De energietransitie gaat de samenleving uiteindelijk veel minder kosten dan wanneer we alles bij het oude laten. Innovatie kan daarbij een essentiële rol spelen. Maar dan moet de transitie wel beter worden geregisseerd dan nu. TNO pakt graag de handschoen op, stelt professor André Faaij. Faaij is 8 december een van de sprekers in de openingstalkshow van de European Industry & Energy Summit 2020. Wij spraken hem voor een eerdere editie van Petrochem.

Ja, de energietransitie gaat veel geld kosten, bevestigt professor André Faaij, wetenschappelijk directeur bij TNO. Volgens Thierry Baudet (FvD) zou het zelfs gaan om duizend miljard euro tot 2050. Maar dergelijke bedragen moeten volgens de universiteitshoogleraar Energiesysteemanalyse (Rijksuniversiteit Groningen) wel in het juiste perspectief worden geplaatst. ‘Gaan we door op de oude voet, dan kost dat onze samenleving een veelvoud. We moeten vooral het volledige beeld laten zien. Momenteel is Europa voor maar liefst negentig procent afhankelijk van fossiele import. Als we niets doen, dan hebben we straks alleen maar meer olie en gas van buiten nodig. De prijs daarvan stijgt in zo’n scenario onherroepelijk. Dat terwijl op innovatieve terreinen de prijs alleen maar daalt. In woestijnlanden en China leveren nieuwe zonneparken stroom voor een kostprijs van 2,5 eurocent per kilowattuur. Dat is de helft van de huidige kostprijs van stroom uit gascentrales.’

Dichterbij huis laten windparken op zee ook een enorme daling van kosten zien. Inmiddels zijn de kosten per kilowattuur vergelijkbaar met die van fossiele centrales. Met name door innovatieve ontwikkelingen kan de prijs nog verder dalen, stelt Faaij. Innovatie loont. ‘Kijk naar een bedrijf als DSM. Dat bedrijf is er in geslaagd om zich vanuit de basischemie om te vormen naar een high tech en biotech-concern.’ Het bedrijf haalt tegenwoordig meer dan twintig procent van zijn groei uit innovatie. Vijftien jaar geleden was dat vier procent, zo blijkt uit cijfers van DSM zelf.

Eenzelfde ontwikkeling ziet Faaij bij Europese energiereuzen. ‘Eon, RWE en bijvoorbeeld Vattenfall splitsen hun bedrijven in een innovatieve tak en een tak gebaseerd op bestaande fossiele activiteiten.’ En misschien gaan die nog wel een stapje verder. ‘Waar DSM de oude petrochemische activiteiten aan Saudi’s verkocht, willen de energiebedrijven de oude activiteiten de komende decennia volledig afbouwen. Vergeet niet dat RWE een paar jaar geleden zou zijn omgevallen als de Duitse overheid geen helpende hand had toegestoken. Dat is nu al heel anders. Natuurlijk heeft de Duitse overheid ook eisen gesteld aan de verduurzaming van het concern.’

Staalindustrie

Volgens Faaij moeten we bovendien het beeld eerder vergroten dan verkleinen. Geografisch bijvoorbeeld. Zo is Nederland te klein om het alleen te doen. Samenwerking in Noord- en Noordwest-Europa biedt al veel mogelijkheden. ‘De Scandinavische landen hebben bijvoorbeeld veel ervaring met verduurzaming van hun papier- en pulpindustrie. Duitsland en Denemarken hebben een voorsprong op het gebied van windenergie. Ook Nederland heeft sterke posities, bijvoorbeeld op het gebied van recycling en afvalverwerking. Ook op het gebied van warmtevoorziening maken we stappen. Hoopgevend zijn verder power-to-X, de elektrochemische conversie en vlak zeker de mogelijkheden van CCS niet uit, de opslag van CO2 in bijvoorbeeld lege gasvelden onder de Noordzee. CCS kan in combinatie met duurzame biomassa negatieve emissies opleveren. Die zullen we hard nodig hebben tot het einde van deze eeuw om onze doelstelling overall te halen.’

faaij

De opslag van CO2 biedt volgens de hoogleraar ook mogelijkheden in combinatie met nieuwe productieprocessen. ‘In de staalindustrie bijvoorbeeld, een van de grootste emitters. Als we in een bij Tata Steel geteste, nieuwe en veel efficiëntere staalfabriek de kolen vervangen door getorreficeerde biomassa en daarnaast ook nog de CO2 afvangen en opslaan, kunnen we staal produceren met negatieve emissies. Dat is een fundamentele verandering.’

André Faaij (TNO): ‘Bedrijven moeten nu al een beeld vormen hoe ze in de komende decennia die enorme verlaging in emissies gaan bereiken.’

Ledlamp

Uitgaan van een groter beeld betekent ook dat we volgens Faaij niet op voorhand te selectief moeten zijn in de opties die we hebben. ‘Even de discussie over kernenergie daargelaten, kleven er aan elke optie wel nadelen. We willen eigenlijk geen biomassa, geen windmolens op land en zelfs de weerstand tegen zonneparken groeit momenteel. Maar wat willen we dan wel? Alleen met één enkele technologie redden we het sowieso niet. En beperken maakt de energietransitie bovendien alleen maar duurder. Hoe meer we uitsluiten, des te meer de resterende mogelijkheden gaan kosten. Hoe verder we windmolens op zee en uit het zicht zetten, des te hoger de kosten voor de aanleg van de parken en voor het transport van de energie naar land.’ Dit geldt voor iedere technologie.

Door meerdere opties te ontwikkelen en op slimme combinaties in te zetten, zal de transitie sneller verlopen. Bovendien kunnen we leren uit het verleden. Er was in het begin ook weerstand tegen de ledlamp. Geen mooi licht en te duur. Inmiddels zijn ze in alle maten, kleuren en vormen te krijgen. ‘Ze zijn inmiddels goedkoper dan gloeilampen indertijd. Kostendalingen van wind- en zonne-energie zetten de komende jaren onverminderd door. Innovatie is daar een belangrijke aandrijver voor. Innovatie maakt de energietransitie aanzienlijk goedkoper.’ TNO berekende eerder dat een sterke kostendaling van alleen al zonne- en windenergie al significante invloed heeft. De totale investeringskosten voor de energietransitie vallen dan al gauw meer dan tien procent lager uit. ‘Deze leercurves kunnen en moeten voor nog veel meer technologieën worden gerealiseerd. Als we dat goed doen, maakt dat de energietransitie aanzienlijk goedkoper.’

Zeewier

In de chemie, die in Nederland fors is vertegenwoordigd, ziet Faaij ook mogelijkheden. Er is urgentie om meerdere redenen. ‘De Nederlandse petrochemie is verouderd. Als we niets doen, verdwijnt het uiteindelijk.’ Met kleine stapjes in bestaande processen gaat de chemie het ook niet redden. Alleen met fundamentele procesinnovatie is volgens André Faaij een efficiencyverbetering van dertig tot vijftig procent te bereiken. ‘Bovendien kunnen de emissies, in combinatie met duurzame energie in de vorm van elektriciteit, biomassa en waterstof, naar nul.

