Het is een interessante ontwikkeling. Niet de politiek, overheden, maar juist andere spelers lijken het initiatief te nemen op het gebied van verduurzaming, circulaire economie en energie-efficiëntie. Al een tijdje zijn bijvoorbeeld tal van kleinere, maar zeker ook verschillende grote bedrijven bezig om hun producten en processen te vergroenen. Van grote concerns aan het einde van de ketens, zoals Coca-Cola, Ikea, Lego, Unilever, BMW, kun je deze veranderende scope wel begrijpen. Zij kunnen een wit –of moet ik zeggen groen – voetje halen bij de consument. Die lijkt ook steeds meer groene keuzes te maken.

Volledige transparantie

Chemiebedrijven staan echter verder af van de consument, dus kunnen niet de zogenoemde ‘green premium’ opstrijken. Toch zijn er twee belangrijke ontwikkelingen die ook de chemie extra stimuleren om duurzamere producten te ontwikkelen en om te investeren in bijvoorbeeld circulaire processen. Trends die al lang voor de afspraken in Parijs zijn ingezet, maar wel een extra steuntje in de rug hebben gekregen.
Steeds meer hele ketens delen de verantwoordelijkheid om de complete gang van grondstof tot eindproduct te vergroenen, tot en met de recycling van het eindproduct na de gebruiksfase. Niet alleen vragen de producenten aan het einde van de keten dat steeds meer van hun toeleveranciers en de toeleveranciers op hun beurt weer van hun toeleveranciers. Een groot aantal bedrijven die in het midden of zelfs aan het begin staan, pakt het proactief op. Veel chemiebedrijven ontwerpen samen met hun klanten nieuwe, duurzamere producten, of processen om bijvoorbeeld materialen te recyclen. Vaak werken ze daarbij samen met kleine technologiebedrijven, meestal zijn dat technostarters. Denk bijvoorbeeld aan Ioniqa dat aan een proces werkt om PET zo te recyclen dat het minimaal de oorspronkelijke kwaliteit heeft.
Ook ontwikkelen verschillende chemische bedrijven, zoals AkzoNobel en BASF, instrumenten waarmee hun klanten en de klanten van hun klanten kunnen zien wat de herkomst is van de materialen die ze gebruiken. Op die manier kunnen die eenvoudig analyseren welke grondstoffen in hun eindproducten zitten en hoeveel energie er in de hele keten is gebruikt. Volledige transparantie geeft een eerlijker beeld voor de consument.

Doorschakelen

Er is echter een tweede ontwikkeling die chemische bedrijven tot duurzamere ontwikkeling aanzet. In de olie-industrie wordt al een tijdje rekening gehouden met de theorie van de ‘stranded assets’. Niet alle fossiele reserves worden uiteindelijk uit de grond gehaald, gewoonweg omdat het steeds duurder gaat worden om bepaalde reserves te winnen en omdat er straks geen geld beschikbaar is om de nodige extra investeringen te doen. Grote financiers als banken en pensioenfondsen steken nu al minder geld in sectoren die hen niet welgevallig zijn. Daar hoort de olie-industrie ook steeds meer bij. Het is daarom ook maar de vraag of de beslissingen van Trump de kolenindustrie in de VS er bovenop gaan helpen. Want wie gaan de nodige investeringen betalen?
Voor de chemie is iets vergelijkbaars gaande. Niet voor niets hebben Rotterdam, Chemelot en de Eemsdelta grote plannen om hun industriële clusters aanmerkelijk te verduurzamen. Dat is niet alleen vanuit maatschappelijk verantwoorde overwegingen. Ze hebben gemerkt dat grote financiers eerder bereid zijn om de portemonnee te trekken als er duidelijk stappen worden gemaakt op het gebied van duurzaamheid en circulaire economie. Of zoals Eertwijn van den Dool het in deze editie stelt: ‘We zijn er steeds meer achtergekomen dat juist de financiers hogere eisen gaan stellen aan investeringsprojecten. Als in een investeringsplan geen duurzaamheidsparagraaf is opgenomen, dan nemen sommige banken of andere financiers het plan al niet meer serieus in behandeling.’
Daarom wil de Eemsdelta nu doorschakelen. De aanleg van de infrastructuur voor biostoom is dus slechts een beginnetje. Ook andere clusters lijken op de goede weg. Ze moeten wel, willen ze groeien of op zijn minst consolideren.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl
of via Twitter: @wimraaijen

Verduurzaming van de chemische industrie in de Eemsdelta moet de aanjager worden van verdere groei van het industriële cluster. En de ingrediënten zijn er volop aanwezig. Na de recente aanleg van de biostoominfrastuctuur ligt de weg open naar nog veel meer groene systeemveranderingen, is de overtuiging van projectdirecteur Eertwijn van den Dool van Groningen Seaports. 

‘We staan aan de vooravond van iets heel bijzonders,’ stelt Eertwijn van den Dool enthousiast. De projectdirecteur Utilities van Groningen Seaports ziet de recente aanleg van de biostoominfrastructuur in Delfzijl als een begin van veel interessante, innovatieve en verduurzamende ontwikkelingen in de Eemsdelta. De ambities gaan inmiddels veel verder dan een paar jaar geleden. Toen was de aanleg van de biostoominfrastructuur nog de belangrijkste en ambitieuze opvolging van het plan dat voormalig Shell-topman Rein Willems in 2014 ontvouwde. In het ‘Actieplan chemiecluster Eemsdelta’ om de energie-intensieve chemie in de regio duurzaam en toekomstbestendig te maken, had de Commissie Willems vooral veel aandacht voor de integratie en de verduurzaming van de utility-stromen. De aanleg van een biostoominfrastructuur moest een forse impuls geven aan de vergroening van de bestaande industrie.

Hoogwaardiger

En zo geschiedde. Het is allemaal best voortvarend gegaan, met een zeer ervaren projectorganisatie. Inmiddels neemt AkzoNobel sinds december 2016 namens het industrieterrein stoom af van de omgebouwde biomassacentrale van Eneco. Om de stoom bij het Chemie Park Delfzijl te krijgen, heeft Groningen Seaports in betrekkelijk korte tijd een twee en een halve kilometer lange stoomleiding aangelegd. In totaal investeerden de drie partijen tientallen miljoenen in de ombouw en aanleg. Bovendien is AkzoNobel met Eneco een leveringscontract aangegaan voor de duur van twaalf jaar met een totale waarde van ongeveer tweehonderd miljoen euro.
In februari is de nieuwe infrastructuur voor biostoom met een officiële opening in gebruik genomen. Er wordt inmiddels ook gewerkt aan de aansluiting van afvalverbrander EEW op het biostoomnet, stelt Van den Dool. ‘Daar wordt nu een extra leiding voor aangelegd. Het komt daardoor nog meer in een stroomversnelling terecht. De nieuwe infrastructuur biedt EEW de kans om interessante stappen te maken. Nu heeft het bedrijf nog koelwater nodig bij de productie van elektriciteit. Maar door juist ook warmte te gaan leveren, vangt EEW twee vliegen in een klap. Niet alleen is de levering van industriële warmte hoogwaardiger dan verbranding om stroom van afval te maken, ook is er geen koelwater meer nodig om overtollige warme af te voeren.’ Het verstevigde de positie van het bedrijf bij de aanvraag van vergunningen.

Uitstekende voedingsbodem

eertwijn-van-den-dool-006Inmiddels is de biostoominfrastructuur dus eerder een ‘stepping stone’ dan een doel op zich. Gaandeweg zijn de ambities de afgelopen jaren groter geworden, vooral ook omdat de mogelijkheden van innovatie en nieuwe samenwerkingsverbanden steeds duidelijker worden, en tegelijkertijd als een vliegwiel fungeren. Van den Dool: ‘Natuurlijk zijn we heel trots dat we al een groot deel van het Actieplan hebben gerealiseerd. We hebben in korte tijd een groot gedeelte van de stoomvoorziening van het Chemie Park vergroend. De volgende stap wordt ook al gezet, maar eenmaal bezig zien we echt steeds meer mogelijkheden. Tijd voor vervolgplannen dus.’
De mogelijkheden lijken de mindset van de nuchtere noorderlingen definitief te veranderen. Langzamerhand – en soms versneld – groeit het besef dat de Eemsdelta het in zich heeft om het groenste industriële cluster ter wereld te worden. Vooral de nabijheid van veel agrarische bedrijven, denk aan de concentratie van suikerbiet- en aardappelakkers, en ook de aanwezigheid van veel energieproductie in de Eemshaven en de Noordzee maken nieuwe combinaties aantrekkelijk. Een uitstekende voedingsbodem voor bijvoorbeeld biochemie en elektrochemie.

