In de energie- en grondstoffentransitie is veel meer een systeemaanpak nodig, stelt directeur Arnold Stokking van Brightsite. ‘In de chemie willen we van lineair naar circulair. Dan moeten we op een andere manier naar de dingen kijken.’ Bijvoorbeeld zoals Elon Musk, die niet alleen bezig is met de doorontwikkeling van de auto, maar het idee van transport op een andere manier benadert. ‘Veel meer holistisch. Een en al systeemdenken.’

Innovatie heeft geen grenzen. Niet geografisch, maar ook niet sectoraal. Tesla’s zijn niet bijzonder innoverend als het om het ontwerp van de auto gaat en elektrische aandrijving is ook niet nieuw. De auto’s zijn ook groot genoeg om er voldoende batterijen in te stapelen voor een goede actieradius. Nee, het vernieuwende zit in de ICT. Het gebied waar Elon Musk en zijn kompanen oorspronkelijk vandaan komen. Dat maakt zelfrijdende auto’s, een uitgekiend energiebeheerssysteem en meer mogelijk.

Arnold Stokking omarmd deze analogie dankbaar. Zelf komt hij ook uit de hightech, hij werkte meer dan twee decennia bij Philips. Die achtergrond kan hem nu in de chemie van pas komen als directeur van Brightsite, het innovatiecentrum op Chemelot. Helemaal als het om elektrificatie van de industrie en met name elektrochemie gaat. ‘Het zijn hot items’.

2030

Brightsite kiest daarin wel haar eigen route. Stokking: ‘Natuurlijk is er veel te doen over groene waterstof, via elektrolyse van water. Grote partijen als Shell, Dow, BASF en Sabic doen veel onderzoek naar elektrische krakers. We volgen het allemaal met veel interesse, maar in ons onderzoek richt onze aandacht daar niet op. Op het vlak van elektrochemie focussen wij ons op plasmatechnologie. In de kern overigens geen nieuwe technologie. De voorloper van het Duitse bedrijf Evonik produceerde al in de Tweede Wereldoorlog acetyleen en waterstof met plasma’s. Dat gebeurde toen nog met bruut geweld.’ Nog steeds gebruikt Evonik dat proces, als er overschotten zijn van duurzaam opgewekte stroom. In het proces wordt acetyleen uit aardgas geproduceerd, waarbij waterstof een bijproduct is. Acetyleen wordt vervolgens omgevormd tot etheen na hydrogenering. ‘Inmiddels wel met betere controls natuurlijk.’

Elektrochemische processen als deze moeten nog wel veel verder worden verfijnd en vooral een goed alternatief bieden voor bestaande processen. ‘Chemie op basis van aardolie en -gas is op het moment zo goedkoop en efficiënt dat het moeilijk is om daar mee te concurreren.’ Daarom moeten alle zeilen worden bijgezet en vooral ook over hekken heen worden gekeken. Brightsite richt zich op daarom op de volgende generaties toepassingen van plasmatechnologie. Die moeten efficiënter, kosteneffectiever zijn en breder inzetbaar.

arnold stokking

Arnold Stokking (Brightsite): ‘Wellicht hebben we dertig jaar nodig om het hele systeem van recycling te veranderen.’

In het geval van de plasmatechnologie kan de chemie ook leren van wat in andere sectoren gebeurt. Stokking: ‘Bij Differ onderzoeken ze de plasmatechnologie voor kernfusie en ook bij ASML en in de medische wereld hebben ze veel kennis van deze technologie. Met kennis uit verschillende sectoren willen we grote stappen maken in de chemie. Ook is er nog fundamenteel onderzoek nodig, om van het brute geweld van de oude toepassing veel verfijndere processen te maken. Dat zal mogelijk pas na 2030 op grotere schaal wat opleveren.’

Vlottrekken

Vanuit zijn achtergrond in de hightech neemt Stokking ook het systeemdenken mee. Niet alleen maar in lineaire stapjes redeneren, maar juist vanuit het grotere geheel. ‘In de chemie willen we van lineair naar circulair. Dan moeten we op een andere manier naar de dingen kijken.’ Bijvoorbeeld zoals Elon Musk, die met Tesla niet alleen bezig is met de doorontwikkeling van de auto, maar het idee van transport op een andere manier benadert. ‘Veel meer holistisch. Een en al systeemdenken.’

