Voor Vlaanderen en Nederland liggen er voldoende kansen in de energietransitie. Zeker als ze de samenwerking opzoeken, bijvoorbeeld op het gebied van waterstof, CCS en wind op zee. Nederlandse consul-generaal in Antwerpen Bert van der Lingen: ‘Het zou mooi zijn als we op dit vlak een bescheiden rol kunnen spelen door partijen bij elkaar te brengen.’

Volg je Bert van der Lingen op LinkedIn, dan vallen een paar zaken op. Zo is de Nederlandse consul-generaal in Antwerpen benaderbaar, zichtbaar en open. Zeker voor een diplomaat die naar eigen zeggen eigenlijk liever op de achtergrond opereert. ‘Het moet daarom wel functioneel blijven’, voegt hij er direct aan toe.

Ook is er een patroon te herkennen in zijn berichten en reacties. Veel gaan over technologische ontwikkeling, energietransitie en samenwerking op deze gebieden. Een diplomaat met voorliefde voor techniek; geen dagelijkse combinatie. ‘Ik zie momenteel veel interessante ontwikkelingen. Heel gaaf allemaal. Daar reageer ik proactief op en ik wil ook contacten leggen waar dat kan, uiteraard binnen de afgesproken bevoegdheden.’

Trilaterale initiatieven

In zijn vorige betrekking als Nederlands ambassadeur in Litouwen – tot september 2018 – toonde hij al zijn voorliefde. Daar stond energietransitie hoog op zijn agenda. Zo haalde hij in Nederland kennis op voor de aanleg van een infrastructuur voor vloeibaar aardgas in Litouwen. Ook dacht hij mee over een value chain voor getorreficeerde biomassa van de Baltische staat naar Nederland en de kansen van wind op zee voor Nederlandse bedrijven.

Bert van der Lingen: ‘In het Vlaamse regeerakkoord wordt Nederland maar liefst zestien keer genoemd.’

Toen twee jaar geleden de post van Nederlandse consul-generaal in Antwerpen voorbij kwam, greep hij die dan ook met twee handen aan. Want waar zijn er meer mogelijkheden voor gezamenlijke transitie dan bij twee buurlanden?

De post is ook nog eens in de enorme Antwerpse industriehaven. Aanknopingspunten te over. Bert van der Lingen: ‘België is na Duitsland de tweede handelspartner van Nederland, nog voor Frankrijk en Groot-Brittannië. En 86 procent van de meer dan 50 miljard goederenexport gaat naar Vlaanderen, waaronder ook naar de regio Antwerpen.’ Er is in Vlaanderen ook behoefte aan samenwerking met Nederland. Van der Lingen: ‘Wist je dat Nederland in het Vlaamse regeerakkoord maar liefst zestien keer wordt genoemd?’

Er is duidelijk momentum voor meer samenwerking tussen Nederland, Vlaanderen en ook Noordrijn-Westfalen. Zo zijn er ambitieuze initiatieven. Van der Lingen: ‘Denk aan de Trilaterale Chemiestrategie die in 2018 is begonnen. Daarin werken Nederland, Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen samen in drie werkgroepen. Op het vlak van innovatie heeft Nederland de lead, Vlaanderen heeft het voortouw op het gebied van energie en feedstocks en Noordrijn-Westfalen op het gebied van infrastructuur.’

Contacten

Hij besloot om er daarom nog een keer vol voor te gaan; over twee jaar gaat Van der Lingen met pensioen. En dan kan hij zich met zijn voorliefde voor transitie en technologie geen beter sluitstuk wensen. ‘Echt een fantastische uitdaging.’ Hoewel het maar weinig had gescheeld of het consulaat-generaal in Antwerpen had niet meer bestaan. In 2013 dreigden bezuinigingen er een einde aan te maken. Maar onder andere VNO-NCW was het daar niet mee eens, vanwege het enorme economische belang. ‘Uiteindelijk zorgde een motie in de Tweede Kamer ervoor dat het consulaat-generaal open bleef.’

Maar wel met een hoofdzakelijk economische inslag. Geen uitgifte van paspoorten meer. ‘Gelukkig hebben we nog wel culturele taken. Want onderschat niet de rol van culturele uitwisseling. Ook niet bij uitwisselingen op zakelijk vlak. Er wordt vaak gezegd dat het in Nederland om contracten gaat en in Vlaanderen om contacten, maar zo scherp is het onderscheid allang niet meer.’ Juist door uitwisseling zijn de verschillen volgens Van der Lingen steeds minder groot en worden ze in ieder geval gemakkelijker overbrugd.

Silver bullet

De consul ziet tal van interessante perspectieven op het gebied van samenwerking. Helemaal op het gebied van energietransitie. Neem bijvoorbeeld waterstof. Van der Lingen: ‘Als je ziet hoeveel plannen er momenteel zijn op het gebied van waterstof. Alleen al in Nederland. Denk bijvoorbeeld aan NortH2, het ambitieuze plan dat Groningen Seaports, Gasunie en Shell in februari presenteerden.’ Hij volgt de ontwikkelingen op de voet. Haalt verschillende rapporten en plannen aan. Enthousiast en geïnteresseerd.

Hij ziet nu ook verschillende andere landen met interessante vergezichten komen. De Duitse regering heeft bijvoorbeeld ook een waterstofplan van negen miljard euro gepresenteerd. Op het gebied van transport en productie kunnen Nederland en Vlaanderen daarbij zomaar een belangrijke rol spelen. Denk aan een verbindingen vanuit Nederland en Vlaanderen naar het Ruhrgebied.

Ook Frankrijk, Spanje, Portugal en bijvoorbeeld Marokko hebben sinds kort grote ambities op het gebied van waterstof. Niet verwonderlijk. Hoe zuidelijker je komt, des te goedkoper zonne-energie is op te wekken, waardoor waterstof daar ook goedkoper kan worden geproduceerd. En er kan aan de rest van Europa worden geleverd. Van der Lingen: ‘Vooropgesteld dat waterstof niet de silver bullet is, kan het gas wel een belangrijke rol spelen bij de transitie die nodig is. En de komende tien jaar kunnen op dat vlak enorme stappen worden gemaakt.’

Waterstof-backbone

Goed dat die plannen er zijn, maar het zou nog veel beter zijn als ze niet op zichzelf blijven staan. ‘Als diplomaat zoek ik altijd de verbinding. Het zou mooi zijn als we ook op dit vlak als consulaat-generaal een bescheiden rol kunnen spelen door partijen bij elkaar te brengen. Ik heb al plannen gezien voor waterstofpijpleidingen tussen Noord-Afrika en Zuid-Europa. Met alle plannen samen worden de contouren zichtbaar van een Europese waterstofinfrastructuur tot aan Scandinavië.’

Nederland en Vlaanderen kunnen in het centrum van deze infrastructuur terecht komen. Daarbij kan het van enorm belang zijn dat hier al een uitgebreide gasinfrastructuur ligt. ‘Het doet me deugd dat Gasunie en het Belgische Fluxis nauw betrokken zijn bij het plan voor een Europese waterstof-backbone, dat half juli werd gepresenteerd, samen met negen andere Europese gasinfrastructuurbedrijven.’