Hij ziet veel in de vervanging van thermochemische processen door biochemische conversies, zoals bioraffinage. De Nederlandse chemie doet volgens hem al interessante stappen op het gebied van biogebaseerde producten. ‘Een mooi voorbeeld is die bio-PET ontwikkeling, van Avantium, PEF.’

Ook spelen biobrandstoffen volgens Faaij een belangrijke rol, ondanks de huidige maatschappelijke tegenwind. Over de hetze tegen biobrandstoffen is hij dan ook zeer kritisch. Onder aanvoering van enkele bekende wetenschappers wordt volgens hem een onwetenschappelijke lobby gevoerd tegen de inzet van biomassa. ‘Ik vind dat onderzoekers zich altijd neutraal en genuanceerd moeten opstellen. We moeten vooral gedegen analyses leveren en uitstekend werk is al beschikbaar.’

Het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change, ziet een belangrijke rol voor biomassa. Dat is volgens hem een belangrijke graadmeter. ‘Het IPCC baseert zich op onderzoek van duizenden wetenschappers wereldwijd.’ Het beeld is niet zo zwart-wit als de tegenstanders beweren. Volgens Faaij is het allang helder dat de inzet van biomassa niet ten koste moet gaan van de voedselproductie. Biomassa als energiebron en grondstof van de chemie moet van reststromen komen en bijvoorbeeld nieuwe bosaanplant op marginale en gedegradeerde gronden. Ook biedt de landbouw in combinatie met efficiëntere en schonere teeltmethoden nog veel potentieel. Ook zeewier lijkt een significante bijdrage te kunnen gaan leveren. Recent onderzoek van onder meer TNO op dat vlak is zeer hoopgevend, stelt de hoogleraar. En de inzet van biomassa kan bebossing juist extra stimuleren. ‘Alleen al in China wordt per jaar een miljoen hectare nieuw bos aangeplant.’

CO2-ringleiding

Voor grote industrieclusters als de Rijnmond lijkt de transitie een complexe puzzel. Toch ziet Faaij daar verschillende hoopgevende ontwikkelingen. ‘Rotterdam is een heel krachtig cluster met een enorm innovatief vermogen. Natuurlijk kan niet alles van vandaag op morgen veranderen. Maar ik zie nu al een groei van biogebaseerde halffabrikaten en biobrandstoffen in de Rotterdamse haven. Ook de aanvoer en de inzet van groene stroom stijgt. En er zijn initiatieven op het gebied van groen en blauw waterstof.’

Ook is hij enthousiast over de plannen om een CO2-hoofdleiding aan te leggen in de Rijnmond. CO2 uit onder andere de Rotterdamse industrie kan worden verzameld en opgeslagen onder de Noordzee, in lege gasvelden. Ook is benutting van CO2 als grondstof een optie. Faaij: ‘Dergelijke infrastructuur kan Nederland echt op een voorsprong zetten en dat kan zelfs een unieke vestigingsfactor worden op het moment dat de industrie steeds meer moet gaan betalen voor CO2-emissierechten.’

Degelijke analyses

Ook hier moet dan wel het grote beeld worden gezien. Clusters, regio’s, landen en zelfs Noordwest-Europa moeten steeds meer als een geheel worden beschouwd. Dat biedt veel meer en grotere innovatieve mogelijkheden voor de nodige transitie. Al eerder, toen nog in zijn rol als directeur van de Energy Academy Europe, waarschuwde Faaij voor het gebrek aan regie op dit vlak. Het bestaande energiesysteem gaat wezenlijk op de schop, maar in de directiekamers van bedrijven wordt nog gedacht in doelstellingen voor een paar jaar, stelde hij een paar jaar geleden al in verschillende interviews.

Er is volgens hem een gebrek aan een strategische visie op de implementatie van het toekomstige energiesysteem. Dat zie je volgens Faaij bijvoorbeeld aan het stimuleren van warmtenetten. Je kunt volgens hem niet tegelijkertijd én warmtenetten aanleggen én een groot programma opzetten om woningen energieneutraal te maken. De problemen die het Warmtebedrijf Rotterdam momenteel heeft, lijken de analyse van Faaij te verifiëren. Er blijkt geen degelijke businesscase te zijn om restwarmte van onder andere Shell Pernis naar woningen te brengen. En die wordt er niet beter op als huizen steeds minder warmte af hoeven te nemen. ‘Ook om de energietransitie betaalbaar te houden zijn degelijke businessmodellen nodig en dus degelijke analyses.’

Grote getallen

Practice what you preach, zal er in zijn hoofd hebben rondgespookt, toen hij eind vorig jaar de overstap maakte naar TNO. Bij deze grote, onderzoeksorganisatie dat zich onder andere richt op de energietransitie, pakt hij de uitdaging direct op om een deel van de regie te grijpen. ‘Het gebrek aan regie is echt een witte vlek, waar TNO als organisatie gericht op innovaties voor verschillende domeinen, prima invulling aan kan geven. Afgelopen jaar heb ik met diverse CTO’s (chief technology officers) van energie-intensieve bedrijven gesproken. Daarin werd volledig bevestigd dat het blikveld moet worden verruimd naar 2050. Bedrijven moeten nu al een beeld vormen hoe ze in de komende decennia die enorme verlaging in emissies gaan bereiken. Vaak met maar één mogelijkheid voor de keuze voor een nieuwe fabriek en infrastructuur.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
faaij

André Faaij (TNO): ‘Het gaat om complexe systeemvragen die niet door één partij alleen kunnen worden beantwoord.’

Het gaat dan ook juist om het afstemmen van bedrijfsbeslissingen en investeringen op het veranderende energiesysteem: hoeveel groene stroom is wanneer beschikbaar en tegen welke prijs? En groene waterstof? Duurzame biomassa? CO2-afvang, -opslag en -gebruik? Welke infrastructuur dient wanneer te worden aangelegd om dat efficiënt te faciliteren? Hoe groot is de impact van sterk opgevoerde recycling en hergebruik? ‘Het gaat om complexe systeemvragen die niet door één partij alleen kunnen worden beantwoord. En het gaat om hele grote getallen.’

TNO kan een belangrijke rol spelen bij het afstemmen van de paden voor onderzoek en ontwikkeling voor de energietransitie. Uiteraard pakt het instituut dat samen op met bedrijfsleven en de relevante overheden. ‘Daarbij werkt TNO nadrukkelijk internationaal samen in allerlei grote programma’s, bijvoorbeeld rond de energietransitie van de Noordzee-regio, duurzame industrie, biobased economy, CO2-opslag, et cetera.’

Elk wat wils

Dat die transitie essentieel is en dat innovatie daarbij een belangrijke rol speelt, is voor Faaij geen punt van discussie. Dat die betaalbaar moet zijn en meer op zelfvoorziening gericht, ook niet. ‘Daar mag in de politiek ook geen misverstand over bestaan. De transitie biedt namelijk elk wat wils; verduurzaming, synergie met een schoner milieu (zoals lagere stikstofuitstoot), een meer circulaire economie die veel zuiniger is met grondstoffen en een groen, economisch groeimodel. Dit geldt ook voor Forum van Democratie en de PVV. Die willen in de toekomst toch juist ook een lagere energierekening en minder afhankelijk zijn van landen met ons minder welgevallige regimes?’