Oranjegroene energie

Steeds meer dringt ook het besef door dat verduurzaming van het industriecluster ook meteen een belangrijke aanjager kan zijn voor de o zo gewenste groei in de Eemsdelta. Nu de gaswinning wordt teruggeschroefd, zijn de ogen in Groningen meer dan ooit gericht op versterking van de industriële sectoren. Een verduurzaming kan daarbij een succesfactor zijn. Van den Dool: ‘Een partij als Google stelde bij zijn komst de voorwaarde dat het oranjegroene energie wilde afnemen. Dus groene energie uit Nederland, uit de directe omgeving. Dat was heel concreet. De meeste chemische bedrijven hebben dergelijke expliciete eisen echter niet. Natuurlijk vinden ze het prettig als ze groene stoom af kunnen nemen tegen concurrerende tarieven, maar zij kijken eerst naar het totale businessmodel.’
Toch speelt ook bij het aantrekken van nieuwe chemische activiteiten verduurzaming een grote rol. ‘We zijn er steeds meer achter gekomen dat juist de financiers hogere eisen gaan stellen aan investeringsprojecten. Als in een investeringsplan geen duurzaamheidsparagraaf is opgenomen, dan nemen sommige banken of andere financiers het plan al niet meer serieus in behandeling.’ Bij het aanvragen van financiering kan het dus wel degelijk een rol gaan spelen als het industriële cluster waar de investering is gepland al stevig aan het vergroenen is. Dan kan bijvoorbeeld meespelen dat de stoomvoorziening al grotendeels groen is of dat het industriële cluster andere concrete mogelijkheden biedt voor vergroening van de productieprocessen. Van den Dool: ‘Die analyse heeft onze visie wel verscherpt. Zo is het onze doelstelling om in 2030 veertig procent minder CO2 uit te stoten in de Eemsdelta. Natuurlijk kijken we elkaar soms aan en discussiëren we met elkaar over hoe we dat nu weer moeten realiseren. Maar het geeft echt een interessante voedingsbodem voor groei.’
Groningen Seaports heeft bij de financiering van de stoomleiding overigens ook gemerkt hoe het werkt. ‘Het gaat hier om grote bedragen waarvoor we een externe financiering hebben gezocht. Daarbij heeft het langdurige leveringscontract met AkzoNobel natuurlijk een belangrijke rol gespeeld. Maar ook was de bank zeer gevoelig voor het hoge duurzaamheidsgehalte van het project.’

Grondstoffen

Naast de duurzaamheidseisen van financiers wordt ketenverantwoordelijkheid in de industriële toelevering steeds belangrijker, is de overtuiging van Van den Dool. Traditioneel staan in de keten de meeste chemiebedrijven meerdere stappen van de consument af. Daardoor voelen ze niet direct maatschappelijke druk om te verduurzamen. Bedrijven als Ikea, Coca-Cola, Google, Apple en bijvoorbeeld grote automerken kunnen gemakkelijker de zogenoemde green premium opstrijken voor verduurzaming van hun producten dan chemieproducenten. Ze zullen er ook eerder op worden aangevallen als ze hun producten en processen niet verduurzamen. eertwijn-van-den-dool-005

Toch komen ook chemische bedrijven steeds meer in beeld. Hun klanten zullen moeten aantonen dat de materialen die ze gebruiken ook zo duurzaam mogelijk zijn geproduceerd. Van den Dool: ‘Of het gebruik van biostoom daar nadrukkelijk in doorklinkt, weet ik ook niet, maar vergroening van grondstoffen wordt steeds belangrijker. Neem bijvoorbeeld een bedrijf als Tejin Aramid. De toepassing van twaron dat het bedrijf produceert, levert in verschillende producten een aanzienlijke footprint-verbetering ten opzichte van bijvoorbeeld staal. Dat kan alleen maar nog beter uitvallen als in de totale lifecycle nog andere verbeteringen mogelijk zijn. Bijvoorbeeld als de grondstoffen worden vergroend.’

Mooiere oplossing

Dat is ook de reden waarom Groningen Seaports samen met andere partners in de regio biochemische en elektrochemische routes wil stimuleren. Niet voor niets is het betrokken bij de mogelijke komst van een bioraffinaderij. Samen met onder meer Avantium, AkzoNobel, Chemport Europe, RWE en Staatsbosbeheer worden de mogelijkheden om een nieuwe bioraffinaderij te bouwen op het Chemie Park Delfzijl onderzocht. De raffinaderij moet gebruik maken van het Zambezi-proces van Avantium en moet verschillende productstromen krijgen: zuivere glucose, verschillende andere suikers en lignine. Grondstoffen voor de chemie, voedingsmiddelenindustrie en brandstof voor de omzetting naar elektriciteit. De belangrijkste grondstof van de nieuwe fabriek zijn houtsnippers die lokaal worden verkregen. De toevoer daarvan wordt gecoördineerd door Staatsbosbeheer.
Waar Eertwijn van den Dool nog enthousiaster van kan worden, zijn de mogelijkheden van elektrochemische conversie. Daar ligt misschien wel meer de toekomst van de chemie. Met duurzaam opgewekte stroom grondstoffen uit de directe omgeving halen. Waterstof uit water, stikstof en CO2 uit de lucht. Voor de basischemie zijn er op dat vlak nog wel wat stappen te zetten, maar in Delfzijl en omgeving zijn al sinds jaar en dag drie bedrijven met elektrochemische productieroutes bezig. Zo produceert ESD-SIC in Farmsum siliciumcarbide met enorme hoeveelheden stroom, haalt Klesch aluminium uit aluin via de elektrochemische weg en vormen elektrolyzers het hart van de chloorproductie bij AkzoNobel. Van den Dool: ‘De chloorproductie is de ruggengraat van de chemieactiviteiten in Delfzijl. Voeg daar eens waterstof en ammoniak aan toe. Dat zijn nu precies chemicaliën die voor elektrochemische conversie interessant zijn. Gasunie en Tennet plannen momenteel een pilot in Zuidwending voor de productie van waterstof om bij te mengen in het aardgasnet. Maar waarom komen ze niet gewoon naar Delfzijl? Hier kunnen we een gegarandeerde afname regelen door de industrie en met het zuivere zuurstof dat bij de elektrolyse vrijkomt, weten we ook wel raad. Dat is toch een veel mooiere oplossing?’

Samen met Plant Manager of the Year 2016, Jeroen van Woerden, gaat Petrochem de komende maanden een schaduwkabinet van de industrie samenstellen. We vragen verschillende experts en beslissers welke maatregelen volgens hen goed zijn voor een sterke procesindustrie in Nederland. Jeroen van Woerden schrijft vervolgens met een selectieve groep een beleidsbrief die tijdens het jaarcongres Deltavisie op 8 juni wordt gepresenteerd. Hier stellen de volgende kandidaat-ministers zich voor: Cas König, Colette Alma, Gerrit- Jan van de Pol, Hilde Beckers en Maaike de Wit.

Dagmar Aarts, Laura van der Linde, Wim Raaijen

Cas König, minister van Milieu en Energie

Mocht hij voor het Schaduwkabinet van de industrie worden gevraagd, dan zou Cas König opteren voor de post van Milieu en Energie. Met name het eerste. Hoewel hij in het verleden als voormalig Plant Manager of the Year (toen nog werkzaam bij ESD-SIC) een lans brak voor energiebesparing, ziet hij nu vooral mogelijkheden om de milieuwetgeving voor de industrie te verbeteren. ‘Energiebesparing betekent bijna altijd kostenbesparing. Voor de industrie is dat een belangrijke drijfveer, dus daar zijn volgens mij geen grote extra maatregelen voor nodig.’ Op het gebied van milieumaatregelen ligt dat complexer, stelt de algemeen directeur van Klesch Aluminium in Delfzijl. Op dat vlak zijn meer impulsen nodig om industriële bedrijven in beweging te krijgen.