De bedrijven voorzien vanaf medio 2020 een geleidelijke ontwikkeling van een pijpleidingnetwerk dat in 2030 een totale omvang van 6.800 kilometer bereikt en dat waterstofclusters met elkaar verbindt. In 2040 moet er een waterstofnetwerk van 23.000 kilometer liggen, dat voor 75 procent bestaat uit omgebouwde aardgasleidingen. Uiteindelijk zullen er twee parallelle gastransportnetwerken ontstaan: één speciaal voor waterstof en één voor (bio)methaan. Deze aankondiging kwam een week nadat de Europese Commissie haar waterstofstrategie bekend heeft gemaakt. Daarin benadrukt de Commissie dat er een specifiek waterstofleidingnetwerk moet komen.

Koplopers

Van der Lingen ziet ook kansen voor de toeleverende industrie in Nederland en België. De ambitieuze waterstofplannen kunnen bijvoorbeeld niet zonder een enorme groei van wind op zee. Sowieso worden er de komende decennia enorm veel windparken bijgebouwd. In de Noordzee, maar ook in de rest van de wereld. ‘Prognoses van de IEA gaan uit van een toekomstige mondiale offshore capaciteit van 3,1 terawatt. Alleen al op het Nederlandse deel van de Noordzee zal de capaciteit tot 2030 meer dan verelfvoudigen. Onder andere Duitsland, de VS en Denemarken zijn sterk in de productie van windturbines en respectievelijk -molens. Nederland en Vlaanderen zijn echter mondiale marktleiders op het gebied van waterbouw op zee, met hun grote contractors voor de offshore. Die nemen nu ook het plaatsen en onderhouden van windparken op zich. Door meer samen op te trekken kan die positie alleen maar beter worden.’

Honderd jaar

Er liggen ook kansen voor de maakindustrie. Hij haalt daarbij het rapport van onder andere FME aan, waarin mogelijkheden voor de productie van elektrolyzers in worden beschreven. ‘Denk ook aan de recycling van de rotorbladen van windmolens.’ Een uitdaging op zich. Ze bestaan uit vezelversterkte composieten, die net zo moeilijk zijn te recyclen als bijvoorbeeld multilayer verpakkingen. ‘Nu al kan het gerecyclede materiaal worden gebruikt als versterking van bijvoorbeeld beton.’

Maar het is mooier als er hoogwaardigere bouwstenen uit worden gehaald, weet Van der Lingen. ‘Via pyrolyse bijvoorbeeld. Ik zie hier kansen voor recyclingbedrijven, bijvoorbeeld bij North Sea Port in Vlissingen.’
Vlaanderen

‘Onderschat niet de rol van culturele uitwisseling. Ook niet bij uitwisselingen op zakelijk vlak.’

Van der Lingen kent ook de plannen om van de Noordzee een “energiezee” te maken. Daarin kan de bestaande offshore-infrastructuur een belangrijke rol spelen. ‘Windenergie zal lang niet altijd in de vorm van elektronen aan wal komen, maar ook als moleculen.’ Op afgeschreven platforms, die anders moeten worden afgebroken, kunnen waterstoffabrieken worden gebouwd. ‘De gasinfrastuctuur in de Noordzee kan een belangrijke rol spelen bij het transport van waterstof. Het leidingennet kan nog wel honderd jaar mee.’

CO2-footprint

Een deel van de infrastructuur kan ook worden ingezet voor transport van CO2, om die op te slaan in lege gasvelden (carbon capture and storage, CCS red.). Op dat vlak zijn er ook interessante initiatieven voor een Vlaams-Nederlandse samenwerking. Door bijvoorbeeld de Antwerpse industrie aan te sluiten op het enorme Rotterdamse Porthos-project voor CCS. ‘Dat is echt een positief verhaal. Er kunnen tot 2050 enorme hoeveelheden CO2 worden opgeslagen in lege Nederlandse olie- en gasvelden, waardoor ook de CO2-footprint van de Antwerpse industrie enorm kan worden verlaagd. Er is zelfs sprake van een mogelijke verbinding met het Athos-project in de IJmond.’ Mogelijkheden genoeg in ieder geval.

Om zich heen zag Shell Pernis veel bedrijven hun onderhoudsstop uitstellen vanwege corona. Heel even overwoog ze hetzelfde te doen. Uiteindelijk zette ze haar turnaround in mei toch door. Het plan dat Shell indiende bij de Veiligheidsregio dient nu voor veel andere bedrijven als inspiratie om ook door te gaan met hun stop. Bij Shell was het een succes. Er zijn nul coronabesmettingen voorgekomen en het effect van alle maatregelen op de productiviteit was ‘niet noemenswaardig’. Sommige maatregelen blijken zelfs voor extra efficiëntie te zorgen en worden in volgende stops ook meegenomen.

Toen corona zich in Nederland aandiende, moest Shell beslissen of ze haar zesjaarlijkse onderhoudsstop aan tien fabrieken zou doorzetten. Jan van IJperen (turnaround event manager): ‘We zagen om ons heen dat veel bedrijven hun turnaround uitstelden naar het najaar. Dat hebben wij ook heel even overwogen. Maar het kon niet. We hebben namelijk het hele jaar door turnarounds en maken onderdeel uit van een hele keten van productstromen die op elkaar zijn afgestemd. Het heeft een enorme impact als wij een stop naar achteren verplaatsen.’

Het zorgde voor een grote uitdaging. Er moest een extra vergunning worden aangevraagd en een plan bedacht om de turnaround door te laten gaan terwijl de RIVM-maatregelen in acht worden genomen. Van IJperen: ‘De hele industrie zat met hetzelfde dilemma. Hoe kan je een onderhoudsstop doen en zorgen dat iedereen ‘s avonds gezond naar huis gaat? De ogen waren op ons gericht, want Shell zet door.’

Maatregelen

Van IJperen concentreerde zich als turn-around event manager op de coronamaatregelen. Zijn collega nam de rest van de onderhoudsstop op zich. Van IJperen: ‘Ik ben met een team van aannemers, de beveiliging, veiligheidsafdelingen, operatie en Shell Health om tafel gaan zitten om te kijken hoe we de turnaround veilig door konden laten gaan.’

Uiteindelijk is een hele rits maatregelen ingevoerd. Omdat er werkzaamheden zijn, die niet op anderhalve meter afstand van elkaar konden worden uitgevoerd en het grotere aantal medewerkers in de fabriek is, naast zoveel mogelijk de anderhalve meter afstand in acht te nemen, verplicht op de fabriek een gelaatscherm te dragen.

Het concern verdriedubbelde ook ruimtes. Er kwamen bijvoorbeeld extra kleedkamers, douches en wc’s. In de kantine plaatste ze schotten en in de rookruimte had iedereen een eigen vak. In auto’s en busjes mochten maar twee personen rijden, anderhalve meter uit elkaar.

Coaches

Een extra complicatie was dat er een paar honderd man uit het buitenland via aannemers bij Shell werkten. Zij konden vanwege lockdowns niet meer terug naar huis. Van IJperen: ‘De buitenlandse werknemers waren onder andere op vakantieparken ondergebracht. Daar moest ook een vorm van controle op komen, want je wilt dat daar ook de Nederlandse RIVM-maatregelen worden opgevolgd. Met de vakantieparken hebben we afspraken gemaakt. Er mochten maximaal vier mensen in een huisje, want dan kan je genoeg afstand houden en iedereen moest een eigen slaapkamer hebben. En wie samen werkt, zat ook samen in een huisje. Als er dan ergens een uitbraak is, hoef je maar een klein team uit de organisatie te halen.’

Jan van IJperen (Shell): ‘We hebben de druk van performancecontracten gehaald.’