European Industry & Energy Summit 2020

Tijdens European Industry & Energy Summit 2020 op 8 en 9 december zenden wij uit vanuit vier studio’s: Amsterdam, Eemshaven (Groningen Seaports), Rotterdam (Plant One Rotterdam) en Geleen (Brightsite Chemelot Campus).  We bespreken thema’s als Europese plannen, waterstof, infrastructuur, innovatie en systeemintegratie. Verschillende partners presenteren in side-events hun visie op onderwerpen als CCUS, elektrificatie, elektrochemie, energiebesparing- en opslag, en veel meer.

Inschrijven voor de livestreams is kosteloos (pay as you like).

De energietransitie gaat de samenleving uiteindelijk veel minder kosten dan wanneer we alles bij het oude laten. Innovatie kan daarbij een essentiële rol spelen. Maar dan moet de transitie wel beter worden geregisseerd dan nu. TNO pakt graag de handschoen op, stelt professor André Faaij.

Ja, de energietransitie gaat veel geld kosten, bevestigt professor André Faaij, wetenschappelijk directeur bij TNO. Volgens Thierry Baudet (FvD) zou het zelfs gaan om duizend miljard euro tot 2050. Maar dergelijke bedragen moeten volgens de universiteitshoogleraar Energiesysteemanalyse (Rijksuniversiteit Groningen) wel in het juiste perspectief worden geplaatst. ‘Gaan we door op de oude voet, dan kost dat onze samenleving een veelvoud. We moeten vooral het volledige beeld laten zien. Momenteel is Europa voor maar liefst negentig procent afhankelijk van fossiele import. Als we niets doen, dan hebben we straks alleen maar meer olie en gas van buiten nodig. De prijs daarvan stijgt in zo’n scenario onherroepelijk. Dat terwijl op innovatieve terreinen de prijs alleen maar daalt. In woestijnlanden en China leveren nieuwe zonneparken stroom voor een kostprijs van 2,5 eurocent per kilowattuur. Dat is de helft van de huidige kostprijs van stroom uit gascentrales.’

Dichterbij huis laten windparken op zee ook een enorme daling van kosten zien. Inmiddels zijn de kosten per kilowattuur vergelijkbaar met die van fossiele centrales. Met name door innovatieve ontwikkelingen kan de prijs nog verder dalen, stelt Faaij. Innovatie loont. ‘Kijk naar een bedrijf als DSM. Dat bedrijf is er in geslaagd om zich vanuit de basischemie om te vormen naar een high tech en biotech-concern.’ Het bedrijf haalt tegenwoordig meer dan twintig procent van zijn groei uit innovatie. Vijftien jaar geleden was dat vier procent, zo blijkt uit cijfers van DSM zelf.

Eenzelfde ontwikkeling ziet Faaij bij Europese energiereuzen. ‘Eon, RWE en bijvoorbeeld Vattenfall splitsen hun bedrijven in een innovatieve tak en een tak gebaseerd op bestaande fossiele activiteiten.’ En misschien gaan die nog wel een stapje verder. ‘Waar DSM de oude petrochemische activiteiten aan Saudi’s verkocht, willen de energiebedrijven de oude activiteiten de komende decennia volledig afbouwen. Vergeet niet dat RWE een paar jaar geleden zou zijn omgevallen als de Duitse overheid geen helpende hand had toegestoken. Dat is nu al heel anders. Natuurlijk heeft de Duitse overheid ook eisen gesteld aan de verduurzaming van het concern.’

Staalindustrie

Volgens Faaij moeten we bovendien het beeld eerder vergroten dan verkleinen. Geografisch bijvoorbeeld. Zo is Nederland te klein om het alleen te doen. Samenwerking in Noord- en Noordwest-Europa biedt al veel mogelijkheden. ‘De Scandinavische landen hebben bijvoorbeeld veel ervaring met verduurzaming van hun papier- en pulpindustrie. Duitsland en Denemarken hebben een voorsprong op het gebied van windenergie. Ook Nederland heeft sterke posities, bijvoorbeeld op het gebied van recycling en afvalverwerking. Ook op het gebied van warmtevoorziening maken we stappen. Hoopgevend zijn verder power-to-X, de elektrochemische conversie en vlak zeker de mogelijkheden van CCS niet uit, de opslag van CO2 in bijvoorbeeld lege gasvelden onder de Noordzee. CCS kan in combinatie met duurzame biomassa negatieve emissies opleveren. Die zullen we hard nodig hebben tot het einde van deze eeuw om onze doelstelling overall te halen.’

De opslag van CO2 biedt volgens de hoogleraar ook mogelijkheden in combinatie met nieuwe productieprocessen. ‘In de staalindustrie bijvoorbeeld, een van de grootste emitters. Als we in een bij Tata Steel geteste, nieuwe en veel efficiëntere staalfabriek de kolen vervangen door getorreficeerde biomassa en daarnaast ook nog de CO2 afvangen en opslaan, kunnen we staal produceren met negatieve emissies. Dat is een fundamentele verandering.’

Ledlamp

Uitgaan van een groter beeld betekent ook dat we volgens Faaij niet op voorhand te selectief moeten zijn in de opties die we hebben. ‘Even de discussie over kernenergie daargelaten, kleven er aan elke optie wel nadelen. We willen eigenlijk geen biomassa, geen windmolens op land en zelfs de weerstand tegen zonneparken groeit momenteel. Maar wat willen we dan wel? Alleen met één enkele technologie redden we het sowieso niet. En beperken maakt de energietransitie bovendien alleen maar duurder. Hoe meer we uitsluiten, des te meer de resterende mogelijkheden gaan kosten. Hoe verder we windmolens op zee en uit het zicht zetten, des te hoger de kosten voor de aanleg van de parken en voor het transport van de energie naar land.’ Dit geldt voor iedere technologie.

André Faaij (TNO): ‘Bedrijven moeten nu al een beeld vormen hoe ze in de komende decennia die enorme verlaging in emissies gaan bereiken.’

Door meerdere opties te ontwikkelen en op slimme combinaties in te zetten, zal de transitie sneller verlopen. Bovendien kunnen we leren uit het verleden. Er was in het begin ook weerstand tegen de ledlamp. Geen mooi licht en te duur. Inmiddels zijn ze in alle maten, kleuren en vormen te krijgen. ‘Ze zijn inmiddels goedkoper dan gloeilampen indertijd. Kostendalingen van wind- en zonne-energie zetten de komende jaren onverminderd door. Innovatie is daar een belangrijke aandrijver voor. Innovatie maakt de energietransitie aanzienlijk goedkoper.’ TNO berekende eerder dat een sterke kostendaling van alleen al zonne- en windenergie al significante invloed heeft. De totale investeringskosten voor de energietransitie vallen dan al gauw meer dan tien procent lager uit. ‘Deze leercurves kunnen en moeten voor nog veel meer technologieën worden gerealiseerd. Als we dat goed doen, maakt dat de energietransitie aanzienlijk goedkoper.’

