‘Door te radicaliseren, trap je juist op de rem’, stelt Alice Krekt, programmadirecteur van het Deltalinqs Climate Program. Ze hoopte dat met de klimaattafels het afgelopen jaar voldoende breed draagvlak zou worden gecreëerd voor daadkrachtige veranderingen. De polariserende houding van de milieubeweging en enkele politieke partijen kan echter averechts werken doordat noodzakelijke stappen vertraging oplopen. ‘In de Rotterdamse industrie zie ik veel bereidheid. Niet lullen, maar poetsen.’

Door de beslissing van chemiebedrijf Ineos om drie miljard te investeren in twee grote fabrieken in Antwerpen en dus niet in Rotterdam, lijkt het debat momenteel nog meer te polariseren. Chemiebedrijven zouden Rotterdam mijden met nieuwe investeringen vanwege het Nederlandse klimaatbeleid en het Klimaatakkoord dat ophanden is. Alice Krekt denkt dat de huidige onzekere politieke situatie zeker niet helpt bij het aantrekken van investeringen. Maar wat ze kwalijker vindt: het helpt niet om de transitie vlot te trekken. Links en rechts geven tegenwind.

Belemmerend is niet de inhoud van het klimaatbeleid zelf, ‘maar vooral de voortdurende onzekerheid daarover’, stelt Krekt. ‘Daar hebben de hoofdkantoren van chemiebedrijven een hekel aan, met name als ze over de locatie van vervolginvesteringen nadenken. Ik hoop echt dat het allemaal slechts verkiezingsretoriek is, die ook weer voorbij gaat. En dat het Klimaatakkoord er gewoon komt. Ik hoop echt dat we niet voor niets het afgelopen jaar met veel energie aan goede oplossingen en een breed draagvlak hebben gewerkt.’

Snelheid

Het is in ieder geval zeker niet zo dat de industrie onwillig is of passief, zoals het beeld soms wordt gecreëerd. Alice Krekt ziet bij haar rondgang door de Rotterdamse haven juist heel veel bereidheid bij de bedrijven. ‘Ze willen graag aan de slag met CO2-reductie. De regiotafel Rotterdam/Moerdijk had afgelopen zomer al een voorstel liggen met tal van maatregelen. Ongeacht de huidige discussies worden al heel verschillende stappen gezet. Het beeld dat de industrie achteroverleunt is echt onjuist.’

Sterker nog, op veel fronten zijn chemiebedrijven volop in beweging. Ze kan verschillende projecten noemen die al zijn ingezet. Denk bijvoorbeeld aan LyondellBasell en Covestro die op de Maasvlakte 150 miljoen euro investeren in het Circular Steam Project. Het gaat om een installatie die het eigen afvalwater omzet in energie. De twee bedrijven verwachten de uitstoot van CO2 met 150.000 ton per jaar te verminderen. Op energie wordt straks een petajoule per jaar bespaard en ook zorgt de nieuwe installatie ervoor dat 11 miljoen kilo zouten per jaar niet meer in het oppervlaktewater terecht komen. Krekt: ‘Denk ook aan Shell dat sinds enkele maanden restwarmte levert aan 16.000 huishoudens. Het concern onderzoekt verder ook de mogelijkheden van geothermie. En zo zijn de meeste bedrijven bezig om stappen te zetten.’

Ze ziet bijvoorbeeld ook veel ontwikkelingen op het gebied van in power-to-heat. Door met groene stroom restwarmte op te waarderen, kan die weer in de productieprocessen worden ingezet. Daarmee kan heel veel energie worden bespaard en CO2-uitstoot gereduceerd. ‘Uit onderzoek blijkt dat op deze manier in de Nederlandse industrie maar liefst vier megaton aan CO2-uitstoot kan worden vermeden.’

Ook met elektrificatie van chemische installaties, bijvoorbeeld bij de aandrijving van pompen, is veel mogelijk. ‘Daar zijn we nu al volop mee bezig. Natuurlijk kunnen we discussiëren over de snelheid waarin wordt gehandeld, maar het is echt onjuist om te veronderstellen dat de industrie niets doet en niks wil.’

One solution

Wat dat betreft was Alice Krekt positief verrast over de toespraak van minister Wiebes onlangs tijdens het jaardiner van Deltalinqs. ‘Ik vond hem daar erg sterk.’ De minister van Economische Zaken en Klimaat toonde daar een groter vertrouwen in het ontwerp-Klimaatakkoord dan enkele VVD-partijgenoten. Hij stelde dat Nederland alles in huis heeft om het Klimaatakkoord tot een succes te maken. Wiebes: ‘Als het hier niet kan, kan het nergens.’

Tijdens het diner, waarbij jaarlijks alle beslissers in de Rotterdamse havens aanwezig zijn, nam hij het op voor de industrie. ‘De industrie heeft het grootste aandeel in het Klimaatakkoord. Ze stoot een kwart uit, maar is verantwoordelijk voor een derde van de CO2-reductie tot 2030.’ Bovendien krijgt de industrie een zesde van het budget toegewezen.

Alle zeilen moeten wel worden bijgezet. Volgens de minister is op elke oplossing wel iets aan te merken. Ondergronds opslaan van CO2, stuit op weerstand. Windmolens op zee hebben nadelen voor de flora en fauna. Landbouwgrond kun je beter inzetten voor de voedselvoorziening, dan voor biomassa en ga zo maar door. Wiebes: ‘Misschien dat zonnepanelen op onze daken weinig weerstand opwekt, maar alleen daarmee redden we het gewoon bij lange na niet.’

Met die laatste opmerking slaat de minister volgens Krekt de spijker op zijn kop. Er is volgens haar geen one solution fits all. ‘En we komen er helemaal niet met symptoomoplossingen. Het lijkt gemakkelijk, maar door op z’n Noord-Koreaans binnen twee jaar alle kolencentrales te sluiten, komen we niet veel verder. Bovendien, waar komt de energie vandaan die we nodig hebben? Het levert alleen meer onzekerheid op.’

Verzilveren

Op elke oplossing is wel iets aan te merken, maar we hebben ze allemaal nodig, vindt de programmadirecteur van het Deltalinqs Climate Program. Ook bijvoorbeeld de ondergrondse opslag van CO2. Om de CO2-uitstoot tot 2030 met 49 procent te verlagen, is de Rotterdamse haven volgens Deltalinqs op de korte termijn afhankelijk van de afvang van CO2 bij de industrie en de opslag ervan onder de Noordzee, ook wel aangeduid met CCS (carbon capture and storage). Maar over de voorwaarden voor uitvoering van de transportleiding voor het broeikasgas is nog veel onduidelijkheid. Krekt: ‘Zo liggen nog veel meer oplossingen op de plank, te wachten op een akkoord en steun van de overheid. Denk ook aan de versterking van de energie-infrastructuur, de aanleg van warmtenetten en projecten op het gebied van waterstof.’

Langdurig consistent overheidsbeleid, met oog voor de concurrentiepositie van Nederland, is volgens Alice Krekt cruciaal om kansen te verzilveren en de doelen van Parijs te halen. ‘Het lukt alleen als de overheid snel en gericht keuzes maakt.’ Krekt hoopt dat er in 2019 goede afspraken worden gemaakt tussen overheid en bedrijfsleven over de projecten, ‘zodat we mooie stappen kunnen zetten in het aanpassen van ons energie- en grondstoffensysteem.’

Onderhoudsstops

Het is zeker geen klaagzang. Eerder een oproep om juist de kansen te grijpen. Want ook op dat vlak is Krekt het eens met de minister. De geweldige ligging, de goede bestaande infrastructuur en de aanwezigheid van veel belangrijke internationale bedrijven leveren Rotterdam een uitstekende uitgangspositie op. Het gaat er volgens haar vooral om die verder te verbeteren, zodat bedrijven bereid zijn om vervolginvesteringen te doen.