De eerste weken moest er echt worden geholpen om het gedrag te veranderen. ‘Het gaat niet vanzelf, het kost energie’, zegt Van IJperen. ‘We hebben zogenaamde social distance coaches ingezet om mensen er op te wijzen om afstand te houden. Gelukkig hebben we niemand weg hoeven sturen, maar we hebben wel wat waarschuwingen moeten uitdelen.’

Stress eruit

Op de piek van de stop zouden 1800 man extra op het terrein zijn. ‘We hebben gekeken of we dat wat konden spreiden’, zegt Van IJperen. ‘Het onderhoud van een unit HV (High Vacuüm unit, red.) hebben we daarom naar voren gehaald. Hierdoor zijn 350 man drie weken eerder begonnen. Zo konden we de piek lager houden en kleinschalig kijken of onze maatregelen succesvol waren. Als dat niet zo was, konden we nog bijsturen of besluiten om de turn-around alsnog niet door te laten gaan.’

Het ging goed en de rest van de planning is niet aangepast. Maar aan die planning werden werknemers niet zo strak gehouden als anders. ‘Als we werkzaamheden door de coronamaatregelen minder efficiënt kunnen doen omdat er anders bijvoorbeeld te veel mensen bij elkaar zijn, dan is dat maar zo’, zegt Van IJperen. ‘Ook hebben we de druk van performance contracten gehaald. We wilden dat het werk veilig en kwalitatief goed werd gedaan. De stress wilden we eruit hebben. Het uitlopen van het evenement is minder belangrijk dan het veilig door laten gaan van de turnaround. Het mooiste is dat de impact op productiviteit nauwelijks te becijferen is. Het effect is niet noemenswaardig, het komt niet boven de twee à drie procent uit.’

Toekomst

Dat de impact op productiviteit minimaal is, komt waarschijnlijk omdat bij sommige werkzaamheden juist efficiënter is gewerkt. Inspecties zijn daar een voorbeeld van. Van IJperen: ‘Waar voorheen drie mensen inspectie moesten doen, hebben we nu gevraagd of één persoon het kon doen. Andere inspecteurs zaten thuis of op een andere locatie op het terrein en konden via video of foto’s meekijken. Dat is wonderwel goed gegaan.’

Het is volgens de turnaround event manager iets om mee te nemen naar stops in de toekomst. Net als de spreiding van lunchpauzes. ‘Niet iedereen hoeft tegelijkertijd de fabriek uit als de fluit gaat. Als je het goed organiseert, kan de ene groep best apart van de andere pauze nemen, zonder dat het werk sterk wordt beïnvloed. Spreiding helpt voor de veiligheid, want er zijn minder mensen tegelijk aan het lopen. Maar je krijgt ook geen opstoppingen bij de koffieautomaat of rookhokken. Uiteindelijk ben je dan misschien wel effectiever.’

shell pernis

‘Door de maatregelen rondom Covid-19 leek de veiligheid waar we normaal altijd uitgebreide plannen voor hebben nu minder aandacht te krijgen.’

Ook de nieuwe indeling van de dagshift en avonddienst is goed bevallen. De avonddienst is gevraagd eerder te komen zodat medewerkers helemaal omgekleed buiten stonden voor de startwerkbespreking, voordat de dagshift in de kleedkamers kwam. Van IJperen: ‘Uiteindelijk waren ze al helemaal paraat en konden ze het werk van de dagdienst gelijk overnemen. We gaan evalueren of we dit in de toekomst willen blijven doen.’

Niet inboeten op veiligheid

Terugkijkend op de onderhoudsstop is Van IJperen tevreden. Niemand is besmet geraakt tijdens de turnaround en er zijn geen grote veiligheidsincidenten voorgekomen. Op veiligheid moet niet worden ingeboet en dat is volgens Van IJperen nu wel een gevaar. ‘Door de maatregelen rondom Covid-19 leek de veiligheid waar we normaal altijd uitgebreide plannen voor hebben nu minder aandacht te krijgen. Gelukkig hebben we dat tijdig ingezien. De basis moet natuurlijk wel blijven.’

Dat heeft hij ook aan andere bedrijven meegegeven die het plan dat Shell bij de Veiligheidsregio indiende wilden inzien. ‘We zijn daar heel vrijgevig in geweest omdat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. We zijn concurrenten, maar ook collega’s. Daarnaast willen we de BV Nederland helpen door toeleveringsbedrijven en aannemers aan het werk te houden. Dat is belangrijk voor de continuïteit van die bedrijven.’

Wat is er gedaan tijdens de onderhoudsstop?

Tijdens de zesjaarlijkse onderhoudsstop heeft Shell Pernis aan tien fabrieken gewerkt. Die zijn van binnen en buiten geïnspecteerd en verbeterd. Onder andere vaten, torens en warmtewisselaars zijn geïnspecteerd, vervangen en gereinigd, zodat ze er weer drie tot zes jaar tegenaan kunnen. Daarnaast heeft Shell tijdens de stop onder andere een grote strippenkolom van 32 meter vervangen. De capaciteit van de nieuwe kolom is groter dan de oude.Shell Pernis is de grootste raffinaderij van Europa. De 66 fabrieken op het terrein verwerken samen twintig miljoen ton olie per jaar. Vorig jaar heeft het bedrijf ook al dertien fabrieken onder handen genomen tijdens een onderhoudsstop in februari en maart.

Hoewel digitale simulaties van de fysieke wereld niet nieuw zijn, is de daadwerkelijke koppeling van de twee werelden dat wel. Een digital twin kan de industrie helpen om complexe systemen zoals een petrochemische plant te optimaliseren met behulp van kunstmatige intelligentie. Om dat goed te doen, is wel veel data nodig uit de operationele wereld.

Die data is gelukkig steeds meer beschikbaar. De koppeling van de operationele technologie aan informatietechnologie vraagt wel om extra beveiligingsmaatregelen. Want wat virtueel geen schade kan aanrichten, kan in de echte wereld toch tot incidenten leiden.

Het viel Heinrich Wörtche al op toen hij een nieuwe laptop kocht. De hoogleraar miniature wireless explorative sensor systems aan de TU Eindhoven hoefde alleen toestemming aan het systeem te geven de digitale gegevens van zijn oude laptop over te nemen. ‘Alles wat ik de afgelopen jaren heb gedaan op de laptop, de afspraken die ik heb gemaakt, de routeinformatie die ik kreeg: alles was ergens te vinden in de cyberwereld. Eigenlijk hebben wij al een digital twin in de cloud. Onze smartphones en laptops zijn de sensoren die bijhouden hoeveel stappen we hebben gezet, welke plaatsen we hebben bezocht en welke hobby’s en liefhebberijen we hebben. Mijn smartphone weet via mijn agenda waar ik die dag moet zijn en waarschuwt me dat ik op tijd moet vertrekken omdat het druk op de weg is. We zijn snel gewend geraakt aan de gemakken van de ICT-wereld. Je kunt daar van alles van vinden wat betreft privacy, maar het schept ook zeer veel mogelijkheden.’

5G

Wörtche doet met name onderzoek naar sensorsystemen die hij vergelijkt met biologische neurale systemen. ‘De industrie en ingenieursbureaus maken al langer gebruik van computertekeningen voor het ontwerp van machines en fabrieken. Ze gebruiken de cyberwereld om de echte wereld te modelleren. We noemen zo’n cybersysteem echter pas een digital twin als hij via sensoren en actuatoren actief verbonden is met het fysieke systeem. Anders dan een cybersysteem kan een digital twin dus de werkelijkheid beïnvloeden. Die laatste eigenschap roept direct een aantal veiligheidsvragen op. Want waar je in een virtuele omgeving nog straffeloos fouten kunt maken, kunnen die in een digital twin wel degelijk fysieke gevolgen hebben. Daar moeten geen partijen met slechte bedoelingen toegang toe krijgen.’