Denken vanuit een groter systeem past ook bij het andere onderzoek van Brightsite, met name de mogelijkheden van chemische recycling van plastics en de inzet van biomassa als grondstof. Het zwaartepunt van Brightsite ligt daarbij vooral op vergassing. Op de Chemelotsite is Sabic ook bezig met pyrolyse, om plastic afval om te zetten in nieuwe grondstoffen voor krakers. En binnen het Economisch Netwerk Zuid Nederland, waarbij Brightsite is betrokken, coördineert de haven van Moerdijk een brede coalitie rond pyrolyse van gebruikt plastic. Stokking: ‘Als je die twee met elkaar vergelijkt, dan is pyrolyse bruut geweld en vergassing wat verfijnder.’ Willen we de transitie vlottrekken, dan hebben we allebei nodig.

Te goedkoop

Met pyrolyse kun je wellicht een groot deel van de bestaande installaties laten staan. Door de input te veranderen, kun je verregaand verduurzamen. Uiteindelijk breng je plastic afval weer terug naar bouwstenen die in bestaande krakers kunnen worden gevoed. ‘Op zich prima natuurlijk’, stelt Stokking. ‘Je zou kunnen zeggen: hoe sneller je bestaande installaties schoner krijgt – bijvoorbeeld door de feedstock te vergroenen, hoe beter het is. Maar ik denk dat we uiteindelijk ook meer disruptieve technologieën, zoals vergassing, nodig hebben om nog grotere stappen te kunnen maken.’

De richtingen en technologieën zijn er wel, maar waar Arnold Stokking zich vooral zorgen over maakt is de schaal en het tempo van de transitie. Natuurlijk moet alles er aan worden gedaan om zaken sneller te laten verlopen. Maar een transitie voltrekt zich nu eenmaal niet van de ene op de andere dag.

‘Met haar plannen voor de pyrolysefabriek op Chemelot kan Sabic zo maar de grootste van Europa worden. Maar dat is allemaal nog steeds heel klein. Heb je onlangs dat nieuwsitem gezien over de recycling van kleren? Van slechts één procent van de ingezamelde textiel wordt uiteindelijk verwerkt tot nieuwe kleren. De rest krijgt een laagwaardigere toepassing of wordt verbrand. Daar schrok ik van. Maar met plastics is dat dus niet anders. Nog steeds worden heel weinig kunststoffen hergebruikt. Dat komt onder meer doordat virgin plastic nu nog veel te goedkoop is. Wellicht hebben we dertig jaar nodig om het hele systeem te veranderen.’

Integraal

De politiek is nog te veel gericht op de korte termijn, vindt Stokking. Een spanningsboog van maximaal vier jaar. Hij kan zich daarom grotendeels vinden in een pleidooi van Cas König onlangs in de online talkshow Industrielinqs LIVE. De directeur van Groningen Seaports vindt dat de energietransitie niet in goede handen is bij de politiek. König: ‘Als we de klimaatafspraken voor 2030 willen halen, dan moeten we nu keuzes maken. Laten we dat aan de politiek over, dan discussiëren we veel te lang. En halen we de doelstellingen echt niet.’ Hij pleit voor de komst van een commissaris op het gebied van energietransitie. Net als de Deltacommissaris die is aangesteld om overstromingen te voorkomen.

arnold stokking

Arnold Stokking (Brightsite): ‘Met kennis uit verschillende sectoren willen we grote stappen maken in de chemie.’

Volgens Stokking verdient de oproep van König nog wat aanvulling: ‘De online talkshow triggert terecht de slagkracht die we nodig hebben. Maar ik wil er nog wel een onderwerp aan toevoegen: gas, olie en elektriciteit zijn niet alleen energiebronnen, maar ook grondstoffen voor de basischemie, kunststoffen bijvoorbeeld. De kennis, kunde en infrastructuur van deze sector is zeer relevant in deze. Ik pleit ervoor beide dossiers veel meer integraal te benaderen. Laten we een energie- én grondstoffencommissaris benoemen!’