Natuurlijk zijn er geen garanties, maar Krekt is ervan overtuigd dat wanneer er meer zekerheden worden geboden en er wordt geïnvesteerd in de nodige infrastructuur, de investeringen van bedrijven ook komen. ‘Daar is misschien wat geduld voor nodig. De periode van elf jaar tot 2030 is relatief kort voor industriële investeerders. Vergeet niet dat bijvoorbeeld onderhoudsstops een keer in de vijf tot zes jaar plaatshebben. Dat zijn ook de momenten dat nieuwe installaties worden aangesloten.’

Het plan ligt klaar, stelt ze. ‘Laten we daarom aan de slag gaan. Bedrijven beginnen waar mogelijk. En helderheid in een beleid met oog voor de concurrentiepositie helpt natuurlijk ook.’

Synergie

Zoals Antwerpen momenteel in een flow lijkt te zitten, zou het voor Rotterdam ook goed zijn als het de komende jaren een paar grote investeringen kan aankondigen. Het liefst natuurlijk op het gebied van circulaire processen of andere groene innovaties. De waste-to-chemicals-fabriek van Enerkem bijvoorbeeld, waarvan de investeringsbeslissing nog steeds niet is genomen. Die hangt al een tijdje boven de markt. Krekt: ‘Ook aan het wachten op duidelijker voorwaarden.’

En denk bijvoorbeeld aan investeringen in algen of andere alternatieve feedstock. Enkele grote spelers in Rotterdam doen er elders in hun laboratoria veel onderzoek naar. ‘De grondstoffentransitie is heel interessant, maar meteen ook het moeilijkst.’

In die zin wordt er ook wel geopperd dat het maar goed is dat Ineos niet naar Rotterdam is gekomen. Omdat de grondstoffen schaliegassen zijn. Nog steeds fossiel dus. Alice Krekt denkt daar toch genuanceerder over. ‘Fossiele grondstoffen kunnen we voorlopig niet wegdenken. Met de infrastructuur, de mogelijkheden voor synergie en de klimaatambities was deze investering juist in Rotterdam heel goed terecht gekomen.’

Dankzij een investering in een nieuwe delayed coker unit, die momenteel wordt opgestart en binnenkort volledig in gebruik wordt genomen, gaat ExxonMobil in Antwerpen meer lichtere scheepsbrandstoffen produceren. Het anticipeert daarmee op regelgeving die over een jaar van kracht wordt. Onderbelicht is dat de raffinaderij naast de nieuwbouw ook veel aanpassingen doorvoerde aan de bestaande installaties. Dat nam ook een deel van de totale investering van een miljard euro in beslag.

In de Europese raffinagesector is het een kwestie van overleven. Daarbij lijkt een vlucht naar voren de beste strategie. De grote concerns investeren fors, om onder andere te anticiperen op aangekondigde strengere eisen. Koplopers kijken immers niemand in de rug. Total investeerde fors in Antwerpen, Shell in Rotterdam en ExxonMobil in beide steden. Overigens worden de twee raffinaderijen in de Benelux door het hoofdkantoor van ExxonMobil vaak als een geïntegreerde site gezien. Niet geheel onterecht. De grondstoffen voor de raffinaderij in Antwerpen komen grotendeels uit Rotterdam. Veel processen zijn op elkaar afgestemd. Ook de recente investeringen op beide locaties kunnen niet volledig los van elkaar worden gezien. In het decembernummer schreef Petrochem al over de opstart van de vernieuwde kraker in Rotterdam.

Net een paar maanden eerder begon de opstart van de delayed coker unit en werden verschillende modificaties aan de bestaande installaties bij de Antwerpse raffinaderij in gebruik genomen. Dit Anwerup-project begon eerder dan de bouw in Rotterdam en nam in tegenstelling tot het Rotterdamse project meer tijd in beslag. Dat had vooral te maken met de complexiteit van het project. Met name het integreren van een innovatieve nieuwe installatie in een bestaande site moest zorgvuldig gebeuren.

Ontzwavelingseenheden

Trots overheerst in Antwerpen over de nieuwe en vernieuwde installaties. Het aanzicht van de site is veranderd en, nog belangrijker, de producten zijn schoner dan voorheen. Dat heeft alles te maken met het innovatieve proces van de nieuwe coker.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Inhijsen van een drum

Simpel gezegd wordt de stookolie door een langer verblijf in de reactoren omgezet naar lichtere fracties. Door de stookolie op vijfhonderd graden Celsius langer te ‘koken’, breken er steeds kleinere koolwaterstoffen af van de oorspronkelijke, grote moleculen. Op die manier ontstaat een lichtere scheepsbrandstof en daarnaast lpg, nafta, gasolie en een restfractie petroleumcokes. Bij het proces wordt ook een hoeveelheid gas gevormd, dat als stookgas dient bij de nieuwe en bestaande stookinstallaties.

Met het uiteenvallen in kleinere fracties is ExxonMobil er echter nog niet. Die moeten nog worden gezuiverd en bewerkt. Zo worden gevormde lpg, nafta- en gasoliefracties gevoegd bij de respectieve deelstromen van de atmosferische en vacuümdestillatie. Zodoende worden ze ontzwaveld in bestaande installaties. Daarvoor waren wel aanpassingen aan die ontzwavelingseenheden noodzakelijk. Door de verhoogde capaciteit van deze installaties neemt ook de hoeveelheid te verwerken zwavel toe. Verder werd de bestaande eenheid voor recuperatie van zwavel uit het restgas van de zwaveleenheden vervangen door een nieuwe installatie met een hoger rendement. Met de vernieuwde zwavelinstallaties daalt de uitstoot van SO2 aanzienlijk, waarmee ruimschoots aan strengere wetgeving wordt voldaan.

Dertig meter hoog

Door de nieuwe investeringen is het productenpakket van de raffinaderij aanzienlijk verschoven. De productie van zware stookolie en bitumen vervalt, ten voordele van de genoemde lichtere producten. Daarnaast ontstaat een beperkte hoeveelheid petroleumcokes, voornamelijk bestemd om gebruikt te worden als brandstof in andere sectoren. Denk daarbij aan de metaal- en cementindustrie.

Naast verschillende infrastructurele aanpassingen, heeft ExxonMobil in Antwerpen inmiddels een bijkomende hoge fakkel, met een hoogte 96 meter. Deze fakkel wordt enkel gebruikt in het geval veiligheidskleppen in werking moeten treden en om gassen te evacueren tijdens opstart- of stillegprocedures van de eenheid of onderdelen van de eenheid.

Bij de bouw van de delayed coker en de aanpassingen heeft ExxonMobil geheel volgens de trend gebruik gemaakt van modulaire bouw. De modules voor de delayed coker kwamen uit het Spaanse Tarragona. In totaal bestaat de nieuwe fabriek uit meer dan honderd afgewerkte modules, waarvan de zwaarste 1.350 ton woog en tot dertig meter hoog reikte. Het gewicht van de totale installatie wordt maar liefst op 20.000 ton geraamd, waarvan dus een groot deel vanuit Spanje over zee arriveerde. De grootste modules werden via een zeewaardig ponton aangevoerd in het Marshalldok in de Antwerpse haven. Dat gebeurde met zes verschepingen in september 2016. Onder leiding van hoofdcontractor Fluor en uitgevoerd door het Belgische bedrijf Sarens.

Ook bij het andere deel van het project is samen met de hoofdcontractor Foster Wheeler – tegenwoordig Wood Engineering – gekozen voor modulaire bouw. De modules voor uitbreiding van de zwavelinstallaties en de aanpassing van andere eenheden werden gebouwd op Sicilië.