‘Het zou de industrie bijvoorbeeld zeer helpen als alle milieumaatregelen versneld afgeschreven zouden kunnen worden. Of in ieder geval in een tempo dat het bedrijf het beste uitkomt. Op het moment is er wel zo’n regeling voor ‘afschrijving at will’, maar die geldt alleen voor een beperkte lijst. Ik denk dat het voor het investeringsklimaat in Nederland een goede zaak zou zijn om het breder te trekken dan alleen milieu-investeringen van deze beperkende lijst (VAMIL).’
König legt uit hoe dat in de praktijk kan werken. ‘Stel, ik heb als bedrijf een goed jaar gedraaid en nog wel wat financiële ruimte voor wat investeringen. Dan gaat dat geld eerder in milieumaatregelen zitten, wanneer die bijvoorbeeld in een paar jaar kunnen worden afgeschreven. Daardoor hoeft het bedrijf in deze goede jaren minder belasting te betalen, maar heeft het wel een paar goede investeringen gedaan. Uiteindelijk krijgt de overheid de belastinginkomsten toch wel, alleen iets later. Immers na een paar jaar kan het bedrijf niets meer aftrekken van de gedane investeringen.’

cas-konigZekerheid geven

Een andere beslissing die Cas König zou willen nemen, is mogelijk lastiger voor een Nederlandse minister, omdat die meer met Europese regelgeving heeft te maken. ‘Als een bedrijf een milieumaatregel neemt, dan moet overheden het bedrijf ook zekerheden bieden. Dat er bijvoorbeeld geen andere, aangescherpte regels voor deze investering gaan gelden tijdens de afschrijftermijn. Onzekerheid hierover werkt namelijk vaak averechts. Bedrijven worden door de onzekerheid over regelgeving vaak ontmoedigd om milieumaatregelen te nemen.’
Zekerheid geven betekent volgens König niet meteen dat bedrijven vervolgens geen verbeteringen zullen doorvoeren tijdens de afschrijftermijn. ‘Sommige innovaties verdienen zich gewoon terug, bijvoorbeeld op het gebied van energiebesparing.’

Colette Alma, minister van Economische Zaken en Klimaatbeleid

Colette Alma, directeur van de VNCI (Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie), zou graag een positie bekleden in het schaduwkabinet van de industrie als minister van Economische Zaken en Klimaatbeleid. Vanuit deze rol zou ze graag een co-creatie aangaan tussen enerzijds de overheid en anderzijds het bedrijfsleven en de kenniscentra. ‘De overheid laat momenteel kansen onbenut, daar waar de chemische industrie een grote bereidheid toont om de verduurzaming aan te jagen. De focus van het Nederlandse klimaatbeleid ligt nu te eenzijdig op duurzame energieopwekking.’

CO2-reductie

colette-almaDe eerste maatregel die Alma als minister van Economische Zaken en Klimaatbeleid wil doorvoeren is ‘het klimaatbeleid sturen op CO2-reductie.’ De chemische industrie is energie-intensief en zal dat in veel gevallen ook blijven. Tegelijkertijd kan en wil deze bedrijfstak daadkrachtig bijdragen aan de transitie naar een duurzame samenleving, noodzakelijk voor een schone en welvarende toekomst van ons land. ‘Sturen op CO2-reductie maakt de weg vrij voor een verduurzamingsslag vanuit de chemische industrie’, zegt Alma. ‘Zo zou het op grote schaal ontwikkelen en inzetten van chemische recycling en het benutten van duurzame biomassa als grondstof voor duurzame materialen een enorme impuls geven aan de verduurzaming.’

Investeringsbank

De overheid en de (chemische) industrie hebben elkaar nodig. ‘Wanneer de industrie aan de slag gaat met deze verduurzaming, moet door de overheid het risico worden afgedekt via een nationale investeringsbank. Deze nationale investeringsbank zou primair gericht moeten zijn op verduurzaming.’
Tot slot zou Alma als minister een groot voorstander zijn van voortzetting van het Topsectorenbeleid om zo de Nederlandse kenniseconomie te blijven stimuleren. ‘Innovaties moeten blijvend worden gestimuleerd’, vindt Alma. Met deze drie-eenheid van maatregelen kan duurzaamheid de drijver worden van een nieuw en succesvol Nederlands industrie- en handelsbeleid.

Gerrit-Jan van de Pol, minister van Klimaat en Energie

Gerrit-Jan van de Pol, algemeen directeur van GMB, vindt dat er een nieuwe ministerpost moet worden ingesteld. Hij wil minister van Klimaat en Energie worden. Niet gek, duurzaamheid loopt als een rode draad door de activiteiten van GMB. Het bedrijf richt zich op alles dat met water te maken heeft, zoals waterzuivering en waterveiligheid (bijvoorbeeld dijken). Daarnaast heeft GMB activiteiten in de Rotterdamse haven gericht op de infrastructuur van met name bulkoverslagterreinen en containerterminals. ‘Duurzaamheid wordt vaak gezien als antwoord op een bedreiging, maar in feite is het ook een basis voor de onderneming, er zit een businessmodel aan vast.’

gerrit-jan-van-de-pol3Fiscale maatregel

Van de Pol: ‘Klimaat en energiebeleid, dat buitengewoon belangrijk is voor de toekomst van de wereld, bleef onderbelicht in de verkiezingsdebatten. Er moet daarom een investeringsprogramma Duurzame Energie komen met een horizon van twintig jaar. Dit programma zorgt voor zekerheid voor bedrijven om te kunnen investeren in duurzame energie, waardoor verduurzaming echt onderdeel gaat worden van de economie. Bedrijven gaan pas inzetten op bijvoorbeeld zonne- en windenergie als ze zeker weten dat ze daar de komende jaren op kunnen rekenen. Als de leveranciers van zonnepanelen weten dat bedrijven gaan investeren, dan gaan zij hun productiecapaciteit verder opkrikken en wordt de prijs lager. Dan komt het vliegwiel op gang, er komt massa.’
In de Rotterdamse haven zou volgens Van de Pol een fiscale maatregel kunnen helpen om bedrijven alternatieven te laten zoeken voor het gebruik van fossiele grondstoffen. ‘Ik denk dan aan een verbreding van de Innovatiebox, dat is een krachtig stimuleringsmiddel gericht op innovatie. Dit zou je ook kunnen doen met de focus op circulaire economie. Als je kan aantonen dat jouw proces substantieel circulair is, krijg je een korting op je vennootschapsbelasting. Zo kun je ook BTW-differentiatie gebruiken en circulaire producten lager belasten en zo voor de consument aantrekkelijker te maken.’

Omgevingswet

Als minister van Klimaat en Energie zou Van de Pol klimaatadaptatie onderdeel maken van de omgevingswet. ‘Het is onvermijdelijk dat het klimaat verandert, dus moeten we ons aanpassen. De omgevingswet kan daarbij belangrijk zijn. Bij nieuwe vergunningen moet klimaatadaptatie er onderdeel van uitmaken. Heel concreet daarin is bijvoorbeeld de watertoets. Kan jouw (bouw)project een piekbui opvangen? Hetzelfde geldt voor hittestress. Er wordt steeds meer in steen uitgevoerd in steden, terwijl we groen nodig hebben. Zit er genoeg groen in je plan? Deze maatregel geldt vooral voor bewoond gebied en minder voor bedrijfsterreinen en industrie. De bedrijfsomgeving zal uit zichzelf al rekening houden met piekbuien, omdat er anders machines uit kunnen vallen.’

Hilde Beckers: minister van Economische Zaken

Hilde Beckers is HR-manager bij chemisch bedrijf Kemira. Zij zou wel minister van Economische Zaken willen worden in het schaduwkabinet van de industrie. ‘Ik denk dat je bedrijven vanuit deze ministerpost goed kunt ondersteunen.’
Als ze wordt gekozen tot minister van Economische Zaken, dan zou Beckers een maatschappelijke dienstplicht willen instellen voor jongeren. ‘Hierbij moet worden gericht op zelfvertrouwen en op samenwerking om de samenhang in de maatschappij te versterken. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen om te werken aan zelfvertrouwen en samenwerking, daarom moet deze dienstplicht in de vormende jaren plaatsvinden. Denk aan jongeren van achttien jaar of jongeren die net klaar zijn met hun studie. Ik zie voor me dat ze voor een collectief van bedrijven werken in een project waarin een gezamenlijk vraagstuk centraal staat. Een vraagstuk waar de bedrijven afzonderlijk geen tijd of capaciteit voor hebben. Bijkomend voordeel is ook dat deze bedrijven elkaar meer gaan opzoeken.’hilde-beckers
Maar een belangrijkere maatregel wat Beckers betreft is het verlagen van de belasting op arbeid. ‘De werkgelegenheid zal groeien en er is ‘meer ruimte’ om een echte werkgemeenschap te vormen waar iedereen een plek heeft en welzijn mogelijk is. Er is werk genoeg.’