Zeewier

In de chemie, die in Nederland fors is vertegenwoordigd, ziet Faaij ook mogelijkheden. Er is urgentie om meerdere redenen. ‘De Nederlandse petrochemie is verouderd. Als we niets doen, verdwijnt het uiteindelijk.’ Met kleine stapjes in bestaande processen gaat de chemie het ook niet redden. Alleen met fundamentele procesinnovatie is volgens André Faaij een efficiencyverbetering van dertig tot vijftig procent te bereiken. ‘Bovendien kunnen de emissies, in combinatie met duurzame energie in de vorm van elektriciteit, biomassa en waterstof, naar nul.

Hij ziet veel in de vervanging van thermochemische processen door biochemische conversies, zoals bioraffinage. De Nederlandse chemie doet volgens hem al interessante stappen op het gebied van biogebaseerde producten. ‘Een mooi voorbeeld is die bio-PET ontwikkeling, van Avantium, PEF.’

Ook spelen biobrandstoffen volgens Faaij een belangrijke rol, ondanks de huidige maatschappelijke tegenwind. Over de hetze tegen biobrandstoffen is hij dan ook zeer kritisch. Onder aanvoering van enkele bekende wetenschappers wordt volgens hem een onwetenschappelijke lobby gevoerd tegen de inzet van biomassa. ‘Ik vind dat onderzoekers zich altijd neutraal en genuanceerd moeten opstellen. We moeten vooral gedegen analyses leveren en uitstekend werk is al beschikbaar.’

Het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change, ziet een belangrijke rol voor biomassa. Dat is volgens hem een belangrijke graadmeter. ‘Het IPCC baseert zich op onderzoek van duizenden wetenschappers wereldwijd.’ Het beeld is niet zo zwart-wit als de tegenstanders beweren. Volgens Faaij is het allang helder dat de inzet van biomassa niet ten koste moet gaan van de voedselproductie. Biomassa als energiebron en grondstof van de chemie moet van reststromen komen en bijvoorbeeld nieuwe bosaanplant op marginale en gedegradeerde gronden. Ook biedt de landbouw in combinatie met efficiëntere en schonere teeltmethoden nog veel potentieel. Ook zeewier lijkt een significante bijdrage te kunnen gaan leveren. Recent onderzoek van onder meer TNO op dat vlak is zeer hoopgevend, stelt de hoogleraar. En de inzet van biomassa kan bebossing juist extra stimuleren. ‘Alleen al in China wordt per jaar een miljoen hectare nieuw bos aangeplant.’

CO2-ringleiding

Voor grote industrieclusters als de Rijnmond lijkt de transitie een complexe puzzel. Toch ziet Faaij daar verschillende hoopgevende ontwikkelingen. ‘Rotterdam is een heel krachtig cluster met een enorm innovatief vermogen. Natuurlijk kan niet alles van vandaag op morgen veranderen. Maar ik zie nu al een groei van biogebaseerde halffabrikaten en biobrandstoffen in de Rotterdamse haven. Ook de aanvoer en de inzet van groene stroom stijgt. En er zijn initiatieven op het gebied van groen en blauw waterstof.’

Ook is hij enthousiast over de plannen om een CO2-hoofdleiding aan te leggen in de Rijnmond. CO2 uit onder andere de Rotterdamse industrie kan worden verzameld en opgeslagen onder de Noordzee, in lege gasvelden. Ook is benutting van CO2 als grondstof een optie. Faaij: ‘Dergelijke infrastructuur kan Nederland echt op een voorsprong zetten en dat kan zelfs een unieke vestigingsfactor worden op het moment dat de industrie steeds meer moet gaan betalen voor CO2-emissierechten.’

Degelijke analyses

Ook hier moet dan wel het grote beeld worden gezien. Clusters, regio’s, landen en zelfs Noordwest-Europa moeten steeds meer als een geheel worden beschouwd. Dat biedt veel meer en grotere innovatieve mogelijkheden voor de nodige transitie. Al eerder, toen nog in zijn rol als directeur van de Energy Academy Europe, waarschuwde Faaij voor het gebrek aan regie op dit vlak. Het bestaande energiesysteem gaat wezenlijk op de schop, maar in de directiekamers van bedrijven wordt nog gedacht in doelstellingen voor een paar jaar, stelde hij een paar jaar geleden al in verschillende interviews.

Er is volgens hem een gebrek aan een strategische visie op de implementatie van het toekomstige energiesysteem. Dat zie je volgens Faaij bijvoorbeeld aan het stimuleren van warmtenetten. Je kunt volgens hem niet tegelijkertijd én warmtenetten aanleggen én een groot programma opzetten om woningen energieneutraal te maken. De problemen die het Warmtebedrijf Rotterdam momenteel heeft, lijken de analyse van Faaij te verifiëren. Er blijkt geen degelijke businesscase te zijn om restwarmte van onder andere Shell Pernis naar woningen te brengen. En die wordt er niet beter op als huizen steeds minder warmte af hoeven te nemen. ‘Ook om de energietransitie betaalbaar te houden zijn degelijke businessmodellen nodig en dus degelijke analyses.’

Grote getallen

Practice what you preach, zal er in zijn hoofd hebben rondgespookt, toen hij eind vorig jaar de overstap maakte naar TNO. Bij deze grote, onderzoeksorganisatie dat zich onder andere richt op de energietransitie, pakt hij de uitdaging direct op om een deel van de regie te grijpen. ‘Het gebrek aan regie is echt een witte vlek, waar TNO als organisatie gericht op innovaties voor verschillende domeinen, prima invulling aan kan geven. Afgelopen jaar heb ik met diverse CTO’s (chief technology officers) van energie-intensieve bedrijven gesproken. Daarin werd volledig bevestigd dat het blikveld moet worden verruimd naar 2050. Bedrijven moeten nu al een beeld vormen hoe ze in de komende decennia die enorme verlaging in emissies gaan bereiken. Vaak met maar één mogelijkheid voor de keuze voor een nieuwe fabriek en infrastructuur.’

André Faaij (TNO): ‘Het gaat om complexe systeemvragen die niet door één partij alleen kunnen worden
beantwoord.’

Het gaat dan ook juist om het afstemmen van bedrijfsbeslissingen en investeringen op het veranderende energiesysteem: hoeveel groene stroom is wanneer beschikbaar en tegen welke prijs? En groene waterstof? Duurzame biomassa? CO2-afvang, -opslag en -gebruik? Welke infrastructuur dient wanneer te worden aangelegd om dat efficiënt te faciliteren? Hoe groot is de impact van sterk opgevoerde recycling en hergebruik? ‘Het gaat om complexe systeemvragen die niet door één partij alleen kunnen worden beantwoord. En het gaat om hele grote getallen.’

TNO kan een belangrijke rol spelen bij het afstemmen van de paden voor onderzoek en ontwikkeling voor de energietransitie. Uiteraard pakt het instituut dat samen op met bedrijfsleven en de relevante overheden. ‘Daarbij werkt TNO nadrukkelijk internationaal samen in allerlei grote programma’s, bijvoorbeeld rond de energietransitie van de Noordzee-regio, duurzame industrie, biobased economy, CO2-opslag, et cetera.’