Grootschaligheid

Een groot voordeel van modulair bouwen buiten de productielocatie is dat verschillende fases van het project gelijktijdig plaats konden hebben. Op de site moest bijvoorbeeld eerst ruimte worden vrijgemaakt. In het eerste jaar zijn daarom twee oude opslagtanks ontmanteld en twee nieuwe tanks elders gebouwd. Ook ging een kantoorgebouw tegen de vlakte. Daarna kon worden begonnen met de aanleg van de fundering voor de nieuwe installaties.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Aankomst van een van de modules

Gelijktijdig begonnen de werkzaamheden in Spanje en Italië. Daar werden de diverse modules volledig afgewerkt, tot de verlichtingsarmaturen en bekabeling aan toe. Nieuw is deze aanpak niet, ook eerdere projecten bij ExxonMobil werden modulair uitgevoerd en onder andere Huntsman en Total Antwerpen gebruikten deze aanpak. Ook bij het Rotterdamse project is gebruik gemaakt van geprefabriceerde modules. Het is vooral de grootschaligheid van de modulaire aanpak bij ExxonMobil in Antwerpen. Bij de andere projecten ging het om beduidend minder modules. Bij het Optara-project gebruikte Total bijvoorbeeld 36 modules en bij andere projecten waren dat nog minder.

Drukke site

Ook veiligheid speelde een belangrijke rol bij de keuze voor modulaire, off-site constructie. De site van ExxonMobil stond al behoorlijk vol. Niet voor niets moest er voor de nieuwe installaties ruimte worden gemaakt. Bij een dergelijk groot investeringsproject zijn veel mensen nodig. Als die allemaal gelijktijdig op een toch al drukke site moeten zijn, met verschillende producerende installaties, zorgt dat voor een verhoogd risico. Door een groot deel van de constructie elders uit te voeren, worden de risico’s aanzienlijk verminderd.

Strengere eisen voor scheepsbrandstof

Met de lichtere scheepsbrandstof anticipeert ExxonMobil op strengere emissie-eisen. Sinds 1 januari 2015 is het toegestane zwavelgehalte voor scheepsbrandstof die gebruikt wordt binnen de zogenoemde Emission Control Areas (ECA’s) vastgesteld op 0,10 procent (massaprocent). Daaronder vallen de Noordzee, de Baltische Zee, het Noord-Amerikaanse gebied en het Caribische gebied van de Verenigde Staten. Buiten deze gebieden zijn deze eisen tot 1 januari 2020 veel ruimer. Tot 3,5 procent is toegestaan. Vanaf 2020 is het maximum toegestane zwavelgehalte buiten de ECA’s echter 0,5 procent.

Ineos investeert drie miljard euro in een ethaankraker en propaandehydrogenatiefabriek in Antwerpen. Volgens CEO Jim Ratcliffe was het geen gemakkelijke beslissing. ‘Het grootste risico in Europa zijn de milieuregels. Regeringen kunnen hun beleid strenger maken en hebben de macht om de chemische industrie uit Europa te bannen.’

Volgens CEO Jim Ratcliffe heeft Ineos om verschillende redenen voor Antwerpen gekozen. ‘Wij zijn hier ruim twintig jaar geleden begonnen als bedrijf, daardoor hebben we relaties opgebouwd en hebben we al veel faciliteiten en werknemers in België. Daarbij heeft ook de connectiviteit van Antwerpen meegespeeld. Zowel het pijpleidingennetwerk tussen onze bedrijven hier als naar het gebied tot in Zuid-Duitsland.’

Ook Rotterdam was in de race voor de investering van Ineos, maar de connectiviteit heeft de doorslag gegeven om niet voor de Nederlandse stad te kiezen.

Achterop

Tijdens de persconferentie waar de locatie van de investering bekend werd gemaakt, gaf Ratcliffe de overheden in Europa een boodschap mee. ‘Het marktaandeel van de Europese chemie is gezakt van dertig naar vijftien procent. In Amerika wordt nog tweehonderd miljard euro geïnvesteerd en installaties en technologieën zijn daar nieuw. Ook in China wordt veel geïnvesteerd. Niemand in Europa doet dat, we raken achterop. Onze investering is een game changer. Wij geloven dat deze investering een jarenlange terugval in de Europese chemische sector kan keren. In de afgelopen 25 jaar is er niet zo’n grote investering in de chemische industrie in Europa gedaan.’

Hij vervolgt: ‘We moeten nooit vergeten om competitief te blijven in de wereld, anders vertrekt er productie uit Europa en dat is niet per se goed voor de wereld.’ Klimaatregels waren volgens Ratcliffe dan ook geen factor bij de keus voor Antwerpen. Maar over die klimaatregels is wel flink gedebatteerd. ‘De milieuregels in Europa zijn voor ons het grootste risico bij deze investering. Regeringen kunnen hun beleid de komende jaren strenger maken en hebben de macht om de chemische industrie uit Europa te bannen. Maar ze moeten hun gezond verstand gebruiken bij het maken van beleid, anders vertrekken bedrijven.’

Achtertuin

Toch heeft het klimaatbeleid Ineos niet afgeschrikt. ‘We zouden niet in Antwerpen investeren als we geen winst denken te halen’, zegt Ratcliffe. ‘We hebben geen probleem met de druk om continu onze technologieën te verbeteren.’

Ook volgens CEO van Havenbedrijf Antwerpen Jacques VanderMeiren is het energiebeleid de grootste onzekere factor voor Ineos. ‘De politiek blijft een niet-dekkend risico. Daarbij weten we ook niet hoe in de toekomst naar de import van schaliegas wordt gekeken. Als blijkt dat er controverse ontstaat over bijvoorbeeld de winning van schaliegas, dan kan dat een risico zijn voor de investering. Maar gelukkig heeft dat Ineos niet afgeschrikt. Het is natuurlijk zeer goed nieuws dat het bedrijf voor onze haven kiest.’

Hij is blij met de investering an sich, maar ook met de aantrekkingskracht die het op andere bedrijven gaat hebben. ‘Dat kan ook in de omgeving zijn, denk bijvoorbeeld aan Geleen. Er komt een heel chemisch cluster bij dat in de achtertuin van veel andere bedrijven ethyleen en propeen produceert. Dat zijn belangrijke basisproducten voor andere processen, wat onze grondstoffenpositie in de chemische industrie verder zal versterken. Veel is natuurlijk voor eigen gebruik van Ineos, maar ook anderen in de haven kunnen er gebruik van maken. Daarnaast komt er bij de PDH-fabriek waterstof vrij dat ook weer door anderen kan worden gebruikt. Eerder heeft ook Borealis een investering aangekondigd in Antwerpen waarbij veel waterstof vrijkomt.’ Dat bedrijf bouwt ook een PDH-fabriek, voor 1 miljard euro.

Het was voor de haven wel even puzzelen om Ineos een plek van in totaal honderd hectare te geven. VanderMeiren: ‘Wij zijn geen Rotterdam dat veel grond beschikbaar heeft, dus het was zoeken om deze nieuwe installaties in te passen. Andere bedrijven die land in concessie hadden, hebben dit aan ons terug gegeven. Nu verwacht Ineos van ons dat wij ze helpen om de installaties op tijd en binnen budget te kunnen bouwen. Vergunningen moeten geregeld zijn en wij moeten ervoor zorgen dat de drieduizend werknemers die nodig zijn voor de bouw hier elke dag kunnen komen. Denk aan het inzetten van collectieve bussen en tijdelijke parkeerplaatsen.’

Wat gaat Ineos doen in Antwerpen?

