Chemieterreinen die enkele decennia geleden slechts één eigenaar en producent kenden, herbergen nu vaak een heel palet aan producenten. Vooral de verkoop en aankoop van activiteiten sneed dwars door sites heen. Op Chemelot is zelfs nauwelijks geen DSM meer te bespeuren. Een vuurtje dat aangestoken lijkt door Ineos in Antwerpen.

Eind jaren negentig ontstond een nieuw bedrijf in Antwerpen, door een management buy-out van Inspec België. Ineos is inmiddels een bekende chemische multinational, maar ruim twee decennia geleden begon het dus relatief klein. Met een site die op dat moment al uitblonk in cositing en een paar jaar eerder was overgenomen van BP, wilde Ineos een stap verder gaan. Ze stelde het industriepark open voor nieuwe investeerders.

Medio 1998 publiceerde Petrochem een interview met de toenmalige business & operations directeur Paul Nauwelaerts onder de titel ‘De petrochemische camping van Ineos.’ Daarin stelde hij dat de site nog veel ruimte had. ‘Door de kosten te spreiden en de site met derde partijen te delen, kun je efficiënter werken. Zeker in landen als België, waar de loonkosten hoog liggen. Hele grote bedrijven kunnen dat doen door zelf nieuwe installaties neer te zetten. Neem bijvoorbeeld BASF in Antwerpen. Daar werken drie- tot vierduizend mensen en is groot genoeg om de kosten te spreiden door de bouw van eigen installaties. Een kleinere speler als Ineos moet naar andere mogelijkheden zoeken om kosten te spreiden, en de kwaliteit van het personeel hoog te houden.’

 

Business & operations directeur Paul Nauwelaerts van Ineos in Petrochem (medio 1998), toen men nog rookte op kantoor. (c) Wim Raaijen

Japanse bedrijven

Naast utilities en infrastructuur bood Ineos nieuwe investeerders bijvoorbeeld ook personeelszaken aan. Nauwelaerts: ‘Voor de personeelsdienst hebben we momenteel vijf mensen in dienst. Dat is het een minimum om alles goed te laten verlopen. Als je bijvoorbeeld teruggaat van 450 werknemers naar tweehonderd, heb je nog steeds vijf mensen nodig. En als het naar duizend gaat, kan het ook met vijf mensen.’

Zelf had Ineos ook nog eigen productie, met name van ethyleenoxide en derivaten. Bij de zoektocht naar derde partijen wilde het ook op zoek gaan naar afnemers van ethyleenoxide, te meer omdat het zeer reactief is en vervoer per weg ongewenst is.

Niet lang daarna vestigden zich al enkele bedrijven op het Ineos-terrein. Opvallend was de komst van twee Japanse bedrijven: Kuraray en Nippon Shokubai. Beide bedrijven begonnen eind vorige eeuw met relatief kleine investeringen, maar recent hebben ze allebei een additieve investering achter de rug. Zo verdubbelde Kuraray de afgelopen jaren haar productiecapaciteit van de speciale kunststof EVOH (etheenvinylalcohol copolymeer). Een investering van 50 miljoen euro. Nippon Shokubai breidde nog steviger uit. Dat investeerde 350 miljoen euro voor uitbreiding van de productiecapaciteit van SAP en een eigen acrylzuurfabriek.

Ineos Phenol Belgium (c) Alf van Beem

Chemelot

Zonder overdrijven zou je Ineos op dit vlak een wegbereider kunnen noemen. Niet dat veel bedrijven dit concept meteen als kerncompetentie gingen omarmen, er ontstond de afgelopen decennia eerder de noodzaak om nieuwe samenwerkingsvormen aan te gaan. Vooral doordat grote concerns zich gingen concentreren op kerntaken gingen ze activiteiten verkopen en andere weer kopen. Daardoor kwamen nieuwe eigenaren op terreinen die daarvoor alleen van Shell (Pernis), Dow (in Terneuzen) en bijvoorbeeld AkzoNobel in Delfzijl waren.

Misschien wel het meest kenmerkende voor deze trend is het voormalige terrein van DSM in Geleen, nu bekend onder de naam Chemelot. De verkoop van de krakers en productie van bulkchemicaliën door DSM aan Sabic begin deze eeuw, was het startschot van een volledige herverdeling. DSM is nog wel heel lang de beheerder van het enorme terrein gebleven, maar ook die taken zijn de afgelopen jaren overgedragen aan Chemelot, dat verschillende productiebedrijven op het terrein als aandeelhouder heeft. Inmiddels runt DSM alleen nog maar een paarkleine installaties. De rest is in handen van Sabic, OCI Nitrogen, Saudi Aramco, Borealis, USG en verschillende andere bedrijven. Ook Chemelot is actief op zoek naar andere ‘site-bewoners’. Verschillende nieuwe investeerders kwamen op het terrein. Van technostarters tot grote chemiebedrijven. Denk bijvoorbeeld aan de Japanse producent Sekisui.

Gemeentelijke belasting

Inmiddels zijn er bedrijven die van het cositing-concept hun corebusiness hebben gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan Emmtec. Dat is onderdeel van Getec, dat van het beheren van industrieparken een specialisme heeft gemaakt. Het bedrijf beheert bijvoorbeeld ook parken van Novartis en Clariant in het Zwitserse Basel. Onlangs had Petrochem een interview met Hendrik van der Ploeg, de directeur van Emmtec.

Naast levering van energie en andere utilities heeft Emmtec verschillende andere taken en verantwoordelijkheden. Zo kunnen klanten terecht in het laboratorium en heeft het een eigen engineeringsafdeling. Daarnaast biedt de parkbeheerder verschillende parkservices aan, waaronder brandweer, beveiliging, catering en het beheer van de wegen op het terrein. Van der Ploeg: ‘De kosten van deze services worden zonder opslag verdeeld over de bedrijven op het park. Een soort gemeentelijke belasting? Ja, zo zou je het wel kunnen zien.’

Ook op logistiek vlak ondersteunt het de aanwezige bedrijven. Daarin is het haar tijd lang vooruit. Al vanaf 2002 heeft het park een vernuftig systeem waardoor minder vrachtwagenbewegingen binnen de hekken nodig zijn. Onder luchtdruk worden kunststofkorrels vanaf de productie-installaties via leidingen naar silo’s aan de rand van het terrein geblazen.

