De komende decennia lijkt waterstof de belofte in te lossen. Als infrabedrijf wil Gasunie daarbij een belangrijke rol spelen. Tegelijkertijd zijn we niet een-twee-drie los van aardgas, of methaan om preciezer te zijn. Gasunie-bestuurder Ulco Vermeulen: ‘Het is de kunst bestaande stromen, en vooral het gas uit Groningen, geleidelijk te vervangen door nieuwe, hernieuwbare gasstromen.’

Al tien jaar is Gasunie bezig met de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor een duurzamer energiesysteem. Niet altijd zichtbaar voor de buitenwereld en regelmatig voor de muziek uit. Plannen op het gebied van groen gas en waterstof, power-to-gas, transport van CO2; ze sloegen nog niet zo aan. ‘Misschien waren we te vroeg. Er was nog onvoldoende tractie voor deze initiatieven’, stelt Ulco Vermeulen, die als lid van de raad van bestuur van Gasunie verantwoordelijk is voor business development. ‘Ze leverden ook nog geen goede businessmodellen op. Al met al kregen vergroeningsinitiatieven van de aardgassector weinig aandacht. Die ging vooral naar elektriciteit.’

Bevooroordeelde positie

Dat lijkt het laatste jaar volledig om te slaan. Er verschijnen veel rapporten die mogelijkheden zien voor met name waterstof, maar ook voor groen gas en transport van CO2. Belangrijk daarbij zijn ontwikkelingen binnen de energiesector zelf. Vooral versteende verhoudingen lijken meer en meer vloeibaar te worden. Bijvoorbeeld de aloude status quo tussen de ‘elektriciteitsheren’ en de ‘gasboeren’. De klimaatdoelstellingen van Parijs kunnen alleen met vereende krachten worden gehaald.

Vermeulen: ‘Elektronen en moleculen kunnen elkaar juist enorm versterken. Daar wordt op het moment veel volwassener naar gekeken. Men ziet nu dat ook energie in moleculaire vorm noodzakelijk is om de energietransitie rond te krijgen. Met duurzame elektronen via kabels en opslag in batterijen alleen redden we het niet. Dat is met de omvang van de energietransitie een technisch-economisch gegeven. Dan zou er in 2030 en 2050 een deel van de transitie overblijven waar geen oplossing voor is. Bijvoorbeeld in de industrie. We moeten stoppen om in oude schema’s te blijven denken. In de transitie liggen juist grote mogelijkheden in de synergie tussen elektronen en moleculen. Het gaat niet langer om stroom of gas, maar om energie en ook de koppeling met chemie. We moeten meer analyseren welke oplossing in welke situatie het beste is, geredeneerd vanuit een klimaatneutraal energiesysteem. Zonder daarbij vooraf een bevooroordeelde positie in te nemen.’

Juiste beslissingen

Zo hoeft gas op den duur niet meer grotendeels uit de grond te komen. Duurzaam opgewekte elektronen kunnen aan de basis staan van nieuw gas. Mondiaal wordt volgens Vermeulen aan de voorkant de grootschalige inzet van zonne-energie de komende decennia heel bepalend. ‘We hebben schaalgrootte nodig om wereldwijd oplossingen te bieden voor het klimaatvraagstuk. Zonne-centrales op grote oppervlakten waar niks anders mogelijk is, bijvoorbeeld woestijnen. En op zee, hoewel daar windenergie vermoedelijk voorlopig nog de beste oplossing zal zijn. Zeker voor Noordwest-Europa in de Noordzee.’

De gebieden waar duurzame energie grootschalig kan worden geproduceerd liggen lang niet altijd in de buurt van waar de energievraag het grootst is. Voor opslag en transport over grote afstanden zijn juist moleculen meer geschikt dan elektronen, betoogt Vermeulen. ‘We transporteren al heel lang olie over de hele wereld in tankers en ook al een tijdje LNG. Waarom zouden we dat over twintig jaar niet ook doen met waterstof?’

Energie is ook in een vaste infrastructuur over lange afstanden veel goedkoper via moleculen te transporteren dan via elektronen. Vermeulen: ‘Transport van methaan door buizen is per megajoule een factor tien tot twintig goedkoper dan van elektriciteit via kabels. Dat geldt ook voor waterstof. De energie-inhoud van waterstof is weliswaar lager, maar de transportsnelheid ligt weer beduidend hoger dan die van methaan. Daardoor kan waterstof in dezelfde tijd ongeveer evenveel hoeveelheid energie verplaatsen als methaan.’

Wel is de omzetting van stroom naar waterstof via elektrolyse nog duur. ‘Daarom moet je investeringsbeslissingen goed cijfermatig onderbouwen. En op grond daarvan de juiste beslissingen nemen. Hoe korter de afstand, des te eerder je kiest voor de kabel, over langere afstanden ga je voor de buis.’

Ambitie

Vooral in de Nederlandse chemische industrie wordt momenteel al veel waterstofgas ingezet. Zo produceren kunstmestfabrikanten OCI Nitrogen en Yara waterstof uit aardgas. Om er vervolgens met stikstof uit de lucht ammoniak van te maken. Samen nemen ze maar liefst negen procent van het totale aardgasgebruik voor hun rekening. Een mooie uitdaging om hier goede alternatieven voor te vinden.

tekst gaat verder onder de afbeelding

‘Transport van methaan door buizen is per megajoule een factor tien tot twintig goedkoper dan van elektriciteit via kabels.’

De eerste stapjes worden ook al gezet. Zo wil Dow Benelux waterstof, die vrijkomt bij de kraakinstallaties, leveren aan Yara in Sluiskil. Via een bestaande Zeeuwse gasleiding van Gasunie. Verschillende chemieclusters hebben de ambitie om meer waterstof als chemische bouwsteen in te gaan zetten. Vermeulen wordt blij als hij de plannen leest van onder meer het Rotterdamse cluster en de Eemsdelta. Vermeulen: ‘We moeten echt blij zijn met de energie-intensieve industrie in Nederland en helemaal als ze met ons deze route inslaan. Geweldig hoe bijvoorbeeld het Havenbedrijf Rotterdam zich momenteel manifesteert.’

Discussie

Gasunie heeft ambitieuze partners en vooral ook klanten nodig om haar plannen te verwezenlijken. ‘We hebben al eens berekend hoeveel het kost om waterstofgas in onze infrastructuur te kunnen transporteren. Met name naar de verschillende industrieclusters. Om de energie van 15 gigawatt aan windmolens via waterstof te transporteren, is een investering van een miljard euro nodig in het bestaande gastransportsysteem. Elke gigawatt extra die je elektrisch wilt transporteren kost al een miljard aan investeringen in de stroomnetten.’ Vermeulen kijkt daarbij niet alleen naar Nederland. Net over de grens ligt in het Duitse Ruhrgebied al een heel waterstofnetwerk. ‘Via Chemelot kunnen we dan uiteindelijk ook de aansluiting naar Duitsland maken.’

Dat zal niet van vandaag op morgen gebeuren. ‘Maar over tien jaar zouden we daarmee een eind op weg kunnen zijn. En als het over twintig jaar niets is geworden, dan is er echt wat misgegaan. Daarom zijn we nu al actief om straks vervolgstappen te kunnen zetten. De waterstofleiding tussen Dow en Yara is daar een goed voorbeeld van. Onze proefprojecten met elektrolyse bij Zuidwending en samen met AkzoNobel op Chemiepark Delfzijl helpen natuurlijk ook om de discussie op gang te brengen.’ Gasunie en Akzo willen op het chemiepark een installatie ontwikkelen die met een 20 megawatt waterelektrolyse-unit duurzaam geproduceerde elektriciteit omzet in drie kiloton groene waterstof per jaar. Het doel is om uiteindelijk installaties te kunnen bouwen die op nog grotere schaal, vanaf 100 megawatt, duurzame stroom converteren en opslaan in de vorm van waterstof.

North Sea Power Hub

Het is allemaal nodig om nog veel grotere ambities waar te kunnen maken. Want die zijn er. Zo participeert Gasunie in het consortium dat in de Noordzee een enorm energie-eiland willen bouwen. Samen met de Nederlandse en de Duitse tak van Tennet, het Deense Energinet en sinds een paar maanden ook het Havenbedrijf Rotterdam. De betrokkenheid van grote partners is nodig om over tien tot vijftien jaar met de realisatie te beginnen.

De tijd komt dat windparken verder weg op zee moeten worden gebouwd en dat wordt dan ook duurder. Om te voorkomen dat de kosten dan enorm oplopen, is het beter om veel windmolens bij elkaar te zetten rond een nieuw eiland. Op een locatie die niet te diep is, waar veel wind staat en waar het mogelijk is om verbindingen te leggen met omliggende landen. Juist omdat het eiland verder uit de kust zal komen te liggen, zal voor transport naar land waterstof heel interessant zijn. In ieder geval veel goedkoper dan via de kabel.

Op de North Sea Power Hub moet een vermogen van 100 gigawatt aan offshore-windparken worden aangesloten. Een enorme stap in de goede richting. Om de klimaatdoelstellingen van de EU te halen zou ongeveer 230 gigawatt (GW) aan offshore-windenergievermogen moeten worden ontwikkeld, waarvan 180 GW in de Noordzee.

Publieke opinie

Hoewel het verleidelijk is om uren over de mogelijkheden van waterstof te praten, wil Vermeulen ook andere ontwikkelingen niet onbelicht laten. Zo is er in Nederland een roep om ‘van gas los’ te willen, mede vanwege de problemen door de gaswinning in Groningen. ‘Wat daar gebeurt is natuurlijk vreselijk en dat moet effectief en ruimhartig worden opgelost. Punt. Er wordt wel vaak een vals verband gelegd tussen enerzijds de verduurzaming van de energievoorziening en anderzijds de problemen in Groningen. Dat zijn echt twee losstaande zaken. Als je die aan elkaar verbindt, los je geen van tweeën op. Het blote feit is dat een heel groot deel van het verbruikte aardgas in Nederland uit andere bronnen komt. Uit de gasvelden onder de Noordzee, geïmporteerd uit Noorwegen en Rusland of via LNG uit andere landen. We maken een deel van dat gas laagcalorisch door toevoeging van stikstof en er wordt hiervoor nog een extra fabriek gebouwd. Dus die transitie-opgave is niet ineens weg als de productie in Groningen is gestopt. Aan die uitdaging moet nog heel hard worden gewerkt. Onder andere door het infaseren van hernieuwbare gassen, van warmtenetten en door oplossingen voor een CO2-arme industrie.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

‘Er wordt vaak een vals verband gelegd tussen de verduurzaming van de energievoorziening en de problemen in Groningen.’

Hij ergert zich echter niet aan de onwetendheid. ‘Het betekent dat we nog duidelijker moeten communiceren over de feiten. We moeten de realiteit over onze gasvoorziening en de herkomst en de betekenis van het gas in de energietransitie nog sterker neerzetten.’