Toch wil Wörtche niet te lang stilstaan bij de nadelen van een dergelijk systeem. ‘De industrie staat wereldwijd voor grote veranderingen’, zegt hij. ‘Met name de energiesystemen worden multimodaal. De industrie kan meerdere energiebronnen zoals wind- en zonne-energie in verschillende vormen inzetten. Als stroom- of warmtebron of bijvoorbeeld voor de productie van waterstof. De optimale toestand tussen die verschillende modi is lastig te vinden in de fysieke wereld. Dan is het eenvoudiger om eerst computermodellen te gebruiken en die vervolgens terugbrengen naar de realiteit. Daarbij geldt dat hoe meer vrijheidsgraden zo’n systeem heeft, hoe lastiger een accurate voorspelling te maken is. De waarde van een digital twin valt of staat dan ook bij de waarde van de data. Inmiddels is de rekenkracht van computers geen belemmering meer en ook de kunstmatige intelligentie is slim genoeg om complexe omgevingen te structureren. Sensoren worden steeds accurater en goedkoper. De enige bottleneck waar we nu nog tegenaan lopen, is de interconnectie. Met 5G zou ook die laatste hindernis moeten wegvallen en kunnen we zo goed als realtime data binnen krijgen en verzenden.’

Fysische modellen

Het samenwerkingsverband Digital Twin van zes universiteiten en twaalf industriële partners geeft een eigen betekenis aan de term digital twin. Het programma dat de komende vijf jaar onderzoek doet, maakte een eigen acroniem van de term: Integration of Data-driven and model-based engineering in future industrial Technology With value chain optimization.

digital twin

Heinrich Wörtche (TU Eindhoven): ‘Met 5G kunnen we zo goed als real-time data binnen krijgen en verzenden.’

Hoogleraar Bayu Jayawardhana, Rijksuniversiteit Groningen, geeft leiding aan het onderzoek dat vorig jaar vier miljoen euro subsidie kreeg van NWO. De industriële partners voegden daar nog 1,6 miljoen euro bij. ‘De maakindustrie gebruikt al langer computer aided design en manufacturing (CAD/CAM) technieken om machines te ontwerpen’, zegt Jayawardhana. ‘In die software kunnen ook theoretische fysische berekeningen worden gemaakt. Met zogenaamde eindige elementenanalyse kan je sterkteberekeningen maken of bijvoorbeeld stromingsgedrag nabootsen. Toch blijkt steeds weer dat de praktijk weerbarstiger blijkt dan de modellen kunnen voorspellen. We willen dan ook graag meetgegevens koppelen aan de modellen zodat het fysieke systeem de digitale werkelijkheid corrigeert. Als we theoretische modellen combineren met kunstmatige intelligentie en meet- en regeltechniek, ontstaat een zelflerend systeem dat zichzelf continu verbetert. Dat is niet alleen handig in de operationele fase, maar ook bijvoorbeeld voor predictive of prescriptive maintenance. In dat laatste geval geeft de machine zelf aan wanneer hij welk onderhoud nodig heeft. Een machine weet in het ideale geval wat er mis dreigt te gaan en welke afwijkende omstandigheden daartoe hebben geleid.’

In de toekomst zou een klant van bijvoorbeeld Philips of ASML niet alleen een fysiek product kopen, maar daar ook een digitale versie van krijgen. Jayawardhana: ‘Zo ziet een klant van hightech producten of een product geschikt is voor zijn processen, maar ook of het verenigbaar is met de andere systemen. Daarna blijft hij de digitale tweeling gebruiken om modificaties te testen of procesoptimalisaties door te voeren.’

Virtueel opschalen

Jayawardhana geeft het voorbeeld van de Hisarna-reactor bij Tata Steel. ‘Dit is een nieuw zeer complex elektrochemisch systeem dat potentieel veel energiezuiniger staal kan maken. Nu is men begonnen met een pilotplant op kleine schaal. Wil men dit proces opschalen, dan moet Tata Steel zekerheden hebben over het gedrag van de installatie bij langetermijn-productie. Op zo’n grotere schaal veranderen de omstandigheden dermate dat de fysische eigenschappen onvoorspelbaarder worden. Er ontstaan bijvoorbeeld cyclonen in de reactor die met de stromingsleer wel te verklaren, maar lastig te voorspellen zijn. En dan heb je ook nog te maken met heterogene producten zoals ijzererts en gas die het proces positief dan wel negatief kunnen beïnvloeden. Als we het proces opschalen met kunstmatige intelligentie die feedback krijgt van de fysieke pilot-installatie, kan je als het ware virtueel opschalen naar een hoger technology readiness level (TRL, red.). Zonder dat je eerst een fysieke fabriek op ware grootte bouwt, weet je al hoe de installatie zich kan gedragen onder diverse omstandigheden. De virtuele wereld stuurt dan de fysieke wereld bij.’

Bayu Jayawardhana (Rijksuniversiteit Groningen): ‘Door te leren van de fouten in de virtuele wereld, hoef je deze niet te maken in de fysieke.’

Het doel van Jayawardhana en zijn onderzoekers is dan ook om de digital twin in te zetten om de time to market van producten te versnellen. ‘De belofte van digital twins is groot: zero design loss, foutloos produceren, zero downtime en predictive en prescriptive maintenance. Door te leren van de fouten in de virtuele wereld, hoef je deze niet te maken in de fysieke omgeving. Dat maakt processen ook nog een stuk veiliger.’

Operator room

Dat de digital twin niet puur theoretisch is, bewijst Emerson. Toen het bedrijf een nieuwe operator room bouwde voor Huntsman, besloot men daar eerst een virtuele versie van te maken. Jacqueline de Waal is lifecycle services business manager bij Emerson. ‘Voordat we een operator room daadwerkelijk inrichten, doen we eerst een factory acceptance test. Zo kunnen we met behulp van een digitaal model testen of de gebruikte hard- en software goed op elkaar is afgestemd. Omdat Huntsman zijn operators graag alvast wilde voorbereiden op de nieuwe DCS- en SIS-omgeving, besloten we het bestaande model te upgraden naar een digital twin. Nu kunnen operators de omgeving nog steeds gebruiken voor trainingen, maar ook om modificaties virtueel te testen.’

De Waal ziet zeker meer kansen voor digital twins voor de procesindustrie. Alhoewel ze wel waarschuwt voor te grote verwachtingen. ‘Technisch is veel mogelijk, maar je moet wel goed nadenken over waarom je een dergelijke virtuele omgeving wil koppelen aan je fysieke proces. Het is namelijk niet eenvoudig een realistische kopie te maken van de procesomgeving. Natuurlijk zijn de simulatiemodellen wel aanwezig, maar de kennis van de operators en maintenance-afdeling zit met name in de hoofden van de experts. De meeste tijd gaat dan ook zitten in het vertalen van praktijkervaring naar realistische modellen.’

