Toen Jos Geysels tijdens ons congres Chemvision 2003 de zaal over een – dacht hij – provocerende stelling liet stemmen, verwachtte hij een zee aan rode kaarten. Geysels was in die tijd een prominent van de Vlaamse milieupartij Groen! En hij stond voor zo’n tweehonderd beslissers uit de chemische industrie. Zijn natuurlijke tegenstanders, dacht hij. Bijna geschokt was hij toen hem juist een groene gloed van kaarten toescheen. Het overgrote deel van de zaal was het met hem eens! Een breuk in het beeld dat hij jarenlang van de industrie had. Zijn ideeën over duurzaamheid en veiligheid en de heersende mening in de industrie lagen veel dichter bij elkaar dan hij had kunnen bevroeden.

Champions League

Verduurzaming leeft al langer in de industrie dan het akkoord van Parijs. Eerder namen juist verschillende bedrijven het voortouw, waar politieke structuren faalden om tot overeenstemming te komen. Parijs was wat dat betreft een breuk met het verleden. Voor zo lang dat duurt, want een excentrieke, doch democratisch verkozen Amerikaanse president lijkt roet in het eten te gooien.
Of de soep werkelijk zo heet wordt gegeten, is gelukkig maar de vraag. Want wat is de macht van de Amerikaanse president als veel grote financiers niet meer terug willen en verschillende enorme concerns en talloze kleinere bedrijven het steenkolentijdperk al ver achter zich hebben gelaten. Ook verschillende Amerikaanse spelers doen verdienstelijk mee in de Champions League van de circulaire economie. Denk aan Coca-Cola, Google en vele innovatieve kleinere bedrijven in bijvoorbeeld Silicon Valley.

Verbinding

In Nederland mogen we zeker trots zijn op concerns als Unilever, AkzoNobel en DSM, die in hun sectoren wereldwijd vooroplopen op het gebied van duurzaamheid. Je moet er dus alleen daarom al niet aan denken dat ze in handen komen van concerns die minder open en breed de wereld in kijken.

Toch lijken vertegenwoordigers in de industrie zelf ook meer dan eens verbaasd over de progressiviteit die hun collega’s aan de dag leggen. Toen ik met scheidend Plant Manager of the Year Jeroen van Woerden de oogst doornam van onze serie ‘Het Schaduwkabinet van de Industrie’, was hij haast verbaasd dat iedere geïnterviewde duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan. ‘Ik denk dat de industrie een coalitie met daarin Groen Links gemeend zal toejuichen als ik dit allemaal lees’, liet hij zich ontvallen.

Misschien is dat het ook wel. Juist in de verbinding tussen verschillende partijen ontstaan soms verrassende inzichten. Partijen moeten daar echter wel voor in beweging komen. Alleen wil elke partij dat de ander eerst beweegt. Dan schiet het helaas weinig op.

Hol van de leeuw

Soms krijg ik het idee dat het minder energie kost om je ergens tegen af te zetten, of je hakken in het zand te zetten, dan om juist de verbinding te zoeken. Bewegen kost uiteraard energie, maar je wordt er wel fitter en dus beter van. Zodra je het beginnetje hebt gemaakt, levert samenwerking veel meer op dan polarisatie. Uiteindelijk. En dan moet je in gesprek gaan met je ogenschijnlijke tegenstanders, je soms begeven in het hol van de leeuw. Maar als je dichterbij komt, blijken er vaak veel meer overeenkomsten te zijn. Zoals ook Jos Geysels in 2003 ondervond. Dat is echt niet veranderd.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter : @wimraaijen

Midden april maakte essenscia, de Belgische chemie- en farmasector, haar jaarresultaten 2016 bekend. Het gaat deze sector goed zowel qua omzet, waardecreatie, onderzoek & ontwikkeling en investeringen. Wat opviel was de groei van de werkgelegenheid: 1400 banen werden gecreëerd tijdens de afgelopen twee jaar. Het is de sterkste banengroei van de voorbije tien jaar. Nog opvallender is dat 52 procent van de nieuwe jobs zijn ingevuld door vrouwen. De diversiteit neemt toe en stilaan evolueert de sector naar het genderevenwicht in de maatschappij.

Toen ik mijn verrassing daarover uitte tijdens de driemaandelijkse babbel met Wouter De Geest, voorzitter van essenscia, temperde hij enigszins mijn enthousiasme. Die groei in de vrouwelijke tewerkstelling speelt meer in de farma dan in de chemie. Heel wat onderzoekers zijn vrouwen en vinden een job in de farma. Al stromen vrouwen sneller dan vroeger door naar de hoogste managementniveaus, de chemie kan nog een tandje bijsteken. Ter illustratie: kijk maar eens hoeveel vrouwen er aanwezig zijn in het expertpanel van dit blad: 4 op de 42! En tel eens uit hoeveel vrouwen er al de titel manager van het jaar in de wacht konden slepen. Bij mijn weten 1 en dat was een vrouwelijk plantmanager van BASF Antwerpen die de prijs deelde met een mannelijk collega.

Voorrang

In 1988 was ik een van de weinige kaderleden die een vrouw als chef had toen ik aan de slag ging bij BASF Antwerpen. De eerste vrouwen met een verantwoordelijke positie in chemische ondernemingen waren te vinden op ondersteunende functies als communicatie, juridische- en personeelszaken. In de echte productie- en technische afdelingen waren geen vrouwen te bekennen. Ik herinner me nog dat we in 1988 een artikel publiceerden in het bedrijfsblad waarin we de eerste drie aanstellingen van vrouwelijke ingenieurs en doctors in de scheikunde aankondigden. Sindsdien hebben vrouwen hun plaats ook gevonden in verantwoordelijke productie- en technische functies. ‘Dat hebben we mede mogelijk gemaakt door een tijdlang de voorrang te geven aan vrouwelijke kandidaten als die over dezelfde talenten beschikten als hun mannelijke medekandidaten. Dat was de voorwaarde. Maar lang hebben we die voorrangskeuze niet moeten hanteren’, zegt De Geest. Voor de eerste vrouwelijke operator moesten we bij BASF Antwerpen zelfs nog langer wachten omwille van de nogal rigide wetgeving die vrouwen niet toeliet voor nachtwerk in de ‘zware’ industrie.

Tandje bijsteken

Om een beeld te krijgen van de genderverdeling in de life sciences sector in België moeten we terugbladeren in het Duurzaamheidsrapport van de sector dat dateert van 2015. De cijfers daarin dateren weer van 2013. Toen werkten er in de Belgische chemie en life sciences sector 24.000 vrouwen, net geen 28 procent. Dus net geen één derde, maar toch wel een hoger cijfer dan in de totale verwerkende industrie waar de vrouwelijke aanwezigheid net boven de 20 procent uitkomt. Van de vrouwen die aan het werk waren in de chemie en life sciences had 63 procent een diploma hoger onderwijs en vooral in het segment onderzoek scoorden de dames erg hoog met 43 procent.

Kijken we een beetje dichter op de analyse van de cijfers, dan merken we dat vrouwelijke aanwezigheid voor de hele sector vooral gedragen wordt door de farma (46 procent) en dat de chemie en kunststoffen met 20 procent vrouwelijke tewerkstelling het gemiddelde van 28 procent voor de gehele sector niet halen. Zetten we het vergrootglas op een onderneming als BASF Antwerpen met een overwegend productiekarakter, dan blijkt dat de dames met 23 procent van de kaderleden goed zijn opgeklommen in de hiërarchie, maar dat deze dames vooral nog te vinden zijn in de ondersteunende diensten en afdeling (41 procent) en een stuk minder in de productie en techniek (12 procent). In het management zijn de dames met 27 procent dan weer wel aanwezig zoals het sectorgemiddelde laat blijken. In de echt operatieve activiteiten zijn de vrouwen met 2 procent van de jobs nog amper aanwezig.