300 miljoen

Ook de ontwikkelingen rond groen gas verdienen de nodige aandacht. Zo is hij bijzonder enthousiast over de proefinstallatie in Alkmaar voor vergassing met superkritisch water. Na veel jaren van onderzoek en experimenteren is het gelukt om met voldoende rendement syngas te maken, een mengsel van waterstof, methaan en kooldioxide, uit biomassa. Reststromen worden daarbij gekraakt en alle organische stoffen worden benut zodat er geen digestaat meer is. ‘De komende jaren willen we deze technologie op grote schaal gaan toepassing in Noord-Nederland en de Rijnmond.’

Volgens een recent rapport van adviesbureau Gemeynt kan Nederland in 2050 ongeveer 11 miljard kubieke meter hernieuwbaar gas per jaar produceren. Naast superkritisch water is ook bio-raffinage in combinatie met zeewier veelbelovend. Dat kan op termijn bijdragen aan zowel de eiwit-transitie als energietransitie.

De huidige netstructuur is nog niet klaar voor zo’n sterke toename van groen gas. Vermeulen: ‘We schatten dat een investering van 300 miljoen euro aan netaanpassingen nodig is om in 2030 drie tot vier miljard kuub groen gas aan te kunnen. Dat is ongeveer tien maal goedkoper dan een gelijke inpassing van windenergie.’

Deltavisie 2018

Ulco Vermeulen houdt 7 juni de openingslezing van het congres Deltavisie. Kijk voor het programma en aanmelden op: www.deltavisie2018.nl

Samenwerking wordt steeds belangrijker om de veiligheidscultuur in procesindustrie op een hoger niveau te brengen. Bij de eerste verkiezing van de Veiligheidscoalitie van het Jaar bleek dat de chemie op dat vlak wat kan leren van de olie- en gasindustrie.

Volgens professor Genserik Reniers staan we aan de vooravond van een fundamentele verandering op het gebied van veiligheid in de industrie. In het maartnummer van Petrochem stelt hij dat, onder druk van de samenleving, samenwerking steeds belangrijker wordt. Hoewel hij nog te weinig goede voorbeelden van proactieve strategische samenwerking kan noemen, ziet hij dat in Nederland de eerste stapjes worden gezet. Zo is hij positief over de Roadmaps Duurzame Veiligheid 2030.

‘In de Vlaamse industrie zie ik dat helaas nog niet gebeuren. Een positieve uitzondering is misschien het safety-cluster in Zwijndrecht, maar dat is vooral ook reactief geïnspireerd. Als Vlaming durf ik rustig te stellen dat de Nederlandse cultuur ontvankelijker is voor verandering, of om ideeën sneller uit te proberen. In de open debatcultuur met de mondige burgers die Nederland heeft, is ook altijd al meer aandacht geweest voor veiligheid dan in Vlaanderen. Nu de maatschappij veel meer sturend wordt, versterkt dat alleen maar.’

Bovendien en misschien wel daardoor is Nederland één van de landen met een grote risico-aversie in de wereld. ‘Dat helpt natuurlijk ook.’

Human element

Ook topman van Dow Benelux Anton van Beek, tevens voorzitter van Veiligheid Voorop, zet zwaar in op samenwerking. Dat begint al bij de doelstelling van Veiligheid Voorop, het samenwerkingsverband van de industriële brancheorganisaties op het gebied van veiligheid. Twee van de vier pijlers van het programma zijn direct gericht op samenwerking. Dat zijn veiligheid in de keten en regionale veiligheidsnetwerken. En de andere twee pijlers, betrokken leiderschap en excellente veiligheidsbeheersystemen. Van Beek: ‘We hebben een horizontale opdracht. We willen de veiligheid in de hele procesindustrie verbeteren. Alleen daarvoor is al veel samenwerking nodig. Daarom is het ook zo belangrijk om een hoge aansluitingsgraad van bedrijven te hebben. Daar slagen we steeds beter in.’

De regionale veiligheidsnetwerken krijgen ook steeds meer vorm. Transparantie en lerend vermogen zijn daarbij heel belangrijk, stelt Van Beek. ‘Per cluster worden inmiddels best practices uitgewisseld. En uiteindelijk is het belangrijk dat informatie ook landelijk wordt gedeeld. Bij Dow in Terneuzen willen we ook leren van wat er bij AkzoNobel in Delfzijl gebeurt en andersom. En dan gaat het niet alleen om wat er goed of beter gaat, maar ook de near misses. Wat ging er net niet fout? Daar kunnen we veel van leren. De human element is daar heel belangrijk bij. Veel incidenten hebben met menselijk handelen te maken.’

Selectiecriterium

Bij de pijler veiligheid in de keten is de samenwerking met contractors heel belangrijk. Van Beek: ‘Meer en meer besteden we uit aan contractors. Vroeger deden we al het onderhoud zelf. Contractors komen met geweldige innovaties. Vroeger moest een tank helemaal leeg voor onderhoudswerkzaamheden. Tegenwoordig kunnen er in situ kleine onderzeeërs worden ingezet. Net als de opkomst van zelfrijdende auto’s, zullen zich op dit vlak steeds meer technologische innovaties aandienen. Samenwerking met contractors wordt daardoor nog belangrijker.’

Bij die samenwerking zal veiligheid steeds meer een selectiecriterium worden. ‘Een issue bij een contractor wordt een asset owner net zo hard aangerekend als een eigen incident. Daarom kijken opdrachtgevers nadrukkelijk naar de safety performance, voordat ze met een aannemer in zee gaan.’

Waardige finalisten

Om nog meer van elkaar te leren op het gebied van samenwerking, is bij Anton van Beek vorig jaar het idee ontstaan om een nationale veiligheidsprijs in het leven te roepen. Vooral om inspirerende voorbeelden in het spotlicht te zetten. Waar de hele industrie en toeleveranciers van kunnen leren. En ze te inspireren nog meer samen te werken om de veiligheidscultuur te verbeteren. Voor de ‘VeiligheidsCoalitie van het Jaar’ zocht Veiligheid Voorop samenwerking met Industrielinqs, uitgever van onder andere Petrochem en iMaintain.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Winnaar VeiligheidsCoalities of the Year 2018: HSElife (c)Industrielinqs

Inmiddels is de eerste verkiezing geweest met drie waardige finalisten. Uiteindelijk is op 11 april tijdens de beurs Safety&Health@Work in Rotterdam Ahoy HSElife verkozen tot Veiligheidscoalitie van het Jaar 2018. HSElife ziet het als haar taak een dalende trend in te zetten van het aantal incidenten dat jaarlijks plaatsvindt in de olie- en gasindustrie. De coalitie liet de andere finalisten, de RDM Training Plant en de coalitie van Vopak, Verwater en Sam Safety achter zich.

Terneuzen

De in totaal dertien inschrijvingen laten zien dat samenwerking op het gebied van veiligheid in ieder geval hoog op de agenda staat. En ook in alle grote industrieclusters. Zo zijn op en rond het Chemiepark Delfzijl verschillende samenwerkingsinitiatieven. AkzoNobel en Stork hebben daar bijvoorbeeld het initiatief genomen voor een Site Contractor Panel, waarin zowel een aantal hoofdaannemers als opdrachtnemer en AkzoNobel als opdrachtgever zitting hebben. Het doel van het panel is dat ketenpartners steeds beter samenwerken en gezamenlijk het doel van nul incidenten gaan halen.

Soortgelijke initiatieven zijn er ook in Terneuzen en op Chemelot in Geleen. De Verenigde Maintenance Partners is een samenwerking tussen achttien contractorfirma’s die allemaal werkzaam zijn op de Dow site in Terneuzen. Naast allerlei andere initiatieven is vorig jaar een project gestart om de veiligheid van medewerkers en contractors te verhogen, de Safety Street. In deze interactieve ‘straat’ worden medewerkers van Dow én alle contractorfirma’s getraind op hun kennis van veiligheidsprocedures.

Europoort

Op Chemelot is chemiebedrijf Sabic in 2010 een samenwerking begonnen met dertig contractors. Belangrijkste elementen zijn eigenaarschap, transparantie en gelijkwaardigheid. Om dit goed te laten verlopen zijn er regelmatig overleggen op verschillende niveaus.

Rotterdam leverde de eerste editie van de verkiezing zelfs twee finalisten. De RDM Trainingsplant en een samenwerking van Vopak, Verwater en Sam Safety op het gebied van digitaal leren. De RDM Training Plant is een real life trainingsfaciliteit in Rotterdam waar toekomstige en huidige medewerkers in de procesindustrie trainen. Ze leren in de beroepspraktijk volgens de hoogste en meest actuele veiligheidseisen te werken. Voor de bouw van de trainingsplant was 4,5 miljoen euro nodig en daar hebben verschillende partijen, waaronder industriële bedrijven, toeleveranciers en onderwijsinstellingen aan bijgedragen. De plant zorgt er ook voor dat het onderwijs nog beter aansluit op de praktijk. En de faciliteit een goede plek waar innovaties zijn te zien en te testen. Denk bijvoorbeeld aan het Digitale Safety Passport. Die wordt ook bij de trainingsplant toegepast zodat alleen de juiste personen met de juiste kwalificaties op de plant aanwezig zijn.’

De andere Rotterdamse finalist is veel minder omvangrijk, maar zeker ook een lichtend voorbeeld. Tankopslagbedrijf Vopak heeft samen met dienstverlener Verwater groot onderhoud uitgevoerd aan twee opslagtanks in de Europoort.

Om iedereen goed voor te bereiden op de werkzaamheden is er gezocht naar een innovatieve manier om veiligheidsregels en projectinformatie bij de medewerkers te trainen. Samen met online leerplatform Sam Safety zijn daarom specifieke trainingen ontwikkeld. Elke week volgen medewerkers een training op een iPad.

Juryoordeel

Uiteindelijk is HSElife tot winnaar uitgeroepen. De jury liet weten onder de indruk te zijn van HSElife, een platform voor onder andere de harmonisatie van regels, procedures en voorschriften in de olie- en gasindustrie.

Vooral de grote betrokkenheid en commitment van de industriële partijen, is indrukwekkend. Juryvoorzitter Gerard van Harten: ‘Met meerderheid van stemmen worden besluiten genomen en iedereen committeert zich aan de beslissing. En ook de inhoud van het trainingssysteem staat op een hoog niveau.’ Een belangrijk aspect is het continue leren – herhaling is immers de kracht van de boodschap – en volgens de jury wordt de lesstof op een aantrekkelijke manier gepresenteerd aan de deelnemers. Van Harten: ‘De jury vindt dit een uitstekend voorbeeld voor de gehele industrie, dus niet alleen de olie- en gaswereld.’

Dark horse blijkt Black Beauty

De eerste verkiezing van de Veiligheidscoalitie van het Jaar heeft een voor velen onbekende winnaar opgeleverd. Toch wel opvallend dat HSElife buiten de olie- en gasindustrie nauwelijks bekendheid heeft. Te meer omdat de aanpak ook prima bruikbaar is voor onder andere de chemische industrie. Mogelijkheden voor een vliegende start?