De komende vier tot vijf jaar wordt er op de Ineos-site in Lillo gebouwd aan de ethaankraker en de propaandehydrogenatiefabriek (PDH). Die laatste zet straks 750.000 ton propaan om in propeen. De kraker gaat ethaan omzetten in ethyleen. De schatting is dat de capaciteit hiervan 1,25 miljoen ton wordt, maar dat getal moet nog worden gespecificeerd. Ook de technologie voor de kraker moet nog worden gekozen.Ineos produceert momenteel bijna 4,5 miljoen ton etheen en propeen in Europa, maar is nog steeds de grootste afnemer van die twee bouwstenen in de regio. Als het megaproject zal zijn afgerond, voorziet het bedrijf veel meer zelf in de grote behoefte aan etheen en propeen.SchaliegasAls grondstof voor de twee installaties gebruikt Ineos schaliegas uit Amerika. Al eerder investeerde het bedrijf twee miljard dollar in Dragon Ships waarmee het nu jaarlijks 800.000 ton ethaangas naar Europa kan vervoeren. Als de nieuwe installaties operationeel zijn, is 1,5 miljoen ton ethaangas nodig. Om dat te kunnen vervoeren, moeten meer schepen worden gebouwd.

De verwachting is dat de nieuwe productie-eenheden in 2024 in gebruik worden genomen. Eenmaal operationeel zorgt de investering voor vierhonderd directe, voltijdse arbeidsplaatsen en een vijfvoud aan interne jobs. Tijdens de constructiefase zijn ongeveer drieduizend werkkrachten aan de slag.

In eerdere berichtgevingen werd altijd gesproken over een investering van 2,7 miljard euro. Dat het bedrag nu uitkomt op drie miljard euro komt doordat nu onder andere ook de infrastructuur die nodig is, is meegerekend.

Steeds meer moeten plantmanagers zichtbaar zijn voor de buitenwereld. Dat geldt helemaal als je tegenwoordig een kolencentrale onder je hoede hebt. Marinus Tabak van de Eemshavencentrale van RWE, weet hier alles van. De hypermoderne installatie is regelmatig het mikpunt van de politiek en de publieke opinie. Als het gaat om het Ontwerp Klimaatakkoord of de Urgenda-zaak. Of dat terecht is? Tabak: ‘Er is een groot gat tussen perceptie en realiteit.’

Dat Marinus Tabak een historie heeft in de lokale politiek, bleek wel in het Lagerhuisdebat tijdens het jaarcongres Eemsdeltavisie 2017, anderhalf jaar geleden. Hij was toen net plantmanager van de Eemshavencentrale. Met verve verdedigde hij toen de positie van de kolencentrale en de plannen om die naar biomassa om te bouwen. Met zoveel overtuiging dat hij uiteindelijk meer dan de helft van het kritische congrespubliek achter zich kreeg.

Debatteren leerde hij als VVD-raadslid van de Friese gemeente Dongeradeel. ‘Ik was achttien toen ik in de politiek ging. Ik kon natuurlijk een schreeuwlelijk aan de zijkant zijn, maar daar paste ik voor. Ik wilde wat betekenen voor de samenleving.’ Steeds meer kwam hij er echter achter dat de politiek bijzonder complex is. ‘Helemaal als je goede, integrale afwegingen wilt maken.’ Het is onmogelijk, ook voor politici, om alle relevante kennis te verzamelen. ’Indertijd snapte ook ik lang niet alles.’

Nu Tabak op een andere positie zit, ziet hij nog meer in dat het heel moeilijk is voor de politiek, overheden en ook het grote publiek om zaken optimaal te beoordelen. ‘Momenteel komt bijvoorbeeld slechts 1,5 procent van onze elektriciteit van windmolens en niet 22 procent wat Nederlanders gemiddeld denken. Er is een groot gat tussen perceptie en realiteit.’

Vergunningsprocedure

Beeldvorming is lang niet altijd gestoeld op feiten, weet hij beter dan ooit. Tabak weigert bijvoorbeeld om eendimensionaal als een gigantische en klakkeloze uitstoter van CO2 te worden weggezet. Het doet volgens hem geen recht aan alle plannen om de Eemshavencentrale om te vormen van kolen- naar biomassagestookt. Halverwege dit jaar is de uitbreiding gereed die vijftien procent bijstook van biomassa mogelijk maakt. En de bouwvergunning voor een vervolginvestering is al aangevraagde waarmee de bijstook naar dertig procent kan. Uiteindelijk zal er geen steenkool meer aan te pas komen. Tabak: ‘Houd je rekening met de vergunningsprocedure en de bouw, dan kunnen we hier in de Eemshaven in 2025 al op honderd procent zitten.’

Voedselketen

Natuurlijk helpt het niet mee dat ook het bijstoken van biomassa onder vuur ligt. ‘Veel vrienden van mij zouden er wakker van liggen. Ik niet, maar ik moet er wel van overtuigd zijn dat de stappen die we zetten goed zijn. En dat zijn ze. We zijn echt niet met gas of kolen getrouwd. Maar het is ook onze taak om betrouwbaar stroom te leveren. Dat kan met de ombouw naar biomassa. We kunnen zodoende een belangrijke rol spelen bij de transitie. Bovendien kunnen we niet wachten. Als we nu niks doen, dan hebben we over tien tot twintig jaar sowieso helemaal niks meer. Echt, ik ben er heilig van overtuigd dat we het CO2-probleem gaan oplossen, maar daar helpt een polariserend debat niet bij.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

(c) Wim Raaijen

Tabak wil graag het hele verhaal vertellen. ‘Allereerst is alle biomassa die we gaan inzetten gecertificeerd met gegarandeerde vervangende beplanting. We willen zeker geen fiasco met ontbossing, zoals bij palmolie.’ Hij geeft toe dat aanvoer van een deel van de biomassa uit het buitenland nodig is. Denk daarbij onder meer aan afvalstromen van de suikerriet uit Zuid-Amerika. ‘Maar ik ben ervan overtuigd dat we een substantieel deel van de biomassa ook uit het noorden kunnen krijgen. Denk aan alle reststromen van de agro-industrie en de chemie in Delfzijl en Emmen.’

Belangrijk is ook de samenwerking met Avantium die een bioraffinaderij in Delfzijl wil bouwen. Afgelopen zomer heeft het bedrijf al een pilotplant geopend die resthout van Staatsbosbeheer omzet in glucose voor de voedingsmiddelenindustrie en chemische bouwstenen. Eerst worden de stoffen met hogere toegevoegde waarde ‘geoogst’. Daarna blijft alleen lignine over, dat kan worden bijgestookt in de centrale van RWE. Met lignine kan voorlopig weinig anders worden gedaan. Op die manier is er geen sprake van concurrentie met de voedselketen. Integendeel, er wordt zelfs glucose uit houtafval gemaakt.

IJzerpoeder

Het afvangen van de CO2 die vrijkomt bij de verbranding van biomassa is ook een serieuze optie. Op zich is dat al financieel haalbaar, stelt Tabak. ‘Natuurlijk kun je kooldioxide ondergronds opslaan, maar als techneut zie ik principieel veel meer in een circulaire oplossing.’ Bemesten van algen is misschien een optie. En CO2 als grondstof voor de chemie zou helemaal geweldig zijn. BioMCN in Delfzijl neemt de CO2 straks graag af als grondstof voor methanol. Momenteel produceert het bedrijf al op relatief kleine schaal methanol uit zuivere kooldioxide en haar reststroom waterstof. Om dit proces op te schalen ligt de bottleneck volgens Tabak echter niet bij de beschikbaarheid van CO2. ‘BioMCN heeft daar enorm veel groene waterstof voor nodig. De productie daarvan via elektrolyse is nog erg duur en bovendien moeten er veel meer windmolenparken worden gebouwd ten noorden van de Waddenzee.’ Er zijn inmiddels verschillende plannen voor de bouw van installaties voor groene waterstof. Maar ook daarmee is het nog niet klaar. Tabak: ‘De overheid moet ook besluiten dat die windparken er komen. Daarmee valt of staat alles.’