Toch wil De Waal de petrochemische industrie niet ontmoedigen. ‘De voordelen kunnen groot zijn, dus zijn de inspanningen de moeite waard. Maak het vooral niet te groot. Begin bij een klein project om ervaring te krijgen met het digitaliseren van processen en procedures. Breid het daarvandaan uit en voeg steeds meer kennis toe. Een digital twin is continu in beweging en moet dus ook continu worden geactualiseerd. De waarde groeit met data uit de keten via sensoren, maar ook de input over kennis en gedrag van de mensen door de hele keten heen. Laat de hokjes los en laat maintenance op gelijk niveau samenwerken met operations en QHSE-specialisten. Hoe meer disciplines bij het virtuele model worden betrokken, hoe meer waarde je uit een digital twin kunt halen.’

Locatie-informatie

Leveranciers van geografische informatiesystemen (GIS) zien steeds meer mogelijkheden om hun software in te zetten voor het bouwen van digital twins. Door locatiegebonden software aan de digital twin toe te voegen, weet een plantmanager waar zijn assets zich bevinden. Dat is geen overbodige luxe, blijkt uit de praktijk. Voor de productiesystemen hebben de meeste bedrijven de data namelijk goed op orde, maar hoe zit het bijvoorbeeld met brandblussystemen of andere secundaire systemen? Van sommige assets kent men nauwelijks de locatie of de onderhoudsgeschiedenis, wat soms tot gevaarlijke situaties kan leiden. Het is met bestaande data, al redelijk eenvoudig een 3D-model van een site te maken en blinde vlekken in het asset management op te sporen.Als er al 3D-tekeningen beschikbaar zijn, kunnen die in het model worden opgenomen. Een GIS-beheerder kan zo’n model vervolgens steeds meer verfijnen en uitbreiden.

Deze zomer was het erg chaotisch bij ons in het dorp. Nee, niet alleen vanwege corona en dat soortige zaken, maar vooral omdat de doorgaande weg door het dorp werd aangepakt. Wekenlang was alles afgesloten en moesten automobilisten en anderen die door het dorp wilden, een andere weg zoeken. Dat leverde natuurlijk veel gevaarlijke situaties op in de kleinere straatjes, langs de scholen en in de dorpskern.

Wat ik hier vooral wil aanhalen, is een mooie anekdote over de voorbereiding en uitvoering. Er is weer klip en klaar getoond hoe ver het bureauwerk af kan staan van de daadwerkelijke uitvoering en de werkvloer. Het was overduidelijk dat de communicatie tussen die twee enkel via tekeningen ging. U snapt het misschien al, er klopte helemaal niets van!

Verhitte buurtbewoners

Ergens achter een bureau had een ontwerper alles in kaart gebracht en minutieus ingetekend op de plattegronden. Maar in het veld liep men tegen allerlei tegenslagen aan. De opritten van de huizen lagen meters verschoven, aansluitingen van rioleringen bleken niet te passen en andere leidingen lagen op plekken waar men die niet verwachtte. De door de warmte toch al verhitte buurtbewoners waren natuurlijk niet te beroerd om aan de uitvoerder te melden dat het niet klopte en dat ze niet akkoord konden gaan met hoe het erbij lag. Op zijn beurt verwees de uitvoerder natuurlijk gewoon naar de tekeningen, want wat daarop staat is heilig. Om zeker te zijn dat hij die goed had gevolgd, werd alles nog even nagemeten met GPS-bepalingen. Het klopte toch echt?!?

Eigenlijk best belangrijk

Doordat het zich direct voor mijn deur afspeelde en ik vanwege de afgekondigde maatregelen voornamelijk thuis heb gewerkt, heb ik mij deze zomer kostelijk vermaakt met dit schouwspel. Dit voorbeeld toont echter overduidelijk aan hoe belangrijk het is dat de documentatie op orde is, vooral voor grotere projecten. Een van de grotere uitdagingen waar bedrijven, ook in de chemie, voor staan. Want de documentatie is het communicatiemiddel naar je latere collega’s over de wijze waarop de uitvoering uiteindelijk is gedaan. Het is de input voor projecten die aansluiten op jouw werkzaamheden, het is de basis voor veiligheidsstudies en één van de zaken waarop moet kunnen worden teruggevallen in calamiteitensituaties. Eigenlijk dus best belangrijk. Toch wordt het correct documenteren vaak als een restpunt afgedaan. Het is dan ook een van de eerste zaken die sneuvelen als er weinig tijd of geld over is.

Gelukkig kennen we in de chemie de pre-startup-safety-review. Alles wordt nagelopen voordat we opstarten. De opgeleverde situatie moet voldoen aan de tekeningen, en de tekeningen worden gecontroleerd aan de opgeleverde situatie. Dit verkleint de kans op fouten en bevordert het correct documenteren. Toch herkent iedereen wel hoe moeilijk het is om bijvoorbeeld P&ID’s up-to-date te houden. Ook wij hebben daar nog wel een uitdaging.

Ontruiming van woningen

Bij ons in de straat bleken de rioolwerkzaamheden niet aan te sluiten, doordat er ooit aanpassingen zijn geweest aan het bestaande riool, die niet zijn vastgelegd. Er werd een noodgreep gedaan en dankzij de inventiviteit van de werklui paste het alsnog. Maar of deze aanpassing bij oplevering is opgetekend, betwijfel ik. Het lerend vermogen is niet groot, of men gunt eventuele toekomstige werkzaamheden dezelfde frustraties.

Later moest ook de brandweer er nog aan te pas komen. De gasleiding bleek niet daar te liggen waar hij zou moeten zijn. Het gevolg was een grote uitstroming van aardgas en ontruiming van enkele woningen. Tja, waar moest die leiding nu worden afgesloten? Er werd op veilige afstand een gat gegraven, maar niets aangetroffen. Volgens de tekeningen had hij hier toch moeten zijn…

Chris Aldewereld is ingenieur Scheikundige Technologie en werkzaam als Specialist Industriële Veiligheid.

Aldewereld@gmail.com

Geen suikerproducent, maar bietenverwerker. Dat is Cosun Beet Company, tot voor kort bekend als Suiker Unie. ‘Het lijkt een nuance dat we nu bietenverwerker zijn in plaats van suikerproducent, maar het is een groot verschil’, zegt plantmanager Luc Kroes. Suikerbieten zijn niet alleen een bron van suiker, maar de coöperatie haalt er ook eiwit, groen gas en biobased producten uit.

Cosun Beet Company is een coöperatie van negenduizend telers met een ambitieuze ambitie. Het bedrijf wil de grootste, groenste, innovatiefste en succesvolste bietenverwerker van de wereld worden. ‘Suikerbieten zijn een bron van innovatieve en circulaire oplossingen. Het gewas biedt hele mooie mogelijkheden voor de problemen waar wij als maatschappij voor staan’, zegt Luc Kroes, plantmanager van de suikerfabriek in Dinteloord. ‘Alles wat je uit olie maakt, kan je ook maken op basis van suikerbiet. Olie is niks anders dan een hele oude plant. Als ik er als chemisch technoloog naar kijk, dan zijn de componenten, de koolstofketens die erin zitten, gelijk. Van suikerbieten kan je dus bijvoorbeeld ook bioplastic maken.’

Een jaar of tien geleden is de omschakeling van suikerproducent naar bietenverwerker ingezet. Toen is een biomassavergister geopend op het terrein in Dinteloord. Met deze installatie produceert Cosun Beet Company groen gas uit kleine restdelen van de bietenplant. Het groen gas gebruikt ze voor haar eigen ketels en levert de coöperatie aan het openbaar net. Kroes: ‘Cosun Beet Company is de grootste groengasproducent van Nederland. Ook onze suikerfabrieken in Vierverlaten en Anklam (Duitsland, red.) hebben nu een eigen biomassavergister.’