Elk wat wils

Dat die transitie essentieel is en dat innovatie daarbij een belangrijke rol speelt, is voor Faaij geen punt van discussie. Dat die betaalbaar moet zijn en meer op zelfvoorziening gericht, ook niet. ‘Daar mag in de politiek ook geen misverstand over bestaan. De transitie biedt namelijk elk wat wils; verduurzaming, synergie met een schoner milieu (zoals lagere stikstofuitstoot), een meer circulaire economie die veel zuiniger is met grondstoffen en een groen, economisch groeimodel. Dit geldt ook voor Forum van Democratie en de PVV. Die willen in de toekomst toch juist ook een lagere energierekening en minder afhankelijk zijn van landen met ons minder welgevallige regimes?’

In twee jaar tijd is DSM Resins and Functional Materials van 35 naar 100 medewerkers gegroeid. Opvallend is dat de gemiddelde leeftijd onder de veertig is. Erg jong voor een chemisch bedrijf. Plantmanager Mirjam Verhoeff: ‘Wat wel bijzonder is, is dat organisaties vaak spreken over cultuurverandering, terwijl wij hier nog een cultuur aan het bouwen zijn.’ En dat niet alleen, het bedrijf investeert de komende jaren miljoenen in projecten en capaciteitsuitbreiding.

DSM Resins and Functional Materials in Hoek van Holland maakt uv-uithardende harsen die worden gebruikt als coating voor glasvezel en als 3D-printmateriaal. Dat laatste produceerde het bedrijf tot drie jaar geleden op een andere locatie. ‘Doordat het nieuwe product hierheen kwam en de productievolumes van de bestaande productlijn hard stegen, zijn wij enorm gegroeid’, legt plantmanager Mirjam Verhoeff uit. ‘Tot drie jaar terug hadden we 35 man in dienst in de fabriek, nu zijn dat er 100.’

Het leuke is volgens Verhoeff dat er nu heel veel jonge medewerkers zijn. ‘De gemiddelde leeftijd ligt net onder de veertig jaar. Ik werk al twintig jaar in de chemische industrie, meestal met een oudere bezetting die zichzelf elke keer weer motiveert omdat er veel verandert. Deze jonge garde zorgt voor een hele andere dynamiek. Daarnaast hebben we een sterk opleidingstraject lopen voor alle nieuwe medewerkers. Het personeel heeft enorme energie, ideeën, motivatie en is trots op het werk.’

Problemen zelf oplossen

Door de vele nieuwe medewerkers moet de bedrijfscultuur nog worden opgebouwd. Verhoeff: ‘Wat wel bijzonder is, is dat organisaties vaak spreken over cultuurverandering, terwijl wij de cultuur hier nog moeten opbouwen. Daarbij vind ik het familiegevoel en de eenheid belangrijk van toen er hier nog 35 mensen werkten. Daarnaast willen we echt een groep mensen die niet alleen hun dagelijkse werk doen, maar elke dag een beetje verbeteren.’

Daarvoor heeft het bedrijf DSM Integral Continuous Improvement in het leven geroepen. Hierbij lossen medewerkers zelf kleine problemen op. ‘Als je klein denkt, kan je heel veel dingen zelf’, legt Verhoeff uit. Als we dat met honderd man elke dag doen, gaan we als een speer vooruit. Dan krijgen we veel kleine verbeteringen, die samen een gigantische verbeterstap zijn. Dat slaat hier enorm aan.’

Meer productie

Zo hadden een paar operators het idee om bij een productielijn die helemaal was uitverkocht, een vat verder te vullen. Hierdoor kon er meer product worden gemaakt. Anderen bedachten om grondstoffen op een andere plek neer te zetten zodat medewerkers minder hoeven te lopen. En een medewerker van het lab hielp om de kwaliteit in de fabriek nog beter te maken. Verhoeff: ‘Met wat hulp van operators kon hij met allerlei proefjes aantonen dat de problemen rond onze manier van bedrijfsvoeren konden worden verbeterd. Daarop hebben we onze werkmethodes aangepast en onze spoelingen verbeterd. Het klinkt allemaal heel simpel, maar dit zijn de ideeën die ons stapje voor stapje vooruit brengen.’

Uit cijfers blijkt ook dat het echt werkt. Twee productlijnen produceren nu significant meer door kleine verbeteringen. Verhoeff: ‘Niet omdat we er een enorm project met investeringen tegenaan hebben gezet, maar door al die ideetjes die mensen zelf mogen uitvoeren.’

Nieuwe hersenen

Op andere gebieden investeert DSM ook veel. De komende drie tot vier jaar wordt er veel geïnvesteerd in de locatie in Hoek van Holland. Het grootste deel van dat geld gaat naar een nieuw DCS-systeem, het besturingssysteem van de fabriek. ‘De hersenen van de fabriek moeten worden geherprogrammeerd en dat is een gigantisch project’, zegt Verhoeff.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Mirjam Verhoeff (DSM): ‘De hersenen van de fabriek moeten worden geherprogrammeerd en dat is een gigantisch project.’

Het huidige systeem is niet meer van deze tijd. ‘Als de plantcomputer straks om is, zijn we ook verder met digitalisering. We gaan papierloos in de fabriek. Alle manuele schrijf- en registratieacties willen we daarna digitaal doen met bijvoorbeeld iPads. We noemen het de plant of the future.’

Capaciteitsuitbreiding

Naast een nieuw DCS-systeem wordt er geïnvesteerd in kleinere projecten. Zo krijgt DSM nieuwe koelunits die energiezuiniger zijn en doet het bedrijf aanpassingen zodat er minder manuele handelingen nodig zijn. Het warehouse wordt aangepast om meer materialen op te kunnen slaan en er komen meer douches et cetera, omdat er meer medewerkers zijn. Daarnaast is DSM ook nog bezig om nieuwe grondstoftanks in gebruik te nemen.

Terwijl al deze projecten lopen moet DSM ook nog toewerken naar de volgende capaciteitsuitbreiding. ‘De komende tijd gaan we een plan maken hoe de site eruit moet komen te zien als we vijftig procent meer willen maken.’

Ervaring opbouwen

Er lopen dus een hoop projecten tegelijkertijd. Verhoeff: ‘Bij al die projecten betrekken we onze medewerkers in een vroeg stadium zodat ze echt begrijpen wat ze moeten doen als ze er later mee werken. Deze organisatie heeft niet veel ervaring met projecten. Bij het eerste project loop je tegen veel zaken aan. Mensen moeten ook wat tegenkomen om ervan te leren. We zetten personeel daarom crossfunctioneel in. Operators laten we projecten trekken en we laten mensen bijvoorbeeld meelopen op het lab. Hiermee willen we ervaring in de organisatie opbouwen. Het is veel, maar ook leuk.’

Glasvezel en 3D-geprinte beugels

De uv-uithardende harsen van DSM Resins and Functional Materials worden gebruikt als coating voor glasvezel en als 3D-printmateriaal. Samen met DSM-fabrieken in Taiwan en Japan levert Hoek van Holland het grootste gedeelte van de glasvezelcoating in de wereld. ‘We zijn op zich klein, maar hebben een grote impact op de connectivity in de wereld’, zegt plantmanager Mirjam Verhoeff.