Maasvlakte

Vorig jaar opende Emmtec een vestiging in Delfzijl, waar Nouryon momenteel het Chemie Park Delfzijl beheert. Een opstapje naar meer? ‘De vestiging in Delfzijl richt zich op engineeringactiviteiten. Niet direct op beheer’, antwoordt Van der Ploeg. Toch doet hij er niet geheimzinnig over. ‘Natuurlijk hebben we interesse om het beheer van andere industrieparken over te nemen en daar zijn ook heus wel gesprekken over. We hebben natuurlijk een sterke formule. Laatst hadden we bijvoorbeeld vertegenwoordigers van het havenbedrijf van Rotterdam over de vloer. Die wilden eens bekijken hoe we dat doen. Een concept voor op de Maasvlakte? Zou natuurlijk prima kunnen.’

Openingsfoto (c) Chemelot

Petrochem bestaat 30 jaar en daarvan ben ik alweer driekwart de hoofdredacteur. Pfff, 23 jaar is een hele tijd. In ieder geval een prima moment om herinneringen op te halen. En dan kom je erachter dat sommige interviews van de vorige eeuw nog vers in het geheugen liggen, terwijl andere, vaak veel recentere gesprekken inmiddels zijn vervaagd. Het schijnt te horen bij het ouder worden, maar dat is het niet helemaal. Het gaat ook om de impact van de gesprekken en tegelijk om de trivialiteiten, die de pagina’s van Petrochem nooit haalden.

Kerstborrel

Die trivialiteiten. Zo kan ik me een interview in 1999 met de toenmalige havenschepen van Antwerpen Leo Baron Delwaide nog goed herinneren. Samen met fotograaf Eric de Vries moesten we eerst anderhalf uur wachten op een krap bankje, waarna we slechts een half uur over hadden voor het interview en het schieten van foto’s. Dat bleek lang genoeg. Elk woord van de schepen was gewogen, geladen en precies. In accentloos voornaam Nederlands. Ik had eerder te veel stof, dan te weinig.

Maar wat is dat toch met Vlaamse politici? Ik heb er verschillenden geïnterviewd, en bij geen van hen begon het interview op tijd. Zo had ik ooit uitgebreid de tijd om een deel van de weelderige ambtswoning van voormalig Vlaams premier Kris Peeters van binnen te bekijken.

Klap op de vuurpijl was toch wel Vlaams minister Annemie Turtelboom. Na bijna twee uur wachten, kwam de vraag of de minister met mij van Brussel naar Antwerpen kon meerijden. Daar had ze een radio-interview en onderweg zou ze mijn vragen kunnen beantwoorden. Dat leek me geen goed idee, rijden en interviewen tegelijk. Bovendien geldt natuurlijk ‘safety first’. Ik stelde voor dat ik met de minister mee zou rijden en dat mijn auto door een ambtenaar zou worden nagebracht. En zo geschiedde. Een half uur later zat ik met de minister achter in haar dienst-Tesla. We hadden genoeg tijd, tijdens de spits tussen Brussel en Antwerpen. Rotterdam – Utrecht is er niks bij…

Ook het afscheidsinterview met DSM-topman Simon de Bree staat me nog bij. Off the record kreeg ik de laatste roddels uit CEO-land mee. Indertijd had Huntsman net een deel van ICI overgenomen en vooral het feit dat de familie Huntsman mormoons is, intrigeerde De Bree enorm. ‘Dat wordt een ‘kerstborrel’ zonder glühwein in Rozenburg’, fluisterde hij me toe. Wat dat betreft is Huntsman een frontrunner. Er zijn tegenwoordig nog maar weinig sites waar binnen de hekken alcohol mag worden gedronken.

Stopcontact

Memorabel zijn ook de verschillende interviews die ik had met Wouter De Geest, topman van BASF Antwerpen. Dat waren geen vragenvuren, sowieso ben ik daar niet zo van, maar welhaast filosofische gesprekken. Soms zo open dat we na afloop beiden met nieuwe inzichten ons weegs gingen.

Ook vertelde Wouter me meer dan eens dat Petrochem het enige blad is dat hij mee naar huis neemt. Vervult me toch met enige trots… En dat hij het leest, merkte ik tijdens de gesprekken die we formeel en soms informeel hadden.

Ik heb dat ook een keer bewust ingezet. Ongeveer tien jaar geleden begon ik met het schrijven van verschillende artikelen over elektrisch rijden. Ook over mijn eigen zoektocht naar een elektrische auto. Dus toen ik mijn eerste – een Opel Ampera – reed, heb ik bewust bij de receptie van het BASF-hoofdgebouw om een stopcontact gevraagd. In Nederland en helemaal in België reden toen nog maar heel weinig elektrische personenauto’s. Dus het was nog een zeldzaam dier. Pal voor de ingang stond hij te laden, toen Wouter naar beneden kwam om met mij in het bedrijfsrestaurant het interview te hebben. Hij keek naar de auto, die voor de ingang stond en niet de zijne was. ‘Zo Wim, dus dat is uw nieuwe elektrische auto’, zei hij al glimlachend.

Wouter neemt binnenkort afscheid van BASF Antwerpen. Hoewel hij nog belangrijke rollen binnen de Vlaamse industrie blijft vervullen, zal ik hem zeker missen. Maar hij hoeft op zijn beurt Petrochem natuurlijk niet te missen. We gaan er alles aan doen om het blad bij hem thuis te krijgen. Al moet ik de eerste editie in het nieuwe jaar zelf brengen, uiteraard elektrisch.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter: @wimraaijen

Het Groningen gasveld was jarenlang de cash cow van Nederland en ruggengraat van de Nederlandse energievoorziening. Toen in 1995 duidelijk werd dat de natuurlijke druk van het veld zou afnemen, besloot de NAM deze kunstmatig op te voeren. Om dit te kunnen realiseren riep het bedrijf Groningen Long Term (GTL) in het leven. Idee was om de bestaande clusters te voorzien van compressoren. Om dat mogelijk te maken moesten twintig clusters een grondige renovatie ondergaan.