Het is aan de vakjury, die de drie finalisten ook heeft bezocht, dat de dark horse uiteindelijk tot winnaar werd uitgeroepen.. De jury mocht zestig van de honderd punten uitdelen. Met internetstemmen en stemmen in de zaal konden de finalisten bij elkaar veertig punten verdelen. Met de extra informatie uit de gesprekken kwam de jury tot een ander oordeel dan de zaal en de internetstemmers.

HSElife is in 2009 geboren vanuit de overtuiging dat harmonisatie van regels, voorschriften en procedures over veiligheid, gezondheid en milieu in de olie- en gasindustrie noodzakelijk is. Initiatiefnemers van deze ontwikkeling zijn de The WAT Group (Working apart Together), Centrica en Shell/NAM. De coalitie bestaat op dit moment uit elf maatschappijen, tachtig contractors en acht ondersteunende organisaties.

Eenheid
HSElife ziet het als haar taak een dalende trend in te zetten van het aantal incidenten dat jaarlijks plaatsvindt in de olie- en gasindustrie. Om dit te bereiken, zijn door het platform informatie en trainingen ontwikkeld met behulp van input van alle betrokken partijen. Implementatie hiervan moet ervoor zorgen dat iedere organisatie binnen de olie- en gasindustrie op vrijwel dezelfde wijze omgaat met HSE-informatie, zodat een eenheid kan ontstaan en incidenten afnemen.

Om direct te kunnen schakelen met de maatschappijen en contractors heeft HSElife een aantal belangrijke communicatietools ontwikkeld. Ook organiseert het platform twee keer per jaar evaluatiesessies voor alle organisaties, zodat nieuwe informatie kan worden uitgewisseld. Verder biedt het platform trainingsmodules en opfriscursussen in diverse talen, worden er regelmatig campagnes gehouden en is er een speciale academie opgezet.

Volgens initiatiefnemer Pier van Spronsen zijn alle tools prima leeg te halen en opnieuw te vullen met nieuwe inhoud, specifiek voor bijvoorbeeld de chemische industrie. Mogelijk dat het winnen van de Veiligheidscoalitie van het Jaar daar een springplank voor kan zijn.

Vorige week, omstreeks het uur dat Petrochem ter perse ging, mocht ik een lezing en vervolgens een college geven over elektrochemie vanuit een journalistiek en techniek-filosofisch standpunt. Aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het Engels.

Misschien was dat nog wel de grootste uitdaging. Want over de mogelijkheden van elektrochemie en bijvoorbeeld CO2 als grondstof, raak ik niet gauw uitgepraat.

Bevooroordeelde positie

De heilige graal bestaat niet, maar elektrochemie kan de energie- en grondstoffencyclus enorm verkorten. Van fossiel, een omweg van miljoenen jaren, via biomassa, een omweg van minimaal een seizoen, naar grondstoffen uit de directe omgeving. Een tweesnijdend zwaard. Het kan enerzijds een oplossing bieden voor het opslagprobleem van zonne- en windenergie, en anderzijds de chemie en raffinage helpen om van de fossiele verslaving af te komen. En misschien belangrijker nog, het kan enorm bijdragen aan een reductie van de CO2-uitstoot. Het geeft meteen ook aan dat goede oplossingen niet binnen de lijntjes van sectoren blijven. Innoveren is combineren en grenzen overschrijden.

Volgens Ulco Vermeulen, lid van het bestuur van Gasunie, is de energiesector wat dat betreft op de goede weg. Eindelijk zou ik zeggen. Want wat hebben de ‘elektriciteitsheren’ en de ‘gasboeren’ elkaar de tent uitgevochten. Versteende verhoudingen lijken nu meer en meer vloeibaar te worden. Vermeulen: ‘We moeten stoppen om in oude schema’s te blijven denken. In de transitie liggen juist grote mogelijkheden in de synergie tussen elektronen en moleculen. Het gaat niet langer om stroom of gas, maar om energie en ook de koppeling met chemie. We moeten meer analyseren welke oplossing in welke situatie het beste is, geredeneerd vanuit een klimaatneutraal energiesysteem. Zonder daarbij vooraf al een bevooroordeelde positie in te nemen.’

Laaghangend fruit

Gelukkig neemt hij ook de chemische industrie mee in zijn beschouwing. In alle aandacht voor de energietransitie wordt de transformatie van de industrie meer dan eens vergeten. Op verschillende manieren overigens. Zo gaat veel aandacht uit naar het energieneutraal maken van woningen, wat heel veel kost per vermeden ton CO2. Dat terwijl energiebesparing in de industrie de enige maatregel is die op redelijk korte termijn geld oplevert. Laaghangend fruit. Zelfs de ondergrondse opslag van CO2 (CCS) krijgt meer aandacht. En of dat nou zo terecht is?

Tent uit vechten

Een echte systeemverandering forceren we namelijk als meer synergie wordt gezocht tussen elektronen, gassen en chemische bouwstenen. Als niet alleen de muur tussen de elektriciteits- en gassector wordt geslecht, maar ook die tussen energie- en chemiebedrijven. Als we de omzetting van elektronen naar moleculen doodgewoon gaan vinden. Als we stroom dus steeds meer als grondstof zien. Waarmee we waterstof uit water halen om die vervolgens te binden aan CO2 uit schoorstenen en straks misschien wel uit de lucht. Dan kunnen we de noodzaak van CCS ook tot een minimum beperken.

Industrieclusters kunnen straks zelfs netto-gebruikers worden van CO2. Ik heb de term ‘factory as a forest’ al voorbij horen komen. Hoewel ik niet zo van hippe, en daarna vaak gehypete termen ben, vind ik deze wel mooi. Omdat het in één klap een gevoel geeft. De industrie als een bos… Bomen zijn niet CO2-neutraal, ze zetten CO2 om. In leven nog wel.

Zo ver zal het voorlopig nog niet komen in de industrie. Maar de eerste stapjes worden al wel gezet. Van CO2 mooie materialen maken, is geen toekomstmuziek meer. Het gebeurt al. Voor een grote schaal moet het misschien nog wat betaalbaarder worden. Maar ook dat komt wel goed. Als we er maar voor kiezen om proactief samen te werken in plaats van elkaar de tent uit te vechten.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl
of via Twitter : @wimraaijen

 

Foto: Benson Kua

Nu het eerste subsidieloze offshore windpark is aanbesteed, neemt het aanbod windenergie gestaag toe. Daarmee ontstaat een uitdaging voor de netbeheerder om de stroompieken bij harde wind op te vangen. Elektrificatie van de industriële energievraag kan hier een oplossing bieden. Emmtec test de inzet van een elektrisch verwarmingselement in een ontgasser en verkent daarmee ook de onbalansmarkt.

In het Energieakkoord is afgesproken dat in 2023 vijf windparken moeten zijn gerealiseerd die, samen met de bestaande parken, een totaal vermogen hebben van circa 4,5 gigawatt. Op grond van het regeerakkoord moet daar tussen 2024 en 2030 voor nog eens zeven gigawatt aan windparken op zee bij komen. Ook in het Klimaatakkoord zal windenergie op zee een rol spelen, waar al stemmen opgaan om niet één maar twee of zelfs drie gigawatt per jaar te realiseren.

De Nederlandse energiegrootverbruikers kunnen een belangrijke rol spelen in het succes van de windparken. De wind past zich immers niet aan de normale pieken aan van het elektriciteitsgebruik. Wanneer het hard waait en de energievraag laag is, is afschakelen van een windturbine tot nog toe de enige optie. Dit werkt negatief op de businesscase voor de turbines, die toeneemt met de bedrijfstijd. Elektrificatie van de industrie kan de nodige basisvraag creëren die nodig is om overtollige windenergie nuttig aan te wenden of op te slaan.

Netbalancering

De industrie heeft op zijn beurt een uitdaging voor het decarboniseren van het energieverbruik. De maatschappelijke opdracht om de CO2-uitstoot te beperken en uiteindelijk naar nul terug te brengen, vraagt om een significant ander energiesysteem. Elektrificatie is een van de oplossingen waar momenteel veel onderzoek naar wordt gedaan. Elektrochemie, elektrische warmteopwekking via boilers of warmtepompen en de productie van waterstof via elektrolyse kunnen allemaal hun bijdrage leveren aan verlaging van de industriële CO2-emissie. Enige uitdaging is dat er weinig ervaring is met elektrische hogetemperatuurwarmte. Daar wordt inmiddels hard aan gewerkt, met als meest recente voorbeeld het proefproject dat op industrieterrein Emmtec wordt opgezet. Samen met TNO en ECN onderzoekt process engineer Eric Olde van Emmtec Services de mogelijkheden voor het gebruik van stroom in het stoomsysteem van het industriepark.

‘Emmtec is thuishaven voor onder andere Teijin Aramid, DSM, Bonar en andere industriële ondernemingen’, zegt Olde. ‘Emmtec Services levert de utilitiesvoorzieningen voor de fabrieken, zoals water, gas, stikstof, warmte, stroom en stoom. Wat betreft aardgasverbruik zitten we bij de top twintig van Nederland. Daarbij zit ook laagcalorisch gas en wij hebben, net als tweehonderd andere grootverbruikers van het Groningengas, een brief gekregen van minister Wiebes. De minister verzoekt bedrijven de komende vier jaar een alternatief te vinden voor dit gas. Een deel van de oplossing zou kunnen liggen in het elektrificeren van de warmtevraag. Nu hebben we een honderd megawatt gasaansluiting en een dertig megawatt elektriciteitsverbinding, dus helemaal één op één vervangen gaat niet. Maar we denken te kunnen bijdragen aan de netbalancering die nodig is bij het toenemend aandeel wind- en zonne-energie.’

Snel schakelen

Om ervaring op te doen met elektriciteitsbalancering in het stoomsysteem is het de bedoeling dat industriële elektro-warmtespecialist Huikeshoven een elektrisch verwarmingselement installeert met een vermogen van tussen de één en drie megawatt in een van de ontgassers van Emmtec Services. Olde: ‘We hebben in totaal drie van deze ontgassers die zuurstof en stikstof uit het ketelwater verwijderen voordat we er stoom van maken. Normaal gesproken ontgassen we het water met stoom, maar nu gaan we kijken of het interessanter wordt om elektriciteit in te zetten. We kopen ons gas tegen een vaste gasprijs in en weten dus wat we normaal kwijt zijn aan de productie van stoom. In het algemeen is elektriciteit veel duurder dan gas, behalve als het elektriciteitssysteem het aanbod niet meer kwijt kan. Het gebeurt geregeld dat er zelfs elektriciteit op de onbalansmarkt tegen negatieve prijzen aangeboden wordt om het net in balans te houden. De onbalansprijzen kunnen gunstig zijn, maar we willen uiteraard weten hoe vaak de elektriciteitsprijs onder de gasprijs kruipt en hoe snel we kunnen schakelen tussen stoom en elektriciteit.’