Tabak staat open voor alle oplossingen die de RWE-centrale verder kunnen vergroenen. Tijdens de laatste Eemsdeltavisie in oktober afgelopen jaar spitste hij zijn oren tijdens een presentatie van de TU Eindhoven over metal fuels. Bij verbranding van ijzerpoeder komt veel energie vrij en er ontstaat ijzeroxide, ofwel roest. Via een elektrochemische reactie kan hier weer ijzerpoeder van worden gemaakt. Een circulaire manier om energie op te slaan en een potentiële mogelijkheid om kolencentrales om te bouwen. ‘We hebben meteen visitekaartjes gewisseld en ik heb inmiddels een vervolggesprek gehad. Wie weet kan dit ons ook verder brengen in de transitie.’

Vergassing

Hij kijkt ook leergierig over het hek heen. Vooral ketensamenwerking met de chemie lijkt veel interessante kansen te bieden. Zoals de genoemde voorbeelden met Avantium en BioMCN. Door de opkomst van elektrochemie kunnen elektronen bovendien steeds meer als grondstof worden ingezet. Ook op andere vlakken gaat RWE mogelijk grondstoffen leveren aan de chemie. ‘Zo werken we aan de vergassing van afval in plaats van verbranding. Dat levert geen stroom, maar syngas op. Grondstof voor de chemische industrie. Uit afval dus.’

Acht mensen

Misschien dat juist de ruimte en de noodzaak om te innoveren Tabak wel het meest stimuleren. ‘De raad van bestuur van RWE heeft het duidelijk onderstreept: ‘We are here to stay’. Daar wil ik graag alles voor doen.’ Het betekent dat alles moet worden onderzocht om de juiste verbeteringen aan te brengen. ‘Voor onze mensen is dat natuurlijk ook stimulerend. Er zijn veel initiatieven. Ik merk dat er met veel trots wordt gewerkt aan de ombouw naar een biomassacentrale.’

Bovendien is de Eemshavencentrale een moderne installatie, die al verregaand is geautomatiseerd en gedigitaliseerd. ‘Net als andere industriële bedrijven hebben we moeite om voldoende goed opgeleide technici te werven.’ Een belangrijk voordeel is wel dat de centrale mede door de digitalisering wel zeer lean en mean is. ‘In het weekend wordt de hele centrale door acht mensen gerund.’ Een hightech-omgeving waarin volop met big data, predictief onderhoud en bijvoorbeeld drones wordt gewerkt. Een mooie omgeving voor bezielde techneuten, dus ook voor Marinus Tabak.

De plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over zijn werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren?
Kent u interessante plantmanagers? Mail dan naar redactie@industrielinqs.nl

 De energietransitie heeft ook zijn weerslag op de wereld van natte bulk. Zo bouwt Alpha Terminals in Vlissingen een tankpark dat ook klaar is voor nieuwe, schonere brandstoffen als ammoniak. De uitbreiding van Vopak op de Botlek Terminal is weer een ander uitvloeisel van de energietransitie: styreen wordt namelijk ingezet voor isolatie en lichte materialen voor de transportsector. De investeringen versterken in ieder geval de hub-functie van de ARA-regio, die nog altijd een strategische positie inneemt in de wereldhandel.
Het is opvallend hoe veel momenteel wordt geïnvesteerd in nieuwe tankopslagcapaciteit. De economische hoogconjunctuur, nieuwe investeringen in de chemie, onrust op het internationale politieke speelveld en de overgang van een fossiele naar een koolstofloze energievoorziening dragen allemaal bij aan groei in de Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen (ARA) regio.

Wat dat aangaat profiteert ook Alpha Terminals van de gunstige omstandigheden. Het bedrijf ontwikkeld een tankpark aan de monding van de Sloehaven in Vlissingen-Oost. Alhoewel het bedrijf vooral voorsorteert op de komende energietransitie. CEO van het nieuw opgerichte bedrijf Mike van Croonenburg voorziet de komende jaren een volatielere markt waar fossiele brandstoffen langzaamaan plaats maken voor schonere alternatieven. ‘De energiehandel is sowieso een wereldhandel’, zegt Croonenburg. ‘De ARA-regio speelt al lang een spilfunctie in de handel met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Afrika en uiteraard het Europese achterland. De kracht van de terminal die we in Vlissingen gaan bouwen, is dat we hem zeer flexibel inrichten zodat we snel kunnen inspringen op verschuivingen in de markt. Dat doen we met name door de tanks en leidingen te configureren voor de vloeistoffen die hogere eisen stellen. Het is namelijk eenvoudiger om een minder veeleisende vloeistof op te slaan in een tank die zwaarder gedimensioneerd is dan andersom.’

Verder is tempo belangrijk voor de traders die gebruik maken van de terminal. ‘Om de laadtijden zo kort mogelijk te houden, kiezen we voor grotere pompen met meer capaciteit en grotere diameters leidingen. Daardoor hoeven schepen minder lang aan de steiger te liggen. Die kunnen overigens tijdens het laden gebruikmaken van walstroom, waardoor ze geen emissies hebben tijdens het laden en lossen.’

Verbreding

Dat de opslagmarkt gunstig is, blijkt wel uit de verbreding van de scope van het project. Croonenburg: ‘Initieel zouden we 34 tanks bouwen met een capaciteit van vijfhonderdduizend kuub. Inmiddels zitten we aan de 59 tanks met een capaciteit van 720.000 kuub. De oorspronkelijke investering van 250 miljoen euro, is nu dan ook verhoogd naar 450 miljoen euro. Havenbedrijf North Sea Port, een fusie tussen de havens van Gent en Zeeland Seaports, heeft zestien hectare grond beschikbaar gesteld om een park te bouwen dat aan de huidige, verscherpte wet- en regelgeving voldoet. Zo moeten de tanks verder uit elkaar staan dan in bestaande tankopslagparken gebruikelijk is. Maar ook andere milieu – en veiligheidsmaatregelen zijn strenger dan dertig jaar geleden, toen veel tankparken werden gebouwd. Al die maatregelen maken de bouw weliswaar duurder, maar we denken daar in de toekomst van te kunnen profiteren. We proberen de tanks te vergunnen op zo veel mogelijk producten, zodat we in de toekomst kunnen aansluiten op veranderingen in het energielandschap.’

Zo ligt in de lijn der verwachting dat diesel op den duur wordt uitgefaseerd. Aan de andere kant komen nieuwe brandstoffen op die de emissies van de transportsector en de energiebedrijven omlaag moet krijgen. ‘Zo bekijken we de mogelijkheden om ammoniak op te slaan. Maar ook LPG kent een betere CO2-footprint dan diesel en is daardoor een interessant alternatief’, aldus Croonenburg.

Lumpsum

Alpha Terminals is een dochterbedrijf van het Zwitserse PSB Alpha, dat al jarenlang actief is als vastgoedhandelaar in de energiemarkt. ‘We hebben heel wat parken helpen ontwikkelen en weten waar een goede terminal aan moet voldoen’, zegt Croonenburg. ‘Het zelf bedrijven van een terminal is wel nieuw, maar we zullen ervaren en bedreven mensen inzetten om het park zo goed en efficiënt mogelijk te managen. De contracten voor een aantal tanks liggen al klaar en we zullen het park ook inzetten voor tradingactiviteiten. De locatie van de haven van Vlissingen is gunstig omdat het aan zeer diep water ligt en bovendien toegang biedt tot de Westerschelde en het kanaal Gent-Terneuzen. Daarmee kunnen we zowel de internationale energiehandel als het Europese achterland bedienen.’