De sector moet een tandje bijsteken inzake genderevenwicht. Moet dat geforceerd gebeuren? Ik denk het niet. De inschrijvingen door vrouwen in technische en wetenschappelijke onderwijsrichtingen nemen toe. ‘De dames blijven echter ondervertegenwoordigd in de technische onderwijsrichtingen en dus kunnen we ze niet werven. Maar we proberen hun interesse te wekken en doen wat we kunnen’, besluit De Geest.

Ruim twee jaar nadat Saneral de Enlightenmentz of the Year verkiezing in de categorie Social won, staat de marktplaats voor afval- en reststromen online. Bedrijven kunnen hun afvalstromen op de website plaatsen en anderen kunnen een oplossing aandragen om van afval weer een grondstof of een mooi product te maken. Saneral wil met haar website de afvalmarkt transparant maken. ‘Veel grondstoffen die we op de aarde hebben worden schaars en op deze manier kunnen we hun levensduur verlengen.’

De afval- en reststromen zijn op de website van Saneral verdeeld over verschillende categorieën, zoals metalen, papier, chemicaliën, gesteentes, olie en vetten, hout, e-waste en biomassa. En die categorieën zijn weer opgedeeld in allerlei subcategorieën. Wie op zoek is naar een bepaald product, kan op deze manier snel vinden wat hij zoekt. Naast afval- en reststromen staan er ook duurzame diensten, apparatuur en innovaties op de website. Zo kan bijvoorbeeld een nieuwe duurzame techniek uit het zuiden van Duitsland door bedrijven over de hele wereld worden opgepikt.
Er is heel veel behoefte aan een database als deze, vertellen Richard ten Hagen en Bjorn Poulsen van Saneral. ‘Veel bedrijven willen een kostenverlagende en circulaire oplossing voor hun afval, maar hebben geen platform om het op kwijt te kunnen. Bedrijven proberen het nu op plaatsen die er niet geschikt voor zijn, zoals LinkedIn of in Whatsapp-groepen’, zegt Ten Hagen.
Het is bijzonder om op de LinkedIn-pagina’s van deze mannen te bekijken. Samen hebben ze ruim vijfduizend connecties en hun tijdlijnen staan helemaal vol met oproepjes over afval- en reststromen. Er wordt actief afval aangeboden, maar er zijn ook personen die op zoek zijn naar specifieke materialen. Ten Hagen: ‘Dit werkt natuurlijk niet, want binnen een paar uur zijn die oproepjes weer verdwenen van de tijdlijn en kan niemand ze meer zien.’ Met hun database moeten materiaal en oplossing elkaar wel gemakkelijk kunnen vinden.

Betrouwbaar

Om te voorkomen dat iedereen zomaar materialen en diensten op de website gaat zetten, worden bedrijven uitgebreid gecheckt. Poulsen: ‘Als je wilt samenwerken met een bedrijf dat op onze website staat, wil je weten of het betrouwbaar is. In deze business zijn er altijd mensen die niet leveren wat ze zeggen of een andere kwaliteit leveren dan ze van tevoren aangeven. Voordat bedrijven toegang krijgen tot onze database controleren wij hun bedrijfsregistratienummer, contactgegevens, verifiëren we bij andere bedrijven en vragen we om certificaten. Daarnaast laten we het bureau Dun & Bradstreet, gespecialiseerd in onder andere kredietmanagement en compliance, de bedrijven ook checken.’

Ecotender

Ben je door die controles heen, dan kan je je afvalstroom online plaatsen in een zogenaamde Ecotender. Daarin staat onder andere vermeld in welk land het materiaal is op te halen, wat voor materiaal het is, hoeveel het is, hoe vaak het beschikbaar komt, wat de prijs is, wat de minimale afname is, foto’s van het product en natuurlijk contactgegevens zodat geïnteresseerden direct contact op kunnen nemen.

Ook als twee partijen elkaar hebben gevonden, blijft de Ecotender online staan, vertelt Poulsen. ‘Misschien is de oplossing die je hebt, het beste voor nu, maar dat kan in de toekomst veranderen. Er kan altijd een betere of goedkopere oplossing worden bedacht of je komt in contact met iemand die dichter bij jou in de buurt zit. Hoe groter ons netwerk wordt, hoe meer oplossingen er voor afval- en reststromen komen. Voor grote bedrijven is het ook geen geld om hier aan deel te nemen. Ik denk daarom niet dat ze onze website snel verlaten.’
De kosten van een abonnement op Saneral verschillen van 0 tot 250 euro per maand.

Kenniscentrum

Nu de database eindelijk online staat, is de volgende uitdaging om bedrijven hun afval- en reststromen erop te laten zetten. Veertig organisaties hebben inmiddels al een Ecotender geplaatst. ‘De nood is er, maar nog meer bedrijven moeten ons weten te vinden’, zegt Ten Hagen. ‘Ik heb de afgelopen drie jaar al veel industriëlen ontmoet en gesproken en veel zijn geïnteresseerd. Ik verwacht een succes, maar de eerste honderd Ecotenders online krijgen is een uitdaging. Daarna zal het zich gaan verspreiden.’

Uiteindelijk wordt de website ook nog aangevuld met een online kenniscentrum waarin informatie over alle afvalmaterialen is te lezen. Ten Hagen: ‘Het is een soort Wikipedia over afval. Er staat wat het is, wat je er mee kan en hoeveel er van is. De informatie krijgen we van experts uit de industrie. Niet alleen voor bedrijven is het interessant om dit kenniscentrum te raadplegen ook studenten en scholen kunnen er gebruik van maken.’

De database en de Ecotenders vindt u op www.saneral.com.

Enlightenmentz of the Year

Saneral won in 2015 de Enlightenmentz of the Year verkiezing in de categorie Social. Deze verkiezing is in het leven geroepen door uitgeverij Industrielinqs, dat onder andere Petrochem uitgeeft, en is bedoeld om producten en processen die de groene industriële revolutie kunnen veroorzaken een duwtje in de rug te geven. De verkiezing kent drie categorieën: process, project en social.
Een Social Enlightenment laat mensen en bedrijven door middel van een innovatie, idee of concept op een andere manier naar de wereld kijken. En inspireert henzelf en anderen om te verduurzamen.
Een Process Enlightenment is een innovatieve technologie die hele productieprocessen en zelfs hele ketens kan verduurzamen, met een grote positieve impact op mens en milieu. Een nieuw proces dat bijvoorbeeld breed inzetbaar is en veel grondstoffen, energie of water bespaart.
Een Project Enlightenment is een industriële investering met duidelijke verduurzamende doelstellingen. Door te investeren in een nieuwe installatie wordt bijvoorbeeld structureel veel water of energie bespaard of komt een grote CO2-reductie tot stand. Het project kan ook de footprint verlagen door gebruik van duurzamere grondstoffen.

De winnaars van de verkiezing worden altijd tijdens het Duurzaam Geproduceerd congres bekendgemaakt dat in januari plaatsvindt. Voor de komende editie zijn wij nu al op zoek naar mooie innovatieve processen en ideeën. Heeft u een tip voor ons? Mail dan naar dagmar@industrielinqs.nl.

Evides Industriewater en Huntsman hebben de afgelopen twee jaar gewerkt aan de realisatie van een warmtekoppeling die medio mei officieel is geopend. De nieuwe warmteleiding stelt Evides in staat de overtollige warmte van Huntsman te gebruiken voor het opwarmen van demiwater. Hiermee bespaart het Botlekgebied 15.000 ton CO2 per jaar.