Suiker en andere producten

Duurzaamheid zit volgens Kroes in het dna van het bedrijf. ‘Technologieën veranderen en daar maken we gebruik van. We zullen altijd suiker uit bieten blijven halen, maar het is niet meer ons enige product. Restafval kennen wij niet. We halen een meststof uit de suikerbiet, verkopen pulp als veevoer en uit bietendeeltjes maken wij Betafib, een verdikkingsmiddel dat wordt gebruikt in wasmiddel en verf. Een ander voorbeeld is Betabind dat wordt gebruikt in vaatwastabletten om kalkaanslag tegen te gaan.’

Daarnaast haalt Cosun Beet Company tegenwoordig eiwit uit bietenblad. ‘Nu alles meer verschuift van dierlijke eiwitten naar plantaardige, kunnen wij daar een mooie bijdrage aan leveren. Vorig jaar hebben we een proefplant gebouwd op ons terrein en in 2022 willen we een eerste productiefabriek voor het eiwit openen. Ook ontwikkelt de coöperatie biobased producten uit bietenpulp, wat moet leiden tot een eerste bietenpulp-raffinagefabriek.

Lage kostprijs

Als plantmanager van de suikerfabriek in Dinteloord heeft Kroes als taak om veiligheid uit te dragen. ‘Wij willen geen ongevallen met verzuim. Ook zorg ik voor de samenwerking tussen diverse disciplines die wij op de plant hebben. Het is belangrijk om de productieafdeling, onderhoudsafdeling en engineering-afdeling op elkaar te stroomlijnen. En last but not least moet ik ervoor zorgen dat de budgetten worden gehaald. We moeten produceren tegen een lage kostprijs. Suiker is een prachtig product, maar de concurrentie uit het buitenland is heel groot. Je kan een prachtige duurzame fabriek hebben staan, maar als je te duur bent, red je het niet.’

Luc Kroes (Cosun Beet Company): ‘Alles wat je uit olie maakt, kan je ook maken op basis van suikerbiet.’

Reductie van het energieverbruik is belangrijk om de kostprijs laag te houden en om steeds duurzamer te kunnen produceren. Om tegen een lage prijs suiker te produceren, heeft Cosun Beet Company haar energieverbruik enorm verlaagd. Kroes: ‘Sinds 1990 hebben we ons primaire energieverbruik al met meer dan vijftig procent verlaagd. Dat hebben we vooral bij de kristallisatieafdeling en verdampingsafdeling gedaan.’

Meertrapsverbranding

In een suikerbiet zit 17 procent suiker en 75 procent water. Uiteindelijk moet dat een suikerkristal  worden met nul procent water. ‘Wij verdampen dus veel water’, legt Kroes uit. ‘Daarvoor maken we gebruik van meertrapsverdamping. Om het energieverbruik te verlagen is dat een 7-trapsverdamping en we zijn bezig om in de toekomst uit te breiden naar een 8-trapsverdamping in onze fabriek in Vierverlaten.’ Het werkt als volgt: De suiker en het water worden verwarmd. De damp die hierbij ontstaat wordt vervolgens gebruikt om in een volgende trap het product nog verder in te dikken. Dat wordt zeven keer gedaan.’

Bietencampagne

Wat gebeurt er verder voor en na deze meertrapsverdamping in een suikerfabriek? Cosun Beet Company is een apart bedrijf, een campagnebedrijf. Voor de werknemers betekent dit dat ze een deel van het jaar operator zijn en een ander deel onderhoudsmonteur. Als de bieten zijn geoogst, komen ze naar de fabriek. Tijdens deze bietencampagne van september tot januari zijn medewerkers operator. In die periode verwerken zij 3,4 miljoen ton suikerbieten. Deze worden schoongemaakt, gesneden en via een extractieproces met warm water ontstaat ruwsap. Hierin zitten suiker, water en andere stoffen uit de biet. Die laatste worden er uit gehaald.

bieten

‘Werknemers zijn een deel van het jaar operator en een ander deel onderhoudsmonteur.’

Het gezuiverde product heet nu dunsap, een mengsel van water met suiker. Dat wordt verder ingedampt tot er een dikke zoete brij, diksap genaamd, overblijft. Een deel van dat diksap wordt opgeslagen en een ander deel wordt gekristalliseerd. Het mengsel van suiker en stroop gaat naar een centrifuge waarin de suikerkristallen van de stroop worden gescheiden. De suiker wordt nog gedroogd en gekoeld en vervolgens opgeslagen in suikersilo’s.

Onderhoud

In januari is de bietencampagne voorbij. Kroes: ‘Dan zijn onze medewerkers geen operator meer, maar onderhoudsmonteur. Het is bijzonder, ze hebben één werkgever maar twee banen. We nemen mensen aan op mbo- en mbo-plus-niveau met een elektrotechnische, meet- en regeltechnische achtergrond of bouwkundige achtergrond. Vaak nemen wij dus mensen aan uit een technisch vak en scholen ze om zodat ze ook operator zijn. Het wordt als heel leuk ervaren, omdat het gevarieerd is. Je ziet ook dat mensen hier lang werken. Suiker plakt, zeggen wij wel eens.’

Ook voor kennisborging is het voordelig dat medewerkers zowel operator als onderhoudsmonteur zijn volgens de plantmanager. ‘Iemand die onderhoud doet aan zijn eigen apparatuur kent die apparatuur goed. Als de campagne loopt en het onderhoud is goed gedaan, kan hij ontspannen achter zijn bedieningspaneel zitten. Maar als er een storing is, dan weet hij ook heel goed wat er aan de hand is.’

Diksapraffinage

Van mei tot en met juni wordt het diksap dat tijdens de bietencampagne is opgeslagen naar de fabriek gehaald om er suikers van te maken. Waarom dat niet ook tussen september en januari wordt gedaan, legt Kroes uit. ‘Je kunt de fabriek eigenlijk opsplitsen in twee delen. In het eerste gedeelte verwerken we de bieten en maken we het diksap. Dat moet snel, want suikerbieten zijn niet oneindig houdbaar. Dat betekent dat we een enorme hoeveelheid diksap hebben die wij moeten kristalliseren in het tweede gedeelte van de fabriek. Als die de capaciteit bij moet houden, zou dat gedeelte van de fabriek heel groot moeten zijn. En dan heb je ook heel veel suikersilo’s nodig waar de suiker in wordt opgeslagen. Dat is enorm duur. Daarom kristalliseren we het diksap met de capaciteit die we hebben en zetten we de rest apart in grote tanks.’

Aan het eind van de bietencampagne zitten de suikersilo’s dus vol, maar deze raken ook weer leeg door de verkoop van suiker. Kroes: ‘In mei kunnen we het diksap dat we apart hebben gezet terughalen naar de fabriek om er suikers van te maken. Een leuke spin-off is dat je diksap beschikbaar hebt dat een mooie basis is voor de biobased economy. Je kunt er bijvoorbeeld plastics van maken. Dat we niet al het diksap in één keer kristalliseren zorgt er dus voor dat we geen enorme investeringen hoeven te doen en het geeft ons de kans om te innoveren.’

Tussen juni en september wordt verdergegaan met onderhoud aan de fabriek. Het meeste onderhoud wordt door eigen medewerkers gedaan. Daarna gaat de bietencampagne weer van start.