Nu is het technische deel nog niet zo heel ingewikkeld. Maar met name de warmteverdeling van de elektrische verwarming in de ontgasser en het schakelen op de onbalansmarkt maakt het complex. ‘Daarvoor werken we met de start-up Sympower dat volledig automatisch per kwartier kan inkopen op de onbalansmarkt. De ontgasser krijgt dan een seintje dat deze moet overschakelen op elektriciteit. Voor een ontgasser is de impact daarvan niet heel groot omdat het water toch altijd al warm is. Ook de risico’s op uitval van de complete installatie zijn niet heel groot, omdat we nog eens twee ontgassers hebben die redundantie in het systeem bieden.’

Flexcapaciteit

Olde: ‘Uiteindelijk levert de inzet van deze elektriciteit wel een CO2-besparing op, omdat op dat moment geen stoom meer nodig is die met aardgas is geproduceerd. Maar vergeleken met het totale energieverbruik van Emmtec is dit uiteraard maar een schijntje. Het gaat ons veel meer om de resultaten van de proef, waarmee we voorsorteren op een elektrische toekomst. Wanneer de proef succesvol is, kunnen we als eerste de andere twee ontgassers op deze manier bedrijven. Dat succes is mede afhankelijk van het aantal draaiuren van de elektrische installatie. Als deze minder dan duizend uren kan worden ingezet, is het voor ons niet interessant. De investering in een elektrische installatie moet in ieder geval worden terugverdiend, hoewel we uiteraard ook wel naar het ecologisch rendement kijken. Elektrificatie kan een bijdrage leveren aan de decarbonisatie van de industrie, maar we staan pas aan het begin van een ontwikkeling. We zullen eerst moeten ervaren hoe de elektriciteitsmarkt reageert op extra flexmogelijkheden en of en hoe we kunnen profiteren van de onbalansmarkt en korte termijn elektriciteitsmarkten. We zullen nog maar een klein percentage warmte produceren via elektriciteit en dan nog via een eenvoudig elektrisch verwarmingselement. Die is alleen rendabel bij zeer lage elektriciteitsprijzen.’

Vergoedingensysteem

Een elektrische warmtepomp is veel efficiënter en kan daardoor ook bij iets hogere elektriciteitsprijzen nog renderen. Olde: ‘Maar dan moeten we investeren in een full scale installatie met een behoorlijke kapitaalsinvestering. Voordat we die stap nemen, willen we eerst ervaring opdoen op kleine schaal. Er zijn nog vele vragen rondom de inzet van elektriciteit voor de productie van hogetemperatuurwarmte die we moeten beantwoorden, voordat de industrie kan overstappen. Hoe zit het bijvoorbeeld met de capaciteitsvergoeding van het stroomnet? We betalen nu een aansluitvergoeding, waarmee we dertig tot 32 megawatt kunnen intrekken. Wanneer het volledige vermogen wordt ingetrokken, is dit een zeer substantiële kostenpost. Als we echter stroompieken gaan opvangen, gaan we sporadisch veel vermogen intrekken. De vraag is wie hier meer van profiteert: de netbeheerder of de gebruiker. Dat roept dan ook de vraag op of dit capaciteitsvergoedingensysteem niet remmend werkt op het elektrificatieproces.’

Olde denkt overigens voorlopig nog geen afscheid te nemen van zijn gasnetwerk. ‘Ik denk dat we uiteindelijk het meeste baat hebben bij hybride systemen waar we zowel elektriciteit als gas kunnen inzetten. Dat gas kan uiteraard ook waterstof of biogas zijn. Het uitgangspunt is een zo laag mogelijke CO2-uitstoot tegen zo laag mogelijke kosten.’

Verbruikstarief

Lennart van der Burg is vanuit TNO betrokken bij het onderzoeksproject dat onder de vlag van Voltachem wordt uitgevoerd. Het innovatieprogramma richt zich op drie gebieden: power-to-heat, power-to-hydrogen en power-to-chemicals. Van der Burg: ‘Power-to-heat wordt in veel rapporten bestempeld als potentiële oplossing voor duurzame industriële hogetemperatuurwarmte. Inmiddels zijn er dan ook industriële e-boilers van de plank te bestellen, alleen gebeurt dit nog niet in grote getale. De gasprijs is nog steeds vele malen lager dan die van elektriciteit. Om echt slagen te maken, zou die ratio moeten veranderen.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Prinses Amalia Windpark (c) Ad Meskens

Een deel van de oplossing zit in aanpassing van de transporttarieven. Die tarieven zijn nu nog gebaseerd op een capaciteitstarief, de maximaal afgenomen capaciteit in kilowatts op enig moment in een maand. Dit zou gebaseerd moeten zijn op een verbruikstarief. ‘Westland Infra heeft een eenvoudige oplossing bedacht voor de WKK’s van tuinders met een soort stoplichtmodel. Op het moment dat er voldoende capaciteit is in het elektriciteitsnet gaat het stoplicht op groen en kunnen gebruikers tijdelijk meer kilowatts binnenhalen. Dit is nu een tijdelijke oplossing. Meer vergelijkbare experimenten in de praktijk zijn nodig om uiteindelijk tot een structurele oplossing te komen wat voor meer zekerheid dient te zorgen en dus investering in (flexibele) elektrische verwarming.’

Hybride

Het verwachte marktpotentieel voor power-to-heat bedraagt 1.500 megawatt op de middellange termijn. Op korte termijn, dat wil zeggen binnen drie jaar, is volledige elektrificatie volgens TNO onhaalbaar. De oplossing waar het consortium onder aanvoering van TNO aan werkt, bestaat uit een hybride systeem waarin slim is te schakelen tussen de bestaande gasinstallatie en duurzame bronnen. Het systeem bouwt voort op de jarenlange Demand Response ervaring van TNO, waaronder de PowerMatcher technologie, die het mogelijk maakt meer duurzame energie in het elektriciteitsnetwerk op te nemen.

Van der Burg: ‘Hoe hoger de elektriciteitsvraag, hoe beter windparken zullen renderen. Op enig moment zullen de turbines op land en op de Noordzee meer produceren dan de huidige basis elektriciteitsvraag van nu dertien gigawatt. Daarvoor zou niet alleen de basislast omhoog moeten, maar ook de flexibiliteitsopties. TenneT heeft al aangekondigd dat het de markt zijn werk wil laten doen. In de praktijk zal dit betekenen dat exploitanten hun turbines stil zetten bij overproductie. Dat is vanuit maatschappelijk oogpunt natuurlijk zonde, omdat de operationele kosten van een windturbine navenant nul zijn. Hybride systemen kunnen hier een tussenoplossing bieden. Door een elektroboiler te plaatsen naast een gasboiler, kunnen bedrijven kiezen voor de goedkoopste voeding voor hun ketelwater.’

Valuecase

De komende drie jaar kijken de onderzoekspartners naar de valuecase van hybride systemen. ‘Uiteindelijk is het de bedoeling dat de bedrijven zoveel mogelijk de lage onbalansprijzen pakken en zo tegen dezelfde of lagere kosten hun CO2-uitstoot beperken’, zegt Van der Burg. ‘De valuecase valt of staat dan ook met name bij de frequentie van die prijzen. Het lastige daarbij is dat bij een toenemende flexcapaciteit, er minder onbalans in het netwerk zal optreden waardoor de businesscase minder interessant wordt. We zoeken dus constant naar een optimum tussen de capaciteit van intermitterende energieproducenten, zoals windparken, en flexvermogen bij energiegrootverbruikers. De prognoses voor wind op zee zijn in ieder geval zodanig dat we de komende jaren meer fluctuaties in het aanbod verwachten en ook de interconnectiviteit met het buitenland zal verdubbelen. Die extra verbindingen kunnen ervoor zorgen dat energiepieken meer uitvlakken, maar kunnen ook tijdelijk grote stroompieken geven.’

 

Openingsfoto: Emmtec

De opgebouwde kennis over risico’s in combinatie met nieuwe inspectietechnieken, maken het probleem van corrosie onder isolatie steeds meer beheersbaar voor de industrie en onderhoudsprofessionals. De inzet van sensoren maakt de risicobeoordeling nog een stuk nauwkeuriger, denkt een tweetal experts van Sitech Services.

Het kwam de industrie de afgelopen jaren niet goed uit om veel aandacht te besteden aan corrosie onder isolatie (COI). Ten eerste viel het aantal incidenten door COI nog mee en ten tweede lag de focus in de crisistijd meer op het uitstellen van investeringen dan in kostbare renovatieprojecten. Want dat het bestrijden van corrosie onder isolatie een kostbare zaak is, moge duidelijk zijn. Inmiddels zijn er wel degelijk incidenten geweest met als gevolg productieverlies, vervuiling en zelfs gewonden. Nu de industrie weer positieve cijfers laat zien, moeten alle zeilen worden bijgezet om het probleem van corrosie onder isolatie zo snel mogelijk aan te pakken.

Isolatie is zowel een potentiële redder als sluipend gevaar voor veel industriële processen. Thermische isolatie voorkomt temperatuurverlies en bespaart daarmee miljoenen euro’s aan energie. Bovendien beschermt het werknemers die in de buurt van hete assets aan het werk zijn. Toch deinzen veel plantmanagers terug voor het isoleren van hun assets, omdat ze bang zijn dat ze niet snel genoeg kunnen ingrijpen bij calamiteiten en voor eventuele verborgen corrosievorming. Die laatste angst is niet helemaal onterecht, gezien de bevindingen van een aantal bedrijven na grondige inspecties van hun bestaande assets. Met name leidingen, vaak vele kilometers lang, hebben nog wel eens met het fenomeen te maken. Een niet nader genoemd oliebedrijf berekende eens dat zo’n veertig tot zestig procent van de onderhoudskosten aan zijn leidingen te maken had met corrosie onder isolatie. Het grootste probleem is niet zozeer het feit dát er corrosie ontstaat, maar vooral dat men niet weet wáár deze zich bevindt, is onderwerp van veel onderzoeken rondom COI. Uiteindelijk wil een asset owner de integriteit van zijn systemen borgen en dat begint bij het kennen van de zwakke plekken en de risico’s die ze vormen voor veiligheid, gezondheid en milieu.

Sensor

Gelukkig is de afgelopen jaren hard gewerkt aan de kennisopbouw rondom COI, onder andere door World Class Maintenance (WCM) dat onder meer een assessment tool ontwikkelde voor het in kaart brengen van risico’s in geïsoleerde systemen en leidingen. Met de huidige ontwikkelingen rondom het vergaren van informatie met sensoren en het beoordelen van die informatie via wiskundige algoritmes neemt ook de voorspelbaarheid van COI toe. Althans, dat hopen development manager Maurice Jilderda, van het Asset Health Center, en senior materiaal en corrosie engineer Peter Janssen van Sitech Services.