Behalve drukverhoging, wilde NAM ook een modernisering van de gaswinningslocaties. Als laatste wilde het bedrijf installaties op afstand kunnen bedienen. Het twee miljard kostende project was naast de Betuwelijn en de Hogesnelheidslijn een van de grootste infrastructuurprojecten die Nederland sinds lange tijd had gezien.

De uitvraag van het multidisciplinaire project mondde uit in een redelijk unieke samenwerking. NAM vroeg geïnteresseerde partijen om als consortium in te schrijven. Hoofdaannemer Stork Engineers & Contractors, later Jacobs Engineering, wist in 1997 een keur aan partners samen te brengen die in het dagelijkse leven ook concurrenten van elkaar konden zijn. De betrokken partijen Stork Industry Services, Siemens, Siemens Industrial Turbomachinery, Jacobs Engineering en Yokogawa richtten een vof op waarin ze als gelijkwaardige partners acteerden. Juist die gelijkwaardigheid lag ten grondslag aan het succes van het project, dat ook werd erkend door de jury van de Petrochem Projectprijs.

Partners

Opvallend in het project was dat er een aantal nieuwe technieken voor het eerst werd toegepast. Zo zette Siemens voor het eerst 23 megawatt compressoren in met magnetische lagers. Deze hadden als voordeel dat ze een heel groot operationeel bereik hadden, veel minder geluid produceerden en ook niet hoefden te worden gesmeerd.

Het besturingssysteem kwam van Yokogawa dat gelijk het grootste DCS-systeem sinds zijn geschiedenis leverde. Maar misschien de grootste innovatie was de projectaanpak. Omdat de gasproductieclusters veel op elkaar leken, zat er een zekere herhaling in de projecten. De partners hadden afgesproken het programma per cluster aan te pakken. Voordat men aan de tweede cluster begon analyseerden de partners wat er goed ging tijdens de eerste en wat er beter kon. Zo konden ze de geleerde lessen meenemen naar het volgende cluster. Met name de engineering van Jacobs en de uitvoering van Stork werden steeds gestroomlijnder waardoor de oplevering van de project steeds eenvoudiger en sneller ging. De vijf partners zaten ook fysiek onder één dak, wat het mogelijk maakte om buiten de eigen kaders mee te denken over projectoptimalisaties.

Blauwdruk

In 1997 begon het consortium met de renovatie van winningslocatie Tjuchem. Dit werd de blauwdruk voor de andere clusters. Daarna werden alleen nog wijzigingen doorgevoerd als ze significante en aantoonbare voordelen meebrachten. Het tweede cluster, in Bierum, werd drie jaar later opgeleverd. Maar daarna ging het hard. Met de geleerde lessen lukte het om jaarlijks drie clusters op te leveren. En op 25 september 2009 leverde het consortium het laatste cluster, Slochteren, op aan de NAM. Daarmee namen de partijen echter geen afscheid van hun opdrachtgever, al was het maar omdat er nog een 25 jarig onderhoudscontract lag.

Het succes smaakte echter naar meer en de vijf partners opperden om de ondergrondse opslag in Grijpskerk en Norg, het tankerpark in Delfzijl en de ondergrondse leidingen in beheer te nemen. NAM had al plannen klaarliggen om de opslag in Norg uit te breiden en via een dertig kilometer lange pijpleiding te koppelen aan de Groningen clusters.

GLT Plus

De lang gekoesterde voortzetting kwam er. In 2010 sloot het consortium onder de naam GLT-Plus een nieuw servicecontract af met NAM. Inmiddels is de situatie rondom het Groningenveld behoorlijk veranderd. Al in 1986 voelden de bewoners van Assen op Tweede Kerstdag een aardbeving. Men vermoedde toen dat er een relatie bestond met de gaswinning in het gebied. Sindsdien is het aantal aardbevingen toegenomen. Als in 2014 een aardbeving van 3,6 op de schaal van Richter wordt gemeten in Huizinge, betekent dit een kantelpunt in de politieke besluitvorming rondom het gasveld. De overheid besloot dan ook meerdere malen de gaskraan verder dicht te draaien.

Kosten besparen

De reactie van de partners op de veranderde marktomstandigheden bevestigt volgens managing director Sebastiaan van der Wal van GLT-Plus de kracht van het raamcontract. ‘Het idee van een dergelijk contract is dat je mee veert met de omstandigheden. Je deelt als volwaardige partners zowel de lusten als de lasten. We hebben de organisatie dan ook behoorlijk omgegooid en zochten direct naar mogelijkheden om dezelfde kwaliteit en veiligheid te kunnen garanderen tegen lagere kosten.’

De afronding van het Stork GLT-project luidde indirect de facility development asset Groningen (FDAG) fase in. De gewenste scope-uitbreiding kwam er. Bovendien werd direct gesproken over een tweede compressiefase. Men verwachtte namelijk dat de druk in het veld op den duur zo laag zou worden dat een tweede compressor nodig was.

Van der Wal: ‘Ook hier kozen we voor een aanpak waarbij we eerst een vooruitgeschoven project uitvoerden. Nog voordat NAM hem daadwerkelijk nodig had. De projectervaringen namen we mee naar de volgende productiefaciliteiten. We startten de voorbereidingen in 2011 om in 2013 de eerste second stage compressor op te leveren op productielocatie Schaapbulten. Helaas is het daarbij gebleven. De omstandigheden waren inmiddels dermate veranderd dat we de kracht van het partnership konden beproeven. De productie van de velden ging naar beneden, en daarmee ook de inkomsten van NAM. De uitgaven voor het verstevigen van woningen stegen echter, waardoor de kostendruk voor het bedrijf behoorlijk toenam.’

Het consortium sprong eigenlijk redelijk natuurlijk in op de veranderde omstandigheden. ‘We zijn direct bij elkaar gaan zitten om te kijken waar we konden bijdragen en riepen een aantal werkgroepen in het leven om kosten te besparen. Het uitgangspunt was dat we niet wilden inleveren op kwaliteit en veiligheid. We startten een campagne waarbij we goede besparingsideeën met elkaar deelden door er een flyer van te maken. We konden ze uiteindelijk bundelden in een behoorlijk dik boek.’