Levenslang leren

Als minister wil Beckers ook inzetten op levenslang leren. ‘Als het om de chemische branche gaat denk dan bijvoorbeeld aan onderwijs over hoe je omgaat met ploegenritmes, met leefritme, met eten en met bewegen. Daarnaast vind ik stressmanagement belangrijk. Ik denk dat veel mensen door stress niet goed kunnen werken. Niet iedereen kan bijvoorbeeld goed met deadlines werken. Vaak denken medewerkers zelf dat iets af moet en leggen ze zichzelf druk op zonder in dialoog te gaan met collega’s. Ik vind dat er op de werkvloer veel meer naar het grotere geheel moet worden gekeken dan dat mensen problemen in hun eentje op gaan lossen. In het onderwijs moet veel meer op mindset worden ingezet dan alleen op kennis en kunde. Hierdoor kun je uitval op de werkvloer voorkomen. Het totale bedrijfsleven zou het beter gaan doen als er levenslang leren is.’

Maaike de Wit, minister van Klimaat

Advocate Maaike de Wit, onlangs als partner toegetreden tot Straatman Koster advocaten in Rotterdam, kiest voor de ministerspost van minister van Klimaat. Ze stelt daarbij wel een voorwaarde: ‘Met een groot budget en ruim mandaat!’ Hiermee wil De Wit als eerste maatregel de Klimaatwet snel invoeren. ‘Wel moet de wet zodanig worden aangepast dat daarin niet alleen beleidsdoelstellingen voor de regering worden opgenomen, maar dat de wet ook gaat gelden als bindend toetsingskader voor overheidshandelen.’ Het huidige wetsvoorstel bevat ambitieuze doelstellingen (onder andere in 2050: 100 procent hernieuwbare energie en 95 procent minder uitstoot dan in 1990) die een leidraad zijn voor de regering bij het maken van beleid. De Wit vindt dat de doelstellingen moeten gelden als toetsingskader voor het overheidshandelen. ‘Op die manier kunnen bedrijven, burgers en instellingen de overheid houden aan dit beleid. Dat dwingt de verschillende overheidslichamen om het klimaat onderdeel te laten zijn van nieuw en bestaand beleid.’

Verantwoordingsplicht

conway-Maaike-de-Wit_cropped-29-0-0-0-0.pngBovenstaande geldt voor alle sectoren. Wanneer ze inzoomt op de industrie en het ruimtelijk domein zou De Wit als minister van Klimaat de volgende maatregel willen doorvoeren: ‘Ik zou in de huidige wetgeving en de toekomstige Omgevingswet voor nieuwe ontwikkelingen onder meer een verantwoordingsplicht ten aanzien van de klimaatdoelstellingen willen opnemen.’
Ze licht dit toe aan de hand van huidige regelgeving voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor de zogenoemde Ladder Duurzame Verstedelijking geldt. ‘Voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in niet-verstedelijkt gebied, moet er voldoende vraag zijn naar die ontwikkeling en gelden dat er binnen het verstedelijkt gebied geen mogelijkheden zijn. Zo wordt niet onnodig gebouwd en wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande locaties.’ Als minister zou De Wit eenzelfde verantwoordingsplicht in willen voeren voor de klimaatdoelstellingen. ‘Met als insteek dat wanneer nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt – bijvoorbeeld doordat daarvoor een vergunning wordt verleend/aangepast of een nieuw bestemmingsplan wordt gemaakt – verantwoord moet worden welke effecten dat heeft op het klimaat en dat er geen gunstigere alternatieven mogelijk zijn.’

Energiebesparingsplicht

Tot slot wil De Wit de energiebesparingsplicht fors aanscherpen. ‘Dit geldt voor alle bedrijven, instellingen en ook burgers.’ Met daarbij ruime financieringsmogelijkheden. ‘Zo zullen van bijvoorbeeld brandstoffen, bouwstoffen en grondstoffen uitsluitend de klimaatvriendelijkere varianten zijn toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat deze niet toereikend zouden zijn.’ Het Energieakkoord zet fors in op energiebesparing; met name bij industrie en in de gebouwde omgeving is volgens De Wit nog veel winst te behalen. ‘Door iedereen te verplichten om maximale besparing te behalen en daarbij – indien nodig – een financieringsmogelijkheid te bieden, kan veel energie worden bespaard.’

Deltavisie 2017

banner-dv17-header-970x130Tijdens Deltavisie gaan we op zoek naar wat een gevoel van eigenaarschap kan opleveren. In de avond wordt de tiende Plant Manager of the Year verkozen. Ook wordt voor de derde maal de VOMI Safety eXperience Award uitgereikt. Kijk voor het volledige programma en aanmelden op www.deltavisie2017.nl.

Veiligheidscoach Henk Leegwater gaf in zijn meest recente column een ‘voorzet’ aan de VNCI, over een goede leerschool over veiligheid. Hij vindt dat toezicht kwalitatief fors omhoog moet. Om in voetbaltermen te blijven: hij legt de bal precies op tijd op de stip.

Onze ervaren coach vindt dat een professionele bedrijfstak zoals de (petro)chemie recht heeft op deskundige controle en daarmee inspecteurs die op basis van vakkennis en kunde hun inspecties uit voeren. Dit komt ook het gelijke speelveld ten goede. VNCI is al jaren ‘trouwe’ supporter van deze speelstijl.

Op de koffie

Op basis van de Rotterdamse principes ‘Hand in hand kameraden’ en ‘Niet lullen, maar poetsen’ hebben de chemische industrie, overheid en wetenschap vorig jaar de handen ineen geslagen om het aantal ongevallen naar nul terug te brengen. Hiervoor worden afspraken gemaakt op basis van vijf aanvalsplannen, die samengebracht zijn in het meerjarenprogramma ‘Duurzame Veiligheid 2030’. De industrie is de ‘coach’ van twee van deze plannen. Allereerst de doorontwikkeling van innovatieve en veilige assets en ten tweede de ontwikkeling van een hoogwaardig kennissysteem voor de chemie. Met name dat laatste past bij de ‘Leegwater-speelwijze’.
Tot nu toe is er sprake van een groot aantal opleidings- en trainingsfaciliteiten die reeds worden toegepast. Op ad hoc basis worden (snuffel)stages aangeboden aan BRZO-inspecteurs en krijgen ze de mogelijkheid mee te lopen bij interne en externe audits. Ook de managers van BRZO-bedrijven worden klaargestoomd voor de echte wedstrijd. Zo zijn meerdaagse cursussen voor managers van deze bedrijven ontwikkeld; hoe om te gaan met de implementatie, uitvoering en naleving van de BRZO-veiligheidsregels, zoals ontwikkeld door PHOV (Post Hoger Onderwijs Veiligheidskunde) en Chorda samen met de VNCI. Verder worden door de regionale veiligheidsnetwerken regelmatig workshops ‘inspecteurs op de koffie’ georganiseerd, om kennis en informatie te delen tussen BRZO-bedrijven en -inspecteurs.

Aanvalspatroon

Alle partijen zijn het er over eens dat we nu de ‘next step’ moeten zetten. Daarom is het belangrijk om zowel bij de overheid als de chemische industrie de kennis over veiligheid te vergroten. We gaan onder andere verkennen waar de mogelijke ‘kennisgaps’ zitten binnen het industriële veiligheidsdomein en wat nodig is om deze gaten in de linies te dichten, zowel bij de overheid als de industrie. Gedacht wordt aan de oprichting van een kenniscentrum, dat alle betrokken private en publieke partijen kan bedienen. Dat kan fysiek of virtueel zijn. Maar er is zeker behoefte om met behulp van de wetenschap een dergelijk centrum op te zetten in aanvulling op de kenniscentra die er al zijn, zoals universiteiten, het RIVM, het Instituut voor Fysieke Veiligheid en de SSVV. Hierbij wordt ook nadrukkelijk de samenwerking gezocht met andere wetenschappelijke domeinen, zoals de gedragswetenschap. Onder het motto ‘vroeg geleerd is oud gedaan’ wordt gewerkt aan een veiligheidscurriculum voor hbo chemische technologie dat het komende schooljaar wordt geïntroduceerd. Dit heeft tot gevolg dat studenten, die later in de chemie of bij de overheid aan de slag gaan, voldoende basis mee hebben gekregen op het gebied van veiligheid. Deze investering kan verder worden verzilverd door op andere niveaus, van wo tot vmbo, een veiligheidscurriculum aan te bieden. Ook ‘opleidingsplants’ zoals de RDM Trainingplant zijn onderdeel van het aanvalsplan.
Verder wordt ingezet op het versterken van het leren van elkaar, ondersteund door nieuwe technologie. Centraal staat wederzijdse informatie-uitwisseling tussen overheid en industrie en het beslechten van de transparantieparadox. Actieve ‘menging’ van medewerkers van bedrijven, brandweer, omgevingsdiensten in gezamenlijke leertrajecten past uitstekend binnen dit aanvalspatroon.