Evides Waterbedrijf levert drinkwater aan 2,5 miljoen consumenten en bedrijven in Zuidwest-Nederland en biedt daarnaast industriewaterdiensten aan diverse industriële klanten. Vanuit de demiwaterfabriek Botlek wordt demiwater geleverd aan verschillende (petro)chemische bedrijven in het Botlek-Europoort gebied. Per uur is dat zo’n 1.400 vierkante meter via een speciaal hiervoor aangelegd demiwaterleidingnet. Huntsman Corporation produceert en levert gedifferentieerde chemicaliën aan fabrikanten die een breed scala aan eindmarkten van producenten en consumenten bedienen. Bij de productie komt restwarmte vrij die tot op heden werd afgestoten aan de lucht.

Besparing CO2

Het idee om warmte uit te wisselen ontstond in gesprekken tussen medewerkers van de twee bedrijven. Max van der Meer van Huntsman vertelt: ‘Evides gebruikt stoom om haar water op te warmen. In plaats van de warmte uit te stoten naar de lucht, kunnen we zorgen dat Evides dit gebruikt voor het opwarmingsproces. Dus over de hekken van de twee bedrijven heen ontstond het idee om een warmtekoppeling te realiseren.’

Dankzij deze warmtekoppeling kan Evides de overtollige warmte van Huntsman benutten voor het opwarmen van gedemineraliseerd water. Dit demiwater is vrij van mineralen, heeft een lage geleidbaarheid en wordt vooral gebruikt bij de productie van hogedrukstoom. Evides levert het warmere demiwater aan een groot aantal bedrijven in de Botlek. Dit initiatief heeft een substantiële besparing van de inzet van fossiele brandstoffen bewerkstelligd. Bovendien wordt jaarlijks 15.000 ton CO2 bespaard. Deze besparing staat gelijk aan de CO2 uitstoot van 1875 gezinnen door energieverbruik in huis en aan vervoer.

Daden

De warmtekoppeling kwam tot stand met steun van gemeente Rotterdam, het Ministerie van Economische Zaken en Deltalinqs. Deltalinqs behartigt als ondernemersorganisatie de gezamenlijke belangen van de haven- en industriële ondernemingen in de Mainport Rotterdam. Alice Krekt, programmadirecteur Deltalinqs Energy Forum (DEF): ‘We juichen dit soort initiatieven toe. Dit project is een prachtig voorbeeld van publiek-private samenwerking naar een duurzame haven. Ik hoop dat dit andere partijen inspireert om ook hiermee aan de slag te gaan.’

Dat de warmtekoppeling daadwerkelijk gerealiseerd zou worden, was geen vanzelfsprekendheid. Wethouder Pex Langenberg van de gemeente Rotterdam die aanwezig was bij de officiële opening benadrukte dat er genoeg redenen zijn om het niet te doen. ‘De bedrijven hebben het niet gedaan om er economisch beter van te worden. Uiteindelijk is ja gezegd tegen dit plan vanwege de verduurzaming. Twee partijen die vanuit menselijk oogpunt knopen hebben doorgehakt. Geen woorden maar daden’, vertelt de wethouder die hiermee en passant nog even benoemt hoe trots hij is op die andere grootse prestatie die onlangs is geleverd binnen de grenzen van zijn gemeente.

20170519_opening-warmtekoppeling-kopie

Uitwisseling

Evides’ DWP (demiwaterplant) in het Rotterdam Botlek gebied – locatie Huntsman Rozenburg – is Nederlands grootste demiwater installatie. De installatie haalt water uit het nabijgelegen Brielse Meer. Jan Robert Huisman, directeur Evides Industriewater: ‘In de wintermaanden wordt stoom ingezet om het innamewater te verwarmen om het zuiveringsproces optimaal te laten verlopen. Nu gebruiken we de restwarmte van Huntsman die wordt opgepakt uit de warmtewisselaar.’ In de zomerperiode zorgt het water voor extra koeling ten behoeve van Huntsman. Warmte-uitwisseling tussen bedrijven is een effectieve manier om energieverbruik omlaag te brengen. Van de besparing van de inzet van fossiele brandstoffen en de CO2-emissiereductie die hiermee wordt bewerkstelligd profiteren ook de afnemers van het verwarmde demiwater. Huisman: ‘Verduurzaming en kostenbesparing gaan hier hand in hand. Niet alleen Huntsman en Evides, maar ook onze klanten profiteren hiervan.’

Infrastructuur

Partijen die dit initiatief hebben gesteund, hopen dat andere bedrijven dit voorbeeld volgen. Volgens Max van der Meer zijn er nog wel een aantal voorwaarden waar aan moet worden voldaan: ‘De industrie moet worden gevoed met goede mensen met briljante ideeën. Met elkaar moeten we ervoor zorgen dat er voldoende aanwas is vanuit scholen en universiteiten. Daarnaast moeten we mensen de mogelijkheden geven om plannen te ontwikkelen. En voor de overheid ligt er een schone taak om te zorgen dat de infrastructuur wordt aangepast.’

Uit het verhaal van Maike Akkers van de Port of Rotterdam blijkt dat er de komende jaren echt iets gaat gebeuren op het gebied van warmtetransport. ‘Alleen havenwarmte is al voldoende voor het verwarmen van ruim 50.000 huishoudens.’ Om dit te bereiken is het nodig om warmtenetten aan te leggen die restwarmte uit het havengebied transporteren naar het kassencomplex van het Westland, maar ook naar woningen in bijvoorbeeld Den Haag, Delft en Rotterdam. Deze zogenoemde Warmterotonde moet in 2020 woningen en andere gebouwen en glastuinbouw in de provincie Zuid-Holland voorzien van warmte. Shell Pernis is inmiddels gestart met de bouw van de installatie voor dit restwarmteproject.

Er wordt veel over bioplastics gesproken en geschreven, maar er heerst nog veel onwetendheid, ook bij het bedrijfsleven. Wageningen Food & Biobased Research heeft een rapport uitgebracht dat een overzicht biedt van de feitelijke stand van zaken. Welke types bioplastic zijn beschikbaar? Wat zijn de eigenschappen en voor welke toepassingen zijn ze geschikt? Kernvraag is hoe met de materialen om te gaan na gebruik.

‘De termen bioplastic, biobased en bio-afbreekbaar plastic worden dikwijls ten onrechte door elkaar gebruikt’, vertelt Christiaan Bolck, programmamanager materials bij Wageningen Food & Biobased Research van de WUR. Hij was verantwoordelijk voor de totstandkoming van het onlangs gepresenteerde rapport Bio-based and biodegradable plastics – Facts and Figures, Focus on food packaging in the Netherlands. ‘In dit rapport scheppen we meer duidelijkheid in de terminologie.’

Bioplastics is eigenlijk een overkoepelende term voor biobased plastics – gemaakt uit hernieuwbare grondstoffen – en biologisch afbreekbare plastics – gemaakt van zowel fossiele als biobased grondstoffen. Om maar meteen een groot misverstanden over biologisch afbreekbare plastics uit de wereld te helpen: biologisch afbreekbaar betekent niet dat de materialen onstabiel zijn, gemakkelijk kunnen worden gehydrolyseerd (het veroorzaken van een chemische reactie bij water of een andere stof, red.) of verslechteren als ze mechanisch worden gerecycled. Ook benadrukt het rapport dat de term biologisch afbreekbaar relatief is. De snelheid van afbraak hangt samen met het milieu waarin het plastic afbreekt onder invloed van de daar aanwezige condities, zoals temperatuur, vochtigheid en micro-organismen. Voor compostering zijn daarvoor normen vastgesteld, maar deze plastics zijn geen oplossing voor zwerfvuil en het plasticsoep-probleem in de oceaan.