Een van de uitdagingen was bijvoorbeeld dat de veldapparatuur verouderde. Hoewel de apparatuur zelf het nog prima deed, zat de uitdaging vooral in de software en de softwarekennis. ‘Door die kennis bij te spijkeren voorkwamen we een dure investering, met behoud en borging van de veiligheid.’

Hetzelfde geldt voor de magnetische lagers. De controllers die het magneetlagersysteem regelden waren ook verouderd. ‘Er waren geen reserveonderdelen meer verkrijgbaar en we zouden een nieuwe generatie controllers moeten kopen en implementeren. Dit zou tientallen miljoenen kosten. We besloten alternatieve routes te onderzoeken om toch aan reservecontrollers te komen. Siemens bood toen samen met haar leverancier Waukesha aan de oude NGC-controller te herontwikkelen. De verouderde technologie werd samengesteld uit componenten die nog wel op de markt verkrijgbaar waren.’

Nieuwe fase

Inmiddels is het raamcontract met GLT-Plus per 31 december 2020 opgezegd. NAM wil het onderhoud van al zijn
landassets onderbrengen in één OneShore organisatie zoals zijn offshore assets in OneGas. Van der Wal: ‘De veranderende omstandigheden noodzaken NAM om anders met zijn assets om te gaan. Ze gaan dan ook hun portfolio herschikken. We kregen van NAM wel duidelijk te horen dat ze het contract alleen maar opzegden omdat de inhoud niet meer passend was, niet vanwege de prestaties. We zullen dan ook zeker als consortium bieden op het landcluster. We willen twintig jaar ervaring inzetten om ook onder de nieuwe omstandigheden nog jaren de gasvelden te servicen zodat NAM deze kan blijven inzetten in de veranderende energiemarkt.’

Met biogebaseerde plastics en recycling wil kunststoffenproducent Braskem zijn CO2-footprint de komende jaren enorm terugbrengen. Recycling vraagt wel om aanpassing van het economische systeem, stelt Marco Jansen van Braskem. ‘We moeten voor gebruikte plastics betalen. Het is geen afval, maar grondstof.’

Tijdens de gigantische driejaarlijkse kunststoffenbeurs K-fair 2019, eind oktober in Düsseldorf, was misschien wel het meest gehoorde woord recycling. Alle grote kunststoffabrikanten waren met enorme paviljoens aanwezig. En ze haastten zich allen om de nieuwste ontwikkelingen te delen op het gebied van mechanische en chemische recycling van plastics. De war on plastic waste kan het beste van binnenuit worden gevoerd, is inmiddels de heersende overtuiging. Activisten op dit gebied worden tegenwoordig eerder omarmd dan met argumenten bestreden. Te meer omdat die tegenargumenten inmiddels opgedroogd lijken…

Stroperige akkoorden

Producenten willen uiteraard niet het kind met het badwater weggooien. Het moet geen totale oorlogsverklaring aan plastic worden. Met kunststoffen kunnen de meest fantastische en vooral ook nuttige producten worden gemaakt. Ook oplossingen die juist de druk op bijvoorbeeld het klimaat kunnen verlichten, zoals hoogwaardige en innovatieve isolatiematerialen, lichtere composieten om auto’s zuiniger te laten rijden en veel meer.

Het is niet eens interessant of de aandacht voor recycling overtuiging of ‘een moetje’ is, er is gewoon enorme wereldwijde urgentie. Plastic afval is een van de grote hedendaagse bedreigingen. De microplastics in de oceanen, de enorme vervuiling van stranden, je bent pas echt wereldvreemd als de beelden en verhalen je niet hebben bereikt. Bedrijven lijken de laatste decennia sowieso in toenemende mate maatschappelijk betrokkenheid te tonen. Dat blijkt bijvoorbeeld steeds maar weer tijdens de internationale klimaattoppen, waar regeringen maar moeizaam tot stroperige akkoorden komen, met Parijs als positieve uitzondering. Tegelijkertijd maken industriële bedrijven in side-events goede sier met innovatieve oplossingen.

Knoppen

Een van de grote kunststofbedrijven die zich uitgebreid presenteerde de kunststoffenbeurs in Düsseldorf is het Braziliaanse Braskem. In Nederland en Belgische industrie is het concern relatief onbekend, vooral omdat het hier geen productie-installaties heeft. Het meest nabij zijn fabrieken in Duitsland. Toch heeft Braskem internationaal een prominente positie, met name als het gaat om de productie van biogebaseerde kunststoffen. Op dat vlak is Braskem – volgens eigen zeggen – zelfs ’s werelds grootste. Het in Brazilië ruim voorradige suikerriet speelt daar een belangrijke rol in. In 2010 introduceerde Braskem als eerste ter wereld een kunststof met rietsuiker als grondstof.

Wel heeft een Nederlander een belangrijke functie bij het Braziliaanse bedrijf. Marco Jansen is directeur circular economy & sustainability Europa en Azië en bovendien wereldwijd directeur bio-
plastics. Midden in de transitie dus. Toen hij jaren geleden door Braskem werd benaderd, spraken de ambities van het concern hem zeer aan. Inmiddels zit hij dicht bij de knoppen. ‘Uiteindelijk willen we volledig CO2-neutraal worden.’

Geen spoor van besmetting

Momenteel zet Braskem significante stappen richting dat doel. Op de korte en middellange termijn ziet hij vooral mogelijkheden in de combinatie van biogebaseerde materialen en mechanische recycling. Bij mechanische recycling worden de verzamelde gebruikte plastics eerst gewassen en versneden. Vervolgens smelt de fabriek de plasticsnippers om tot granulaat: korrels die als grondstof dienen voor nieuwe kunststofproducten. In deze korrels zitten vaak nog wel kleurstoffen en andere additieven.

Marco Jansen (Braskem): ‘Mensen zijn steeds meer bereid om te betalen voor verduurzaming.’

Volgens Jansen kan de combinatie van deze twee routes al een enorme CO2-reductie opleveren ten opzichte van kunststoffen uit fossiele grondstoffen. Bij biomassa uit bijvoorbeeld suikerriet wordt de CO2-uitstoot bij productie gecompenseerd door de opname van de nieuwe aanwas. En bij mechanische recycling van kunststoffen komen veel minder emissies vrij dan bij de productie van virgin plastics.