Overigens hoort hij regelmatig positieve geluiden uit de politiek. Bijvoorbeeld van minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat. ‘Hij was laatst op bezoek op Chemelot. In de gesprekken die we met hem voerden, merk je dat hij weet waarover hij het heeft. Hij ziet het goed dat verduurzaming en economie hand in hand moeten gaan en schaal en tempo heel belangrijk zijn. De richting is goed, maar geef ons de tijd.’ Dan kan onderzoek en ontwikkeling ‘de motor zijn van een groene chemie.’

Door het terugschroeven van de Groningse gaswinning stroomt er minder aardgas door het Nederlandse transportnet van Gasunie. Met name doordat er geen export meer is. Gascompressorstations zoals die in het Brabantse Ravenstein staan daardoor het overgrote deel van het jaar stand-by. De grootste uitdaging voor plantmanager Jan Willem Rongen is het in goede staat houden van de installaties en het motiveren van de medewerkers.

Het perspectief zag er toch heel anders uit toen Jan Willem Rongen drie jaar geleden aan zijn nieuwe functie begon als plantmanager van Gasunie-installatiecluster Ravenstein. Ja, hij wist dat de aardgasproductie in Groningen zou worden teruggeschroefd. Maar dat het zo snel zou gaan… Rongen: ‘Ik werk nu al achttien jaar bij Gasunie. Lange tijd was het bedrijf behoorlijk voorspelbaar. Maar de laatste vijf jaar volgen de veranderingen elkaar snel op.’

Voor een groot deel heeft dit te maken met ontwikkelingen rond het Groninger gasveld en de energietransitie. ‘Doordat het Groningen-veld versneld minder produceert, en contracten afliepen, hebben we niet echt een exportfunctie meer. Dat heeft tot gevolg gehad dat we zelfs assets in de ‘mottenballen’ hebben moeten zetten, waaronder het compressorstation Schinnen en mengstation op Ravenstein. We bereiden nu het buiten bedrijf stellen van compressorstation Alphen in 2022 voor. In het installatiecluster Ravenstein moet ik nu krimp managen. Dat is echt helemaal nieuw voor mij.’

Mottenballen

Het aardgasnetwerk bestaat in Nederland uit twee transportnetten: een voor hoge druk (HTL) en de ander voor lage druk (RTL). In het hoge druk aardgas transportnet staan om de honderd kilometer compressorstations die het gas op druk en kwaliteit houden. Door de afgelegde afstand en diverse afnemers op de route, neemt de druk in de transportleidingen af. Door compressie brengt Gasunie dat weer op niveau zodat overal in het land voldoende gasdruk is.

Jan Willem Rongen: ‘We zaten in het midden van het epicentrum van de eerste golf. Ik ben sinds die tijd niet meer van mijn plek af geweest.’

In reduceerstations doet Gasunie het omgekeerde, namelijk de druk verlagen. Ook wordt het gas van een geurstof voorzien, waarna het naar gasontvangstations in het hele land wordt getransporteerd. Op Ravenstein staan twee reduceerstations, de ene is voor aardgas dat via België van en naar Engeland wordt getransporteerd. De andere is voor het mengstation. Rongen: ‘Tot vorig jaar mengden we op Ravenstein hoogcalorisch gas uit het buitenland met Groningen-gas tot een bepaalde tussenkwaliteit voor afnemers zoals Fluxys in België. Doordat België over gaat naar hoog calorisch gas is er geen behoefte meer aan het gemengde gas en is het mengstation overbodig geworden. Daarom is het ontkoppeld en in de mottenballen gezet.’

Epicentrum

Er zijn enkele tientallen stations in Nederland met verschillende rollen binnen het gastransport. Zo zijn er bijvoorbeeld stations die stikstof bijmengen om het gas op Groningen-kwaliteit te brengen. In het installatiecluster Ravenstein staat een combinatie van een compressorstation, een mengstation en twee reduceerstations. Onder Ravenstein vallen ook nog vier substations: Schinnen, Zweekhorst, Wijngaarden en Alphen. Normaal gesproken zijn die onbemand. Deze worden aangestuurd vanuit Ravenstein. In totaal werken op het hele cluster twintig mensen, hoofdzakelijk onderhoudstechnici.