Transfer

Deze publieke-private samenwerking en co-creatie is uniek in Europa. Waar de Nederlandse voetbalclubs (helaas) op 1-0 achterstaan op internationaal niveau, onderscheidt de Nederlandse chemie samen met de overheid en wetenschap zich van de rest van de wereld.
Het speeladvies van Henk gaf ik al eerdere persoonlijk invulling, door een transfer aan te gaan van de inspectie naar de VNCI.

 

Peter Bareman, Hoofd Veiligheid & Gezonde Werkomgeving VNCI

Begin juni wordt de tiende Plant Manager of the Year gekozen. Als je patronen in de afgelopen tien jaar zou willen zien, kun je ze nog ontdekken ook. Zo is het opmerkelijk dat Edith Romp, Plant Manager of the Year 2011 tegenwoordig Director Manufacturing Europe/Site Director is bij DSM. Ze komt van Avebe af. Dat terwijl voormalig PMY Eward Hofstede (2009) al veel eerder DSM voor Avebe inruilde. Eén ding is wel duidelijk, weinig winnaars van de afgelopen tien jaar zitten nog op dezelfde plaats of binnen hetzelfde bedrijf.

Het verhaal van Edith Romp, de enige vrouwelijke winnaar van de Plant Manager of the Year verkiezing is zeker bijzonder. Ze is opgegroeid tussen de aardappelboeren in Appingedam, maar koos voor een carrière in de chemie. ‘Veel familieleden komen uit een boerenbedrijf en tijdens verjaardagen praatten we vaak over de aardappeloogst. Mijn nicht heeft nog een boerderij.’ Dus het was toch wel een beetje thuiskomen toen zij ruim vier jaar geleden Tejin Aramid verruilde voor zetmeelfabrikant Avebe, dat alles doet met de aardappelen uit haar vertrouwde omgeving. Het herlaadde de gesprekken tijdens de verjaardagen ook enorm. Haar nicht is immers lid van de coöperatie van de zetmeelfabrikant.
Het gaf ook een ander thuisgevoel. Ze kwam in een bedrijf terecht waarin ze de nuchtere, directe cultuur herkende van de Groningers waar tussen ze was opgegroeid; haar afkomst. Toch wel anders dan het Japanse bedrijf Teijin Aramid waar ze daarvoor zes jaar werkzaam was. Want ondanks dat de fabriek van Teijin op het chemiepark in Delfzijl staat, is in de cultuur de Japanse identiteit terug te vinden. Relatiegericht, hiërarchisch en met oog voor details. Ze is heel positief over die tijd. Romp: ‘Ik heb daar echt een geweldige tijd gehad en ook de mate van detail was goed voor mij, denk ik. Ik heb er heel veel van geleerd. ‘The devil is in the details’, wordt weleens gezegd. En dat klopt ook wel.’

Nieuwe uitdaging

Vergeet niet dat Edith Romp juist bij Teijin Aramid met de titel van Plant Manager of the Year aan de haal ging. ‘Dat was echt een waanzinnige eer. Misschien wel te veel voor een persoon. Je doet het altijd met een heel team.’ Het juryrapport loog er in 2011 in ieder geval niet om. ‘Edith heeft een uitmuntend technisch en organisatorisch inzicht. Via haar continue verbeterproject GOUD zijn belangrijke verbeteringsstappen gemaakt op HSE, kosten- en productiemanagementgebied. Snelle resultaten worden bereikt door met multifunctionele teams op twee sporen te werken, aan kortetermijn- en aan langetermijnverbeteringen. Structurele cultuuraspecten borgen het traject van continue verbetering.’ Mooie volzinnen voor een uitstekende prestatie. Helemaal als je bedenkt dat vrouwelijke plantmanagers in Japanse bedrijven nog veel schaarser zijn dan in westerse.
Toch kon ze de lokroep van Avebe niet weerstaan. ‘Ken je het verhaal daarachter wel?’ Ze glimlacht: ‘Een jaar na mijn verkiezing was ik weer bij het Deltavisie-congres in Rotterdam. Daar raakte ik ’s avonds in gesprek met Eward Hofstede, die een tijd daarvoor DSM voor Avebe had ingeruild. Hij dacht in dat gesprek aan mij te merken dat ik langzamerhand aan een nieuwe uitdaging toe was. En als ik dat zelf ook zo voelde, dat ik hem maar eens moest bellen. Op de weg terug liet het me al niet meer los. Een paar maanden later heb ik hem maar eens gebeld.’ Toen ging het snel. Ineens werkten bij Avebe twee voormalig Plant Managers of the Year.

Food safety

Zoals gezegd, Avebe voelde een beetje als thuiskomen. ‘Wat ik ook mooi vond, is dat er een enorme loyaliteit is bij dat bedrijf. Datzelfde merk ik nu hier ook bij DSM. Veel mensen werken al heel lang bij deze bedrijven. Dat is echt heel goed voor de continuïteit en de betrokkenheid. Het betekent ook dat als je iets wilt veranderen, dat het extra aandacht vraagt. Veel wordt al heel lang op dezelfde manier gedaan. Maar met goede argumenten kun je ver komen.’ Ze voelde zich in ieder geval als een vis in het water in het Drents/Groningse ‘bolwerk’. Met de mensen die recht voor hun raap zijn en vooral ook trots op hun werk en hun bedrijf.
Dat ze vier jaar geleden van een chemiebedrijf naar een voedingsmiddelenbedrijf ging, was achteraf niet zo’n grote overgang. ‘Food safety is wel wat anders, maar voor de rest is Avebe puur een chemische omgeving. De processen, de apparatuur, ze vormden een bekende wereld.’

Menselijke organisatie

Sinds een paar maanden is Edith Romp dus terug bij een chemiebedrijf, als Director Manufacturing Europe/Site Director van DSM. Natuurlijk is dat nog maar kort. Te kort om er veel over te kunnen vertellen. Toch is ze al onder de indruk van de werkprocessen en de enorme aandacht voor het veiligheidsbewustzijn bij DSM. ‘Dat gaat hier echt heel ver. Steeds verder eigenlijk. Dat heb ik nog nergens zo meegemaakt. Tegelijkertijd is er heel veel ruimte voor eigen initiatief. Als je hier iets ziet dat beter kan, doe het dan. Regel het. Daar is iedereen hier heel bewust mee bezig. En het is ook gebaseerd op respect. Ik was hier net binnen, toen binnen DSM de global appreciation day werd gehouden. De CEO stond deze dag stil bij datgene wat de mensen het afgelopen jaar voor DSM hadden gedaan en bedankte hen daarvoor. Er wordt dan stilgestaan bij de menselijke organisatie. Dat heeft ook een onmiskenbaar positieve invloed op de performance.’

Deltavisie 2017

banner-dv17-header-970x1308 juni vindt in InnovatieKracht Spijkenisse het jaarcongres Deltavisie plaats, met als thema ‘Eigenaarschap’. De laatste jaren zijn steeds meer industriële bedrijven op zoek naar het gevoel van eigenaarschap. Hoe kan je medewerkers zo betrekken dat ze fabrieken beter laten lopen? En hoe blijven productiebedrijven zich verantwoordelijk voelen voor hun producten, ook al zijn ze al lang buiten hun bereik? In de avond wordt de tiende Plant Manager of the Year verkozen. Ook wordt voor de derde maal de VOMI Safety eXperience Award uitgereikt. Een dag om niet te missen! Kijk voor het volledige programma en aanmelden op www.deltavisie2017.nl

Tijdens het schrijven van deze column hebben we net de landelijke verkiezingen gehad en hopen we dat er spoedig een regering wordt geformeerd. De onderhandelingen zijn recentelijk begonnen. Momenteel kan ik alleen maar hopen dat op het moment dat u dit leest die regering niet inmiddels alweer gevallen is. Het zal vast moeizaam gaan bij het formeren. Wat er ook uit komt, het biedt toch weer enig inzicht in hoe het politieke klimaat er in de nabije toekomst uitziet.