Recycling is wellicht het summum, maar voorlopig zijn nog veel virgin plastics nodig. Het liefst via de bioroute. Niet alleen omdat er gewoonweg niet genoeg kunststofafval beschikbaar is om te recyclen, ook is mechanische recycling voor verschillende toepassingen niet toereikend. Denk aan verpakkingen voor voedingsmiddelen. Er mag geen spoor van besmetting in zitten.

Omslag

Voor de langere termijn verwacht Jansen daarom veel van chemische recycling van kunststoffen. Net als veel andere chemische bedrijven onderzoekt Braskem de mogelijkheid om via pyrolyse weer chemische bouwstenen te maken van gebruikte plastics. ‘We willen een feedstock maken die uitwisselbaar is met nafta, zodat we die in een kraker kunnen bijmengen. En steeds iets meer. Uiteraard zou het geweldig zijn als er uiteindelijk honderd procent van de grondstoffen in de kraker gerecyclede kunststoffen zijn, maar dat is nog een lange weg te gaan. De belangrijkste uitdaging is om de kwaliteit van nafta te benaderen.’

Een andere uitdaging is het verzamelen van het kunststof dat nu als afval overal rondslingert. Volgens Jansen is daar maar één oplossing voor. ‘We moeten voor gebruikte plastics betalen. Het is geen afval, maar grondstof. In Mexico hebben we daar op microschaal tests mee gedaan. We hebben mensen gevraagd om afvalplastics te verzamelen in ruil voor vouchers bij de lokale supermarkt. De eerste keer brachten drieduizend mensen in twee dagen 34 ton plastic binnen. Bij een herhaling van het experiment kwam zelfs het dubbele binnen. Het vraagt om verandering van ons economische systeem, waarbij afval waarde krijgt.’

En dan speelt ook nog dat virgin plastics gemaakt uit fossiele grondstoffen momenteel eigenlijk te goedkoop zijn. Die worden nu zo efficiënt gemaakt dat het moeilijk concurreren is. Op dat vlak is Marco Jansen toch optimistisch. ‘Er is echt een omslag gaande. Mensen zijn steeds meer bereid om te betalen voor verduurzaming.’  ■

European industry & energy summit 2019

Op 11 december verzorgt Martin Clemesha van Baskem een talk tijdens de European Industry & Energy Summit 2019. Op de tweede dag van deze summit in Amsterdam geven twaalf mensen hun visie op transitie in de industrie en hun eigen rol daarin. De Braziliaan Martin Clemesha gaat vooral in op het belang en de mogelijkheden van plastic recycling. Kijk voor het volledige programma op: www.industryandenergy.nl

Er hangt letterlijk en figuurlijk een donkere wolk in de lucht. Nederland moet in tien jaar tijd de CO2-uitstoot bijna halveren. Dat betekent dat de industrie staat voor de (enorme) opgave om 14,3 miljoen ton extra CO2-uitstoot te reduceren in 2030. Is dit haalbaar? Hans van der Spek van FME is optimistisch. ‘Mits wij alle ruimte geven aan procesefficiëntie.’

De klokt tikt door. Eind 2015 is het Klimaatakkoord ondertekend en toen leek 2030 nog redelijk ver weg. Over een paar weken is het 2020 en dan is het tijdspad naar 2030 slechts een decennium. Is die gestelde CO2-reductie wel een haalbare kaart? Als we kijken naar de snelheid – of liever gezegd traagheid – waarmee de mogelijkheden en benodigdheden om in te kunnen zetten op elektrificatie, waterstof en CO2-afvang en -opslag zich ontwikkelen, dan moeten we concluderen dat de daadwerkelijke uitstootreductie pas na 2025 op gang komt. Dan gaan we de doelstelling niet halen.

6 miljoen ton in 2025

Hans van der Spek, programmadirecteur CleanTech bij FME, erkent dit. ‘De grote transities die op stapel staan, daar geloof ik in. We moeten ook niet stoppen met het aanleggen van nieuwe infrastructuur, het aanpassen van de wet- en regelgeving en het uitdenken van nieuwe businessmodellen. Dit zijn echter langdurige en ook kostbare trajecten.’ Toch is Van der Spek optimistisch. Sterker nog: FME en VEMW hebben een nieuwe stip op een horizon gezet, die nota bene dichterbij is. ‘Met ‘Project 6-25’ hebben we de ambitie neergelegd om voor 2025 minimaal zes miljoen ton CO2 te besparen door versnelde uitrol van innovatieve technologie met bewezen impact.’ Voor dit project werd de samenwerking gezocht met bedrijven die werken aan nieuwe, innovatieve technologie die nog niet grootschalig wordt toegepast en die significante impact heeft of gaat hebben op reductie of flexibilisering van energieverbruik en broeikasgasuitstoot. Deze baanbrekende technologieën om processen in de industrie efficiënter te maken, worden nu al succesvol geïmplementeerd. Project 6-25 zoekt verbinding binnen de keten zodat samen, stap voor stap, snelle en concrete resultaten worden behaald.

Innovaties

Het optimisme van Van der Spek wordt aangewakkerd door de resultaten die een aantal van deze partijen hebben aangetoond. Zonder anderen tekort te willen doen, wil Van der Spek twee voorbeelden uitlichten. ‘Het bedrijf EnerGQ benadert het industriële proces als een menselijk lichaam waarbij je de energiestromen kunt vergelijken met de bloedsomloop . Beide geven signalen af, als er ergens iets aan de hand is. Als je gericht gaat meten, ontdek je waar de pijnpunten zitten. Op basis van data, worden patronen geïdentificeerd en wordt onderzocht welke aanpassingen leiden tot verbeteringen. Het menselijk lichaam heeft wellicht fysiotherapeutische handelingen nodig en in een fabriek kun je processen bijsturen.’ De KLM gebruikt deze techniek in hun Boeing-vliegtuigen, weet Van der Spek. ‘Uit de data bleek bijvoorbeeld dat de ene piloot zuiniger vloog dan de ander. EnerGQ zette deze bevindingen om in concrete vlieginstructies en inderdaad, er werd minder brandstof verbruikt.’ EnerGQ richt zich in de eerste plaats op energiebesparende maatregelen, maar de data kan natuurlijk ook worden benut om kosten te verlagen, de veiligheid te verbeteren of storingen te voorkomen.