‘Momenteel testen we een veelbelovende sensor van het Belgische bedrijf Isoltechnics bij twee van de fabrieken waar wij verantwoordelijk zijn voor het asset management’, zegt Jilderda. ‘De Sens-YD sensor doet een zogenaamde capacitieve meting van de isolatie en meet daarmee of er vocht tussen de isolatie en de leiding zit en of de leiding lekt. Het mooie is dat de sensor direct op de buitenbekleding van een gesegmenteerde leiding kan worden geplaatst zodat het isolatiemateriaal niet hoeft te worden verwijderd en de sensor gemakkelijk kan worden verplaatst. De sensor communiceert via een draadloze communicatie met Gateway via LORA, waarmee het zeer eenvoudig wordt data te verzamelen en te analyseren. Hoeveel sensoren we nodig hebben om betrouwbare voorspellingen te doen en hoe ver deze uit elkaar moeten zitten om de integriteit van een leiding te kunnen bepalen, is onderdeel van het onderzoek. We denken wel dat deze informatie, samen met de kennis die we in het Asset Health Center hebben opgebouwd rondom het fenomeen corrosie onder isolatie, de voorspelbaarheid van corrosierisico’s vergroot.’

Risicofactoren

De sensor meet naast de geleidbaarheid ook de temperatuur van zowel het oppervlak en de leiding als van de omgeving. Ook de relatieve luchtvochtigheid kan de sensor om het kwartier weergeven, of met langere tijdsintervallen uiteraard. Die variabelen zijn niet geheel toevallig gekozen omdat ze allemaal corrosiebevorderend kunnen werken. Janssen: ‘Of ergens corrosie optreedt, is uiteraard afhankelijk van de aanwezigheid van vocht aan het materiaal, maar ook de zilte omgeving van een kustklimaat helpt niet mee. Gelukkig hebben we daar in Limburg geen last van. Ook grote temperatuurschommelingen kunnen corrosie in de hand werken. Door onze kennis over corrosie te gebruiken, kunnen we voor de installaties die wij monitoren risicoanalyses uitvoeren. We koppelen de kans op corrosie aan de risico’s voor de bedrijfsvoering, maar ook voor safety, health and environment en kunnen zo risicogebaseerd onderhoud uitvoeren aan de leidingen en appendages. Met de toevoeging van de sensortechnologie zouden we die risico’s nog gefundeerder kunnen bepalen, zeker als we daar de juiste algoritmes bij vinden die kunnen voorspellen wanneer corrosie echt een risico vormt.’

Het duurt namelijk een bepaalde tijd voordat een roestplek echt doorwerkt en de constructie aantast. De uitdaging is dan ook om patronen te ontdekken tussen de constatering van een vochtprobleem en het ontstaan van corrosieproblemen. En dat het liefste op meerdere plekken in een systeem, zodat je niet alleen aan symptoombestrijding doet, maar daadwerkelijk inzicht krijgt in de achterliggende fysische verschijnselen. Janssen: ‘We willen natuurlijk weten of we aan een paar sensoren genoeg hebben, of dat we een hele leiding moeten volstoppen met sensoren. Uiteindelijk blijft het een afweging tussen kosten en baten, maar de komende maanden zoeken we in ieder geval naar de reikwijdte van de sensoren en het optimum in meetintervallen.’

Ontwerpkeuzes

Met de kennis van nu zou corrosie onder isolatie geen grote problemen meer moeten opleveren, is de overtuiging van Janssen. ‘Een betrouwbaar systeem begint bij een goed ontwerp dat rekening houdt met de omstandigheden, het medium dat door de leidingen gaat en de mensen die eventueel in de buurt van een installatie werken. De materiaalkeuze is daarin belangrijk, waarbij men uiteraard een overweging maakt tussen kosten en risico’s. Maar ook de coatingkeuze kan de corrosierisico’s sterk vergroten of verkleinen. Zo gebruikt men steeds vaker thermal spray aluminium, wat de levensduur aanzienlijk kan verlengen. Al is dit niet voor iedere installatie de beste oplossing. Ook de keuze van het isolatiemateriaal speelt mee in de risico’s op vochtophoping tussen isolatie en leiding.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
corrosie

(c) Zeev Veez

Misschien nog wel de grootste bedreiging voor de integriteit van een leiding komt echter door menselijke fouten. Want hoe vaak gebeurt het niet dat een medewerker van een site even op een leiding stapt om ergens bij te kunnen? Een deukje in de beplating wordt al snel een zwakker punt of vergaart water dat langzaam doorsijpelt naar de isolatielaag. Ook komt het nog wel eens voor dat weggehaalde beplating niet goed waterdicht terug wordt geplaatst, waardoor regen vrij spel krijgt. Janssen: ‘In een nieuw ontwerp kun je al rekening houden met dit soort menselijk gedrag. Nu zouden asset owners vooral hun tijd moeten steken in gedragsverandering om in ieder geval te voorkomen dat menselijke fouten integriteitsproblemen opleveren.’

Inspectie

Helaas is de dagelijkse werkelijkheid dat het grootste deel van de leidingen soms dertig jaar geleden zijn aangelegd. Het asset management was destijds nog niet zo vergevorderd als nu en dus is ook niet alles uitgebreid gedocumenteerd. Janssen: ‘De beste methode om corrosie onder isolatie te ontdekken is nog altijd om alle isolatie er af te halen en de leidingen te inspecteren. In de praktijk is dit echter vaak nog een hele klus omdat het om vaak heel lange leidingen gaat, die ook nog eens moeilijk bereikbaar zijn. In sommige gevallen moeten steigers worden gebouwd, wat al snel in de papieren gaat lopen. We experimenteren wel met nieuwe inspectietechnieken, en maken bijvoorbeeld gebruik van camera’s op hoogwerkers die heel nauwkeurig oneffenheden in de isolatie beplating kunnen zien of via thermografie thermische verschillen opmerken. Met behulp van guided wave NDO techniek kunnen lokale zwakke plekken worden opgespoord.’

Risk based maintenance

Jilderda ziet het onderzoek naar corrosie onder isolatie als onderdeel van een grotere trend die zich voltrekt op het gebied van risk based maintenance. ‘We zitten nu op het punt dat tachtig procent van de onderhoudskosten zich concentreert rond twintig procent van de assets. De twintig procent kritische systemen wil je eerst zo goed mogelijk monitoren en naar gelang de kosten voor sensoren afnemen, kan een maintenance manager ook de rest in een monitoringsregime stoppen. We bieden onze klanten al diverse dashboards waar ze snel kunnen aflezen op welke plekken de kans het grootste is dat er corrosie ontstaat. Net als we dat al doen voor pompen, kleppen en warmtewisselaars. Naar gelang de kostprijs daalt, kunnen we meer meten en eventueel correlaties trekken tussen bepaalde trends.’

Uiteindelijk maken bedrijven altijd een afweging tussen risico’s en kosten. Dit wordt makkelijker met het inzicht van sensoren en algoritmes. Maar ook bij het ontwerp kan het juist aanbrengen van een goede coating al veel problemen voorkomen, net als zorgvuldigheid bij het aanbrengen van isolatie. Ook hier geldt dat hoogwaardige leidingen, coatings en isolatiematerialen duur zijn. Bedrijven zouden hun investeringsbeslissingen moeten baseren op de total cost of ownership, passend bij de bedrijfsbehoefte.

 

Openingsfoto (c) S Lobkov

Regiegroep corrosie onder isolatie

De Vereniging Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), World Class Maintenance (WCM) en een groot aantal andere partijen hebben een project gestart dat beoogt om gezamenlijk corrosie onder isolatie beter onder controle te krijgen. Er is hiervoor een brede samenwerking gezocht tussen Nederlandse en Belgische bedrijven uit de procesindustrie. Inmiddels heeft Inspectie BRZO zich aangesloten, net als diverse brancheverenigingen en aanbieders van preventietechnieken.

In de regiegroep zijn de asset owners als probleemeigenaren dominant vertegenwoordigd. Die groep stuurt drie werkgroepen aan met de expliciete opdracht om in de eerste plaats alle momenteel beschikbare technieken en methodes naast elkaar te zetten en te waarderen op effectiviteit en kosten. De werkgroepen focussen zich op: Coatings, Non Destructive Testing technieken en Inspectietechnieken. De werkgroepen sturen op rapportage binnen één jaar. Waarschijnlijk zullen alle werkgroepen ook onderzoeksvoorstellen opleveren naar nieuwe methodieken die in een volgend project kunnen worden uitgewerkt. Uiteindelijk is het streven om een RBI- (risk based inspections) methodiek te ontwikkelen die, net zo als gebruikelijk is voor interne corrosie, in staat is om corrosie tijdig te detecteren of te voorspellen.

Ik heb er even aan gedacht om er niet over te beginnen. Want iedereen is het stilaan toch weer wat beu, al die verhalen over vrouwen die nu niet meer moeten afkomen met feiten die lang geleden gebeurd zijn, en waar ze toen een probleem over hadden moeten maken, en niet nu. Geef maar toe dat dat is wat jullie denken.

Ik ga er namelijk van uit dat 98 procent van de lezers mannelijk is, want dat zijn mijn collega’s ook. Ik denk soms ook zo. Maar dan moet ik weer even stilstaan bij het feit dat niet elke vrouw gewend is om dagdagelijks met mannen te werken en ook niet durft zeggen waar het op staat.

Zuchten

Waarom zal ik het eens niet anders formuleren? In plaats van er een verhaal over te schrijven, (ik wijdde er al eens een column aan in 2014, de tijden zijn nog niet echt veranderd) volgen hieronder een aantal droge opsommingen zonder emoties of gevolgen die ik eraan gegeven heb. Het zijn een aantal feiten waar ik indertijd onmiddellijk op reageerde – want ik laat echt niet over me heen lopen – maar die me toch in die mate geraakt en soms zelfs regelrecht gekwetst hebben, dat ik ze nog lang niet vergeten ben. Hieronder de toppers van de afgelopen tien jaar:

  1. Een per ongeluk teruggestuurde mail (was bedoeld als forward naar een collega) met daarin de opmerking: ‘het zal wel te wijten zijn aan haar postnatale depressie’. Ik was echter niet bevallen (of toch niet echt), want mijn zoontje was gestorven na vier maanden zwangerschap.
  2. Door mijn baas apart geroepen worden, om mij te kunnen melden dat ik ‘ongepast zwanger was’. Die opmerking ging niet over het tijdstip, maar over mijn lichaam. Ik benadrukte mijn zwangerschap te veel en hij vroeg me of ik daar niet discreter in zou kunnen zijn.
  3. Mijn afgekolfde melk (daar moet je dus veel moeite voor doen) die in een afgesloten zakje in een hoekje in de frigo stond, stiekem eruit halen en in de koffie van een collega gieten.
  4. Op mijn allereerste voorstelling aan het team dat toen in meeting zat, meldde een van mijn toekomstige collega’s dat ‘het goed is dat hij mij nu al gezien had, zodat hij mij niet zou verwarren met de schoonmaakster’.
  5. Al mijn projecten laten liggen tijdens mijn zwangerschapsverlof, om dan achteraf te kunnen zeggen dat het toch jammer is dat alles vier maanden heeft stilgelegen.
  6. Een week voor ik terug zou komen van verlof een belangrijke buitenlandse meeting hierover in te plannen ‘want het heeft nu toch lang genoeg geduurd’ en natuurlijk ook verwachten dat ik erbij kan zijn. Dit werd mij door mijn baas de avond ervoor om 21u gemeld, zodat ik inderhaast opvang moest zoeken. ‘Voel u niet gedwongen om erbij te zijn hoor, maar het is wel belangrijk’.
  7. Tachtig procent werk op basis van ouderschapsverlof goedkeuren, maar duidelijk melden dat er toch verwacht wordt dat er honderd procent gewerkt zal moeten worden, en dat dit op andere manieren moet worden bijgetrokken. Ik word nu dus minder betaald om evenveel werk anders te verdelen zodat ik toch één dag in de week mijn kinderen aan de schoolpoort kan afzetten/oppikken. Want thuiswerk, dat kan niet als je in de productie staat.
  8. Zuchten als ik zeg dat ik zwanger ben. Letterlijk gewoon zuchten.

