardeerd voelen op een site. Dan ben je als team succesvoller.’

Plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over het werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren?

Kent u interessante plantmanagers die thuishoren in deze rubriek? Mail dan uw suggestie naar redactie@industrielinqs.nl

Op tijd en stond worden we door de media getrakteerd op beelden van dode vogels en walvissen met een maag vol plastic. Dat probleem was er vroeger ook al, maar het bleef verborgen, niemand wilde het zien. Nu staat dit nevenproduct van onze levenswijze op de voorpagina van elke krant. We worden erover geïnformeerd dat er in de oceaan binnenkort meer plastic dan vis zit als dit zo verder gaat. De gevolgen zijn niet te onderschatten: de mensen zijn oprecht boos en tolereren dit niet langer, er moet iets gebeuren aan dat plasticprobleem. Weg met dat plastic.

Sensibilisering

Tot voor kort werden we gesust met allerlei hoeraberichten over de geweldige recyclagepercentages die we met zijn allen realiseerden. We mochten ons best op de borst kloppen als kampioen afvalsorteerders. Tot bleek dat die cijfers gemanipuleerd zijn en dat de realiteit heel wat minder rooskleurig is. Minder dan de helft van het plastic verpakkingsafval wordt vandaag gerecycleerd. Bovendien blijkt dat veel van dat plastic afval wordt geëxporteerd naar derde wereld landen voor ‘recycling’. Dat kwam er in de praktijk op neer dat een klein deel werd herbruikt en de rest gewoon in het milieu werd gedumpt. Jouw zorgvuldig gesorteerde plastic schaaltje belandde dus volledig conform het systeem gewoon in zee. Er was geen sprake van onregelmatigheden, de zaak was gewoon zo georganiseerd!

Bovendien blijkt het een illusie om te rekenen op de goeie wil en discipline van de mensheid om zijn afval te sorteren. De sensibilisering heeft hier zijn grenzen al lang bereikt. Er lopen al vele jaren lang acties tegen zwerfvuil en toch liggen de bermen nog steeds vol. Heel wat mensen kan het geen ene moer schelen en die zullen hun plastic gewoon op straat blijven gooien. Op de bank van het station waar ik deze column schrijf, heeft een onverlaat de plastic verpakking van zijn aankoop gewoon op de bank achtergelaten, terwijl de vuilnisbak nauwelijks vijf meter verder staat.

Shampoobar

De antiplastic-beweging groeit dan ook met de dag. Vele mensen proberen actief plastic uit hun leven te bannen uit. Plastic verpakking heeft een erg negatieve connotatie gekregen.

Tegelijk is plastic nauwelijks uit ons dagelijks leven weg te denken. Zonder plastic kunnen we niet meer leven, zo lijkt het. Of toch wel? Onlangs hoorde ik voor het eerst over verpakkingsvrije shampoo. Om de plastic shampoofles te vermijden is een nieuw type product geboren: de shampoobar. Ook de zakjes die je vroeger massaal werden toegeworpen in de supermarkt zijn definitief weg. Ze lijken al een even grote aberratie uit het verleden als de rokers in de trein. Ze zijn overal vervangen door papieren zakken of composteerbare plastic zakjes. Handig om het fruit- en groente-afval mee te verzamelen: het kan allemaal gezwind met zak en al op de composthoop.

Gouden kansen

Zolang mensen hun plastic door het raam blijven gooien, moet je richting biodegradeerbare plastics en statiegeld kijken. En een aantal dingen gewoon verbieden. Europa heeft al een beperkt aantal plastic toepassingen in de ban gedaan, zoals bestek en zuigrietjes. Veel meer dan symbooldossiers zijn dit echter niet. We moeten veel verder durven gaan: idealerwijs wordt alle plastic voor eenmalig gebruik biodegradeerbaar. Die gooi je als milieubewuste consument nog altijd het best in de vuilnisbak, maar komen ze toch in het milieu terecht, dan zijn ze binnen enkele weken alweer vergaan. De oplossingen zijn beschikbaar, we moeten ze enkel nog durven door te drukken. Dat creëert ook gouden kansen voor innovatie en nieuwe waardeketens. Maar het zal enkel veranderen als de overheid dwingend optreedt, want de industrie houdt de zaken liever zoals ze zijn. Beste overheid, waar wacht je nog op?