Mirjam Verhoeff (DSM): ‘We zetten personeel crossfunctioneel in.’

Glasvezel wordt steeds belangrijker. 5G komt er aan en dat betekent meer wireless, meer dataverkeer en dus ook meer glasvezel. Over glasvezel gaan twee coatinglagen van DSM. De eerste zorgt ervoor dat signalen door de vezel kunnen gaan en de tweede laag is met name voor de sterkte.

Groeimarkten

DSM ziet er een enorme groeimarkt in, net als in het 3D-printmateriaal. Verhoeff: ‘Wij werken al veertig jaar met uv-uithardende harsen en houden ons al 25 jaar bezig met 3D-printen. Het gaat om dezelfde chemische kennis. Momenteel produceren wij materiaal voor de Formule 1, waar het gebruikt wordt om prototypes van onderdelen te maken. Maar 3D-printen is een beginnende markt. We hebben nog geen idee wat er op dat gebied allemaal gaat gebeuren. Ik vergelijk het wel eens met de apps op je telefoon. Toen mobiele telefoons kwamen, wisten we niet dat die apps zouden ontstaan.’

Personaliseren

Er zijn allerlei 3D-printbedrijfjes in opkomst en er gebeurt van alles. ‘Alles wat je kan personaliseren, kan je 3D-printen. Denk aan schoenen en beugels. Een orthodontist is straks misschien niet meer nodig. In Amerika bestaat het al dat je gebit wordt opgemeten en een computermodel berekent vervolgens hoe de tanden recht moeten komen te staan. Uiteindelijk krijg je thuis 52 doosjes met een beugel erin opgestuurd, zodat je je beugel elke week kunt vervangen.’

Opbouwen

Het 3D-printmateriaal van DSM wordt gebruikt voor apparaten die nauwkeuriger zijn dan de 3D-printers die mensen thuis gebruiken. Daarbij worden producten laagje voor laagje opgebouwd. ‘Onze materialen worden gebruikt voor de zogenoemde vloeistoflithografie’, legt Verhoeff uit. ‘In een bak met vloeistof zit een metalen plaatje waar licht op schijnt, die vloeistof hard daardoor uit. Het plaatje gaat steeds een stukje omlaag waardoor je het element opbouwt.’

De koers van de regering is duidelijk. Ze wil liever kooldioxide als grondstof gebruiken dan het de grond in te stoppen. Voor grootschalige CO2-uitstoot vermijding is ondergrondse opslag echter nog steeds de goedkoopste optie. Het is dan ook nog te vroeg om keuzes te maken. Gelukkig zijn er mogelijkheden genoeg om grondstoffen te maken van kooldioxide.

Vorig jaar verrichte de Sociaal Economische Raad een bijna onmogelijke exercitie. Ze wist de industrie, niet gouvernementele organisaties, wetenschappers en politici aan één tafel te krijgen om een Klimaatakkoord te smeden. Hoewel het akkoord nog niet is verankerd in wetgeving, gaf minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat wel inzicht in de richting die het kabinet op wil. Gestuurd door een nieuwe subsidie, SDE++, die uitgaat van het aantal bespaarde tonnen CO2-uitstoot.

Als het op CO2-besparing aankomt, heeft CO2 Capture and Storage (CCS) zeer goede kaarten in handen. Het wegvangen van CO2 uit rookgassen, dus na verbranding, en het maken van blauwe waterstof, vóór verbranding, is redelijk eenvoudig. De eerste variant gebruikt meestal een aminewassing om CO2 uit rookgassen te scheiden. Blauwe waterstof is een vorm van grijze waterstof, waarbij via steam methane reforming of autothermal reforming aardgas (CH4) wordt gesplitst in koolstof en waterstof. Het verschil tussen grijze en blauwe waterstof is dat de van het methaan afgescheiden koolstof de grond in verdwijnt.

Porthos

CCS is niet nieuw. Het Noorse olie en gasbedrijf Equinor injecteert al sinds 1996 kooldioxide in het offshore Sleipner gasveld. Het veld is zeer geschikt voor CO2-opslag omdat het een diepte heeft van achthonderd meter. De druk op die diepte zorgt ervoor dat CO2 superkritisch blijft. Dankzij deze fasetoestand kan Equinor het koolzuurgas met relatief weinig energie in de poriën van de zandsteenlagen persen.

In Rotterdam lagen de plannen al klaar voor CCS. Het Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD) was van plan vanaf 2015 jaarlijks 1,1 miljoen ton CO2 van de kolencentrale van energiebedrijf Uniper af te vangen en op te slaan in uitgeproduceerde gasvelden van Taqa. Helaas schoven de partners Uniper en Engie de planning van het project steeds weer op, tot ze twee jaar geleden besloten er mee te stoppen.

De klimaatopgave is echter dermate groot dat Havenbedrijf Rotterdam de regie overnam en het project omdoopte in Porthos, wat staat voor Port of Rotterdam CO2 Transport Hub & Offshore Storage. Samen met EBN en Gasunie verbreedde het havenbedrijf de scope van het project naar de Rotterdamse industrie. Recent haakten ook de havens van Antwerpen, Gent en Terneuzen (Nort Sea Port) aan bij Porthos, wat de kans op een Europese subsidie aanzienlijk zou vergroten. De aanvoerleiding langs de chemische bedrijven, de compressor die het gas vloeibaar maakt en de leiding naar het P18 productieplatform kost zo’n 450 miljoen euro. De investering zou alleen rendabel zijn bij een CO2-prijs van zestig euro per ton. De prijs is nu nog 25 euro per ton, waardoor subsidie een voorwaarde is om aan het project te beginnen.

Athos

Redelijk recent haakte ook Amsterdam aan op de CCUS-plannen. Net als Rotterdam koos de hoofdstad voor een lid van de drie musketiers: Athos. In het Amsterdam-IJmuiden CO2 Transport Hub & Offshore Storage project werken Gasunie, EBN Port of Amsterdam en Tata Steel samen om in 2030 tot 7,5 megaton CO2 per jaar aan uitstoot te reduceren. De haalbaarheidsstudie viel in ieder geval positief uit. Om het voorstel concreter te maken, werken de partijen nu aan de vervolgstudie.

Opvallend bij zowel Porthos als Athos is dat CO2-opslag niet het enige doel is. De partijen nemen ook Carbon Capture and Utilization (CCU) mee in de plannen. Ook CCU bestaat al een tijdje. Shell Pernis en bio-ethanolfabriek Alco leveren al jaren kooldioxide aan de glastuinbouw in het Westland via de Ocap-leiding. De glastuinbouw gebruikte normaal gesproken zijn warmtekrachtinstallaties voor de productie van kooldioxide, waar de planten sneller van groeien. Nu kunnen ze hun installaties uitlaten, wat veel CO2-uitstoot vermijdt. Daarmee openen de glastuinbouwers bovendien de weg naar de inzet van aardwarmte en industriële restwarmte als verwarmingsbron.