Percentages

De markt voor bioplastics is de afgelopen jaren steeds volwassener geworden. Er zijn meer materialen beschikbaar, waarmee meer verschillende producten kunnen worden gemaakt. Biobased en bio-afbreekbare plastics worden steeds meer toegepast in verpakkingen, met name voor voedingsmiddelen. Bolck: ‘Het groeiend milieubewustzijn van de consument speelt hierbij een duidelijke rol. Maar ook in andere markten, zoals in de automotive en elektronica worden steeds meer biobased plastics toegepast.’

Toch zijn de percentages bioplastics nog laag ten opzichte van de totale hoeveelheid plastic die wordt gebruikt. Op dit moment is slechts zo’n één procent van alle plastics een bioplastic, maar volgens Bolck gaat het wel om substantiële hoeveelheden bioplastic. ‘In percentages is het aandeel misschien niet hoog, maar als je naar de absolute getallen kijkt, heb je het toch over duizenden kilotonnen.’ De verwachting is dat dit percentage zal groeien tot 2,5 procent in 2020. Met name bio-PET, PLA en bio-PBS (Polybutylene Succinate, een polyester van polybutanol en barnsteenzuur) zullen de komende jaren een groei doormaken.

Kuipjes yoghurt

De grootste bottleneck om het gebruik van bioplastics te laten groeien, is vooralsnog de prijs. Traditioneel plastic, op aardolie gebaseerd, is veelal een stuk goedkoper dan biobased alternatieven. Er wordt daarom hard gewerkt aan mogelijkheden voor besparingen, niet alleen in de productie maar ook in het gebruik. In sommige gevallen hebben de biobased materialen specifieke eigenschappen waardoor minder materiaal nodig is. Zo heeft PLA een hogere stijfheid dan zijn fossiele tegenhanger PS, waardoor het materiaal minder dik hoeft te zijn voor bepaalde toepassingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kuipjes yoghurt die Danone op de markt heeft gebracht. Een ander voorbeeld is bio-afbreekbaar landbouwfolie, waarbij kosten kunnen worden bespaard omdat dit, in tegenstelling tot PE-folie uit fossiele grondstoffen, niet hoeft te worden verwijderd. Ook de kosten van bio-PBS zullen naar verwachting dalen. Barnsteenzuur kan namelijk goedkoper worden geproduceerd uit biomassa dan uit fossiele grondstoffen. Een hoger productievolume zal ervoor zorgen dat de prijs kan dalen van vier naar 2,5 euro per kilo.

Voortouw

Bolck denkt dat de markt voor biobased en bio-afbreekbare plastics zeker sneller kan groeien. ‘Een aantal vooraanstaande bedrijven uit verschillende sectoren neemt het voortouw. Zo positioneert Ikea zich nadrukkelijk als toegewijd aan een overstap op bioplastics.’ In september kondigde ging het bedrijf een partnership met Neste aan voor de ontwikkeling van biobased en gerecyclede materialen voor gebruik in Ikea-producten. Ook Lego zet in op een overstap naar bioplastics. Jaarlijks gebruikt de onderneming duizenden tonnen plastic. In 2030 wil Lego alleen nog duurzame grondstoffen gebruiken voor de productie van de blokjes.

Ook stimulering vanuit de overheid kan volgens Bolck de groei van bioplastics een boost geven. ‘Er is in Nederland een aantal partijen actief in de productie en het onderzoek, waaronder mijn vakgroep. Deze activiteiten worden ondersteund door programma’s op het gebied van circulariteit en de bio-based economie van het ministerie van Economische Zaken. Dat helpt zeker. Maar je ziet dat de markt in andere landen sneller groeit. Een verbod op het gebruik van gratis plastic tassen bijvoorbeeld is in Nederland pas vorig jaar van kracht gegaan, terwijl andere landen daar veel eerder mee waren. Nieuwe producten hebben dat soort richtinggevende maatregelen wel nodig bij marktintroductie.’

tabel

Knop om

Er zijn al veel alternatieven voor op olie gebaseerde plastics beschikbaar, maar ze hebben nog niet alle functionaliteiten van die traditionele plastics, stelt Bolck. ‘Er worden wel steeds nieuwe producten geïntroduceerd, maar bedrijven zijn vaak nog huiverig om over te stappen. Het is ook niet mogelijk om zomaar een knop om te draaien. Fabrieken moeten ook worden aangepast op het gebruik van nieuwe materialen.’

De snelst groeiende groep bio-based plastics betreft daarom de zogeheten ‘drop-in’ materialen, met name bio-PE en bio-PET, maar ook het veel besproken alternatief voor PET, PEF. Drop-in materialen zijn chemisch identiek aan de fossiele plastics, maar zijn gemaakt van hernieuwbare grondstoffen.

Een andere klasse van bioplastics is op zetmeel gebaseerd. Het gaat hierbij om blends van zetmeel en composteerbare polyesters, met een aantal additieven. Deze groep plastics is bio-afbreekbaar en is mede daarom interessant voor gebruik als mulch-folie in de landbouw (voor het tegengaan van onkruidgroei) of in afvalzakken voor gft-afval. Folies van deze plastics zijn ook geschikt voor het verpakken van bijvoorbeeld aardappels en wortelen. Maar er is meer mogelijk, bewees Mars recentelijk. Door zetmeel te combineren met PLA werd een bio-afbreekbare wikkel ontwikkeld voor de beroemde chocoladesnack.

Terwijl bepaalde karakteristieken van een type plastic een nadeel zijn voor één toepassing, kunnen deze een voordeel vormen voor een andere toepassing. Zo kan PLA niet worden toegepast in waterflessen omdat de water-damp-barrière hiervoor te laag is, maar in de verpakking van verse groente en fruit, zoals champignons en aardbeien, vormt deze ademende eigenschap juist een voordeel. PLA heeft daarbij het voordeel dat het transparant is en een perfecte aroma-barrière biedt.

PLA heeft vergelijkbare mechanische eigenschappen als PS en PET. Het materiaal wordt veel gebruikt in wegwerpservies en -bestek en kan bovendien worden toegepast in theezakjes of koffie-capsules. Het voordeel hiervan is dat alles na gebruik samen in het gft-afval kan worden weggegooid, het servies met eventuele etensresten en de gebruikte koffiecapsules.

Recycling

De onderzoeksgroep van Christiaan Bolck nam ook deel aan het onlangs afgeronde EU-project Open-Bio. Een van de aandachtspunten in dit project was de end-of-life-kwestie van bioplastics. Wat zijn hierin moeilijkheden en mogelijkheden? Kunnen plastics mechanisch worden verwerkt? Of is chemische recycling een optie? Bij chemische recycling worden de polymeren afgebroken tot monomeren, die weer kunnen worden gebruikt om polymeren van te maken. Dit gebeurt niet vaak, een voorbeeld ervan is het Loopla-proces van Galactic waarbij PLA weer tot melkzuur wordt gehydrolyseerd.

Bij mechanische recycling worden de plastics gescheiden, gemalen, gewassen, gedroogd en opnieuw als granulaat verwerkt. Dit is alleen rendabel als de volumes van het afvalplastic groot genoeg zijn en dat is momenteel alleen zo in het geval van HDPE, PP en PET. Maar technisch gezien zijn ook andere plastics goed te scheiden en te recyclen, waaronder biobased en biologisch afbreekbare plastics.

Er wordt soms gesteld dat recyclingbedrijven geen bioplastics in de plastic afvalstroom willen. Het zou de verwerkbaarheid en de mechanische eigenschappen van gerecycled plastic verzwakken. Op dit moment is het nog niet mogelijk om te meten wat precies de effecten van de kleine hoeveelheden bioplastic zijn. Onderzoek toont echter al wel aan dat in een recyclestroom van plastic folie een toevoeging van tien procent folie op basis van zetmeel of PLA geen invloed heeft op de mechanische eigenschappen.