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

De plannen voor de aanlanding van offshore-windenergie als waterstofgas liggen al klaar. Enige uitdaging is dat niemand ooit offshore waterstofgas produceerde. Vandaar dat Nexstep en TNO onderzoeken hoe een elektrolyser zich gedraagt onder de zware condities van een offshore-productieplatform van Neptune Energy.

‘Nederland dankt een groot deel van zijn rijkdom aan zijn unieke geografische positie’, zo speechte Erik Wiebes onlangs nog bij de in ontvangstname van een rapport over blauw waterstof. ‘Wij hebben jarenlang geprofiteerd van de Noordzee, diep genoeg voor scheepvaart en ondiep genoeg om de gasbronnen onder de zee goedkoop te kunnen ontginnen.’ De minister van Economische Zaken en Klimaat is van mening dat we die positie ook moeten gebruiken bij een nieuw hoofdstuk in de energievoorziening: de transitie naar een CO2-emissieloze energievoorziening.

In het geval van blauw waterstof zijn de uitgeproduceerde gasvelden onder de Noordzee een strategisch opslagmedium voor de afgescheiden kooldioxide. Maar eerder al bleek de Noordzee ook zeer gunstig te zijn voor de exploratie van offshore-windparken. Nederland heeft inmiddels zo’n één gigawatt aan offshore-windvermogen staan en zou deze capaciteit rond 2023 moeten verviervoudigen. In 2030 streeft de overheid zelfs naar een offshore-capaciteit van elf gigawatt. Behalve dat dit een behoorlijke uitdaging vormt wat betreft de aanleg van de parken, is de aanlanding van de energie ook nog een heikel punt.

De overheid besloot het offshore-elektriciteitsnet te bekostigen en netbeheerder Tennet installeerde deze zomer dan ook zijn eerste zogenaamde stopcontact op zee. Dit Borssele Alpha platform transporteert zevenhonderd megawattuur aan windstroom naar het vaste land. Dat is 2,5 procent van het Nederlandse elektriciteitsgebruik. De komende jaren zal Tennet in totaal tien van dit soort platforms plaatsen. Goedkoop is het allemaal niet: het eerste platform kostte honderd miljoen euro, wat de totale investering op één miljard euro brengt. En dan is de investering in de kabels niet eens meegerekend.

Waterstof

Nexstep, een samenwerkingsverband tussen Energiebeheer Nederland (EBN) en  de Nederlandse olie- en gasindustrie (Nogepa), denkt dat de aanlanding van de windenergie een stuk goedkoper kan. De gasinfrastructuur in de Noordzee, die de opbrengsten van de honderdvijftig offshore-productieplatforms aan land brengt, kan namelijk ook waterstof transporteren.

Al eerder onderzocht het North Sea Energy Consortium de mogelijkheden voor de productie van waterstof op de Noordzee, in een studie van RUG-hoogleraar Catrinus Jepma. Hij berekende dat het mogelijk was om offshore waterstof te produceren en dit aan land te krijgen tegen een kostprijs van drie euro per kilo als je de kostenbesparing van de kabels meeneemt. Dit is nog altijd duurder dan de grijze waterstof die de industrie nu gebruikt. De kostprijs daarvan is zo’n anderhalf à twee euro. Maar aangezien dit groene gas geen emissies kent, valt de prijs nog best mee.

De businesscase van Jepma was gebaseerd op een tweetal productieplatforms van Neptune Energy (destijds Engie): één platform dichtbij de kust en eentje op meer dan 250 kilometer uit de kust. Ook vergeleek Jepma de kosten van bijmenging van het gas in bestaande leidingen en het aanleggen van een aparte leiding. Op korte afstand was de laatste optie het meest rendabel, op langere afstand was bijmengen de beste optie.

Testcase

Hoewel het onderzoek van Jepma veelbelovend is, is het tot nog toe een papieren exercitie geweest. Daar wil Nexstep nu verandering in brengen. Samen met TNO en het jonge offshorebedrijf Neptune Energy toetst men de praktijk van waterstofproductie in de uitdagende omgeving van een offshore-productieplatform.