Feiten en cijfers suikerfabriek Dinteloord

  • Cosun Beet Company is een coöperatie van 9000 bietentelers.
  • De bietencampagne duurt 140 dagen.
  • In een suikerbiet zit 17 procent suiker.
  • De fabriek in Dinteloord verwerkt 3,4 miljoen ton suikerbieten tussen september en januari. Dat is zo’n 30.000 ton per dag.
  • De suikerbieten leveren 600.000 ton suiker op.
  • In een bulkwagen past 30 ton suiker.
  • In Dinteloord werken 150 mensen, tijdens de bietencampagne komen daar nog eens 60 medewerkers bij.
  • Cosun Beet Company heeft sinds 1990 haar energieverbruik al met meer dan 50 procent verlaagd. Daar blijft het niet bij. In 2025 wil het bedrijf 15 procent hebben gereduceerd ten opzichte van 2020. In 2030 moet dat al 33 procent zijn. Uiteindelijk wil ze in 2050 energieneutraal zijn.

De plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over zijn werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren?Kent u interessante plantmanagers? Mail dan naar redactie@industrielinqs.nl

Onlangs maakte BP bekend voor 2030 beduidend minder op fossiele bronnen te willen leunen. Eerder kondigde het al de verkoop aan van haar overgebleven chemie aan Ineos. Twee decennia terug leek het concern ook al van gedaante te willen veranderen. De term Beyond Petroleum bleek echter al gauw een wassen neus. De nieuwe poging lijkt serieuzer. Hoe zit het met andere oliebedrijven? Willen ze net als BP richting duurzame energie of slaan ze juist een andere weg in?

In juli 2000 lanceerde British Petroleum (BP) een spraakmakende communicatiecampagne van tweehonderd miljoen dollar, ontworpen door reclamebureau Ogilvy & Mather. Het moest het concern als milieuvriendelijk te positioneren. BP introduceerde een nieuwe slogan, Beyond Petroleum, en veranderde zijn zeventig jaar oude logo in een vrolijke groen en gele zonnestraal.

Al gauw kwam er veel kritiek op de campagne. BP bracht niet in praktijk wat het predikte. Zelfs verre van dat! Het concern gaf in 1999 slechts 45 miljoen dollar uit om het zonne-energiebedrijf Solarex te kopen. Een microscopische aanwinst in vergelijking met de 26,5 miljard dollar die het investeerde om Arco te kopen voor uitbreiding van de oliebooractiviteiten. En dat veranderde niet. BP is bijvoorbeeld ook het bedrijf achter het controversiële teerzandproject in Alberta, Canada. En na de olieramp in de Golf van Mexico zag de greenwashing-campagne van BP er nog minder gladjes uit.

Veertig procent

De nieuwe poging, nu al in de Britse pers Beyond Petroleum 2.0 genoemd, lijkt serieuzer. Ook meer in lijn met huidige grote maatschappelijke ontwikkelingen. Zo staat het klimaat beduidend hoger op de maatschappelijke en politieke agenda dan twintig jaar geleden. Bovendien heeft de coronacrisis de kwetsbaarheid van de oliesector pijnlijk blootgelegd. De olievraag kan door een pandemie of andere wereldwijde gebeurtenissen in korte tijd enorm dalen, zonder dat die daarna automatisch weer snel herstelt. Inmiddels kruipt de olieprijs wat uit het dal, maar met name het vliegverkeer zal veel tijd nodig hebben om te herstellen. En daarmee ook de vraag naar kerosine. Wellicht zal het zakelijke verkeer nooit helemaal op het oude niveau komen doordat bijvoorbeeld online communicatievormen een enorme impuls hebben gekregen. Klimaatargumenten zullen die trend alleen maar versterken.

Oliebedrijven houden er rekening mee dat zij de coronacrisis nog jaren voelen. Shell voorziet pas in 2023 weer olieprijzen van zestig dollar. BP toonde nog pessimistischer prognoses, waarin de olieprijs pas in 2025 begint op te klimmen vanaf vijftig dollar, en waarin de aardgasprijs op het huidige, enorm lage niveau blijft. Een momentum lijkt geboren.

Ook voor beleggers; zij snakken naar nieuw elan. En dat lieten ze begin augustus ook blijken. BP presenteerde belabberde kwartaalcijfers, zelfs slechter dan verschillende concurrenten. Maar het signaal dat BP afgaf bleek zwaarwegender. De concrete ommezwaai die bestuursvoorzitter Bernard Looney aankondigde, werd door beleggers zo goed ontvangen dat de koers direct met 6,5 procent steeg. Met de aankondiging is BP het eerste olie- en gasbedrijf dat openlijk minder fossiel wil worden. In 2030 wil het bedrijf veertig procent minder olie en gas produceren dan nu.

Voorzichtiger

Het concern moet anders dan in 2000 nog wel de daad bij het woord voegen. Het is immers nog niet verder dan relatief progressieve oliegiganten als Shell en Total en ook de wat kleinere concerns als Equinor en Repsol op het gebied van duurzame opwekking. Vooralsnog zijn alleen de statements en de doelstellingen van BP steviger. En dan is het belangrijk dat het deze keer niet bij een dure reclamecampagne blijft.

Wel zijn de doelstellingen duidelijker dan twintig jaar geleden en dus ook meetbaarder. En ze lijken ook concreter en voortvarender dan die van bijvoorbeeld Shell, dat de lijst aanvoerde voordat BP met haar plannen naar buiten kwam. Ook Shell wil haar eigen bedrijfsvoering klimaatneutraal maken. Daarnaast wil het bedrijf de uitstoot die ontstaat door de verbranding van haar producten voor een belangrijk deel compenseren: 65 procent minder in 2050. Dat betekent dat Shell gaat samenwerken met de lucht- en scheepvaart om alternatieve brandstoffen te vinden. Ook zal een belangrijk deel van de ‘nettonulstrategie’ op compensatie en opslag van CO2 leunen, via nieuwe technieken of beproefde methoden zoals bomenplant.

In 2050 wil BP netto geen broeikasgassen meer uitstoten. Weliswaar heeft Shell dat ook toegezegd, maar dat concern zoekt het deels in compensatie.

Het grote verschil met BP is dat Shell – misschien wel tot 2050 – geen afscheid neemt van olie en met name aardgas, wat ze als een belangrijke transitiebrandstof ziet. Voor Shell is het vooral en-en. Want naast haar bestaande activiteiten heeft het Nederlands-Britse concern grote plannen met onder andere waterstof en windparken.

Het lijkt erop dat Shell van fouten in het verleden wil leren. Al in de jaren negentig had het concern grote plannen met waterstof, verkocht het duurzaam opgewekte stroom aan consumenten en wilde het fors investeren in zonne-energie. Achteraf was dat op de meeste gebieden te vroeg en bovendien wekte het “fossiele” imago van het bedrijf ook veel argwaan en wantrouwen op. Misschien dat Shell daardoor wat voorzichtiger is geworden. Niet in de ambities, maar wel in de communicatie.

Compensatie

In tegenstelling tot Shell en veel andere relatief progressieve oliemaatschappijen lijkt BP helemaal afscheid te willen nemen van fossiel. Het concern heeft daarbij ook een aardig tempo voor ogen. Neemt BP zijn nieuwe klimaatplan echt serieus, dan moet het nu al versnellen. Zo wil het de komende vijf jaar de CO2-uitstoot van zijn olie- en gasproductie met twintig procent verminderen. In 2030 wil het jaarlijks vijf miljard dollar investeren in niet-fossiele activiteiten, die daarmee moeten vertienvoudigen, en wil het veertig procent minder olie en gas produceren dan nu.