Bij organisch recyclen gaat het om composteren en anaerobe vertering. Verwerkingsbedrijven zijn bang dat met het accepteren van composteerbare plastics in de GFT-afvalstroom ook meer gewone plastics in die stroom terecht komen. Duidelijke communicatie is hierbij de sleutel. Er is op dit moment een overvloed aan labels waardoor consumenten in de war raken. ‘Duidelijke logo’s en labels kunnen de consument helpen bij het duidelijk maken of een plastic biobased is, of het composteerbaar is en waar het na gebruik moet worden weggegooid. Het Kennisinstituut Duurzaam Verpakken heeft daarom duidelijke logo’s ontwikkeld die de consument vertellen in welke afvalbak de verpakking moet worden weggegooid.’

Als deze Petrochem naar de drukker gaat, moet de uitreiking van de VOMI Safety Xperience Award nog plaatsvinden. Op donderdag 8 juni is tijdens Deltavisie 2017, bekend gemaakt welk bedrijf tot winnaar is uitgeroepen. Wie wil weten wie een jaar lang te boek staat als het bedrijf waar werknemers van dienstverleners de beste veiligheidsbeleving hebben, kan kijken op Petrochem.nl. Toch willen wij hier laten zien waarom Shell Moerdijk, ExxonMobil en de Nederlandse Aardolie Maatschappij asset Groningen zijn genomineerd voor deze award.

De drie genomineerden – Shell Moerdijk, ExxonMobil en de Nederlandse Aardolie Maatschappij, asset Groningen – toonden zich gepast trots over hun nominatie. ‘We hebben nu al gewonnen, want dat we zijn genomineerd is een erkenning dat we het goed doen’, vertelt Carl Schmitz van de Nederlandse Aardolie Maatschappij. ‘Ik hoor van aannemers dat ze zich serieus genomen voelen en dat ze merken dat er voor ze wordt gezorgd.’

Samenwerken

Als Paul Buijsingh antwoord geeft op de vraag waarom hij denkt dat Shell Moerdijk is genomineerd, vertelt hij dat hij heeft gemerkt dat de aannemers het waarderen dat Shell Moerdijk een andere weg is ingeslagen. ‘Die andere aanpak is bedacht samen met de aannemers en volledig gebaseerd op gelijkwaardigheid. Het is een reis die we samen zijn gestart met het doel om veiligheid naar een hoger niveau te brengen.’

Ook Raymond van der Horst merkt dat de veiligheidsaanpak van ExxonMobil werkt. ‘We zien onze aannemers als partner in onze bedrijven en we delen met elkaar het streven ‘Nobody gets Hurt’. We hebben elkaar nodig en we zorgen voor elkaar.’

Het woord ‘samenwerken’ is bij alle genomineerden een woord dat in beton is gegoten en direct daaronder staat in gouden letters ‘gelijkwaardigheid.’ Schmitz: ‘Zodra de aannemers hier het hek binnen lopen, zijn ze onderdeel van het team Groningen. De kleur van de overall is niet belangrijk.’

Jurybeoordeling

Het is de derde keer dat deze prijs wordt uitgereikt en juryvoorzitter Ruud van Doorn (CEO van Bilfinger Industrial Services) geeft aan dat het deze keer zeer dicht bij elkaar ligt. ‘De drie genomineerden steken echt boven het gemiddelde uit.’

In eerste instantie was er een longlist van vijftien bedrijven. ‘De leden van de VOMI konden punten verdelen op basis van het gevoel van veiligheid dat ze hebben bij de verschillende opdrachtgevers. Daarna hebben we onder deze vijftien bedrijven een vragenlijst verspreid en dat heeft de top drie bepaald.’ Vervolgens heeft de jury de drie locaties bezocht. Van Doorn: ‘We hebben gesprekken gevoerd met de directeuren, de veiligheidskundige en we hebben mensen aangesproken.’

De jury heeft zich in haar beoordeling gefocust op vijf punten: empowerment, de prioriteit voor veiligheid, de communicatie onderling, de communicatie vanuit het management en lest best: de veiligheidscultuur. ‘Die cultuur is eigenlijk een overkoepelend thema. Hierbij gaat het over gelijkwaardigheid, openheid, in hoeverre worden onze mensen serieus genomen en wordt er iets gedaan met verbetersuggesties?’ Voor de drie genomineerden geldt dat dit in behoorlijke mate aanwezig is. ‘Maar je merkt over de hele linie dat hier slagen in worden gemaakt.’

Veiligheidscultuur

Volgens Van der Horst begint het verbeteren van de veiligheid met erin geloven dat elk incident te voorkomen is. ‘Het gaat hier over gedrag. Durven we elkaar aan te spreken? Durf je op de stopknop te drukken? Heb je de risico’s in beeld en neem je de tijd die nodig is om het risico op een incident volledig te elimineren? Op deze vragen moeten alle mensen volmondig ‘ja’ kunnen antwoorden.’

Dat betekent soms dat de klus net wat langer duurt dan gepland, maar dat is dan prima. ‘We krijgen de job af, hoe dan ook. Vertraging vanuit veiligheidsperspectief kan ik uitleggen. Een incident valt niet uit te leggen.’

Je uit durven spreken betekent dat er ook moet worden geluisterd. Carl Schmitz: ‘Ik hoor van de aannemers: ‘Jullie luisteren ook echt’ en daar begint het mee. Open staan voor elkaar, naar elkaar luisteren. Wanneer je elkaars gelijke bent, durf je elkaar over en weer aan te spreken als het gaat om veiligheid. Dat geeft het vertrouwen dat we op de Asset Groningen voor elkaar zorgen.’ Ook Buijsingh is ervan overtuigd dat een beter resultaat in output en in veiligheid wordt verkregen als wordt samenwerkt op basis van gelijkwaardigheid. ‘Dit betekent onder andere dat de expertise van de aannemers serieus wordt genomen en dat er wordt geluisterd naar elkaar.’

Volgens juryvoorzitter Van Doorn kan er nog iets gewonnen worden als het gaat om process safety. ‘De opdrachtgever ziet procesveiligheid als zijn verantwoordelijkheid, en dat is het natuurlijk ook, maar hij kan ook op dat vlak leren van de aannemers. Op het gebied van Arbo-veiligheid en persoonlijke veiligheid is er zeker openheid van communiceren en luisteren we naar elkaar, terwijl de aannemer ook op het gebied van het verbeteren van de process safety een bijdrage zou kunnen leveren. Daar kan nog een slag worden gemaakt.’

Methoden

Het borgen van de veiligheid voor al die mensen die werkzaam zijn op de site van Shell Moerdijk is absoluut een uitdaging, erkent Buijsingh. De introductie van de Contractor Shell Board, waarin Shell- en contractorcollega’s in clusters nauw samenwerken, heeft veel betekend voor de verbetering in persoonlijke veiligheid en procesveiligheid.

ExxonMobil werkt met een methode die is ontwikkeld door Dr. Jim Bennett; het Loss Prevention System. ‘Toen we hiermee startten was het eerste gevoel ‘ach, weer een systeem’ en er werd zuchtend aan begonnen. Maar inmiddels ziet iedereen dat het werkt’, vertelt Van der Horst. ‘Ik zie hoe mensen op een andere manier, een veiligere manier, hun werk uitvoeren en ik word daar erg vrolijk van.’

Vanuit de Nederlandse Aardolie Maatschappij wordt alles gedaan om uit te dragen dat veiligheid zeer serieus wordt genomen. ‘Maandelijks is er een veiligheidsoverleg waar iedereen die binnen het hek is, verplicht aan moet deelnemen. Onder de noemer ‘Let’s talk safety’ worden lunchsessies gehouden waarbij NAM’ers en contractors vanuit alle lagen met elkaar aan tafel zitten. Verder zijn er LMRA-afspraken en Toolbox-meetings’, aldus Schmitz.