Zover is het nog niet. De MER-procedure is ingezet en de grond wordt nog onderzocht. Verder wordt ook nog akoestisch onderzoek verricht om de impact op de directe omgeving te meten. Croonenburg: ‘We krijgen alle medewerking van North Sea Port, dat blij is met de investering in de haven. De directe omgeving heeft nog steeds last van de gevolgen van het drama rondom fosforfabriek Thermphos, dat in 2012 failliet ging.’ Dat faillissement kostte niet alleen veel banen, maar had ook een vervelende nasleep omdat het terrein was vervuild met fosforslib. ‘We bieden werkgelegenheid aan zo’n tachtig lokale werknemers en vergroten de vloeibare bulkcapaciteit, wat de haven strategisch versterkt’, zegt Croonenburg. ‘Hoewel ook wij waar nodig automatiseren, vertrouwen we liever op de ogen en oren van de ervaren medewerkers. De mens kan vaak beter beslissingen nemen, uiteraard wel ondersteund door de mogelijkheden die de huidige techniek brengt.’

Zodra de MER-vergunningen rond zijn, kan de Frans/Griekse aannemer starten met de bouw van de tanks, steiger en leidingen. ‘We hebben een lumpsum turnkey contract afgesloten en verwachten begin 2020 te kunnen starten met de bouw. Dan hebben we 24 maanden nodig om in 2022 te kunnen beginnen met de handel.’

Styreen

Ook Vopak blijft uitbreiden. En ook deze uitbreiding heeft zijdelings te maken met de energietransitie. De uitbreiding vindt plaats op de Botlekterminal, een van de drie terminals die het bedrijf beheert in de Rotterdamse regio. De vijftien tanks, met een opslagcapaciteit van 63 duizend kubieke meter, worden speciaal gebouwd voor de opslag van styreen. Managing director Walter Moone: ‘Styreen wordt met name ingezet voor de productie van lichte materialen voor auto’s, isolatiemateriaal voor de bouw en diverse andere producten die het energieverbruik moeten temperen. Aangezien de komende jaren in het teken staan van energiebesparing en verduurzaming, verwachten we ook een groei in de op- en overslagbehoefte van deze chemische grondstof. Vanwege de eigenschappen van de stof, moeten de tanks worden uitgevoerd in roestvrij staal en zullen we zowel de tanks als de leidingen moeten isoleren. Styreen moet namelijk niet teveel opwarmen, anders gaat de kwaliteit onherstelbaar achteruit door polymerisatie.’

Uitbreiding van Vopak in Rotterdam (c) Vopak

Hoewel Vopak op zijn TTR-site al opslagcapaciteit voor styreen bood, past de verwachte groeimarkt meer bij de faciliteiten die de Botlek Terminal biedt. Moone: ‘De terminal heeft niet alleen veel waterkant, maar ook efficiënte bloktrein- en trucklaadsystemen. De nieuwe investering is dan ook deels een consolidatie van wat we al deden, maar we verwachten wel degelijk ook een groei de komende jaren. Zo zien we een verschuiving van importen uit Noord-Amerika, waar de petrochemie lagere kosten heeft voor energie en feedstock. Maar ook de Europese chemie investeert in uitbreiding van zijn productiecapaciteit.’

Flexibel

De op- en overslag van chemische producten is volgens Moone nauwelijks te vergelijken met de oliehandel. ‘Waar bij oliehandel snelheid en prijs vooral leidend is, is bij chemische producten de kwaliteitscomponent en leveringszekerheid belangrijker. Klanten willen zeker weten dat ze op tijd hun producten in de juiste kwaliteit geleverd krijgen en hebben meestal een directe relatie met hun leveranciers.’

De impact voor de Vopak Botleksite zal iets minder groot zijn dan die van Alpha Terminals in Vlissingen. De tanks kunnen worden aangesloten op bestaande infrastructuur en steigers. ‘We grijpen de gelegenheid wel aan om ook te investeren in een nieuw laadstation voor trucks en uitbreiding in de treinstation capaciteit.’

Bovendien merkt ook Moone dat de wet- en regelgeving strenger wordt. ‘Die zijn de afgelopen jaren behoorlijk aangescherpt. Zo merken we hogere eisen wat betreft emissiebeperking en brandbestrijding. Met name de stationaire brandblusvoorzieningen vergen extra investeringen. Die eisen zijn er niet voor niets, dus het zijn investeringen die je zeker doet. Tel daarbij op dat ook de aannemers profiteren van de hoogconjunctuur en onder druk staan wat betreft personeelsbezetting, waardoor projectkosten aardig kunnen oplopen. De verwachte waarde van een project moet zo’n investering wel kunnen verantwoorden. Gelukkig lukte dat voor dit project. Dat heeft met name te maken met het feit dat het systeem flexibel is ontworpen. Naast styreen kan het dus voor meerdere producten worden ingezet. We zouden de tanks nu al vol kunnen krijgen, dus hoe sneller we kunnen beginnen hoe beter.’

Supply chain

Inmiddels is de bouw van de tanks in volle gang. De Belgische aannemer Ivens Group is verantwoordelijk voor de bouw van de roestvrijstalen opslagtanks terwijl Spie mechanical engineering, piping en manifolds voor zijn rekening neemt. Het eveneens Belgische Cordeel bouwt de tankput voor vijftien opslagtanks, de fundaties voor het onderstation, weegbrug en leidingbruggen. Als alles goed verloopt, kan het park in het tweede kwartaal van 2020 in gebruik worden genomen.

Moone verwacht de komende jaren nog wel meer investeringen in de wereld van tankopslag. ‘Het is belangrijk om terminals up to date te houden, ook in het kader van de strenger wordende regelgeving. Maar ook de energietransitie vraagt om andere vormen van opslag. Ethanol is bijvoorbeeld een interessante biobrandstof die een belangrijke rol kan spelen in de transitie naar schonere brandstoffen. In het verlengde daarvan moet de branche ook nadenken over hoe we ons eigen systeem zoveel mogelijk kunnen verduurzamen. Met name wegtransport staat steeds meer onder druk omdat het lastig te verduurzamen is, maar ook congestie bevordert. Wij hebben zelf al meerdere tankopslaglocaties geïntegreerd via pijpleidingen en maken gebruik van zowel eigen leidingen als de multicore-leiding. Daarmee voorkom je weg- en binnenvaartverkeer en ontlast je de omgeving. We denken er over om onze eigen infrastructuur ook aan derden beschikbaar te stellen. Uiteindelijk moet ook daar de businesscase wel kloppen, maar de gehele branche, en het milieu is gebaat bij meer efficiency in de supply chain.’

 

Vanwege een dalende vraag naar haar product moest Sabic in 2014 haar PPE-fabriek sluiten. Het plan was om de fabriek in Bergen op Zoom volledig te verwijderen. Gelukkig is daar uiteindelijk niet voor gekozen, want de vraag naar de plastic korrels van Sabic is nu weer enorm gestegen. Dat komt onder andere door de toename van elektrische auto’s en zonnepanelen. De oude fabriek wordt daarom nieuw leven in geblazen.

Het is een beetje gek: er wordt door de werknemers van Sabic over een nieuwe PPE-fabriek gesproken, terwijl hij er al sinds de jaren tachtig staat. Toch is nieuw wel gepast hier. De fabriek wordt helemaal gemoderniseerd voordat hij weer polyfenyleenether (PPE) gaat produceren. Bram van Veen, operations manager PPE-fabriek: ‘De fabriek wordt volledig state-of-the-art gemaakt. De grote stukken staal blijven intact, maar er wordt veel nieuwe technologie in aangebracht, de bekabeling wordt efficiënter en we krijgen een compleet nieuwe controlekamer. De hele installatie wordt efficiënter en gemakkelijker te onderhouden.’

PPE is de basisgrondstof voor de productie van Noryl-kunststoffen. Deze plastic korrels worden onder andere gebruikt in elektronica, accu’s, de onderkant van cv-ketels en zonnepanelen.

Ook wordt de stevige kunststof gebruikt om elektrische auto’s lichter te kunnen produceren. ‘Niemand had verwacht dat de elektrische auto’s zo’n vlucht zouden nemen, toen we de fabriek sloten’, vertelt Van Veen.