Ik ben ondertussen gewend om om te gaan met spot, sarcasme, ironie en allerhande soorten humor die soms wel en soms niet gepast zijn. Ik doe daar zelfs vlot in mee, de mannen weten dat ze me niet snel in een hoekje zullen krijgen qua verbale toespelingen (agressie zou ik het niet durven noemen). Het is mij heel duidelijk dat mannen en vrouwen nu eenmaal niet gelijk zijn, noch fysiek noch mentaal en dat hoeft ook niet. Ik beschouw het feit dat ik in een mannenbastion werk nog altijd als een voordeel en ik doe er ook alles aan om de voordelen te benutten en de nadelen naast me neer te leggen.

Nadelen, daar kan ik niets aan veranderen, dus de voordelen kan ik maar beter tweehonderd procent benutten. Dat is niet naïef, dat is proberen te werken aan een beter toekomstbeeld voor mijn dochters. Want dat blijf ik me wel afvragen: ‘Wat zeggen de mannen die in de voorgaande opsomming voorkomen thuis tegen hun dochters?’

Katrien Bogaerts werkt sinds juni 2013 als process engineer bij Kaneka in Westerlo, België.

Inzetten op de energietransitie lijkt nog nooit zo belangrijk geweest. Nederland staat in Europa nog altijd onderaan als het gaat om de productie van duurzame energie. Ook heeft ons land de hoogste CO2-emissie per inwoner, een situatie die op termijn geld zal kosten. Inmiddels is duidelijk dat een grote rol is weggelegd voor de olie-en gasindustrie. Binnen deze sector zullen systemen de komende jaren compleet moeten worden omgegooid. Iets waar het bedrijfsleven, en ook de overheid, tot voor kort weinig oog voor had. Maar een kanteling is zichtbaar.

Begin dit jaar riep de Nederlandse Aard-olie Maatschappij (NAM) wereldwijd bedrijven op om ideeën aan te dragen die een oplossing bieden voor grootschalige duurzame energieopslag. Volgens de NAM is duurzame energieopslag een van de belangrijkste thema’s rondom het transitievraagstuk. Het bedrijf realiseert zich inmiddels maar al te goed dat het nu moet inzetten op verandering, wil het nog relevant zijn in de toekomst. Zodoende besloot de NAM afgelopen jaar haar zeventigste verjaardag in dienst te stellen van de Nederlandse energietransitie met onder andere de zogeheten ‘NAM70 Challenge’.

Uiteindelijk werden voor de challenge maar liefst 45 ideeën aangedragen door zogenoemde scale-ups (of groeibedrijven) uit onder andere Australië, Singapore, Noorwegen en Zuid-Afrika. ‘Dat geeft eigenlijk al aan dat dit thema niet alleen in ons land een grote rol speelt, maar dat wereldwijd wordt gekeken naar oplossingen’, vertelt Paul Kieft, new energy opportunity manager binnen de NAM. ‘Je ziet dat de rol van de NAM verandert. We willen onze positie in de huidige energiemarkt gebruiken om de energietransitie te versnellen naar een duurzame toekomst. Daar willen we verantwoord mee omgaan. Welke verschillende technieken hiervoor nodig zullen zijn, dat weten we nu nog niet. Maar we slaan nu wel dat pad in, en stellen onze middelen ter beschikking om die zoektocht samen met anderen te faciliteren’, aldus Kieft.

Innovatie en toepasbaarheid

Inmiddels heeft de jury drie finalisten geselecteerd die op 6 juni zullen strijden om de titel. Bij de selectieprocedure is volgens Kieft sterk gelet op innovatie en toepasbaarheid. ‘Je moet allereerst kijken naar wat voor impact het idee heeft op het Nederlandse energiesysteem, met name op grote schaal. Daarnaast is gekeken naar of het idee toepasbaar is op de faciliteiten die wij nu al ter beschikking hebben.’ Kieft geeft aan dat hergebruik van bestaande middelen essentieel is voor de versnelling van de energietransitie. ‘Nederland ligt vol met een gigantisch gasnetwerk. En dat willen we graag hergebruiken. De vraag voor deze challenge is alleen hoe we dat gaan doen.’

De drie finalisten maken in hun plannen deels gebruik van bestaande technieken. Daar zit volgens Kieft dan ook de grote uitdaging van deze challenge. ‘Het zijn inderdaad technieken die al bekend zijn, alleen hoe je de puzzel legt, maakt of het wel of niet winstgevend en werkbaar is. Je kijkt samen naar de uitvoerbaarheid, waarbij we ook onze eigen rol in het achterhoofd houden.’
Uiteindelijk is het de bedoeling dat de winnaar samen met de NAM een pilot opzet waarin het idee verder wordt uitgewerkt. Deze procedure zal direct na de bekendmaking op 6 juni van start gaan. Kieft kijkt nu al uit naar het samenwerkingsverband dat hieruit zal voortkomen. ‘Alleen met samenwerking gaan we er komen, waarbij een ieder over zijn of haar eigen belangen heen moet durven kijken. We moeten buiten de gebaande paden treden en durven onderzoeken.’

Realiseerbaar

Iemand die alle ontwikkelingen op het gebied van de Nederlandse energietransitie nauwlettend in de gaten houdt, is André Faaij. Als universiteitshoogleraar energiesysteemanalyse aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk directeur van de New Energy Coalition kent hij als geen ander de gevaren die een verdere temperatuurstijging van de aarde met zich meebrengt. Hij is dan ook blij dat bedrijven als de NAM, maar ook de overheid, steeds vaker concrete stappen zet om een belangrijk doel te behalen: de uitstoot van broeikasgassen reduceren tot nul in 2050. Hoewel we volgens Faaij slechts aan het begin staan van onze energietransitie, is hij van mening dat het hoofdonderdelen die nodig zijn voor die veranderingen, zijn de afgelopen jaren in hoog tempo goedkoper geworden. ‘Kijk alleen al naar de wind- en zonne-energietechnologieën.’

Een cruciale voorwaarde is volgens Faaij dat bedrijven en overheden zich moeten focussen op innovatie. Als technieken kunnen doorontwikkelen, worden ze uiteindelijk goedkoper. Iets wat je bijvoorbeeld nu al terugziet bij offshore-windenergie. Dit kan volgens de hoogleraar ook worden gerealiseerd op andere terreinen, tot een niveau dat de nieuwe, schone opties zelfs goedkoper worden dan het fossiel alternatief. ‘Het is daarbij belangrijk dat we de druk wegnemen bij de olie-, gas- en kolenmarkt. Als je onze mondiale groei blijft dekken met krimpende reserves, dan gaan de kosten omhoog. Eigenlijk is het zo dat hoe langer we wachten, des te duurder de energietransitie wordt. Als we snel handelen hebben we op de middellange termijn een goedkopere energievoorziening, dan dat we stil blijven zitten en de vergaande klimaatverandering realiteit maken.’

Slimheid is geleidelijkheid

Naast het doorontwikkelen van technieken, denkt de hoogleraar dat ook goede coördinatie van de transitie een belangrijke factor is die bepaalt hoe duur of goedkoop de energietransitie uiteindelijk wordt. ‘Je moet niet als een kip zonder kop zeggen: ‘Morgen sluiten we alle kerncentrales en gaan we alles op zonne-energie doen’. Dat zijn nogal eens kreten die je tegenkomt in het publieke debat. Maar dat zijn duidelijk niet de slimme oplossingen. De kern van slimheid zit hem juist in geleidelijkheid, waarbij wordt gekeken naar wat je wanneer en waar doet tegen de laagste kosten. Een onderdeel daarvan is bijvoorbeeld het gebruikmaken van de bestaande infrastructuur, zoals het gasnetwerk in Nederland.’

Al met al vraagt de energietransitie om een goede planning. Faaij vergelijkt de energietransitie niet voor niets met een puzzel. Maar dat moet men er niet van weerhouden nu echt iets te gaan doen.‘We praten op dit moment in Nederland over zes procent duurzame energie binnen onze energievoorziening. En dat is in de markt gezet met subsidies en doelen voor hier wat zon, daar wat wind, en daar wat biomassa. Maar het gaat uiteindelijk over een complete verandering van de elektriciteitsvoorziening. Je moet niet alleen inzetten op meer volume, je moet ook de rest van het park flexibeler inzetten. Er moet worden geïnvesteerd in netten, opslag en/of waterstofcapaciteit. Dus dat wordt een gehele systeemverandering.’

Kopgroep

Dat geldt volgens Faaij ook voor de industrie. ‘In de industrie zijn goede dingen gedaan met warmtekrachtkoppeling en besparing. Maar ook de industrie moet inzetten op compleet nieuwe processen en energiedragers, zoals waterstof, CO2-afvang en biomassa. Vooral in de petrochemische industrie valt veel winst te behalen, aangezien dit de industrie is met het hoogste energieverbruik en CO2-uitstoot.’

Nú aansluiten bij de kopgroep landen en bedrijven die inzetten op duurzaamheid is essentieel voor Nederland, denkt Faaij. Zo profiteert ons land mee met de toenemende marktvraag, waarbij ook nieuwe, duurzame banen en economische groei tot stand komen. ‘We moeten nu meters maken, alleen zo kunnen we de doelen uit het klimaatakkoord bereiken en tegelijk groene welvaart creëren.’

In 2014 en 2015 gingen midden in de eindeloze maisvelden van het Amerikaanse middenwesten drie installaties van start voor de biochemische productie van cellulose-ethanol uit landbouwafval. Begin 2018 opereert alleen nog Project Liberty van POET-DSM en nog niet eens op volle toeren.

Teake Zuidema

De inwoners van het stadje Nevada maken zich zorgen over een half miljoen balen maisafval die in en rondom dit stadje in de Amerikaanse staat Iowa liggen opgeslagen. Ze weten in dit agrarische gebied dondersgoed hoe gemakkelijk die samengeperste hulzen, bladen en stengels in de fik vliegen.