Onzekerheid

Dat de politiek een grote stempel drukt op de industrie is een feit. De politiek schept het kader waarbinnen de industrie moet opereren. Denk aan de milieueisen. Het is een politieke keuze om wel of niet de kolencentrales te sluiten, of om toch meer in te zetten op economische groei. Met de komst van een nieuwe regering bestaat het risico dat er weer een nieuwe lijn wordt uitgezet. Een groene regering heeft andere ideeën dan een linkse of rechtse. De ervaring van de laatste paar verkiezingen leert dat het politieke milieu steeds in beweging is. Continuïteit is hierdoor niet echt aan de orde.
Het doen van investeringen door de industrie is hierdoor lastig. Investeringen in nieuwe processen, of het in stand houden van oude processen, zijn gericht op de langere termijn, tientallen jaren. Maar een regering gaat niet zo lang mee. Bij de volgende verkiezingen kan er weer een geheel nieuw politiek klimaat ontstaan. Waar je eerst nog subsidie kreeg voor je nieuwe fabriek, wordt diezelfde fabriek enkele jaren later mogelijk bijna gesloten doordat ineens hard wordt ingezet op milieuprestatie. Dit zien we momenteel bij de energiecentrales gebeuren.
Daar bovenop creëert de politiek vaak een klimaat van onzekerheid. Denk aan de Brexit. Sinds zeker is dat Groot-Brittannië de EU gaat verlaten, is het voor bedrijven aldaar onzeker geworden welke koers zij moeten varen. Niemand weet wat de gevolgen precies zullen zijn en hoe lang het proces gaat duren. En in onzekere omstandigheden is het niet aantrekkelijk om grote investeringen te doen.

Hoop

Dan nog de doodsteek van de politiek. Het populisme. Niet inhoudelijk betrokken, maar domweg oppervlakkig geroep, zonder echte visie. Kijk naar Amerika. Door de komst van de nieuwe president staat ineens de toekomst van het Chemical Safety Board onder druk. Een dergelijke onderzoeksorganisatie levert natuurlijk niet direct geld op. Dus die moet maar wijken voor investeringen op korte termijn. Maar eigenlijk levert de CSB op de langere termijn wel geld op. Want juist door het werk van een onafhankelijke onderzoeksorganisatie worden lessen uit incidenten gedeeld, waardoor minder uitval door incidenten voor de hand ligt. Een fabriek die een forse brand heeft gehad, zal langere tijd niet kunnen produceren en dus geen bijdrage aan de economie leveren.
Het zou de politiek sieren als er minder oppervlakkig wordt gekeken en meer op lange termijn gedacht wordt. Gelukkig hebben we in Nederland het populisme niet laten zegevieren. Dat schept in elk geval hoop.

Chris Aldewereld is ingenieur Scheikundige Technologie en werkzaam als Adviseur Industriële Veiligheid.
Aldewereld@gmail.com

Chemiebedrijf Dow Benelux in Terneuzen wil de restgassen van staalfabrikant ArcelorMittal in Gent gebruiken om producten te maken. In het project Steel2Chemicals wordt onderzocht of het mogelijk is om efficiënter met grondstoffen om te gaan en om CO2-emissies te verminderen.

Bij de staalproductie van ArcelorMittal, net over de grens bij Zeeuws-Vlaanderen, wordt jaarlijks negen miljoen ton CO2 uitgestoten. Bij de productie van staal in de hoogovens komt een mengsel van stikstof, koolmonoxide en kooldioxide vrij. Omdat bedrijven koolmonoxide niet mogen uitstoten, wordt dat gas verbrand in een elektriciteitscentrale, waarbij ook weer CO2 vrijkomt.
De restgassen die ArcelorMittal verbrandt of de lucht in laat gaan, kan Dow goed gebruiken bij het maken van producten. De krakers van Dow worden nu gevoed met op olie- en gas gebaseerde grondstoffen. Lukt het om de restgassen van het staalbedrijf als grondstof te gebruiken, dan koppelt het chemiebedrijf zich los van de olieprijs en van fossiele grondstoffen.

Syngas

Voordat het zover is, moet er nog flink worden getest. De gassen van ArcelorMittal kunnen niet zomaar in krakergrondstoffen worden omgezet. Om de grondstof te maken is syngas nodig, een mengsel van koolmonoxide (CO) en waterstof (H2). Koolmonoxide heeft de staalfabrikant genoeg, waterstof is in beperktere mate beschikbaar. Dow heeft zelf een overschot aan waterstof en daarmee kan een demoplant in Gent worden gevoed. ‘Op de lange termijn wordt gewerkt aan nieuwe vormen van waterstof, bijvoorbeeld uit zonne-of windenergie’, zegt projectleider Matthijs Ruitenbeek van Dow.
Syngas wordt in diverse fabrieken in de wereld al gebruikt om producten van te maken, maar dat syngas wordt gemaakt uit aardgas of steenkolen. Van het syngas gemaakt met gas uit een staalfabriek moet nog worden onderzocht hoe het kan worden ingezet. Ruitenbeek: ‘Het is een van de speerpunten van het Steel2Chemicals-project. In een van onze pilotplants hebben we als doel om aan te tonen dat we het gas schoon genoeg kunnen maken en in de tweede pilotplant gaan we het opgeschoonde gas omzetten in het door ons gewenste product.’

Proeffabrieken

De twee proeffabrieken komen in Gent naast de staalfabriek te staan waar de restgassen beschikbaar zijn. Om de waterstof van Dow naar de proeffabriek te krijgen is een pijpleiding nodig. Een gedeelte van die leiding ligt er al, omdat Dow al waterstof levert aan partijen in de regio. Als na onderzoek uiteindelijk blijkt dat de restgassen kunnen worden gebruikt voor de producten van Dow, dan wordt de fabriek daarvoor naast ArcelorMittal gebouwd. De vloeistof die uit die plant komt, kan via schepen, vrachtwagens of een pijpleiding naar Terneuzen worden vervoerd.

Economisch en juridisch haalbaar

Het is volgens Ruitenbeek nu nog te vroeg om te zeggen of die fabriek er ook echt gaat komen. ‘Ik denk dan aan 2025. Naast dat we moeten kijken of het technisch mogelijk is, onderzoeken we ook of het project economisch en juridisch haalbaar is. Of het economisch haalbaar is, hangt onder andere af van de olie- en gasprijs. Beide zijn op dit moment niet hoog, waardoor alternatieven als deze het moeilijk hebben om daarmee te concurreren. Je kunt ervoor zorgen dat je technologie goedkoper wordt waardoor je dichter bij de gewenste prijs komt of je kan speculeren over de olieprijs op de lange termijn, maar dat is lastig.’
De juridische haalbaarheid van het project is ook nog een punt. Afvalgassen mogen nu namelijk niet zomaar worden gebruikt om producten van te maken. Ruitenbeek: ‘Regelgeving in Europa werkt dit soort concepten tegen. In het verleden is de wetgeving niet gericht geweest op de circulaire economie. Het zijn op zich simpele dingen die moeten veranderen, maar daar gaat wel veel tijd overheen.’
Wat ook nog moet worden uitgewerkt is wie de economische en milieuvoordelen krijgt toegewezen. Ruitenbeek: ‘De CO2 wordt in Gent bespaard, wie krijgt daar de credits voor? En hoe gaan we de voordelen daarvan met elkaar afstemmen? Dat is iets wat op termijn de nodige uitwerking nodig heeft.’

Koppelen

Met het project proberen Dow en ArcelorMittal niet alleen elkaar te helpen, het doel is om de staalsector aan de chemie te koppelen. ‘We gaan kijken op welke plekken dit proces nog meer haalbaar is’, zegt Ruitenbeek. ‘Wij kunnen van de negen miljoen ton die ArcelorMittal jaarlijks uitstoot in onze demonstratiefabriek tien tot vijftien procent besparen. Als we meer chemische bedrijven en staalproducenten kunnen laten samenwerken, dan kunnen miljoenen tonnen CO2 en nafta worden bespaard.’

Samenwerkingsverband

De samenwerking van Dow Benelux en ArcelorMittal komt voort uit het samenwerkingsverband: Smart Delta Resources. Het is een gezamenlijk initiatief van elf energie- en grondstof intensieve industriële bedrijven in de Delta-regio. In 2013 zijn deze bedrijven een platform gestart om te kijken of het mogelijk is om onderling energie en grondstoffen uit te wisselen. Wat voor de één een afvalstroom is, kan voor de ander een voedingsstroom zijn. Matthijs Ruitenbeek: ‘Dit platform is nodig om de klimaatdoelen die we met elkaar hebben gesteld te bereiken. We moeten beter omgaan met onze grondstoffen en energie en dat kan je niet alleen binnen je eigen organisatie doen. Het platform heeft al geleid tot een heleboel potentiële synergiën die momenteel in businesscases worden uitgewerkt.’

Waar een aantal jaar geleden nog voorzichtige stapjes werden gezet, komen er geleidelijk aan steeds meer slimme geautomatiseerde systemen tot stand. Neem de landbouwsector. Vroeger verrichtte de boer met zijn tractor en andere landbouw-
machines louter het fysieke werk op het veld. De nieuwste machines zijn tegenwoordig voorzien van sensoren, micro-
processoren, data-opslag en een IP-adres zodat de gegenereerde data op afstand kunnen worden uitgelezen en geanalyseerd via een smartphone, tablet of PC. Ook in de industrie winnen intelligente systemen terrein. Wat betekent dat voor de operator?