Utilization

CCU gaat veel verder dan alleen ondergronds opslaan. Kooldioxide is immers ook een waardevolle grondstof voor chemicaliën, kunststoffen en bijvoorbeeld de cementindustrie. Petrus Postma van Bloc stelde zich ten doel zoveel mogelijk kooldioxide nuttig aan te wenden. Door zoveel mogelijk bedrijven rondom de Porthos- en Athos-netwerken te positioneren, zou een zogenaamd CO2 Smartgrid moeten ontstaan.

Postma: ‘Eerst onderzochten TNO, Ecofys, nu Navigant de technische en economische haalbaarheid van CCU. Bovendien wilden we ook weten of het nuttig inzetten van kooldioxide daadwerkelijk bijdraagt aan verlaging van de CO2-emissies, ook in de keten. CE Delft bekeek daarna ook nog de maatschappelijke acceptatie van CCU. Onderzoeksbureau Ecorys onderzocht vervolgens welke chemische grondstoffen kansrijk zijn om de afgevangen kooldioxide in te zetten.’

Die lijst met chemische grondstoffen is behoorlijk groot. Inmiddels zijn er meerdere onderzoeken gaande naar de omzetting van kooldioxide in bijvoorbeeld organische zuren en carbamaten. Maar de productie van ethanol, mierenzuur en anorganische carbonaten worden al op demonstratieschaal geproduceerd. Een van de meest gebruikte kunstmestproducten, ureum, is zelfs al commercieel verkrijgbaar. Dat wil zeggen: een variant die afgevangen CO2 als grondstof gebruikt. Dat geldt overigens ook voor de grondstof van aspirine: salicylzuur.

De opbrengsten van die chemicaliën zijn ook interessant in de businesscase rondom CCU. Wat dat aangaat heeft mierenzuur nog de beste kansen met een prijs variërend van de duizend tot 17.00 euro per ton. Maar ook synthesegas, bestaande uit koolmonoxide en waterstof, biedt een waardevolle basis voor chemische producten.’

Afvalenergiecentrales

Postma is dan ook met meerdere partijen in gesprek om zich eventueel te vestigen in de havens van Amsterdam, Rotterdam of in ieder geval in de buurt van de CO2-leidingen. Hij heeft inmiddels een behoorlijke lijst verzameld van partijen die het CO2-probleem willen ombuigen in een kans.

Opvallend aan de afvangkant zijn de recente ontwikkelingen rondom afvalenergiecentrales. Zowel HVC in Alkmaar als Twence in Hengelo wassen de rookgassen die vrijkomen bij de verbranding van huishoudelijk afval. Beide bedrijven bouwen een afvanginstallatie op pilot schaal om ervaring op te doen met het afvangen en transporteren van het gas naar de glastuinbouw. Omdat de bedrijven niet over een leiding zoals Ocap beschikken, moeten ze het gas vloeibaar maken. Het koolzuurgas gaat dan via vrachtwagens naar de glastuinbouw. AVR is wat betreft CO2-afvang nog het verst. Het bedrijf opende recent bij zijn afvalenergiecentrale in Duiven een full scale installatie die jaarlijks zestig kiloton CO2 afvangt. Het is de opmaat naar een vijf keer zo grote installatie in Rotterdam, waar het CO2 wel in gasvorm de leiding in kan.

Hoewel de glastuinbouw een dankbare afnemer is van kooldioxide, zit er wel een beperking aan. Ten eerste gaat een groot deel van de CO2 alsnog de lucht in. Bovendien is CO2-suppletie alleen zinvol tijdens het groeiseizoen, van begin maart tot medio september. AVR gaf dan ook al aan naar alternatieve afnemers te zoeken voor zijn vrij zuivere CO2.

Chemicaliën

Inmiddels is er een groot aantal initiatieven ontstaan voor het vastleggen van CO2 in brandstoffen, chemicaliën, mineralen of kunststoffen. Neem bijvoorbeeld Photanol, dat cyanobacteriën kweekt met behulp van kooldioxide. De blauwalgen groeien zeer goed op kooldioxide en vormen de basis voor een keur aan chemicaliën. Inmiddels experimenteert men met de productie van limoneen, de geurstof in citroen. Maar blauwalg is ook een goede basis voor bioplastics en een blauwe kleurstof.

Cargill-dochter NatureWorks maakt al langer polymelkzuur (polylactic acid, PLA) uit biomassa. Het bedrijf bedacht daarna een manier om bacteriën in te zetten om CO2 om te zetten in suikers. Die suikers kunnen vervolgens weer in PLA worden omgezet, wat de basis is voor polymeren en kunstvezels dat het onder de naam Ingeo verkoopt.

Het Californische Kiverdi heeft het zelfs als missie gemaakt om zoveel mogelijk producten uit CO2 te produceren. Het lijstje met producten varieert van proteïnes voor menselijke consumptie of als visvoer tot kunstmest en kunststoffen.

Mineralisatie

Het Nederlandse initiatief Greensand gooit het over een andere boeg en legt kooldioxide vast in het mineraal olivijn. Het letterlijk groene mineraal reageert bij de verwering met CO2 en water, waarbij bicarbonaat ontstaat. De eindproducten zijn silicaat, bicarbonaat en magnesium. Olivijn neemt maar liefst één maal haar eigen gewicht aan CO2 op.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Olivijn (c) Wikicommons

Of neem de Compensatiesteen van de Ruwbouw Groep. De steen neemt tijdens de fabricage koolstofdioxide op. Samen met het Belgische onderzoeksbedrijf Vito ontwikkelde het bedrijf een bouwsteen dat CO2 gebruikt als bindmiddel. Met een restproduct uit de staalindustrie, zand en CO2, ontstaan bij kamertemperatuur en lage druk stenen met een hoge druksterkte. Het bedrijf belooft dan ook al tijdens het productieproces een gegarandeerde opname van 250 kilogram CO2 per kuub en een CO2-footprint van -70 kilo per kubieke meter.

Mineralisatie van CO2 is sowieso een trend binnen de bouwwereld. De betonindustrie is een van de grootste uitstoters van kooldioxide dankzij het energie-intensieve proces dat nodig is om Portland cement te maken. Het Canadese CarbonCure ontwikkelde een technologie om beton te versterken met met CO2. In de Verenigde Staten gebruiken al 150 bedrijven de technologie om beton te produceren. Onlangs tekende het bedrijf een samenwerkingsverband met Linde Gas om de technologie ook in Europa uit te rollen.

Het Amerikaanse Solidia doet iets vergelijkbaars: het bedrijf gebruikt CO2 in plaats van water om kalkzandsteen te binden. Daarmee zegt het bedrijf zeventig procent van de uitstoot van het broeikasgas te kunnen vermijden.

Tot slot kan het Nederlandse Green Minerals diverse op CO2-gebaseerde mineralen leveren voor onder meer de beton- en papierindustrie en als vulmiddel voor polymeren. Ook hier is de grondstof olivijn. Door het mineraal te vermalen en bewerken, is een veel energiezuiniger proces mogelijk dat ook nog eens CO2 vastlegt.