Het maisafval rondom Nevada is eigendom van DuPont. Dit bedrijf opende daar in 2015 een experimentele fabriek die, eenmaal op volle toeren, jaarlijks 110 miljoen liter cellulose-ethanol zou produceren uit maisafval. Dat was een mooie opsteker voor de stad. De fabriek, die 185 miljoen euro kostte, zou werk bieden aan negentig mensen en zou bovendien maisafval van lokale boeren opkopen die op dat moment kampten met lage prijzen voor al hun producten.

Problematische opstart

Het viel allemaal zwaar tegen. In augustus 2017 fuseerden DuPont en Dow. De nieuwe combinatie kondigde nog geen maand later aan dat de fabriek in Nevada niet langer paste in de bedrijfsstrategie. De productie werd gestaakt. In het eerste kwartaal van 2018 zoekt DowDupont nog steeds naar een koper voor de fabriek inclusief de balen maisafval. Het stadje kan fluiten naar de investeringen die het deed om de fabriek te lokken.

Ook in Hugoton, Kansas ging het mis. Daar sloot in 2016 een experimentele cellulose-ethanol fabriek de poorten na het faillissement van de Spaanse eigenaar Abengoa. De installatie, die in theorie 95 miljoen cellulose-ethanol per jaar kan maken uit landbouwafval, werd voor 40 miljoen euro verkocht aan het Amerikaanse bedrijf Synata Bio. Begin 2018 staat de installatie, die naar verluidt 500 miljoen dollar heeft gekost, nog steeds op non-actief.

De fusie en het faillissement speelden zeker een rol bij het sluiten van de fabrieken in Iowa en Kansas. Het is echter duidelijk dat het opstarten van beide installaties problematischer was dan werd verwacht. Vooral het verzamelen, schoonmaken en voorbewerken van het afval, zorgden voor moeilijkheden.

Kostenplaatje

Het besluit om de fabriek in Nevada te sluiten, werd mede ingegeven door de slechte economische vooruitzichten. Een mandaat van de EPA, het Amerikaanse ministerie van milieu, verplichtte de Amerikaanse brandstofproducenten in 2015 nog om 6,6 miljard liter cellulose-ethanol door de benzine te mengen. De EPA realiseerde zich hoe bizar dit was omdat in dat jaar in de VS niet meer dan 8,3 miljoen liter cellulose-ethanol werd geproduceerd. Het mandaat werd daarom drastisch verlaagd en dat haalde veel optimisme uit de markt.

De productie van cellulose-ethanol veroorzaakt per liter ongeveer de helft minder broeikasgassen dan conventionele ethanol uit mais. Het is echter duidelijk dat cellulose-ethanol uit landbouwafval zonder mandaten, quota’s of subsidies niet kan concurreren met ethanol uit maiskorrels of suikerriet. Die ethanol is ongeveer net zo duur als benzine. Maar de kosten om via biologische weg – met behulp van enzymen en gisten – ethanol te winnen uit maisafval, zijn veel hoger, ongeveer zeven euro per liter.

Project Liberty

Hoe gaat het dan met Project Liberty, de cellulose-ethanol fabriek in Emmetsburg, Iowa die in september 2014 met veel fanfare door Koning Willem Alexander is geopend? Welnu, deze joint-venture van Amerikaanse ethanolproducent POET en het Nederlandse DSM Advanced Biofuels produceert begin 2018 inderdaad cellulose-ethanol uit maisafval. Het bedrijf zit echter nog lang niet op de voorspelde productie van 75 miljoen liter per jaar.

‘We draaien inderdaad nog niet op volle toeren,’ zegt Matt Merritt, woordvoerder van POET-DSM. ‘We hebben in het laatste anderhalf jaar wel een enorme vooruitgang geboekt.’ Ook Project Liberty had grote problemen aan het ‘front-end’, de verschillende stappen waarbij het maisafval uit de balen wordt verwijderd, schoongemaakt, in stukken gescheurd en geweekt voor het aangepakt kan worden door de enzymen die de cellulose afbreken tot suikers en de gisten die de suikers omzetten in ethanol.

De voorbehandeling die ontworpen was door Australisch ingenieursbureau Andritz bleek niet in staat de dikke slurrie van maisafval effectief naar de enzymen te sluizen. Daarom besloot de bedrijfsleiding reeds in 2016 dit deel van de installatie over te doen en deed ditmaal het ontwerpen zelf. Merritt: ‘Alles loopt nu veel beter.’ POET-DSM eist inmiddels een forse schadevergoeding van Andritz.

Goede demonstratie

Merrit wil niet zeggen hoe lang het nog zal duren voor de fabriek op volle toeren draait. Hij is wel optimistisch en wijst er op dat de joint-venture inmiddels begonnen is met de bouw van een installatie waarin de door DSM ontwikkelde enzymen worden geproduceerd. ‘Het is voordeliger om die enzymen ter plekke te maken. Je hoeft geen stabilisatoren en andere chemicaliën te gebruiken die wel nodig zijn wanneer je enzymen over grote afstand moet transporteren.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
cellulose-ethanol

Ethanol (c) Lance Cpl. Reece E. Lodder

Project Liberty is een demonstratieproject. De joint-venture POET-DSM wil laten zien hoe de technologie werkt en deze vervolgens in licentie aanbieden aan kopers in en buiten de Verenigde Staten. Merritt: ‘We hebben wel gesprekken met potentiële klanten, maar we zijn nog niet klaar voor een grote verkooppush. We willen er zeker van zijn dat de installatie in Iowa zodanig opereert dat het een goede demonstratie is van de technologie.’

De toekomst van ethanol

Ethanol heeft de wind niet mee in Amerika. De landbouwlobby die het bijmengen van ethanol uit mais jarenlang propageerde als goed voor de boeren, de werkgelegenheid, het klimaat en goed om Amerika onafhankelijk te maken van olie-importen, heeft aan kracht ingeboet. Het bijvoegen van ethanol en cellulose-ethanol aan de benzine, ligt onder vuur nu Scott Pruit de baas is van de EPA. Deze Pruit is een grote vriend van president Trump en ook van de oliemaatschappijen die een gruwelijke hekel hebben aan het bijvoegen van wat voor ethanol dan ook in hun benzine.

Dankzij de grootschalige toepassing van het fracken – het injecteren van vloeistoffen om schaliegesteentes te laten scheuren – is Amerika ‘s werelds grootste producent van aardgas en aardolie geworden. Het argument dat ethanol nodig is om het land onafhankelijk te maken van energie-importen snijdt daarom geen hout meer. Verder is inmiddels duidelijk dat het vervangen van benzine door ethanol uit maiskorrels aanzienlijk minder voordelen heeft voor klimaatsverandering dan werd aangenomen.

In de nieuwe Amerikaanse energiewerkelijkheid dreigt de productie van ethanol uit maiskorrels in het verdomhoekje te raken. Democraat Peter Welch noemt het verplicht bijvoegen van ethanol uit mais ‘een grote flop voor het milieu en de voedselprijzen’. Hij heeft een wetsvoorstel ingediend om met ingang van 2023 het bijmengen van deze ethanol aan de benzine af te schaffen. Hij wil echter wel het mandaat voor cellulose-ethanol handhaven.

Hoge doelen

Volgens het EPA-mandaat zullen de Amerikaanse raffinaderijen in 2018 ongeveer een miljard liter cellulose-ethanol moeten bijvoegen aan de benzine. Het leeuwendeel zal komen van fabrieken die niet via een biochemisch, maar via een thermochemisch proces cellulose-ethanol maken uit landbouwafval. De producenten hopen dat de vraag zal stijgen wanneer individuele staten wettelijk quota’s vaststellen voor het gebruik van niet-fossiele brandstoffen.

Merrit zegt dat Project Liberty momenteel geen probleem heeft klanten te vinden voor de cellulose-ethanol die het produceert. Hij wil niet zeggen of ze ook per liter meer betalen dan voor conventionele ethanol. Hij is wel optimistisch: ‘Over twintig jaar hebben we overal in Amerika fabrieken die cellulose-ethanol maken, en dan zullen we blij zijn dat we zulke hoge doelen hebben gesteld.’

 

Openingsfoto: POET-DSM

In België is sinds kort de diesel duurder dan benzine. Dat is ongezien en het haalt veel zekerheden onderuit. Tot voor kort was diesel beduidend goedkoper dan benzine en dat werd veroorzaakt door de overheid die diesel minder belastte. De overheid voerde een uitgesproken bevorderingsbeleid voor deze brandstof en deed er via allerlei communicatiekanalen alles aan om iedereen aan de diesel te krijgen. Omwille van milieuredenen nota bene. En dat beleid werkte bijzonder goed, het Belgisch wagenpark werd gedurende tientallen jaren nagenoeg totaal ‘verdieseld’. De algemene mening van de burger was dat diesel goed is voor je portemonnee en ook voor het milieu.

Als benzinerijder werd ik vaak als een rariteit beschouwd, ik moest bijna verantwoorden wat me in godsnaam bezielde om op benzine te rijden. Het sjoemelschandaal en de verhoogde aandacht voor fijnstof hebben nu voor een ware kentering in die beleving gezorgd. De overheid heeft het verband tussen diesel, fijnstof en gezondheid erkend en zorgt er via de accijnzen voor dat diesel duurder is dan benzine. En warempel, het werkt, benzine is weer hip! Voor het eerst sinds lange tijd worden er meer benzineauto’s dan dieselauto’s verkocht. Veel sneller dan ik voor mogelijk had gehouden, past de burger zijn gedrag aan.

Informatiecampagnes

Daar waar de overheid diesel zwaarder belast, moet je vaststellen dat op kerosine, de vliegtuigvariant van diesel, helemaal geen accijns wordt geheven. Op vliegtuigtickets wordt zelfs geen btw aangerekend. De overheid doet er met andere woorden alles aan om het luchtverkeer te promoten. En dat beleid werkt ook, het is vandaag vaak beduidend goedkoper om met het vliegtuig ergens heen te vliegen dan met de trein of met de auto, zelfs op korte afstanden. Het resultaat is dat het luchtverkeer enorm groeit, met alle negatieve gevolgen van dien. De luchtvaart is veruit de sterkste stijger van CO2-emissies. Ter situering: een trans-Atlantische vlucht produceert ongeveer evenveel CO2 als een auto gedurende een heel jaar.

Overheidsbeleid werkt dus! De overheid is helemaal niet zo machteloos als vaak wordt beweerd. Uiteindelijk bepaalt het beleid in hoge mate ons gedrag. En ik heb het niet over planeconomie, vijfjarenplannen en andere miskleunen uit een communistisch verleden. Het gaat er over dat de overheid met eenvoudige fiscale maatregelen en informatiecampagnes ons gedrag in sterke mate aanstuurt.