Het tweede voorbeeld is Qpinch. ‘Dit bedrijf heeft een technologie ontwikkeld waarmee zij langs de chemische weg, dus niet met mechanische warmtepomp technologie, laagwaardige restwarmte kunnen omzetten in hoogwaardige proceswarmte.’ Waar restwarmte nu massaal wordt weggekoeld, onbenut wordt gelaten, kan het nu met duurzame elektriciteit worden opgewaardeerd tot bruikbare proceswarmte. ‘In de regio Rotterdam gaat jaarlijks voor zes miljoen euro aan restwarmte verloren. Met hergebruik kunnen we zoveel winnen en enorm veel besparen.’

Financiering

Dit klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Je zou haast verwachten dat bedrijven in de rij staan om hierin te investeren, maar volgens Van der Spek zijn bedrijven voorzichtig. Hij begrijpt dit ook. ‘Je kunt je geld maar een keer uitgeven en investeren in innovaties is spannend.’ Om dergelijke hobbels en bobbels weg te kunnen nemen, is gekozen voor deze zorgvuldige, projectmatige aanpak. ‘Het vooronderzoek, waarin werd nagegaan in hoeverre de industrie behoefte heeft aan deze aanvliegroute, is afgerond. Dit traject vindt weerklank, dus we zijn nu dit programma verder aan het ontwikkelen. Het is meer dan het samenbrengen van partijen.’

Een van de stappen die moeten worden gezet is het valideren van de technologieën. Hiervoor wordt een onafhankelijk bureau ingeschakeld. ‘Zij gaan na in hoeverre de impact van de gepresenteerde technologie geen luchtfietserij is. Heeft datgene dat wordt geclaimd, reëel potentieel? Kunnen ze het waarmaken?’ Dit is uiteraard ook weer een belangrijk aspect voor het rondkrijgen van de financiering. ‘We zijn enorm blij met de Rabobank als partner. Ook zij geloven in deze manier om CO2-reductie versneld voor elkaar te krijgen.’ Een andere hobbel voor bedrijven om te investeren in innovaties, is de druk op het Capex-budget. ‘Ook deze hindernis kan overwonnen worden. Allereerst: de technologieën uit het 6-25 portfolio hebben vrijwel altijd een terugverdientijd van minder dan vijf jaar. Verder is het mogelijk de besparing als een service in te kopen. Dit drukt dan op het Opex- en niet op het Capex-budget.’ Uitdaging voor het project is dus om te bewerkstelligen dat in samenwerking met private en/of publieke partijen nieuwe financieringsconstructies of tijdelijk additioneel Capex-budget beschikbaar wordt gesteld.

Die donkere wolk hangt er nu eenmaal. De verplichting om het komende decennium 14,3 miljoen ton CO2-uitstoot extra te besparen ligt er. ‘Het moment dat het pijpenstelen gaat regenen met verplichtingen en ‘gij moet’ en ‘gij zult’ zit er aan te komen. Dan kun je beter nu zelf de regie pakken en stappen gaan zetten met behulp van bewezen technieken. Het project-platform wordt een learning community waarbinnen we leren van ervaringen en succesverhalen. Met uiteindelijk niet één doel, groener worden, maar ook slimmer en energie-efficiënter. Wie zegt daar nu ‘nee’ tegen?’  ■

European industry & Energy summit 2019

Tijdens de European Industry & Energy Summit op 10 en 11 december in de Kromhouthal in Amsterdam, organiseert FME op woensdag 11 december een side event over Project 6-25. Met de presentatie ‘supporting industry to become greener, smarter and energy-efficient’ wordt een ontdekkingsreis gemaakt langs de keten van nieuwe technologie, projectaanpak en financieringsvormen voor industriële verduurzaming. Kijk voor meer informatie op www.industryandenergy.nl

Net als Nederland streeft Duitsland naar klimaatneutraliteit in 2050. De consequenties hiervan worden steeds duidelijker. Beide landen moeten flink aan de slag om hun respectievelijke doelen te halen, en kunnen elkaar daarbij helpen. Experts zien vooral in de decarbonisering van industrie goede kansen.Derk MarseilleDuitsland geldt wereldwijd als pionier in de Energiewende. Toch betekent dit niet dat de Duitsers met gemak de doelstellingen van het Parijse Klimaatakkoord gaan halen. Sterker nog, het is nu al duidelijk dat de tussentijdse doelen in 2020 niet worden gehaald. Via het Europese systeem voor emissiehandel (ETS) moeten de sectoren industrie en stroom uitstoot van broeikasgassen fors terugdringen. De sectoren die niet onder het ETS-systeem vallen, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw, moeten in 2020 veertien procent van hun uitstoot reduceren ten opzichte van 2005. In 2030 moet een reductie van min 38 procent zijn gehaald.Een grote zorg voor Duitsland. Want wanneer de Europese doelstellingen voor de niet-ETS sectoren niet worden gehaald, volgt er een miljardenrekening voor de belastingbetaler. Alles wat in 2030 te veel wordt uitgestoten, moeten de landen namelijk compenseren met het kopen van emissierechten van andere EU-lidstaten. Een onvermijdelijk scenario, wanneer niet hard wordt ingegrepen.

Voldoende reden voor bondskanselier Angela Merkel om het onderwerp tot Chefsache te benoemen. Eerder dit jaar vormde ze een klimaatkabinet, een werkgroep van alle ministers die hiermee te maken hebben. Hiermee wil ze voorkomen dat het thema een speelbal wordt tussen de verschillende ministeries. De Duitse regering zag al snel dat overleg met de buurlanden noodzakelijk is. Merkel bezocht dan ook samen met het klimaatkabinet premier Mark Rutte in het Catshuis.