2020

Sabic heeft in het Amerikaanse Selkirk (New York) ook een PPE-fabriek staan, maar om te voldoen aan de toenemende vraag is nog een fabriek in Europa nodig. Van Veen: ‘Toen is besloten om de fabriek hier weer op te starten, want die staat er al, de equipment is nog goed, utilities zijn aanwezig en we hadden de vergunningen al. Ook zijn de kennis, kunde en ervaring aanwezig.’ De wereldwijde productiecapaciteit kan op deze manier met veertig procent worden uitgebreid.

De fabriek is al helemaal geïnspecteerd en elke opslagtank wordt gecontroleerd en eventueel vervangen. De verwachting is dat de fabriek begin 2020 ‘mechanical complete’ is. Daarna kan met de commissioning worden begonnen. Volgend jaar zomer moet het eerste product uit de fabriek komen. Maar dan moet nog worden onderzocht of het aan alle eisen voldoet. Vervolgens moeten van de PPE nog de plastic korrels worden gemaakt in de compoundingfabrieken. Van Veen: ‘De korrels worden specifiek voor klanten gemaakt, het is een specialty product. Iedere klant krijgt een uniek product met de gewenste eigenschappen.’

Nieuwe medewerkers

Tijdens de piek van de bouw zijn zo’n vierhonderd man aan het werk. Als de PPE-fabriek eenmaal draait, biedt zij werk aan 59 nieuwe medewerkers. Sabic is op dit moment druk bezig om hen aan te nemen voor het runnen en onderhouden van de PPE-fabriek. Van Veen: ‘We zoeken verschillende mensen van mbo-3 tot en met academisch niveau. Tot op heden hebben we nog niet te klagen over het vinden van nieuwe medewerkers. De helft hebben we al binnen. Ik mag van geluk spreken als ik kijk naar de operationele groep, want we hebben ook schoolverlaters weten aan te trekken. De hele chemische industrie heeft te maken met een stukje vergrijzing, dus het is voor ons heel belangrijk om jonge mensen aan te nemen.’

Dat lukt doordat het bedrijf nauwe banden heeft met het roc. Ook de gemeente Bergen op Zoom speelt een rol. Zij is bezig om techniekonderwijs in de regio goed op de kaart te krijgen en bedrijven te verbinden met het onderwijs.

Opstarten

Maar de 59 nieuwe medewerkers moeten natuurlijk niet allemaal net uit de schoolbanken komen. Van Veen: ‘We zoeken een balans tussen schoolverlaters, mensen die al in de fabriek hebben gewerkt voordat hij in 2014 werd gesloten en mid-career professionals. Denk bij die laatsten bijvoorbeeld aan mensen die al een carrière hebben bij een ander chemisch bedrijf, maar nu liever dichter bij huis willen werken.’

Hoewel veel bedrijven lastig aan goed technisch personeel kunnen komen, heeft Sabic er dus nog geen problemen mee bij dit project. Van Veen denkt dat het komt omdat het opstarten van een fabriek een hele unieke ervaring is. ‘Daarom willen mensen hier nu graag komen werken.’

tekst gaat verder na de afbeelding

PPE

In de zomer wil het bedrijf het team compleet hebben om iedereen te kunnen trainen. Dat wordt bijzonder, want de oude fabriek staat nu al helemaal in de steigers. ‘Hoe vaak heb je nou de kans om door een fabriek te lopen waar de vaten open staan, waar je de destillatiekolom op kan klimmen en in de man-
gaten kan kijken? Ga jij in een draaiende fabriek aan de slag als operator dan moet je overal afblijven, hier kan je nu alles van dichtbij bekijken.’

Tijdens de training wordt dan ook de 48 meter hoge fabriek beklommen om te kijken hoe ze er van binnen uit ziet. ‘De commissioning is vervolgens de beste leerfase die je kunt hebben’, legt van Veen uit. ‘Je begint met water in de fabriek en er gaan dan wel eens dingen fout die je moet herstellen. In die fase leer je de fabriek heel goed kennen en weet je wat haar aandachtspunten zijn.’

Feiten en cijfers

  • Op de Sabic-locatie in Bergen op Zoom werken zo’n 1325 medewerkers
  • Er staan acht fabrieken die grondstoffen als PPE maken, maar ook eindproducten zoals plastic korrels
  • 24/7 operatie in 5 ploegendienst
  • Fabrieken die het willen, mogen zelfroosteren
  • Sabic in Bergen op Zoom is een Brzo-bedrijf met eigen 24/7 calamiteiten organisatie
  • Het fabrieksterrein In Bergen op Zoom is tweehonderd hectare en beschikt over een eigen haven
  • Wereldwijd telt het bedrijf 34.000 werknemers op 64 grote productiesites

Wie had dat gedacht? Wij hebben als sector de meest invloedrijke man in ons midden: Feike Sijbesma, CEO van DSM. De Volkskrant stelt jaarlijks een lijst samen waarin vaak namen prijken van topmensen uit de publieke sector.

Dit jaar staan de topmensen uit die sector, namelijk die van het Sociaal Cultureel Planbureau en de Nederlandse Bank, op nummer twee en drie. Overigens, tijdens een interview vorige maand in Buitenhof, relativeerde Sijbesma deze titel en antwoordde dat journalisten veel belangrijker zijn, omdat zij immers bepalen wat wij te horen krijgen.

Knellende banden

Nu hij dan toch de meest invloedrijke Nederlander is, komt er hopelijk nog meer aandacht voor zijn boodschap. Al jarenlang stelt hij dat de economie weer terug moet naar zijn oorspronkelijke doel: gelukkig en gezond met elkaar leven. Het doel is niet om geld te verdienen, maar om waarde toe te voegen. In het interview bij het programma Buitenhof ging hij vooral in op het klimaatprobleem en focusseert daarbij op de reductie van CO2 omdat dit het belangrijkste middel is om de doelstellingen te bereiken. Het bedrijfsleven speelt weliswaar een belangrijke rol, maar hij legt toch de bal bij Europa neer om de juiste prijs op CO2 te zetten, die zijns inziens nu veel te laag is om het bedrijfsleven in beweging te brengen. Sijbesma legt het primaat wat betreft wet- en regelgeving dus bij de overheid neer, maar geeft tegelijkertijd ook aan dat het die overheid tot nu toe niet echt goed gelukt is.

Dat doet mij mij denken aan het boek van de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber, If Mayors Ruled the World. Daarin beschrijft hij dat het landen niet lukt om grote problemen op te lossen en steden juist wel. De ondertitel van het boek is Dysfunctional Nations, Rising Cities. Een mooi interview met Barber is te vinden bij De Correspondent, waarin hij in een taxi op weg is naar Schiphol nadat hij in Amsterdam uiteraard de burgemeester heeft bezocht. Een lezenswaardig stuk, zeker als je niet zijn ruim vierhonderd pagina’s tellend boek gaat lezen. Regeringen van landen hebben last van soevereiniteit en ook speelt het belang van verkiezingen een forse rol. Heel veel problemen beperken zich niet tot de landsgrenzen. Denk bijvoorbeeld aan honger, drugs, criminaliteit, vluchtelingen, mensenhandel en milieu. Burgemeesters hebben geen last van deze blijkbaar knellende banden en kunnen veel ruimer denken.

In zijn boek noemt hij een mooi voorbeeld. Het is de haven van Los Angeles gelukt de CO2-uitstoot met veertig procent te verminderen en daarmee die van de hele stad met zestien procent, terwijl de VS als geheel geen enkel commitment hebben. Het Rotterdam Climate Initiative met de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam, DCMR Milieudienst Rijnmond en Deltalinqs als partijen is een mooi voorbeeld in Nederland. Het RCI is op weg naar een vijftig procent reductie van CO2 in het jaar 2025. De voorzitter van het RCI? Gelukkig maar: de burgemeester van Rotterdam.