Wie gaat winnen, is bij het ter perse gaan van deze Petrochem nog niet bekend. Maar de heren zijn unaniem: dat ze zijn genomineerd, is al een grote eer. Hieruit blijkt dat de inzet, tijd en aandacht die zijn als opdrachtgever steken in het creëren van een veilige werkplek, wordt gewaardeerd. Ook over de belangrijkste reden om dit te doen zijn Buijsingh, Schmitz en Van der Horst het eens: iedereen moet aan het eind van de dag gezond en wel weer naar huis kunnen. Daar doen ze het voor!

Om de veiligheid op een site te kunnen waarborgen, wordt veel aandacht besteed aan de persoonlijke veiligheid en aan de procesveiligheid. Toch is het risico nooit voor de volledige honderd procent weg te nemen. Bovendien hebben we in een veranderende wereld te maken met nieuwe risico’s. Achterover leunen en denken dat je het in de hand hebt, is – helaas soms letterlijk – dodelijk.

In januari 1968 ontploft een opslagtank bij Shell Pernis met een grote brand als gevolg. Twee mensen komen om het leven en er zijn 85 gewonden. Een maand later komen op hetzelfde terrein opnieuw twee medewerkers om als een koolmonoxide-boiler explodeert. Eind 1975 zijn 14 doden te betreuren bij een explosie van de naftakraker NAK 2 van DSM in Geleen als gevolg van een breuk in de leiding. In 2003 stort een 47 meter hoge steiger in tijdens onderhoudswerkzaamheden van de Amercentrale. Vijf mensen overleven deze ramp niet. In juni 2014 vinden bij Shell Moerdijk twee zware explosies plaats, gevolgd door een grote brand. Twee werknemers raken gewond. In oktober 2016 komen vier mensen, waaronder drie brandweermannen, om het leven bij een explosie in de haven van BASF in Ludwigshafen.

Herkennen van risico’s

De oorzaken van deze calamiteiten verschillen mede omdat de setting telkens anders is. Iedere site, ieder proces, iedere klus kent zijn eigen risico’s. Process safety richt zich op het voorkomen van branden, explosies en het ongewenst vrijkomen van chemicaliën of andere gevaarlijke middelen. ‘Bij process safety gaat het erom dat je de kans op een calamiteit zo klein mogelijk maakt zodat grote ongevallen worden voorkomen’, vertelt process safety consultant Tijs Koerts. ‘De Nederlandse industrie is hier goed van doordrongen en er wordt veel aandacht besteed aan veiligheid. Toch hebben we nog steeds te maken met calamiteiten waarbij zwaargewonden of doden te betreuren zijn of waarbij sprake is van grote schade aan het milieu.’

Bij proces safety management wordt aandacht besteed aan het herkennen van risico’s, het identificeren van de procesgevaren. Hiervoor zijn verschillende methoden beschikbaar, zoals de HAZOP-methode (Hazard and Operability Analysis). Deze is bedoeld voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen. En de LOPA-methode (Layer of Protection Analysis) wordt gebruikt voor risicoanalyse in het kader het bepalen van een Safety Integrity Level. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het beoordelen van overvulbeveiligingen van tanks met gevaarlijke stoffen.

Management of change

Iedereen die op een BRZO-bedrijf gaat werken, krijgt een veiligheidsinstructiefilm te zien. Hierin wordt (nogmaals) benadrukt dat mensen hun PBM’s moeten dragen, dat gereedschap met lanyards aan het lichaam moeten worden bevestigd bij het werken op hoogte en dat je bij het traplopen de reling vasthoudt. Zo zijn er nog allerlei handelingen die bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke veiligheid, maar ook de procesveiligheid. Koerts: ‘Een bedrijf moet er alles aan doen om ervoor te zorgen dat iedereen bekend is met de procedures, dat benodigde middelen beschikbaar zijn en dat alle veiligheidsmaatregelen zijn genomen voordat wordt gestart met werkzaamheden. Wanneer iets verandert in het proces, moet opnieuw een risico inventarisatie worden gedaan.’

Bij de zware explosie bij Shell Chemie Moerdijk in juni 2014 van een reactorvat vielen gelukkig slechts twee lichtgewonden. De explosie gebeurde tijdens het opwarmen van de installatie na een onderhoudsbeurt. Volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft Shell het opwarmproces niet diepgaand onderzocht, ook niet bij het doorvoeren van wijzigingen in de installatie of van grondstoffen. De chemische reactie die ontstond, zorgde voor extra gasvorming en drukopbouw in de installatie. De druk liep op met een explosie en grote brand tot gevolg. ‘De gewijzigde risico’s waren hier niet goed in beeld. De medewerkers waren dus niet goed geïnstrueerd. Als er iets verandert, moet opnieuw worden gekeken naar de risico’s en moeten deze worden afgedekt. Dit noemen we ‘management of change’’, vertelt Koerts.

Risico’s anno 2017

(c)Bilfinger

(c)Bilfinger

De aanslag op de Twin Towers in New York heeft bedrijven wakker geschud. ‘Opeens werd duidelijk dat er nog een groot gevaar op de loer lag. Na 9/11 hebben veel grote bedrijven mensen in dienst genomen die zich specialiseerden in terroristische dreiging. We zagen dat hackers konden inbreken in onze systemen en grote chaos, misschien wel rampen, konden veroorzaken. Een geheel nieuwe dreiging. Hoe we hiermee moeten omgaan, staat eigenlijk nog in de kinderschoenen.’
Koerts benoemt de discrepantie waarbij de industrie het internet of things en big data invoert om de veiligheid te verbeteren terwijl het anderzijds ook nieuwe risico’s met zich meebrengt. ‘Het mes snijdt aan twee kanten. We krijgen waardevolle informatie over bijvoorbeeld de hoeveelheid onveilige stof die zich nog in de leiding bevindt of de staat van een opslagtank. Maar wanneer kwaadwillenden inbreken in ons ICT-systeem en kunnen rommelen met deze data, hebben we dan nog een back-up?’

Koerts geeft een voorbeeld: ‘Bij het sluiten van een klep in een leiding is de snelheid waarmee dit gebeurt van invloed op de drukgolf. Als dit te snel gebeurt, kan de drukgolf zo groot zijn dat schade wordt veroorzaakt aan het olietransportsysteem. Het is al voorgekomen dat de sluitertijd van een klep is gehackt. Dit had een milieuramp kunnen veroorzaken, maar dat is gelukkig niet gebeurd.’

Van elkaar leren

Volgens Koerts is de industrie de ‘we steken de kop in het zand-fase’ wel voorbij. ‘Dat komt ook doordat het tegenwoordig onmogelijk is om iets onder de pet te houden. De media zijn genadeloos en ook de druk van de overheid om volledige openheid van zaken te geven na een incident, is groot.’

Koerts vervolgt: ‘Als het gaat om veiligheid, dan willen we van elkaar leren. Dit gebeurt on site tijdens safetymeetings, maar ook onderling tussen plantmanagers van verschillende sites. Kunnen we de Emergency Responce beter inrichten? Wat leren we van een audit? Hoe gaan collega’s om met het weglopen van kennis door vergrijzing?’

In maart 2015 ging het vreselijk mis op de raffinaderij van BP in Texas City. Toen medewerkers na een turnaround de isomerisatie-unit wilden opstarten, volgde een explosie en een brand waarin vijftien mensen het leven lieten. BP heeft zelf aangegeven dat het ongeval had kunnen worden voorkomen en was zeer open over het onderzoek naar de oorzaken. Hieruit bleek onder andere dat de werkomgeving werd verwaarloosd, dat regels niet consistent werden gevolgd en dat procesveiligheid en systematische risicoreductie geen prioriteit hadden. Koerts: ‘Ik weet dat zij hun onderhoudsbudget flink hadden teruggeschroefd en dat is ernstig afgestraft. In de VS noemt men dit ‘paralised by cost cutting’. We zagen het in Nederland ook toen de olieprijzen laag waren. Dit had effect op het onderhoudsbudget en indirect op de veiligheid. Wat mij betreft mag ‘Safety First’ nog steviger worden gehanteerd. We zijn op de goede weg maar we moeten wel zorgen dat we ‘on target’ blijven.’