CCS

De buurlanden kunnen volgens experts veel van elkaar leren. Zo willen beide landen een CO2-belasting invoeren om de uitstoot te beteugelen. Maar lukt dit zonder dat je de industrie en belangrijke kiezers tegen je in het harnas jaagt? Daarom kijkt Duitsland met grote belangstelling naar de Nederlandse klimaattafels, waar de kabinetsplannen worden besproken met het bedrijfsleven en andere betrokkenen.

Begin oktober volgde in de Berlijn de algemene Duits-Nederlandse regeringsdialoog, waar ministers van beide regeringen één-op-één beleidskwesties afstemmen. Opnieuw was klimaat een belangrijk thema. Minister Eric Wiebes ondertekende met zijn Duitse collega van Economische Zaken Peter Altmaier een intentieverklaring voor nauwere samenwerking. Hierin staat onder meer dat beide landen meer windturbines op zee willen bouwen. Bovendien moeten alle afzonderlijke windparken beter op elkaar worden aangesloten. Nu zijn het nog te vaak eilandjes in de Noordzee. Ook gaan beide landen samen onderzoek doen naar mogelijkheden om de windenergie om te zetten in waterstof.

Terwijl in Berlijn koortsachtig werd nagedacht over de klimaatplannen, bereikte Nederland afgelopen zomer een akkoord. Een uniek moment dus om de Nederlandse visie te mogen presenteren, midden in het Duitse denkproces, zeggen betrokken Nederlandse ambtenaren. Dit betekent niet dat er hele paragrafen zijn overgenomen, maar wel dat enkele thema’s nu bespreekbaar zijn geworden. Een goed voorbeeld is de ondergrondse afvang en opslag van CO2 (CCS) in lege gasvelden onder de Noordzee, een mogelijk nieuw verdienmodel voor Nederland. Dit is ook terug te zien in het Duitse klimaatakkoord dat op 20 september is gepresenteerd.

Belangen

De gezamenlijke belangen zijn groot, beide landen willen graag samen optrekken in Europees verband. Toch zie je een verschil in focus, stelt Dr. Jan Frederik Braun, Strategisch Energie Analist bij het Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS). ‘Ruim 46 procent van de Duitse stroomproductie in 2019 is groen. Daar blijft Nederland achter. Aan de andere kant moet Duitsland nog heel veel doen om de uitstoot in het verkeer, en mindere mate bij gebouwen te verminderen. Voorheen werd het energiebeleid vaak slecht afgestemd. Dan wordt het snel dweilen met de kraan open, wanneer je buurland een beslissing neemt die haaks staat op jouw plannen.’

Hij noemt gas als voorbeeld van tegengestelde trends. ‘Nederland wil van het gas af, Duitsland is juist meer gaan gebruiken door het sluiten van kerncentrales.’

Sterkere positie

Een van de grote potenties waar beide landen elkaar kunnen versterken ziet Braun in Eemshaven en Rotterdam. ‘Hier kan je offshore-locaties goed verbinden met industrieclusters in Noordrijn-Westfalen. Dat biedt kansen voor waterstof, maar ook synthetisch gas, biogas en het afvangen en aanwenden van CO2.’

De energietransitie kan de Nederlandse en Duitse industrie een gigantisch nieuw verdienmodel opleveren, zegt Braun. ‘Nederland, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen vormen nu al samen het vierde grootste chemische industriecluster ter wereld. Dat betekent dat de kennis, infrastructuur en kapitaal al aanwezig is. Met de kennis die we samen opdoen in het bilaterale onderzoek kunnen frontrunner worden in de wereldwijde decarbonisatie ‘rat-race’ .’

Dat vooruitzicht is het hoe dan ook waard om in te investeren, zegt de analist. ‘Aan de ene kant zie je onzekerheid bij de toekomstige vraag naar fossiele brandstoffen. Deze onzekerheid wordt gevoed door strengere milieuwetgeving – zeker in Europa – die de fossiele industrie verder onder druk zet.’ Braun ziet in Nederland en Duitsland een goede toekomstige hub in waterstof. ‘De combinatie van offshore wind, waterstof, de bestaande gasinfrastructuur en de grote chemische sector, is veel waard.’

Samen investeren

In het intentie-akkoord dat Wiebes en Altmaier begin oktober sloten, wordt gesproken over gezamenlijk onderzoek naar de kansen van waterstof door onder meer de onderzoeksinstituten van TNO en DENA. Beide landen zien in waterstof de kans om de Energiewende verder te voltrekken. Dat is niet voor niets, zegt Braun. ‘Beide regeringen zien de mogelijkheden. Maar je moet goed kijken naar welke businesscases het meest zin hebben. Dat moet je vervolgens als buurlanden goed afstemmen. We hebben hier allebei heel veel bij te winnen. Als we dit goed doen, kunnen we er samen mee de wereldmarkt op.’

De Duits-Nederlandse Handelskamer (DNHK) in Den Haag maakt zich sterk voor meer concrete grensoverschrijdende projecten. Er zijn nu al binationale coöperaties die als voorbeeld kunnen dienen, zoals het project EnerPRO. De provincies Flevoland, Gelderland, Limburg en Oost-Brabant werken hierin samen met Noordrijn-Westfalen aan oplossingen voor een decentrale opslag van groene energie. Bovendien is het volgens de Handelskamer essentieel dat beide regeringen zich op EU-niveau voor één Europese stroomprijs inzetten, ter voorkoming van oneerlijke concurrentie.

Wat betreft de ontwikkelingen op het gebied van waterstof loopt Duitsland wederom voorop, stelt de DNHK. ‘Zowel op het gebied van waterstoftreinen als het aantal beschikbare tanksta-
tions. Joint ventures zoals H2mobility, die in 2015 door Shell, Total, Air Liquide, Daimler, Linde en OMV in het leven is geroepen en door de Duitse regering gestimuleerd wordt, kunnen ook internationaal als voorbeeld dienen.’