Het aantal gewerkte uren geeft een indicatie van wanneer onderhoud nodig is en ook de hoeveelheid geoogst product wordt inzichtelijk gemaakt. De slimme boer koppelt vervolgens de data van de zaaimachine aan de hoeveelheid gebruikte voedings- of bemestingsstoffen en de opbrengst van het veld. Juiste conclusies zorgen voor een betere oogst en dus toegevoegde waarde.
Maar het kan nog slimmer. De boer 4.0 koppelt nog meer systemen aan elkaar, zoals een weerdatasysteem (weersvoorspelling, regen-, vochtigheids- en temperatuursensoren), een zaadoptimalisatie-
systeem (performance database, zaaddatabase en optimalisatietoepassingen) en een irrigatiesysteem (veldsensoren, irrigatietoepassingen, irrigatiedatabase). Door alle data te koppelen, ontstaat een systeem der systemen die de landbouwprestaties, mits de data juist worden geanalyseerd, aanzienlijk kan verbeteren. Als dat nog niet slim genoeg is, zijn er inmiddels ook drones in de maak die bijvoorbeeld taken als gewasbesproeiing kunnen overnemen. Daarnaast gebeurt inspectie-, sorteer- en verpakkingswerk van gewassen steeds vaker geautomatiseerd en worden koeien in de moderne boerderij automatisch gevoederd en gemolken. Een boer 4.0 heeft met andere woorden steeds meer analytisch vermogen nodig om zijn bedrijf zo optimaal mogelijk te runnen. Zijn werk lijkt nog maar weinig op het boeren van pakweg twintig jaar geleden.

Zonder automatisering geen bestaansrecht

Automatiseren en het gebruiken van intelligente systemen wint in steeds meer sectoren terrein. Maar hoe gaat de procesindustrie om met deze trends? En in welke mate verandert bijvoorbeeld de functie van een operator? Wordt hij volledig redundant? Rob Everink geeft zijn visie. Hij is werkzaam als Process Control Manager bij DSM Nutritional Products in Zwitserland waar voedingsstoffen en vitaminen worden geproduceerd. Voorheen was hij werkzaam bij DSM in Geleen en betrokken bij de WIB (Process Automation Users’ Association in Nederland) waarin bedrijven inzichten delen over automatiseren. ‘Besturings-
systemen worden in de procesindustrie, of het nu gaat om voedingsmiddelen, chemie of petrochemie, net zoals in andere sectoren steeds meer geautomatiseerd. Waar voorheen kleppen en pompen alleen door de operator konden worden bediend, worden deze in de nieuwere fabrieken vervangen door geautomatiseerde exemplaren. We zien een trend waarin automatische besturingen steeds vaker de bovenhand hebben: denk aan meer toestandafhankelijke automatisering (shutdown/startup), meer unit-
gebaseerde regelingen, het integraal verbeteren van de procesbeheersing door beter alarmmanagement, MES en het genereren van meer informatie in plaats van louter data. Zonder modelgestuurde automatiseringen die je in de petrochemie tegenwoordig ziet, hebben bedrijven overigens geen bestaansrecht meer. Deze evolutie is eigenlijk ook niet zo gek, aangezien uit diverse onderzoeksrapporten blijkt dat de grootste kans op een fout in een chemische fabriek een menselijke fout is, een fout van de operator.’

Autonoom opereren

Meer automatiseren betekent ook minder manuren. ‘In twintig jaar tijd is het aantal operators met een derde tot de helft afgenomen’, stelt Everink. ‘Dit is een tendens die in andere sectoren nog veel meer aan de orde is. Neem de brouwerijsector. Een brouwerij heeft zijn processen zodanig geautomatiseerd en betrouwbaar gemaakt dat het aantal operators drastisch is gereduceerd. Zo drastisch dat in sommige diensten zelfs zonder operator kan worden gewerkt.’ Zover komt het in de chemie of procesindustrie wellicht niet, vermoedt Everink. ‘Er is nog een groot verschil tussen een brouwerij en zware chemie of petrochemie, aangezien een fout in deze sector enorme gevolgen kan hebben. De overheid en omgeving zullen wellicht niet gauw akkoord gaan wanneer een chemische fabriek volledig autonoom zou draaien. Dat past niet bij de huidige tijdsgeest. Voordat überhaupt stappen in die richting kunnen worden gezet, zal nog een groot aantal berekeningen moeten worden uitgevoerd die aantonen dat een fabriek in staat is om één of twee diensten zonder operator te draaien. Ik betwijfel ten zeerste dat een volledig autonome chemische fabriek er ooit zal komen. Hoe groter de gevolgen wanneer er iets misgaat, hoe kleiner de kans op volledig autonoom opereren.’

Grenzen opzoeken

Toch blijven ook de chemie en petrochemie verder automatiseren. ‘De grenzen waarin de fabrieken opereren worden steeds nauwer. In onze fabrieken vervult de operator op dit moment nog best een grote rol, maar dat zal binnen nu en vijf à tien jaar drastisch verminderen. Zijn hoofdtaak zal dan niet langer bestaan uit het werkelijk besturen van de fabriek, maar zal opschuiven richting onderhoud en het zoeken naar verdere optimaliseringsmogelijkheden. Zijn taak verschuift van equipmentfocus naar procesmanagement.’ Everink geeft aan hoe dit stap voor stap gebeurt. ‘Voorheen waren er nog veel kleppen en pompen die alleen de operator kon bedienen. In de nieuwere fabrieken wordt er nog maar zelden een handmatige klep geplaatst, tenzij deze misschien eens in de vijf jaar wordt bediend. Is de frequentie hoger, dan gebeurt dit voortaan automatisch.’ Steeds vaker zullen systemen de handelingen van de operator overnemen. ‘De operator is momenteel nog veel bezig met data-analyse. Hij ziet een temperatuur en moet zelf beoordelen of stijging of daling van de temperatuur goed is voor het proces of niet. De operator hoeft daarvoor tegenwoordig niet meer alles uit het hoofd te weten, aangezien hij behoorlijk wat digitale hulpmiddelen krijgt aangereikt vanuit documentenmanagementsystemen. Deze systemen geven aan wat er moet gebeuren bij welke afwijkingen van het normale proces. De huidige generatie van regelsystemen verzamelt steeds meer informatie waardoor de informatiestroom groeit. De cruciale vraag is of de operator nog steeds in staat is om alle informatiebronnen te verwerken en daar een oordeel over te vormen.’

Betrokkenheid

De operator van nu ziet zijn wereld snel veranderen. ‘Belangrijk is om bij iedere verandering de operator te betrekken. Doe je dit niet, dan zal een aantal operators juist proberen aan te tonen dat bepaalde automatische handelingen niet werken. We betrekken operators bij het proces en trainen ze vervolgens om met nieuwe systemen te werken. Soms gebruiken we daarvoor simulaties waarin we de operator het gedrag van een proces laten zien, om aan te tonen hoe hij op bepaalde situaties moet reageren of ingrijpen. Soms betekent een automatiseringsslag zelfs dat hij niet meer mag ingrijpen en toestemming moet vragen om te interfereren. Zijn werkveld verschuift langzaam.’

Rustig en constant

De operator moet zijn handelingen veel bewuster uitvoeren. ‘Zijn handelingen worden veel meer geregistreerd. Hoe vaak grijpt een operator in? Waarom grijpt hij in? Stelt hij tien keer per dienst een regelaar bij, dan moet je je als engineer afvragen waarom hij dit doet, aangezien de regelaar normaal zou moeten functioneren. Gebeurt dit, dan moeten wij de processen zodanig inrichten dat hij dit niet meer hoeft te doen. De effectiviteit van de automatisering wordt daardoor met schreden hoger. Er worden minder fouten gemaakt. De fabriek draait rustiger, de kwaliteit wordt constanter en omdat er minder storingen zijn, zie je ook dat pompen langer meegaan.’