Actie

Over de richting van dat overheidsbeleid vallen echter veel kritische vragen te stellen. Enerzijds moet je vaststellen dat het beleid soms volstrekt tegenstrijdig is, zoals het verhaal van de diesel en de kerosine illustreert. Anderzijds moet je vaststellen dat de overheid het vaak gewoon laat afweten en niets doet. Een duidelijk geval van inertie, verandering is immers lastig. Niet zelden wordt het non-beleid dan nog gemotiveerd ‘omdat de overheid hierop geen invloed heeft’.

Maar dat is dus nonsens, de overheid heeft juist heel veel greep op de maatschappij en dient die verantwoordelijkheid ook te beseffen. De overheid moet dringend beter nadenken over haar beleid en de gevolgen die dat heeft. Vandaag zie je dat zelfs bij evidente miskleunen de overheid vaak volhardt in de boosheid. Verdergaan in de dwaling is immers des mensen.

Ook wat betreft de strijd tegen de klimaatverandering heeft de overheid alle sleutels in handen om voor een echte omslag te zorgen. We weten wat er moet gebeuren om de klimaatcatastrofe te vermijden. De oplossingen zijn voorhanden, moeilijk is het niet. Stimuleer de ontwikkeling van hernieuwbare energie met fiscale en andere middelen, het is overduidelijk dat dit werkt. De overheid ligt aan de basis van de huidige omslag naar hernieuwbare energie en moet hier met beslist beleid in doorpakken. Hervorm het huidige Europees emissiesysteem met zijn overmaat aan gratis emissierechten, zodat er een ernstige belasting komt op alle CO2-emissies. Moeilijker dan dat is het niet. De maatschappij reageert snel en de markt en de tijd doen hun werk. De mensen aanraden om vaker een dikke trui aan te trekken is goed, maar dat gaat het probleem niet oplossen.

De overheid is aan zet, tijd voor actie.

Wim Soetaert
Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

Dankzij digitalisering weten we inmiddels precies wanneer we onderhoud moeten uitvoeren of wanneer we onderdelen moeten vervangen. We kunnen de levensduur van de assets verlengen en de efficiëntie verbeteren. Een term die steeds vaker voorbij komt is ‘Sweat the assets’. We worden in staat gesteld om grenzen op te zoeken. Betekent dit dat oude assets langer draaiende worden gehouden en dat we vernieuwing en misschien wel innovaties uitstellen?

In de vorige editie van Petrochem stelde Wouter De Geest van BASF Antwerpen dat het voordeel van digitalisering is dat het de industrie veel beter kan maken, zonder echt disruptief te zijn. Dat zou betekenen dat nieuwe procestechnologie niet zo nodig is. Toch zijn de ‘ageing assets’ wel degelijk een zorg voor de industrie.

Nieuwe plants

Dat digitalisering een belangrijke rol speelt in asset management is duidelijk. ‘Digitalisering is niet nieuw. Het vierde industriële tijdperk is inmiddels een tijdje gaande en ik zie niet dat digitalisering innovaties in de weg staat. Integendeel: digitalisering kan innovaties bevorderen’, zegt Gert-Jan Gruter, chief technology officer bij Avantium Technologies. ‘We krijgen te maken met allerlei nieuwe technieken, zoals bijvoorbeeld elektrificatie van de chemie, en ook met de transitie naar nieuwe grondstoffen. Dit vraagt om aanpassingen van je installaties, maar ook om digitalisering. Dat gaat hand in hand.’

Gruter geeft aan dat door deze ontwikkelingen ook duizenden nieuwe plants zullen worden gebouwd. Hij benoemt als voorbeeld dat voor 700 miljoen ton extra monomeer en polymeer capaciteit meer dan 1.000 nieuwe monomeer en polymeer fabrieken moeten worden bijgebouwd. ‘Er is wat dat betreft absoluut geen competitie of risico van vervanging van bestaande plants.’

Verbetering productie

Voor we überhaupt nadenken over reviseren, vervangen of nieuw bouwen, gaan we dankzij de digitalisering steeds vaker op zoek naar grenzen en mogelijkheden van bestaande assets. Zo is Air Liquide, leverancier van industrieel gas, gestart met een pilotprogramma iRounds. ‘Inspecties worden uitgevoerd met iPads’, legt Wim Lamberts, sitemanager van Air Liquide in Rotterdam uit. ‘Er is zo veel data beschikbaar. Die data willen we optimaal benutten. Alles dat op de site wordt waargenomen, wordt geregistreerd met de iPad. Is er bijvoorbeeld een klep die niet naar behoren functioneert, dan wordt ter plekke geregistreerd dat onderhoud nodig is en er wordt vervolgens direct een storingswerkorder aangemaakt.’

Digitalisering heeft meerdere doelen. Lamberts: ‘Ja, het verlengen van de levensduur is zeker een doel. Daarnaast kunnen we dankzij big data onze total cost of ownership verlagen en we kunnen beter sturen op het productieproces. Door gebruik te maken van je data krijgt je de kans om gericht in te grijpen, daar waar het pijn doet. En het wordt duidelijk wat je moet aanpassen om de productie te verbeteren.’ Lamberts geeft een concreet voorbeeld: ‘We hebben een bestaande installatie, die voorheen 6 ton per uur produceerde, zodanig weten op te krikken, dat deze na een heel gericht verbeterproject 9 ton per uur produceert.’

Simulatie

De bestaande installatie is dus inderdaad dankzij digitalisering van grotere waarde geworden. Lamberts: ‘Digitalisering maakt inzichtelijk waar verbetermogelijkheden liggen. En we weten dankzij de data tot hoe ver we kunnen gaan. ‘Sweat the assets’ wordt er wel gezegd. Je kunt grenzen opzoeken en zo efficiënter met je tijd en geld omgaan.’

Toch gaat het Lamberts te ver om te stellen dat digitalisering de innovatie van het proces in de weg staat. ‘Er worden wel degelijk innovaties doorgevoerd. Deze zijn vooral gericht op verbeteringen. Dan moet je doen wat nodig is. We kunnen zelfs, dankzij nieuwe technische mogelijkheden, een innovatie simuleren zodat je van tevoren inzage krijgt over wat er mogelijk is.’ Digitalisering helpt dus om een innovatie gerichter in te zetten en een weloverwogen beslissing te nemen over de implementatie.

tekst gaat verder onder de afbeelding
assets

Copyright BASF SE

‘Just in time’

Ook Aaldrik Haijer, van Water & Energy Solutions, ziet dat digitalisering helpt om de dingen ‘just in time’ te doen. ‘Digitalisering, Industrie 4.0 en kunstmatige intelligentie maken dat je beter weet wanneer je iets moet doen en ook wanneer je iets kunt doen. De hogere mate van voorspelbaarheid van bestaande assets geeft een duidelijk time-frame voor keuzes. Ook de keuze om te gaan voor nieuwe principes en technologie. En mocht de technologie er nog niet zijn voor een gewenste functionaliteit of efficiency-slag, dan kan ingezet worden op ontwikkeling.’

Haijer ziet digitalisering dus als een driver voor technologische innovatie. ‘Maar het gaat verder dan dat.’ Binnen Water & Energy Solutions wordt nu al kunstmatige intelligentie ingezet om meetfouten te herkennen. Ook zit het bedrijf in de testfase voor meer KI-functionaliteiten. Haijer: ‘KI begint bij het bouwen van een neuraal netwerk dat zaken kan herkennen vanuit verschillende inputs. Data dus. En omdat voor vergaande innovatie op het gebied van KI een grotere hoeveelheid data nodig is, pak je met digitalisering en Industrie 4.0 de eerste benodigde stap. Een stap waar je vanuit asset management ook op korte termijn al de vruchten van plukt.’

Veiligheid

Digitalisering kan dus absoluut bijdragen aan de levensverlenging van assets. Dat maakt dat we te maken hebben met verouderde assets en hiervoor geldt over het algemeen een verhoogde faalkans doordat vermoeiing in metalen optreedt en er lekkages, corrosie en breuken in leidingen kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen uiteindelijk giftige stoffen ontsnappen of kan er brand ontstaan. ‘Bedrijven proberen de levensduur van hun assets zo lang mogelijk te verlengen door onderhoud te plegen. Nieuwe installaties zijn duur en het bouwen van een nieuwe fabriek kost jaren. Maar op een gegeven moment houdt het oplappen op en moet je installaties vervangen’, zegt Pieter van Gelder, hoogleraar veiligheidskunde aan de TU Delft.

Ira Helsloot, hoogleraar besturen van veiligheid Radboud Universiteit Nijmegen, zegt over ageing assets: ‘Verouderde installaties hebben net als een verouderde auto in verhouding steeds meer onderhoud nodig. De onderhoudsactiviteiten worden door het verloop van jaren daarom ook steeds complexer en intensiever.’ Digitalisering kan hierbij soelaas bieden. Daarnaast adviseert Helsloot: ‘Heb vertrouwen in het vakmanschap van de medewerkers.’

Mensen en middelen

Binnen de industriële productie worden banen dus steeds meer data-gericht. Vorig jaar tijdens onderzoek door Industry Week en Emerson gaf 60 procent van de 205 ondervraagde managers uit de productie-industrie aan dat zij pilotprojecten in de IIOT hebben lopen. Maar slechts 5 procent investeert in een duidelijke businesscase. Installaties genereren dus meer gegevens dan ooit maar volgens Emerson komen die vaak zonder zinvolle analyses terecht bij experts. Gegevens worden nog te weinig getransformeerd tot praktisch bruikbare informatie waarmee operationeel personeel de veiligheid, betrouwbaarheid en de efficiëntie van assets, mensen en processen kan verbeteren.

Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat het Industrial Internet of Things nieuwe mogelijkheden biedt dankzij betere real-time informatie, nauwere samenwerking binnen de onderneming en betere analysehulpmiddelen.

De factor ‘personeel’ werd door de groep ondervraagden consistent aangewezen als de belangrijkste factor voor succes. Emerson concludeert dat bedrijven met name effectieve veranderingsmanagementmethodes nodig hebben voor meer focus op opleiding en bijscholing in combinatie met betere workflows om effectief te profiteren van de investeringen in technologie.

Reviseren of vervangen?

Uit onderzoek van Ultimo naar de maintenance manager van de toekomst, waar 150 maintenance managers uit Nederland, België en Duitsland hun medewerking aan hebben verleend, blijkt dat ‘zorgen voor een concurrerend machinepark’ één van de belangrijkste uitdagingen is. Het machinepark moet concurrerend blijven, ook als het veroudert. Uit het opgestelde trendrapport blijkt dat 38 procent van de maintenance managers het machinepark als ‘verouderd’ beschouwt. Daar tegenover staat een percentage van 43 dat het machinepark als ‘modern’ omschrijft. Ook is uit onderzoek gebleken dat de maintenance managers met een modern machinepark vaker het park vervangen bij veroudering dan dat ze reviseren, terwijl dit bij de managers met een verouderd machinepark precies andersom is.