Projecten

Voor succes zijn dit soort zichtbare en concrete projecten nodig, zegt Braun. ‘Voor het gewone publiek is het vaak helemaal niet zo zichtbaar. In mei van dit jaar opende koning Willem-Alexander een elektrolyse-installatie van 1 megawatt. Dat is nog niks. De drie netbeheerders Gasunie, TenneT en Thyssengas werken samen om een efficiënte koppeling van de sectoren energie, industrie, mobiliteit en warmte mogelijk te maken. Hierbij plannen zij een elektrolyse installatie op industriële schaal van honderd megawatt. Dat laatste hakt er echt wel in, dat moeten we meer hebben.’  ■

European Industry & Energy Summit 2019

De European Industry & Energy Summit 2019, 10 en 11 december in Amsterdam, is een initiatief van TNO, FME en Industrielinqs (uitgever van Petrochem). Deze summit richt zich op de thema’s: energietransitie, emissievrije waterstof, chemcycling, biofuels, CCU/CCS, en veel meer. Tijdens deze summit wordt dieper ingegaan over samenwerkingen tussen de clusters in Duitsland en Nederland. Bekijk het volledige programma op: www.industryandenergy.nl 

 

 

Derk Marseille is redacteur, verslaggever en momenteel Duitsland-correspondent voor BNR.

PFAS heeft in ons land bijna alle bouwprojecten lamgelegd. PFAS is een verzamelnaam van een aantal chemische stoffen die je kunt aantreffen in een tal van producten, variërend van pannen tot kleding en van pizzadozen tot blusmiddelen. In pannen is dat teflon, dat in ons land in Dordrecht wordt gemaakt door Chemours, vroeger DuPont.

Er mag geen kubieke meter grond meer worden verplaatst waar meer PFAS inzit dan de detectiegrens. En dat is bij bijna alle grond het geval. Vandaar: geen projecten meer, alles stopgezet. Waarom? PFAS is chemie en als het woord chemie ergens voorkomt, heb je al snel de poppen aan het dansen. Omdat chemie fout is, is de maximale hoeveelheid PFAS in grond meteen maar gelijkgesteld aan de detectiegrens van 0,1 microgram per kilogram. Wat zegt dat getal? Die waarde houdt in dat er maximaal één gram PFAS in tienduizend ton grond mag zitten. Met die hoeveelheid grond kun je ruim twee olympische zwembaden vullen. Mocht dat nog niet voldoende aanspreken: er passen vier olympische zwembaden op een voetbalveld. Oftewel: een heel voetbalveld een meter diep.

Zinloze actie

Volgens het rapport ‘Poly- en PerFluor Alkylstoffen (PFAS)’ van het Expertisecentrum PFAS vindt blootstelling van de algemene bevolking aan PFAS voornamelijk plaats via drinkwater of voedsel. Dus wat is dan het probleem met de grond? Volgens hetzelfde rapport wordt er jaarlijks tussen de 60 en de 105 ton PFAS geïmporteerd uit het buitenland in de vorm van vetvrij papier. Laten we die hoeveelheid weer op de hoeveel PFAS in grond betrekken. Stel dat die hoeveelheid PFAS in de grond zit met de concentratie van de door de overheid vastgestelde norm, dan importeren we alleen al in vetvrij papier de hoeveelheid PFAS waarvoor we heel Nederland over een diepte van bijna twintig meter moeten afgraven. En dat elk jaar. Los van of je de hoogte van de norm in dit licht bezien nu wel of niet snapt, blijft de maatregel van een vervoersverbod natuurlijk zotheid ten top. Er dreigt geen gevaar en een ruimere norm die transport weer toestaat, is dan ook in de maak. Waarom dan toch deze zinloze actie waarmee de bouw op slot ging? Hoe komt het toch dat er zo wordt gereageerd?

28 voorbeelden

Volgens mij een mooi voorbeeld van de risico-regelreflex. Op een website van de rijksoverheid omschreven als de valkuil om na het bekend worden van een risico of naar aanleiding van een incident maatregelen te nemen die in wezen ondoordacht zijn. Volgens Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit, is dat de reflex om na het publiek worden van een risico maatregelen te nemen om het risico te verminderen, zonder de kosten en de baten van de maatregel bewust te wegen. Al die ingrediënten zijn hier aanwezig. Het risico van PFAS is al jaren bekend, maar is blijkbaar nu publiek geworden. De baten zouden een lager risico moeten zijn, maar de norm gaat weer omhoog. Wat de kosten betreft weet ik niet of iemand die heeft uitgerekend, maar als ik de getallen optel van de (water)bouwers in Nederland kom ik al uit op een miljard euro. Hadden de verantwoordelijke bewindslieden, hun ambtenaren en de hen controlerende Tweede Kamerleden het boek Krachten rond de risico-regelreflex beschreven en geïllustreerd in 27 voorbeelden van Helsloot c.s. maar gelezen. Dan had deze onzin niet plaatsgevonden. Afijn, de volgende editie zal nu vast 28 voorbeelden bevatten. Wat mij betreft verplichte literatuur. Het boek hoeft niet eens in loodgieterstassen mee naar huis, want het is te downloaden. Gratis. Doen dus.

 

Henk Leegwater is onafhankelijk consultant.
henk.leegwater@lexxin.com

Petrochem bestaat alweer 30 jaar! Voor deze speciale uitgave zijn we de archieven ingedoken om enkele projecten uit het verleden een update te geven. Een greep uit de onderwerpen: De chemische camping van Ineos; Het GTL-consortium van de NAM, en de verhoudingen tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen.

En verder:

Daarnaast is een groot deel van deze editie gericht op de European Industry & Energy Summit, 10 en 11 december in de Kromhouthal, Amsterdam. Daar spreekt onder andere Vattenfall CEO Magnus Hall. De boodschap die hij verspreidt is hoopgevend. Het energiebedrijf streeft naar een fossielvrije energievoorziening binnen één generatie en betrekt de industrie zo veel mogelijk bij zijn missie.

De industrie staat voor de opgave om 14,3 miljoen ton extra CO2-uitstoot te reduceren in 2030. Is dit haalbaar? Hans van der Spek van FME is optimistisch.

Duitsland en Nederland moeten flink aan de slag om hun respectievelijke doelen te halen, en kunnen elkaar daarbij helpen. Experts zien vooral in de decarbonisering van industrie goede kansen.

Dit en meer leest u in de laatste Petrochem van dit jaar! Deze editie verschijnt 3 december, maar kunt u nu tijdelijk alvast online lezen!