Waarschijnlijkheid versus impact

Veel BRZO-bedrijven werken met een safety-matrix, ook wel een risicomatrix genoemd. Hierin is de kans dat een calamiteit voorkomt (de waarschijnlijkheid) uitgezet tegen de impact, de consequenties van een calamiteit. De impact gaat van ‘geen gevolgen’ tot ‘catastrofaal’ en heeft betrekking op de veiligheid en gezondheid, de middelen en het milieu.

Michiel Bosschert is HSE Manager bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, Asset Groningen. ‘Wij werken binnen ons bedrijf met de Risk Assessment Matrix (RAM). De matrix is niet alleen toepasbaar op process safety kwesties. Ieder risico kan hierop worden uitgezet. Het kan ook gaan om een persoonlijk veiligheidsrisico waarbij geen sprake is van een explosie of het vrijkomen van gevaarlijke gassen.’

risk-assessment-matrix-shellWel kan worden gesteld dat risico’s op zeer ernstige procesveiligheidsincidenten in de matrix over het algemeen in het rode gedeelte vallen, vooral beïnvloed door de mate van impact. Er is veel schade, de materiële impact is groot en wellicht zijn er doden of gewonden te betreuren. Bosschert: ‘Daarentegen is de waarschijnlijkheid niet heel hoog. Deze waarschijnlijkheid gaat van ‘nooit van gehoord’ tot aan ‘recentelijk en regelmatig gebeurd’ maar in die laatste fase kom je bijna nooit.’

Op een locatie in Asset Groningen was onlangs een dode duif te betreuren. Het dier was geëlektrocuteerd. ‘De milieu-impact is dat de wereld verder moet zonder deze duif, dus beperkt’, vertelt Bosschert. ‘Maar we hebben ons wel verdiept in eventuele verdere gevolgen. Kan zich kortsluiting voordoen doordat twee draden met elkaar in verbinding komen vanwege een duif die een ongelukkige plek kiest om neer te strijken? Die kans is minimaal.’

Scenario’s die op basis van mogelijke impact en de waarschijnlijkheid uitkomen in het blauwe deel van de RAM beschouwen we als ALARP, wat staat voor ‘as low as reasonably practicable’. Daar hoeven we geen uitgebreide actie op te ondernemen om het risico verder te minimaliseren.’

Terwijl de Nederlandse politiek momenteel veel moeite heeft om een kabinet te vormen, ligt de procesindustrie nagenoeg op een lijn. Die is groener dan menig politicus zal verwachten, zo blijkt uit de serie ‘Het Schaduwkabinet van de industrie’ in Petrochem. Verduurzamen vraagt echter wel om consistentie. Een belangrijke basis ligt in innovatie, onderzoek en techniekonderwijs. CO2-reductie financieel belonen, helpt ook. Schaduwpremier Jeroen van Woerden stelt zijn kernkabinet samen en heeft voldoende ingrediënten voor een stevig debat tijdens Deltavisie 2017.

Het motto van het schaduwkabinet van Van Woerden zal zeker het woord duurzaamheid bevatten. Niet alleen omdat het moet, maar vooral ook omdat het kansen biedt. Schaduwminister Gerrit-Jan van de Pol (GMB): ‘Duurzaamheid wordt vaak gezien als antwoord op een bedreiging, maar in feite is het ook een basis voor de onderneming. Er zit een businessmodel aan vast.’

Echter, op één been kun je niet lang staan. Van Woerden: ‘Een goed investeringsklimaat vraagt meer. Nederland moet aantrekkelijker worden voor bedrijven om te investeren in duurzame en innovatieve processen en ketens. We denken maar al te gauw dat we het hier goed voor elkaar hebben en dat bedrijven automatisch wel bij ons terecht zullen komen. Maar de perceptie bij veel buitenlandse hoofdkantoren is toch echt anders. Het is niet eenvoudig om investeringen naar Nederland te halen. Ook verschillende lijstjes wijzen iets anders uit. De Nederlandse technische universiteiten, toch een graadmeter voor onze status op het gebied van technologieontwikkeling, staan nog steeds te laag in de toprankings.’

Schaduwpremier Jeroen van Woerden.

Schaduwpremier Jeroen van Woerden.

Motto

Belangrijk is dat er een duidelijk industriebeleid komt, net als in de omringende landen. Duitsland koestert als sinds oudsher haar industrie en sinds het debacle van Opel is België, of Vlaanderen om preciezer te zijn, wakker geschud. Het industriebeleid dat uit urgentie is geboren, werpt inmiddels zijn vruchten af. Momenteel wordt in de Antwerpse haven volop geïnvesteerd. Niet in de laatste plaats omdat de overheid een duit in het zakje doet of op een andere wijze stimuleert en faciliteert.
Voor alles wil schaduwpremier Van Woerden daarom werken aan een inspirerend en consistent industriebeleid. Motto: Duurzame groei door versterking van de innovatieve aantrekkingskracht.

Basisvoorwaarde: Safety commitment

Daarbij wil zijn schaduwkabinet nog een belangrijk uitgangspunt onderstrepen. Van Woerden: ‘Volledige commitment op het gebied van veiligheid is een essentiële voorwaarde voor een goed investeringsklimaat in Nederland. Zorg voor personeel, omgeving, omwonenden en milieu moeten daarom integraal deel uit maken van investeringsbeslissingen. Door de toepassing van de juiste stand van de techniek moet de industrie economische en veiligheidsdoelstellingen zeker stellen. Daarom eist het schaduwkabinet een volledige safety commitment van de industrie.’ Als schaduwminister van Sociale Zaken zal Sandra de Bont (Votob), hierover met beleidslijnen komen.

Schaduwkabinet van de industrie

Sandra de Bont, schaduwminister Sociale Zaken

Beleidslijn 1: Focus op CO2-reductie

Op verschillende beleidsterreinen hebben verschillende kandidaat-schaduwministers de afgelopen maanden interessante voorstellen gedaan. Ze staan allemaal in dienst van het leidende motto. Op het gebied van Economische Zaken kiest schaduwpremier Van Woerden voor de duidelijkheid van schaduwminister van Economische Zaken Gert-Jan de Geus (OCI Nitrogen). Die vindt dat er op het gebied van energie en milieu alleen nog maar moet worden gestuurd op CO2-reductie. Een punt dat overigens breed wordt gedragen. CO2-reductie is het grotere doel van Parijs. De rest is daarvan afgeleid. Focus hierop geeft de industrie ook veel helderheid en eenduidigheid. Nu krijgt de industrie nog heel veel verschillende maatregelen voor de kiezen wat verwarrend en zelfs contraproductief kan werken.

Schaduwkabinet van de industrie

Gert Jan de Geus, schaduwminister Economische Zaken

Bijvoorbeeld op het gebied van energiebesparing. Van Woerden: ‘Energiebesparing kan zeker een afgeleide doelstelling zijn. Bespaarde energie levert in veel gevallen ook een CO2-reductie op. Toch kan het juist heel effectief zijn om op een punt in de keten juist meer energie te gebruiken, het liefst natuurlijk zonder extra CO2-uitstoot, om elders enorm veel CO2-emissies en energiegebruik te reduceren.’