BP wil veranderen van een internationale oliemaatschappij in een geïntegreerd energiebedrijf, een ambitie die overigens ook weleens door Shell is uitgesproken. BP wil straks bijvoorbeeld ook de energievoorziening regelen voor landen, steden en instellingen en het aantal laadpalen voor elektrische auto’s vernegenvoudigen. In 2050 wil BP netto geen broeikasgassen meer uitstoten. Weliswaar heeft Shell dat ook toegezegd, maar dat concern zoekt het dus deels in compensatie.

 

BP

 

 

 

 

 

 

BP introduceerde in 2000 een nieuwe slogan, Beyond Petroleum, en veranderde zijn zeventig jaar oude logo in een vrolijke groen en gele zonnestraal. 

 

BP heeft blijkbaar een totale transformatie voor ogen. Meer volgens het voorbeeld van DSM, dat zich in een halve eeuw van mijnbouwbedrijf, via bulkchemie in een producent van fijnchemische en lifescience-producten transformeerde. Het concern krijgt daarvoor veel lof. Ook omdat het erin slaagde om de laatste jaren veel omzetverhoging uit – op duurzaam gerichte – innovatie te halen. Die ontwikkeling begon in 2006. Op dat moment kwam vijf procent van de sales van DSM uit innovatie. Vorig jaar was dat 21 procent. De snelheid van innovatie is de laatste jaren verviervoudigd. Daarnaast is de winstgevendheid van de omzet uit innovatie significant hoger dan de lopende activiteiten, stelt het concern.

Groeibriljant

Tegelijkertijd zijn daar vanuit macro-economisch perspectief ook kanttekeningen bij te plaatsen. DSM verkocht veel van haar traditionele activiteiten, aan onder andere Sabic, OCI Nitrogen en Lanxess. Innovatie is in de segmenten waarin DSM zich momenteel begeeft gemakkelijker. Door gericht bedrijven te acquireren en ook onderdelen te verkopen, schoof de producent de laatste decennia steeds meer op in de keten. Van basismaterialen naar speciale producten, waardoor het concern steeds dichter bij de klant kwam te staan.

Nu staan de meeste nieuwe eigenaren van voormalige DSM-activiteiten inmiddels bekend als innovatiegerichte bedrijven. Zo zet Sabic momenteel stappen op het gebied van chemische recycling van kunststoffen, biomassa als grondstof en de elektrificatie van haar processen. En ook de andere opvolgers zitten niet stil. Dat heeft er deels ook mee te maken dat deze bedrijven zich volledig focussen op basischemie. En dan blijkt met de nodige aandacht ook meer mogelijk te zijn. De chemie heeft daar al meer voorbeelden van gegeven. Een bedrijf als Covestro heeft dat bijvoorbeeld ook laten zien, na haar afscheiding van Bayer. Ze ontwikkelde zich van ondergeschoven kindje tot groeibriljant met innovatieve en duurzame ambities. Beleggers wisten dat al zeer te waarderen.

Grotere stappen

Dat BP haar chemietak aan Ineos verkoopt, hoeft dus niet per se negatieve gevolgen te hebben voor de innovatiekracht van de chemie als sector. Belangrijk is vooral wat de nieuwe eigenaar Ineos met de chemie-onderdelen gaat doen. Wellicht kan het verschillende efficiëntieslagen maken door nog meer integratie van activiteiten. Bijvoorbeeld in Vlaanderen, waar BP fabrieken in Geel heeft staan en Ineos fors aan het uitbreiden is in Antwerpen.

tekst gaat verder onder de afbeelding

BP

Als BP al in 2030 veertig procent minder olie en gas produceert dan nu, wat gaat het concern dan met de activiteiten op dat vlak doen?

Wel is duidelijk dat Ineos veel van haar grondstoffen uit de schaliegaswinning wil gaan halen. Of dat een positieve ontwikkeling is in de verduurzaming van bijvoorbeeld de chemiesector in Europa, wordt her en der betwist. Vooralsnog lijken bedrijven als Sabic, BASF, Nouryon en Covestro grotere stappen te zetten in de verduurzaming van de chemie.

Stap te ver

De grootste macro-economische onzekerheden liggen echter op een ander terrein. Als BP al in 2030 veertig procent minder olie en gas produceert dan nu, wat gaat het concern dan met de activiteiten op dat vlak doen? Is dan veertig procent van haar bestaande velden uitgeproduceerd? Gaat BP eigenhandig kranen dichtdraaien en uiteindelijk ook die van de raffinaderijen, in bijvoorbeeld de Europoort?

Of gaat het concern nog renderende olie- en gasactiviteiten verkopen? In dat geval is het alleen maar een verandering van eigenaar en kan BP steeds meer haar handen schoonwassen. De wereld hoeft er op het gebied van duurzaamheid onder de streep niet beter van te worden. Zeker niet als de activiteiten in handen komen van partijen die het klimaat minder ernstig nemen.

Uiteraard hangt veel af van hoe de markt zich in de toekomst gaat bewegen. Als de vraag naar fossiele brandstoffen structureel gaat afnemen, dan ontstaat er een volstrekt andere dynamiek. Dan wordt het ook essentieel hoe snel BP en andere – al dan niet transformerende – bedrijven alternatieven voor fossiele brandstoffen succesvol in de markt zetten.

Dat kan overigens zeer markant worden. BP kan dan in de precaire situatie terechtkomen dat zij als bekeerling eigenhandig de bijl aan haar oorspronkelijke wortel kan leggen. Iets dat voor Shell en nagenoeg alle andere olie- en gasbedrijven nog een stap te ver lijkt.

Hopelijk heeft u allen een gezonde en fijne zomer gehad. We hebben weer een goedgevulde editie van Petrochem voor u gemaakt! Om zich heen zag Shell Pernis veel bedrijven hun onderhoudsstop uitstellen vanwege corona. Heel even overwoog ze hetzelfde te doen. Uiteindelijk zette ze haar turnaround in mei toch door. Het plan dat Shell indiende bij de Veiligheidsregio dient nu voor veel andere bedrijven als inspiratie.

En verder in dit nummer:

Voor Vlaanderen en Nederland liggen er voldoende kansen in de energietransitie, bijvoorbeeld op het gebied van waterstof, CCS en wind op zee. Nederlandse consul-generaal in Antwerpen Bert van der Lingen: ‘Het zou mooi zijn als we partijen bij elkaar kunnen brengen.’

In juli keurden de Europese leiders een voorstel goed om vanaf 2023 CO2-belasting te heffen op geïmporteerde goederen. Daarmee zou de decarbonisatie van de Europese industrie wel eens een versnelling kunnen krijgen.

De nieuwe poging van BP om minder op fossiele bronnen te leunen lijkt serieuzer dan twee decennia geleden. Hoe zit het met andere oliebedrijven? Willen ze net als BP richting duurzame energie of slaan ze juist een andere weg in?

Geen suikerproducent, maar bietenverwerker. Dat is Cosun Beet Company, tot voor kort bekend als Suiker Unie. ‘Het lijkt een nuance, maar het is een groot verschil’, zegt plantmanager Luc Kroes.

Thema: Procesautomatisering

Hoewel digitale simulaties van de fysieke wereld niet nieuw zijn, is de daadwerkelijke koppeling van de twee werelden dat wel. Een digital twin kan de industrie helpen om complexe systemen zoals een petrochemische plant te optimaliseren met behulp van kunstmatige intelligentie.

Petrochem 5 ligt 8 september bij de lezers op de mat. U kunt het blad nu ook tijdelijk alvast online lezen!