Lex de Groot, managing director van Neptune Energy in Nederland: ‘Neptune is een jong exploratie- en productiebedrijf dat in 2015 is gestart. Begin 2018 nam Neptune Energy de offshore en onshore assets van Engie E&P over. We opereren inmiddels assets in een achttal landen zoals Algerije, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. In Nederland hebben we zo’n dertig platforms op de Noordzee, waaronder het Q13a-platform dat voor de kust van Scheveningen ligt. We willen dit platform gebruiken als testcase voor de productie van waterstof. Het voordeel van het Q13a-platform is dat deze al draait op groene stroom via een kabel die van het land komt. Het is dan redelijk eenvoudig om deze stroom te gebruiken om water te splitsen in waterstof en zuurstof.’

Elektrolyser

Technisch is de productie van waterstof niet eens zo heel complex. René Peters, directeur gastechnologie bij TNO, zal dat deel voor zijn rekening nemen. ‘Wat betreft elektrolysers heb je drie keuzes’, zegt Peters. ‘Alkaline, polymer elektrolyte membrane (PEM, red.) of solid oxide elektrolysers. Alkaline elektrolysers zijn robuust en beproefd, maar kennen een redelijk grote footprint en een lagere efficiency dan PEM. Solid oxide elektrolysers zijn vooral nog een grote belofte, maar hebben zich nog nauwelijks in de praktijk bewezen.’

Bijkomend voordeel is dat PEM Stacks beter dan alkaline kunnen omgaan met fluctuaties in het stroomaanbod. ‘Iets waar je rekening mee zult moeten houden bij een installatie die windstroom zal omzetten in waterstof. Wat ook helpt, is dat PEM waterstof produceert op een druk van dertig bar. Daardoor hoeven we het gas niet meer te comprimeren voordat we het aan het gasnet aanbieden. Want ook dat is onderdeel van het onderzoek. Het gas sturen we samen met het door Neptune geproduceerde aardgas naar een naastgelegen platform van Taqa. Met de één megawatt-installatie die we willen bouwen, produceren we zo’n tweehonderd kuub waterstofgas per uur. Dat is een te laag volume om er andere dingen mee te doen. Je zou echter op den duur kunnen overwegen om het gas te gebruiken als eigen energievoorziening van de platforms.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
productieplatform

Artist impression van het Borssele Alpha platform van Tennet (c) Tennet

Uiteraard is water nodig voor de productie van waterstofgas. Daarvoor zal TNO een reverse osmosis-installatie op het platform bouwen dat zeewater omzet in zoetwater. Peters: ‘Er zijn tests geweest met de directe elektrolyse van zeewater, maar die technologie is nog te prematuur om op deze schaal te gebruiken.’

Zware omstandigheden

Zoals duidelijk wordt, is de configuratie niet direct afwijkend van de installaties die op land staan. ‘We weten echter niet hoe zo’n installatie zich op zee gedraagt’, zegt Peters. ‘Je hebt op zee toch te maken met zwaardere omstandigheden dan op land. Met veel wind, temperatuurschommelingen, en vooral ook zout en water. We willen graag weten wat dit betekent voor de betrouwbaarheid van de individuele onderdelen. Zijn de degradatieprofielen vergelijkbaar met onshore-installaties of slijten ze wellicht harder? Allemaal vragen die we alleen kunnen beantwoorden door het in de praktijk te testen. Uiteraard geven we ook inzicht in de kosten. We kunnen de installaties in zeecontainers bouwen en bedrijven, maar je zult ze toch moeten aanvoeren en aansluiten.’

Ook het bedrijven van een dergelijke installatie op een draaiend productieplatform is nieuw. ‘Dus moeten we ook vragen beantwoorden op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Tenslotte zullen we de wetgevende en toezichthoudende instanties ervan moeten overtuigen dat het veilig is om een waterstofproductie-unit in een ATEX-omgeving (explosiegevaarlijke omgeving, red.) te plaatsen.’

Integratie

De Groot schetst de situatie op de Noordzee. ‘De echt grote gasreserves zijn over hun productiepiek heen. De grote exploratie- en productiebedrijven hebben de Noordzee inmiddels al grotendeels verlaten en hun assets verkocht aan kleinere partijen. Nu is er de komende jaren nog genoeg gas te halen, wat prettig is gezien de ontwikkelingen rondom de onshore-gaswinning in Groningen. Maar de marges worden wel steeds kleiner. Het up-to-date houden van een productieplatform en bijbehorende infrastructuur kost nu eenmaal veel geld.’