Sinds het begin van de coronacrisis zijn de satellietstations niet meer onbemand. Rongen: ‘We hebben de bemanning zoveel mogelijk verdeeld over de satellietstations. Hierdoor werd het aantal mensen op de locaties zoveel mogelijk beperkt. We hebben door corona snel veel preventieve maatregelen moeten nemen omdat het onderhoud en projecten door moest gaan. Bijvoorbeeld het werken met verse luchtkappen wanneer we binnen anderhalve meter aan de installaties moesten sleutelen en het gebruik van mondkapjes en desinfectiematerialen. Het hoofdkantoor heeft grote projecten opgeschort. En we werken nu in teams, verdeeld over de satellieten. Vergeet niet dat we in het midden van het epicentrum van de eerste golf zaten. Ik ben sinds die tijd niet meer van mijn plek af geweest.’

Gate-terminal

Momenteel staan alle installaties stand-by. In de winter, met name als het echt koud is en de aardgasvraag snel toeneemt, komen ze in beweging. Dan moet er mogelijk extra druk worden geleverd. Dat mag overigens niet te pas en te onpas. Rongen: ‘We hebben te maken met een 500-uur-regeling voor onze gasturbine- en gasmotorenaandrijvingen. In de vergunning is afgesproken dat de compressoren niet meer dan vijfhonderd uur mogen draaien, vanwege de uitstoot (koolstofdioxide en stikstofoxiden) van de gasmotoren. Compressie kost veel energie en stoot dus ook CO2 uit. Deze regeling geldt alleen niet voor het station in Wijngaarden. Die is tien jaar geleden uitgerust met elektrische motoren. Daar stroomt overigens hoogcalorisch gas doorheen en het station draait het hele jaar.’ Hoogcalorisch gas wordt met name door de industrie gebruikt en is niet uit Groningen afkomstig. Daar komt alleen laagcalorisch gas vandaan.

gasunie

In het installatiecluster Ravenstein staat een combinatie van een compressorstation, een mengstation en twee reduceerstations.

Door het Nederlandse gasnet stroomt steeds meer geïmporteerd aardgas, bijvoorbeeld uit Noorwegen en Rusland. En denk ook aan biogas. Het is niet uitgesloten dat het ook weer wat drukker wordt op de Nederlandse gasrotonde. Rongen: ‘Neem de Gate-terminal, dat aangevoerd vloeibaar aardgas (LNG) opslaat op de Tweede Maasvlakte. Dat kan via tankers van overal in de wereld worden aangevoerd. Een paar jaar geleden liep het daar nog niet storm. Dat is nu wel anders. Waar we eerst de ‘bron’ in het noorden hadden, ligt die nu ook in het westen van ons land en zullen gasstromen bijvoorbeeld van west naar oost gaan lopen.’

Meer ambitie

Aan de horizon gloort bovendien nieuw licht: waterstof. Er zijn plannen om delen van het Nederlandse en zelfs Europese aardgastransportnet om te bouwen naar waterstof. Volgens Rongen kan dat op den duur veel nieuw elan brengen. De Nederlandse gasrotonde kan straks een belangrijke rol spelen in de Europese waterstof-backbone. ‘Ik heb de plaatjes gezien en daar zitten wij ook in met ons cluster.’ Ook niet geheel onbegrijpelijk. Chemische clusters zullen een belangrijke rol spelen in de waterstofplannen. Het cluster Ravenstein ligt op de route naar zowel Chemelot in Limburg en Duitse chemie daar achter, als de Antwerpse haven. ‘En vergeet daarbij ook niet de industrie rondom Eindhoven, Veghel en Uden. We liggen met ons cluster straks echt aan de waterstofsnelweg.’ Een lange adem is toch wel gewenst. ‘Als Gasunie hebben we met de visie 2030 een stip op de horizon gezet richting verduurzaming. In deze visie duurt het op dit moment tot 2027 voordat we als Ravenstein aan de beurt zijn om aangesloten te worden.’ Nog zeven jaar dus.

Dat levert een nieuwe bijzondere uitdaging op voor de plantmanager. Rongen: ‘Hoe houd ik de mensen de komende zeven jaar gemotiveerd en geïnspireerd? Het is natuurlijk niet bijzonder inspirerend om installaties een groot deel van het jaar stand-by te houden. En er zijn zelfs onderdelen in de mottenballen gezet, die later weer een rol kunnen spelen. ‘Ik heb verschillende medewerkers rondlopen met jonge kinderen. Die vinden het voorlopig wel prima. Maar hoe houd ik mensen hier, die op het moment meer ambitie hebben en waaraan getrokken wordt door de industrie? We hebben echt een goed team van vakmensen. Die wil ik niet kwijt.’