Het kabinet omarmt daarom ‘carbon productivity’, zoals geïntroduceerd door chemiebedrijf Covestro. Door koolwaterstoffen in te zetten in hoogwaardige toepassingen van kunststoffen en bijvoorbeeld isolatiematerialen, kunnen auto’s lichter worden en gebouwen beter worden geïsoleerd. Daarmee kan één liter olie als grondstof een veelvoud aan liters fossiele brandstof en dus CO2-uitstoot besparen. Meten is weten. Premier Van Woerden wil het kabinetsbeleid baseren op feiten en niet op beweringen. Daarom wil het schaduwkabinet dat CO2-emissies en potentiële reducties in de hele keten tot en met de gebruiksfase worden gekwantificeerd. Daarbij volgt hij onder meer het advies van kandidaatminister Herbert Fisch (BASF). De politiek heeft volgens Fisch vaak de neiging om achter één enkele oplossing of begrip aan te lopen, terwijl er soms betere wegen zijn. Biobased economy is daar een voorbeeld van. Er zijn verschillende routes vanuit biomassa die een verbetering zijn, maar sommige nieuwe bioroutes kosten juist veel meer energie en zorgen voor meer CO2-uitstoot dan traditionele processen. Het gaat niet om bio, maar om wat de meeste CO2 bespaart in de hele keten. Door een goede cijfermatige onderbouwing begrijpen politiek en bedrijfsleven precies wat er gebeurt en hoeft de samenleving minder af te gaan op oneliners.

Toewijzen van CO2-reducties in de gebruiksfase zal niet eenvoudig gaan. Van Woerden: ‘Bij een goede cijfermatige analyse zijn we er nog niet. Want wie in de keten krijgt de ‘credits’ als bijvoorbeeld een nieuwe innovatieve composiet auto’s nog lichter en sterker maakt? Is dat de autofabrikant? De toeleverancier van composietonderdelen? Of het chemiebedrijf dat de bouwstenen van de composieten levert?’ Hoewel een goed systeem voor toewijzing tijd gaat kosten, is het een uitdaging om hier de komende jaren een begin mee te maken.

Vanuit het oogpunt van Economische Zaken is het heel belangrijk om onzekerheden weg te nemen en stabiliteit bieden. Als een bedrijf een milieumaatregel neemt, dan moeten overheden het bedrijf zekerheden bieden. Het schaduwkabinet wil daarom geen extra regels opleggen voor milieu-investeringen tijdens de afschrijftermijn.

Beleidslijn 2: Milieumaatregelen belonen

Concrete maatregelen voor verduurzaming liggen op het bordje van de schaduwminister van Klimaat en Energie, Gerrit-Jan van de Pol (GMB). Hij kiest voor een positieve benadering. In duurzame ontwikkeling liggen namelijk veel interessante kansen voor bedrijven. In het kabinetsbeleid zal zeker ruimte komen voor verwaarding van CO2. Nederland moet niet als enige met strafmaatregelen komen, dat is niet bevorderend voor het gelijke speelveld. Nederland moet CO2-reductie daarom belonen. Hierdoor krijgt de industrie een voorsprong en wordt voorkomen dat na de pilotfase initiatieven naar China of bijvoorbeeld België vertrekken. Het belonen van CO2-reductie kan via verschillende maatregelen: subsidies, achtergestelde leningen, fiscale voordelen. Het schaduwkabinet kiest voor twee richtingen.

Schaduwkabinet van de industrie

Gerrit Jan van de Pol, schaduwminister Klimaat en Energie

Ten eerste wil het een nationale investeringsbank oprichten, speciaal voor op verduurzaming gerichte projecten. De bank moet achtergestelde leningen verstrekken met een langere looptijd, om zo CO2-reducerende technologie te kunnen financieren die zich pas na bijvoorbeeld vijf tot zeven jaar terugverdient. Met een vast rentepercentage van vier procent moet dat prima kunnen werken. Met de huidige lage rentes is dat ook aantrekkelijk voor de staat.
De tweede lijn wordt gevormd door fiscale maatregelen. Als een bedrijf kan aantonen dat zijn proces substantieel bijdraagt aan CO2-reductie of circulair is, krijg het een korting op de vennootschapsbelasting. Ook wil het schaduwkabinet btw-differentiatie inzetten om producten met een kleine CO2-footprint lager te belasten en zo voor de consument aantrekkelijker te maken.

Beleidslijn 3: Onderwijs moet nu anticiperen op arbeidsmarkt van straks

Een belangrijke post in het schaduwkabinet van de industrie is die van Innovatie, Onderwijs en Wetenschap, die wordt bekleed door schaduwminister Marco Waas (AkzoNobel). Op het vlak van innovatie liggen de uitdagingen met name op het gebied van verduurzaming en digitalisering. Zo vindt het schaduwkabinet het van groot belang om in te haken op de huidige digitalisering, de opkomst van Industry 4.0, internet of things, big data en meer. De ontwikkelingen gaan zo snel dat de industrie over tien jaar andere menselijke capaciteiten nodig heeft. Dan moeten mbo’s, hbo’s en universiteiten daar hun opleidingen nu al op afstemmen.

Schaduwkabinet van de industrie

Marco Waas, schaduwminister Innovatie, Onderwijs en Wetenschap

Daarnaast is het van groot belang dat huidige medewerkers in de industrie meegaan in de veranderende technologische omgeving. Daarom wil het schaduwkabinet zwaar inzetten op vormen van continue educatie, ook als mensen al lang de schoolbanken hebben verlaten. Stimuleren van e-learning, maar ook praktijktraining met nieuwe technologie moet ervaren personeel op de toekomst voorbereiden. Speciale aandacht is er voor de oudere generatie technici (50+) die bijscholing krijgt in nieuwe technologieën. Hierbij snijdt het mes aan twee kanten: ouderen krijgen een betere positie op de arbeidsmarkt en het aanbod van actueel opgeleide mensen wordt vergroot.

Vrije dag

Interesse voor techniek begint al heel vroeg bij kinderen. Het is daarom onwenselijk dat deze aanleg vaak onvoldoende wordt gestimuleerd tijdens het basisonderwijs. Gelukkig zijn er steeds meer initiatieven om het onderwijzend personeel, dat vaak weinig voorliefde heeft voor technische vakken, te ondersteunen met technische kennis. Het schaduwkabinet wil dit verder stimuleren en op zoek gaan naar samenwerkingsverbanden tussen onderwijs en bedrijfsleven. Ook denkt het schaduwkabinet aan een speciale kaart voor alle kinderen in groep zeven van het basisonderwijs, waarmee zij een jaar lang gratis naar techniek- of wetenschappelijke musea kunnen gaan, zoals NEMO in Amsterdam en Continuüm in Kerkrade. Scholen zijn verplicht om scholieren minimaal één keer per jaar vrij te geven voor een dergelijk educatief bezoek.

Ter versterking van de verduurzaming en het investeringsklimaat is het belangrijk dat het Nederlandse onderzoek katalyserend werkt voor vernieuwing en ook doorbraken forceert op het gebied van onder andere procestechnologie, elektrificatie, elektrochemie en digitalisering. Fundamenteel onderzoek is daar essen
tieel bij. Daarom wil het schaduwkabinet daar 1 miljard euro meer in investeren, conform de oproep van Nobelprijswinnaar Ben Feringa.

Tevens willen de bewindslieden meer investeren in samenwerkingsverbanden. Nederland is altijd goed geweest in partnerships tussen bedrijven onderling, waarbij de samenwerking met start-ups steeds meer als waardevol wordt gezien. Net als partnerships tussen bedrijven, onderzoeksinstellingen en onderwijs. Deze sterke kant wil het schaduwkabinet alleen maar krachtiger maken.

Onderscheidend vermogen

Het zijn maar een paar hoofdlijnen, maar wel actiepunten die het onderscheidend vermogen van Nederland als investeringsland kunnen versterken. En dat op een duurzamere, innovatieve en veilige wijze.