Hbo+

De complexiteit van de processen neemt toe. ‘Wij proberen de systemen zo in te richten dat de operator tijdig wordt gewaarschuwd wanneer abnormaal gedrag optreedt, maar hij moet wel in staat zijn dat te vertalen. Dat is de grootste slag die we moeten slaan bij de operator.’ Hij moet hier wel klaar voor zijn. ‘Bepaalde systemen worden zo complex dat de operator niet meer kan zien wat de oorzaak is of wat de gevolgen zijn wanneer een klep op een bepaalde plek wordt geopend. Wat gebeurt er als een plc het niet meer weet? Is de operator in staat om het proces met standaard handelingen nog veilig in een bepaalde richting te sturen? Door de toename aan complexiteit en data is er een ander type operator nodig dan we nu hebben. De operator zoals die er nu is, is mbo+-
niveau, wat raakt tegen het hbo aan. Hij volgt veel standaard vastgelegde procedures en heeft een equipmentfocus. De operator die we over tien jaar zullen hebben, heeft minstens hbo of zelfs universitair niveau en werkt veel meer procesmatig. Zijn taak zal veel meer zijn gericht op het verder optimaliseren van de fabriek terwijl hij in staat moet zijn om acute beslissingen te nemen. Maakt een pomp een ander geluid? Hoeveel uren heeft hij al gedraaid, is het noodzakelijk om van pomp te wisselen om een eventuele storing te voorkomen? Wanneer kan maintenance worden ingepland? Dat soort overwegingen en planningsactiviteiten gaan meer en meer richting de operator en zijn directe sturende taak wordt minder en minder. Een analytisch vermogen en de nodige wiskundige achtergrond zijn daarbij belangrijk. Niet iedere huidige operator heeft deze competenties.’
Niet alle operators omarmen dit gegeven. Everink: ‘Wie al jarenlang gewend is aan een bepaald patroon en dat wordt overhoop gegooid, komt mogelijk terecht in een negatieve spiraal. Het is de taak van het bedrijf om operators te begeleiden en hen langzaam te laten wennen aan veranderingen. Dat is een proces van lange adem. Je moet hen dus coachen en indien nodig kijken naar andere mogelijkheden.’

Toekomst

Er verandert stapsgewijs veel, voor zowel operators als de processen zelf. Hoe de procesindustrie er over twintig jaar uit zal zien, is echter lastig te bepalen. ‘In 1999 beweerden velen in ons vakgebied dat we in 2010 fabrieken zouden besturen met een soort Google Glass, waarbij er geen centrale meetkamers meer zouden zijn, zowat alles computergestuurd zou zijn en de operator een ondergeschikte rol zou vervullen. Nu zijn we 25 jaar verder en is dit idee nog steeds geen realiteit. We gaan wel die kant op, maar niet zo snel als we soms denken.’

Big data in de chemie

Tegenwoordig wordt vaak over big data gesproken, maar heel nieuw is dit volgens Everink niet. ‘Vanuit ons vakgebied zeggen we wel eens dat we al dertig jaar wat met big data doen, maar we noemden dat correlaties en soft sensors. Al enige tijd proberen we zoveel mogelijk relaties te leggen tussen oorzaak en gevolg en tussen systemen onderling. Belangrijk is volgens mij dat we alle data – al dan niet met normale statistiek – inzichtelijk maken en nagaan of we trends zien waarop we beslissingen kunnen nemen. Als je een hoop data in een plc stopt en die trekt daaruit conclusies, terwijl je de logica erachter niet kunt volgen, is dit dan zinvol en veilig? Er moet altijd met de nodige kritische blik naar data worden gekeken. Een voorbeeld: We hebben vroeger voor polyetheenfabrieken neurale netten gemaakt om de kwaliteit van polyetheen te voorspellen op basis van temperaturen, drukken, hoeveelheden, enzovoort. Daartoe waren we redelijk in staat, maar het was lastig te begrijpen hoe het model deze correlaties maakte. Hoe ben je dan in staat om de beoordelen of wat de computer uitrekent betrouwbaar is? Uiteindelijk hebben we via normale statistiek deze data proberen te stroomlijnen en trends proberen te vinden in het neurale net om beter te begrijpen wat het model inhield. Er is met andere woorden nog enige voorzichtigheid geboden om te vertrouwen op de kennis, data en conclusies die een computer genereert, omdat er toch nog altijd enige notie aanwezig moet blijven hoe die data en conclusies tot stand zijn gekomen, zeker in deze sector. Je moet daarbij ook goed onderzoek doen naar de mogelijke risico’s van het model en weten wat je moet doen als het systeem plots abnormaal gedrag vertoont. Geleidelijk aan zetten we stappen in die richting. Tegelijkertijd moeten de veiligheid, betrouwbaarheid en reputatie hoog blijven. Als er een incident gebeurt, moet je kunnen verklaren hoe dit is gebeurd en wordt er des te kritischer naar de fabriek gekeken. Fabrieken moeten worden gezien als veilige betrouwbare assets die goede kwaliteit leveren. Zomaar alles van de ene dag op de andere veranderen, is daarom onmogelijk.’

Op 28 maart ondertekende President Trump opnieuw een ‘presidential order’, ditmaal over energieonafhankelijkheid. Met één pennentrek werd het ‘Clean Power Plan’ van zijn voorganger Obama ongedaan gemaakt en naar de prullenbak verwezen.

Trumps plan moet alle obstakels voor de ontwikkeling van fossiele energie uit de weg ruimen, zodat deze industrietak kan groeien en Amerika weer ‘great’ wordt. In het bijzonder moet steenkool terugkomen, een campagnebelofte aan de mijnwerkers die Trump hiermee nakomt. Tevens werden grote reducties in het budget en de werking van de EPA (Environmental Protection Agency) aangekondigd. Scott Pruitt, de pas aangestelde directeur van het EPA die er ooit voor pleitte om het agentschap helemaal af te schaffen, vond het allemaal geweldig. Hij stelt dat het plan de kosten van energie zal doen dalen, banen zal creëren en de Verenigde Staten autonoom zal maken inzake energie. Over de klimaatgevolgen van het plan werd met geen woord gerept, want dat probleem bestaat niet volgens Pruitt en Trump.

Hete soep

‘Alternative facts’ op zijn best, de wereld keek er naar en schudde meewarig het hoofd bij het horen van zoveel onzin. Ook in deze zaak is Trumps voornaamste probleem de realiteit die er helemaal anders uitziet. Andere landen laten zich dan ook niet van de wijs brengen en gaan gewoon door met hun investeringen in hernieuwbare energie. Zonne- en windenergie worden immers steeds goedkoper en de bodem is nog lang niet bereikt. Bij de recente gunning van de windmolenparken Borssele 3 en 4 bleek windenergie al beduidend goedkoper dan gedacht. Als deze trend zich doorzet zijn er straks helemaal geen subsidies meer nodig voor hernieuwbare energie.
Maar ook binnen de Verenigde Staten blijkt er geen meerderheid voor dit beleid. Bijna driekwart van de Amerikanen vindt dat de uitstoot aan broeikasgassen moet worden gereguleerd en dat de Verenigde Staten moeten blijven deelnemen aan het klimaatakkoord van Parijs. Volgens Andrew Steer, directeur van het Amerikaanse World Resources Institute, schiet Trump zichzelf economisch in de voet met dit plan. De hernieuwbare energiesector is een snel groeiende industriesector die nu reeds 650.000 mensen tewerkstelt in de Verenigde Staten. Alleen al in zonne-energie werken er vandaag de dag meer mensen (260.000) dan in de sectoren van olie, gas en steenkoolwinning tezamen. Amerikaanse bedrijven die actief zijn in hernieuwbare energie blijken niet al te zeer gealarmeerd door dit beleid. Ze menen dat de soep niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend en gaan gewoon door, business as usual. Hun optimistische groeiperspectieven zijn immers reëel en gestoeld op feiten. Dat kan van de perspectieven voor steenkool allerminst gezegd worden: deze sector zal blijven krimpen, met of zonder Trump. Honderden steenkoolmijnen werden reeds gesloten en die gaan heus niet heropstarten door dit beleid.

Aan diggelen

Het laat zich aanzien dat het presidentieel plan van Trump bij een plan zal blijven. Veel van de energiepolitiek wordt immers bepaald op het niveau van de afzonderlijke Amerikaanse staten en daar is er veel meer optimisme en continuïteit in de strategie voor hernieuwbare energie. Vele staten, bedrijven en organisaties zetten zich nu al schrap tegen de geplande maatregelen. Net zoals bij Trumps plan voor de gezondheidszorg is er nog een lange weg te gaan om dit plan in de realiteit om te zetten. Het valt nog te bezien of Trump ook de volgende stap zal zetten, de Amerikaanse uitstap uit het klimaatakkoord van Parijs. Hoe het ook loopt, de geloofwaardigheid van Trump inzake energiepolitiek en klimaatbeleid ligt onherroepelijk aan diggelen. Tot lering en vermaak van de rest van de wereld. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Wim Soetaert
Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.