Biogasinstallatie

Rongen heeft daar wel ideeën over. ‘Als je aan Gasunie denkt, denk je misschien niet gelijk aan Noord-Brabant. Maar we liggen hier wel strategisch. Een mooie plaats voor een proeftuin op het gebied van energietransitie, heb ik al wel eens geopperd. Momenteel is Gasunie in het noorden in Zuidwending begonnen met de ondergrondse opslag van waterstof. Misschien kunnen wij hier ook experimenteren met vormen van opslag? Energieplein Ravenstein is een slogan die we zelf verzonnen hebben als geintje, maar wie weet wordt het nog eens waarheid. We doen graag mee in de ontwikkeling van nieuwe technieken en we hebben de ruimte ervoor.’

Rongen: ‘Energieplein Ravenstein is een slogan die we zelf verzonnen hebben als geintje, maar wie weet wordt het nog eens waarheid.’

Ook ligt Ravenstein in het midden van agrarisch gebied. Voldoende biomassa in de buurt, zou je zeggen. Met een schuin oog kijkt Rongen dan ook naar Alkmaar, waar Gasunie samen met SCW Systems een innovatieve installatie bouwt voor de productie van biogas. Superkritische watervergassing is een innovatieve technologie die natte reststromen zoals mest, groenafval en rioolslib kan converteren in duurzame energie en herbruikbare grondstoffen. Noord-Brabant zou zo maar een interessante locatie kunnen zijn voor een volgende innovatieve biogasinstallatie.

Sowieso ontstaat de komende jaren meer dynamiek op Ravenstein. Zo wordt het beheer van de installaties en het beheer van de leidingen samengevoegd. ‘De afdelingen die de leidingen beheren komen hier terug. Ook gaan we flexplekken creëren voor onder andere projectafdelingen en andere ondersteunende afdelingen.’ Die deden hun werk vanuit kantoren in Waddinxveen en Deventer, die worden binnenkort gesloten. ‘Vanaf het najaar van 2021 zien we dus veel meer mensen op onze locatie in Ravenstein en we krijgen op deze manier veel meer integratie en inzicht in elkaars werk. Dat geeft straks meer reuring en wellicht ook mogelijkheden voor de mensen hier.’

Er is een kloof tussen wat kan in onderhoud en wat er vanuit wetgeving moet. Dat bleek tijdens de eerste maanden van de coronacrisis. Sabic in Geleen kon bijvoorbeeld aantonen dat het veilig kon blijven produceren, toch werd ze door de toezichthouder gedwongen verplichte keuringen uit te voeren. Is het tijd voor een nieuwe blik op inspectietermijnen en de planning van onderhoud? In onze online talkshow Industrielinqs LIVE van 8 oktober spraken we hierover.

Sabic in Geleen was eind februari klaar voor de turnaround van haar kraker. Maar toen brak de coronacrisis uit. Contractors lieten weten zich niet meer comfortabel te voelen en dat ze niet konden garanderen dat ze genoeg mensen konden mobiliseren. ‘We moesten risico’s van procesveiligheid en de integriteit van de installaties afwegen tegen gezondheidsrisico’s van medewerkers’, zegt site director John Bruijnooge. ‘We vonden het niet verantwoord om de stop door te laten gaan.’

Sabic had in condition based maintenance en risk based inspection geïnvesteerd om de integriteit van zijn assets te borgen. Sabic’s eigen Inspectiedienst van Gebruiker (IVG) analyseerde samen met de conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI) dat een paar maanden langer doordraaien geen additionele en significante veiligheidsrisico’s zou opleveren. Het Saoedische chemiebedrijf zou dan ook zeker veilig door kunnen werken om de site alsnog uit bedrijf te nemen als dit veilig en verantwoord was. Zo’n drie maanden na de officiële uiterste keuringsdatum. ‘We kregen geen toestemming’, zegt Bruijnooge. Sabic had al wel een plan B klaarliggen en zette de fabriek alsnog voor 1 juli stil.