Het is altijd goedkoper en milieuvriendelijker om gas zo dichtbij mogelijk te halen en het hebben van een eigen gasvoorraad geeft ook strategische voordelen voor Nederland. De businesscase wordt echter wel steeds dunner. ‘De overheid kan ons ondersteunen via fiscale maatregelen, maar we zien ook mogelijkheden voor integratie met het nieuwe energiespeelveld. Als we de kosten voor infrastructuur en compressoren kunnen delen met andere partijen, snijdt het mes aan twee kanten. We kunnen nog lang produceren en ondersteunen daarbij de energietransitie, terwijl de offshore-windindustrie een vliegende start krijgt. Niet alleen omdat de aanlanding van de energie goedkoper wordt, maar ook omdat gas nu eenmaal eenvoudiger is op te slaan dan elektriciteit.’

De klok tikt

Voor Neptune Energy en de rest van de eigenaren van de offshore-platforms in de Noordzee is er wel enige haast geboden. Development manager Rene van der Meer van Neptune: ‘Als een platform niet meer produceert, moet deze volgens de wet worden afgebroken. Deze ontmanteling kost behoorlijk wat geld. Het zou echter zonde zijn als aan de ene kant platforms worden afgebroken, terwijl aan de andere kant juist nieuwe platformen worden gebouwd voor het transport van energie. Dan kan je beter de bestaande assets gebruiken en aanpassen aan de nieuwe eisen. Het vervelende alleen is dat er inmiddels een aantal hub-platforms zijn geadresseerd die de spil kunnen vormen in het transport van watersport of bijvoorbeeld CO2 om in de velden op te slaan.’

Juist daar tikt de klok omdat dit de oudste platforms op de Noordzee zijn. ‘Als er niet binnen de vijf à tien jaar beslissingen worden genomen over het voortbestaan van deze platforms, kunnen we ze alleen nog maar afbreken. De bijbehorende infrastructuur kan je dan ook niet meer inzetten. Momenteel zijn er nog zo’n honderdvijftig platforms actief, die tussen nu en twintig jaar niet meer nodig zijn voor gasproductie. Het afbreken van de platforms en sluiten van de putten is zeer kostbaar. Laten we de investeringen in de Noordzee zo goed mogelijk benutten, zodat de energietransitie betaalbaar blijft.’

Aan de bij de pilot betrokken partijen zal het niet liggen. Neptune en TNO verwachten in het eerste kwartaal van 2020 de scope te hebben bepaald voor het project om in de zomer de spullen te kunnen bestellen. Dat betekent dat in de zomer van 2021 kan worden begonnen met de eerste testen. De Groot: ‘We blijven een E&P-bedrijf en rekenen de productie van waterstof niet tot onze kerntaken. Dat wil niet zeggen dat we niet willen samenwerken met de elektriciteitsmarkt. Juist in de samenwerking ontstaan de mooiste oplossingen.’

Thema van deze nieuwste editie is ‘Offshore’: De plannen voor de aanlanding van offshore-windenergie als waterstofgas liggen al klaar. Enige uitdaging is dat niemand ooit offshore waterstofgas produceerde. Vandaar dat Nexstep en TNO onderzoeken hoe een elektrolyser zich gedraagt onder de zware condities van een offshore-productieplatform van Neptune Energy.

En verder:

Het is een woelige periode voor de industrie. Het imago staat onder druk, onder andere in de maatschappelijke discussies over de energietransitie. Dat terwijl de chemische industrie er juist een enorm positieve invloed op kan hebben met innovaties. Volgens Manon Bloemer, de nieuwe directeur van de Koninklijke VNCI, moet de chemie zichzelf daarom veel meer laten zien.

Avebe neemt tijdens de huidige aardappelcampagne een nieuwe filtratie-installatie in gebruik in Ter Apelkanaal. Daarmee bespaart de coöperatie 23 procent energie op deze locatie. Bovendien komt 400.000 kuub proceswater straks uit de aardappelen zelf. Tijdens Eemsdeltavisie op 16 oktober geeft het bedrijf een virtuele rondleiding in de nieuwe fabriek.

Jeroen Jungschläger is sinds 2015 plantmanager van het Metaal Alkylen Bedrijf (MAE) tegenover de chloorfabriek van Nouryon. Sinds zijn aantreden is de productiecapaciteit van de site met meer dan veertig procent gestegen. Een deel daarvan is te danken aan debottlenecking. Aangevuld met slimme investeringen, staat er nu moderne fabriek met goed doordachte logistiek.

Petrochem 10 verschijnt 8 oktober. Lees hem deze week tijdelijk alvast online!