Politiek

Ondanks de lage investering per vermeden ton CO2, ligt met name CCS politiek gevoelig. De milieulobby ziet het ondergronds opslaan van broeikasgassen als tijdelijke oplossing. Men is bang dat de investeringen in CCUS ten koste gaan van daadwerkelijke emissieloze energieopwekking. Minister Wiebes geeft gehoor aan deze geluiden door grenzen te stellen aan subsidies voor CCS. Zo krijgen alleen projecten subsidie waar geen kosteneffectief alternatief voorhanden is. Bovendien stelde Wiebes een plafond in voor subsidiëring van industriële CCS van 7,2 megaton. Na 2035 kan de industrie sowieso geen nieuwe subsidieaanvragen voor CCS indienen. Wat betreft CCU stelt de minister overigens geen plafond in.

 

Openingsfoto: Bio-ethanol fabriek in Frankrijk (c) Yves Bernardi

De stikstofproblematiek is zo ingewikkeld dat de politiek meer tijd nodig heeft om tot een oplossing te komen. Politici nemen tot zeker december de tijd. Tegelijkertijd pleit Cas König, directeur Groningen Seaports, voor een noodwet die ‘het liefst nog morgen in gaat’.

König zei dit half oktober tijdens het Eemsdeltavisiecongres van Petrochem in Delfzijl. Volgens hem haken bedrijven die zich wilden vestigen in het noorden af. En ondernemers die door willen gaan, kunnen dat niet. ‘Er ligt hier al een project van driehonderd miljoen euro stil van Van Merksteijn. De drie ondernemers van dit bedrijf waren laatst bij ons en vertelden dat ze twaalf man hebben moeten ontslaan die al jaren met dit project bezig waren.’

De bouw van de walsdraadfabriek van Van Merksteijn in de Eemshaven is met ten minste één jaar uitgesteld. Volgens het bedrijf vanwege ‘snel veranderde externe omstandigheden in het laatste half jaar, het huidige investeringsklimaat in Nederland en grote (economische) onzekerheden die voor ons liggen.’ Door het afschaffen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) kon het bedrijf niet meer de noodzakelijke vergunningen krijgen. Onder de PAS kregen bedrijven een vergunning voor stikstofverhogende activiteiten, onder de voorwaarde dat er in de toekomst maatregelen zouden worden genomen voor beschermde natuurgebieden. De Raad van State oordeelde dat de PAS de natuur onvoldoende beschermd.

CO2-reductie

Bernard Wientjes, voorzitter van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), vindt het volkomen terecht dat König om een noodwet vraagt. ‘Of een noodwet kan, weet ik niet. Dat moet de politiek bepalen. Maar de nood is hoog. We staan als chemische industrie voor hele grote investeringen, die uiteindelijk leiden tot het verlagen van CO2. We zitten nu in de bizarre situatie dat zaken stilliggen om NOx te reduceren, terwijl die investeringen worden gedaan om CO2 te verminderen.’

Tegen minister Wiebes (Economie en Klimaat), die ook op Eemsdeltavisie aanwezig was, heeft Wientjes ook gezegd dat ervoor moet worden gezorgd dat de investeringen voor de reductie van CO2 zijn vastgelegd in het klimaatakkoord. ‘Die investeringen moeten niet stoppen. Je helpt de boeren of het stikstofprobleem er niet mee, maar je krijgt anders wel vertraging in de hele CO2-reductie. Daar hebben we een akkoord over en de CO2-uitstoot moet in 2030 49 procent minder zijn.’

Minister Wiebes beaamde tijdens het congres dat het stikstofprobleem een drama is dat moet worden opgelost. Of er een noodwet nodig is, laat hij echter aan Carola Schouten (minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) over. Daarbij zei hij wel dat niemand schuldig is aan de huidige problematiek. ‘We moeten niemand een hoek intrappen, maar dit met elkaar oplossen. En dat vergt wat.’

Oplossing

Volgens de voorzitter van de VNCI is de chemie de oplossing voor alle problemen met het klimaat. ‘Wij maken nieuwe materialen, lichtere materialen en waterstof. In de maatschappij heeft de chemie de naam gevaarlijk en vies te zijn, maar het is de oplossing.’

Dat komt voor een deel ook terug in het adviesrapport van het Adviescollege Stikstofproblematiek, onder leiding van Johan Remkes. Daarin staat dat agrarische bedrijven fors moeten saneren, de maximale snelheid op snelwegen omlaag moet en dat voor de industrie in beeld moet worden gebracht welke negatieve bijdrage zij levert en wat voor beleid daarop kan worden gevoerd.

De veehouderij en het verkeer zijn verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van stikstofemissies (ammoniak en stikstofoxiden). De industrie en energieproductie maken volgens het Adviescollege 1,6 procent uit van het totaal. Volgens het rapport zullen reducties hier op korte termijn niet tot significantie ruimte leiden. Het college adviseert dat provincies op korte termijn in beeld moeten brengen in hoeverre verschillende industriële sectoren een negatieve bijdrage leveren aan de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, welke maatregelen nodig zijn, en welk (activerend) beleid kan worden gevoerd vanuit het Rijk en de provincies voor het stimuleren van de toepassing van nieuwe technieken en voor innovaties in de industriële sector.

Systeemintegratie

Dit eerste deel van het advies geldt voor de korte termijn. Voor de zomer van 2020 komt het Adviescollege met een advies voor de lange termijn. In deze tweede fase wil ze onder andere verkennen of de chemie indirect een bijdrage kan leveren aan het verminderen van de emissies afkomstig uit meststromen door technieken te ontwikkelen die daaraan kunnen bijdragen.

Minister Wiebes gaf tijdens Eemsdeltavisie ook aan dat de verschillende sectoren elkaar moeten helpen. Niet alleen rondom de stikstofcrisis, maar bij de hele energietransitie. ‘Het probleem van de één is de oplossing van de ander. De tijd dat de industrie hier zat, de landbouw daar en elektriciteitsopwekking daar, is voorbij. De oplossing is systeemintegratie en dat wordt een hele klus. We moeten nog uitdenken hoe we dat gaan doen en dat moeten we met zijn allen doen.’

Chemie helpt bij mestprobleem

Kennisconsortium N.E.W.B.I.E.S heeft mogelijk een oplossing voor het stikstofprobleem. In Oss heeft ze een proefinstallatie staan om stikstof uit mest en urine op te werken naar hoogwaardige kunstmest.Stikstof wordt aan de grond toegevoegd in de vorm van kunstmest of mest. Een probleem ontstaat wanneer deze organische vormen van stikstof, door uitspoeling en verdamping, terechtkomen in natuurgebieden. Door te hoge concentraties organische stikstof krijgen planten die hier het best mee om kunnen gaan de overhand. Dit gaat ten koste van de biodiversiteit.

De verwachting is dat de kunstmest uit de proeffabriek bij toepassing op het land tot minder uitlekken van stikstof naar natuurgebieden leidt. Daarnaast wordt het mestoverschot verminderd door van mest kunstmest te maken en is er minder kunstmest nodig die uit fossiele bronnen wordt gemaakt.