Weinig nut

Volgens Bruijnooge heeft hij van deze periode geleerd dat er nog wat werk te doen is richting de overheid. ‘Ik snap dat er een overheid nodig is die positief kritisch meekijkt zodat we niet te grote sprongen maken en niet te gemakkelijk omgaan met bepaalde risico’s. Maar als risk based inspection, metingen en inspectietechnieken niet ingezet mogen worden om de risicobepaling duidelijker te maken en te leiden tot nieuwe inzichten en installaties toch om de paar jaar open moeten, heeft het weinig nut te investeren in die technieken.’

Gerlof Sijnstra (Bureau Veritas): ‘Als je kunt laten zien dat jouw installatie integer is en je zit in een bijzondere situatie, dan moet uitstel van keuringen mogelijk zijn.’

Technical manager industrie Gerlof Sijnstra van NL-CBI Bureau Veritas begrijpt de frustratie van Bruijnooge. ‘Ik kan me niet voorstellen dat bedrijven zo ver de randjes opzoeken dat een installatie na de uiterste keuringsdatum niet meer veilig zou zijn. Er zijn veel mogelijkheden binnen de overheid om inspectietermijnen op te rekken met bijvoorbeeld termijnflexibilisering, maar dat doe je niet even op een namiddag. Zeker niet als je in voorbereiding zit op een stop.’

Snel aanpassen

Als je kunt laten zien dat jouw installatie absoluut integer is en je zit in een bijzondere situatie zoals de coronacrisis, dan moet uitstel van keuringen mogelijk zijn volgens Sijnstra. Wouter van Gerwen, expert bij Bilfinger Tebodin, vindt zelfs dat we van de hele grote turnarounds af moeten. ‘Het bestaat gewoon niet dat alle componenten in je fabriek op dezelfde datum kritisch zijn. Ik denk dat we veel kunnen leren van de vliegtuigindustrie. Als er een nieuw vliegtuigtype op de markt komt, wordt er in het begin veel geïnvesteerd in onderhoud. Tegelijkertijd wordt continu geanalyseerd of dat onderhoud wel nodig was. Per component worden vervolgens de intervallen aangepast. En als een component dat diep in de motor zit vaak onderhoud nodig blijkt te hebben, wordt het ontwerp aangepast. Je wilt onderdelen ook snel kunnen wisselen door ze modulair te maken.’

Het is een denkwijze die Bruijnooge wel aanspreekt, maar hij ziet wel een probleem. Het geïnstalleerd vermogen op zijn site staat er namelijk al een jaar of veertig. Bij nieuwe fabrieken wordt tijdens het ontwerp inmiddels wel gekeken of er een stuk modulair, redundancy of bypass kan worden ingebouwd.

Niet inspecteren

Met het idee van Van Gerwen komen er minder grote onderhoudsstops, maar wel regelmatiger kortere onderhoudsinspecties. Sijnstra is zelfs van mening dat we ons af moeten vragen of je bepaalde toestellen wel inwendig moet inspecteren. ‘Zo moeten wij elke zes jaar LPG tanks bij benzinestations inspecteren. We hebben daar nog nooit wat gevonden en we gaan er ook nooit vinden. Hetzelfde geldt voor accumulatoren, een soort expansievaten bij pompen. Ik ken een offshorebedrijf dat van ellende de herkeuringen maar niet deed, want dat was duurder dan ze elke zes jaar vervangen. Dat soort waanzin moet je er ook eerst uithalen.’

Data voorhanden

Vooralsnog moesten de bedrijven die de afgelopen maanden een turnaround hadden gepland zich houden aan de wettelijke inspectietermijnen. De stop van Sabic is goed verlopen en het bedrijf heeft er toch ook weer van geleerd. Bruijnooge: ‘Wij proberen procesproductieparameters zoals druktemperatuur en flow nu ook te gebruiken om iets te zeggen over de integriteit van onze installaties. Het zijn parameters die je elke dag bekijkt, maar over tijd kan je ze zien bewegen. Hier liggen kansen. Wij hebben hier al interessante resultaten mee behaald. Welke data is er nog meer voor handen waar een asset engineer ook naar kan kijken?’