Dysfunctional governments

De les van Benjamin Barber is dat regeringen niet in staat zijn om problemen die de landsgrenzen overtreffen op te lossen. Andere entiteiten, zoals steden, die geen last van landsgrenzen hebben, lukt dat blijkbaar wel. Nu hoop ik maar dat onze meest invloedrijke Nederlander dit gedachtegoed doortrekt naar de CO2-reductie en zijn invloed heeft aangewend tijdens het World Economic Forum in Davos vorige maand. Feike Sijbesma geeft zelf het belang aan van CO2-reductie voor het bedrijfsleven, dus waarom zou het het bedrijfsleven dan niet het voortouw nemen?

Als zelfs de CEO van de grootste investeerder en vermogensbeheerder ter wereld, BlackRock, andere CEO’s oproept tot 
langetermijndenken en leiderschap, dan is dat niet kansloos. Graag wil ik Feike daarna helpen bij het schrijven van zijn boek: How CEO’s rule the climate of the world!. Een ondertitel voor dat boek heb ik ook al: Dysfunctional governments, rising sustainable companies saving the world. Wat mij betreft wordt hij daarna uitgeroepen tot de meest invloedrijke wereldburger.

Er wordt veel geïnvesteerd in tankopslag in Nederland en Vlaanderen. In ons projectenoverzicht is te zien dat er de komende jaren meer dan 1,5 miljard euro wordt besteed aan ruim 3,9 miljoen kubieke meter nieuwe opslagcapaciteit. Petrochem zoekt uit waarom er nu veel wordt geïnvesteerd en wat voor veranderingen invloed hebben op de tankopslag in Nederland en Vlaanderen.

Het merendeel van de investeringen in de tankopslag wordt gedaan in Rotterdam, Vlissingen en Antwerpen. Het gaat om compleet nieuwe terminals en om uitbreidingen van bestaande terminals. Als redactie van Petrochem viel het ons op dat er veel tankopslagprojecten in ons projectenoverzicht staan. We vroegen we ons af waarom. Wat zijn de veranderingen in die sector? Die schijnbaar makkelijke vragen, bleken niet zo heel eenvoudig te beantwoorden. Bijna niemand wil openlijk praten over de investeringen die op het moment worden gedaan in de tankopslagwereld. Waarschijnlijk omdat het om concurrentiegevoelige informatie gaat en omdat de veranderingen die invloed hebben op de tankopslagwereld, niet altijd duidelijk zijn. Zoals de Bato (de Belgische associatie van tankopslagbedrijven) aangeeft over sommige zaken in dit artikel: ‘Het is een gevoel, maar we kunnen het niet hard maken met cijfers.’ De Votob (Vereniging van Nederlandse tankopslagbedrijven) verwees voor antwoorden door naar verschillende bedrijven.

Investeringen Vlaanderen

De investeringen in Vlaanderen zijn wat gemakkelijker te verklaren dan in Nederland. In België wordt momenteel veel geïnvesteerd in chemie en dat is ook terug te zien in de investeringen in de tankopslag. Alle grote tankopslaginvesteringsprojecten in Vlaanderen die bij ons bekend zijn (zie ons projectenoverzicht in het blad) laten zien dat die gebruikt gaan worden voor de chemie.

Bedrijven slaan hun eigen product niet meer op, maar laten dat steeds vaker door een onafhankelijke terminal doen volgens de Bato. Zo bouwt Oiltanking Antwerp Gas Terminal een nieuwe opslagtank om het propaan van Borealis op te slaan en voor Ineos bouwt hetzelfde bedrijf een butaantank.

Naast de groei in de opslag voor chemie, ziet de Bato ook dat het petroleumsegment groeit. Een verklaring is te vinden in de ‘onbalans’ in de wereldmarkt. Die onbalans is het gevolg van de handelsproblematieken, zoals de handelsoorlog tussen VS en China. Als er dan zaken moeten worden opgeslagen, is de ARA-regio (Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen) de toegangspoort tot Europa.

Investeringen Nederland

Onze goed ingewijde bronnen in de Nederlandse opslagwereld herkennen trouwens niet dat hier meer wordt opgeslagen door handelsproblematiek. Volgens hen zijn er in Nederland verschillende redenen voor de investeringen in de tankopslag. Een groot gedeelte zijn vervangingsinvesteringen. Veel tanks zijn al veertig jaar oud en zijn aan vernieuwing toe. Om ze aan de nieuwste kwaliteitseisen en regelgeving te laten voldoen, is het vaak handiger en goedkoper om compleet nieuwe tanks neer te zetten dan om de oude te renoveren. Er is volgens onze bronnen ook meer vraag naar moderne tanks omdat de kwaliteitseisen voor het opslaan van chemische producten steeds belangrijker wordt.

Net als in België, wordt ook in Nederland geïnvesteerd omdat bedrijven hun producten niet meer zelf op willen slaan. Het is niet hun corebusiness. Daarom worden een aantal terminals ‘op aanvraag’ gebouwd. Een voorbeeld daarvan is de HartelTankTerminal die HES International gaat bouwen op de Maasvlakte. Dit wordt wel een onafhankelijke opslagterminal, maar BP heeft zich gecommitteerd aan het project, inclusief plannen voor pijpleidingverbindingen tussen hun raffinaderij en de terminal. In totaal worden 52 tanks gebouwd, met een totale capaciteit van circa 1,3 miljoen kubieke meter aan op- en overslag van olieproducten en brandstoffen. Het project kost enkele honderden miljoenen euro’s.

Uitbreidingen

Hoewel de investeringen in de chemie vooral in Antwerpen plaatsvinden, worden er ook in Nederland tanks voor gebouwd. Zo bouwt Vopak Rotterdam Botlek vijftien nieuwe roestvrijstalen opslagtanks voor styreen met een totale opslagcapaciteit van 63 duizend kubieke meter. Styreen is een grondstof die wordt gebruikt voor de productie van een breed scala aan consumptiegoederen zoals verpakkingen, isolatie en voor de productie van auto’s.

Verder breiden ook andere bestaande terminals uit zoals Rubis en LBC. Rubis Terminal in Rotterdam verdubbelt voor 120 miljoen euro haar capaciteit en LBC verdrievoudigt haar huidige capaciteit in de Maasstad.

Als redactie wilden we ook graag weten of er naast de chemie nog meer groeimarkten zijn in de tankopslag. Een van onze experts ziet dat er groei zit in de food, feed en in de used cooking oils. Dit zijn echter allemaal wel relatief kleine stromen in vergelijking met chemie en mineralen.

Energietransitie

Dat we in onze projectendatabase geen investeringen in Amsterdam hebben staan, is volgens onze bronnen logisch. In de Nederlandse hoofdstad is geen ruimte meer voor nieuwe tanks voor fossiele brandstoffen. Onderdeel van de strategie van de haven is om andere lading aan te trekken.

De verwachting is dat er in Amsterdam in de toekomst wel investeringen worden gedaan in groene energie, maar wanneer dat is, weet nog niemand. Wie nu nieuwe tankopslag bouwt, houdt natuurlijk wel rekening met het opslaan van bijvoorbeeld bioproducten in de toekomst. In tegenstelling tot wat in het voorgaande artikel staat, geeft de Bato aan dat verduurzaming nu niet heel veel invloed heeft op de opslagwereld. ‘Wat betreft het opslaan van chemieproducten maakt het niet uit of een product gemaakt is uit aardolie of een andere grondstof. Als het vloeibaar is, kunnen we het opslaan. Het is misschien wat kort door de bocht, maar daar komt het wel op neer.’

Een andere bron geeft aan dat tankterminals er zijn om energie op te slaan. ‘Wat de energiedrager is, maakt niet uit. Op een gegeven moment kan je een rij accu’s ook een terminal noemen.’