Inspectieafdeling van gebruiker op de tocht

Het ministerie van SZW is voornemens de Inspectieafdeling van de gebruiker (IVG) af te schaffen. Bedrijven met een kleinere onderhoudsorganisatie krijgen daardoor weer directe audits van de publieke inspectiediensten. Een ingreep die de audit-druk op bedrijven behoorlijk kan opvoeren.Bedrijven die gebruik maken van drukapparatuur met een overdruk van meer dan een halve bar moeten deze laten beoordelen, repareren en keuren door speciaal opgeleid personeel. Tot nog toe mogen gebruikers dit zelf doen via de Inspectieafdeling van gebruiker (IVG) en worden ze bijgestaan en gecontroleerd door de zogenaamde conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI).SZW initieerde onlangs een marktconsultatie om te verkennen of het mogelijk is de IVG’s af te schaffen. De keuringsdiensten van gebruikers (KVG) zouden wel in stand worden gehouden, maar deze accreditatie vraagt om een veel grotere organisatie. De notified bodies zoals Bureau Veritas vrezen dat de wijziging in het audit-systeem tot onnodige regeldruk bij bedrijven zal leiden. Daarmee stapt kabinet Rutte III af van de belofte om de regeldruk te verlagen.

De stap van het ministerie wijkt ook af van de Europese wetgeving die wel ruimte overlaat voor eigen, gecontroleerde en geaccrediteerde inspecties.

Eind 2021 of begin 2022 neemt Yara een definitieve investeringsbeslissing voor de bouw van een honderd megawatt elektrolyzer in Sluiskil. Het bedrijf ziet kansen om hiermee de CO2-footprint van de ammoniakproductie te verkleinen en wil tegelijkertijd een markt voor groene kunstmeststoffen opbouwen. Bij de beslissing of het project al dan niet doorgaat, zal co-funding een belangrijke rol spelen.

Een honderd megawatt elektrolyzer op de site van Yara in Sluiskil moet windenergie van Ørsted omzetten in groene waterstof. Daarmee kan Yara vervolgens zo’n 75.000 ton groene ammoniak per jaar produceren. Dat is ongeveer tien procent van de capaciteit van de grootste ammoniakfabriek in Sluiskil. ‘Er staan drie ammoniakfabrieken in Sluiskil, dus dan kom je uit op zo’n vier procent groene ammoniakproductie’, rekent Sammy Van Den Broeck, vice president Climate Neutrality bij Yara International, voor. ‘Dat kan klein lijken, maar groene ammoniak, afgeleid van groene waterstof, bestaat vandaag de dag niet. Er is nog geen bestaande markt voor.’

Als Yara alle groene ammoniak omzet in kunstmeststoffen, dan kan het bedrijf een half miljoen hectare in Europa voorzien van groene kunstmest, stelt Van Den Broeck. ‘En dat is dan weer niet zo klein voor een product dat vandaag nog niet bestaat. Het is voor Yara aan de marktkant een heel grote stap. Het is een eerste stap in een veel langer verhaal waarvoor nog meer puzzelstukjes op hun plaats moeten vallen.’

Aanpassingen

Ook Gijsbrecht Gunter, manager externe relaties en communicatie bij Yara, erkent dat een honderd megawatt elektrolyzer niet groot genoeg is om heel Sluiskil te vergroenen. ‘Als we verder kijken, zien we een regionaal waterstofnetwerk waar andere partijen om de hoek komen kijken. Het is met honderd megawatt niet gedaan. Je hebt uiteindelijk veel meer partijen nodig. Maar om het behapbaar te maken, zien wij het in fasen. Dit project kunnen we integreren in de bestaande site. Het is een praktisch en realistisch project, waarmee we bestaande productie kunnen vergroenen zonder dat we onze processen volledig moeten aanpassen.’

Om de site helemaal te vergroenen zou het project een factor 20 tot 25 keer groter moeten zijn. ‘Maar als je alleen al een factor tien groter zou gaan, zou je veel significantere aanpassingen nodig hebben’, legt Van Den Broeck uit. ‘De fabrieken in Sluiskil zijn gebouwd met aardgas als designparameter. De productie van waterstof uit aardgas op de site is volledig geïntegreerd met de ammoniakproductie. Energie en warmte zijn voor die twee processen operationeel in balans gebracht. Dus als je de waterstofproductie loskoppelt en vervangt door een ander proces – elektrolyse – dan breek je de energie- en warmtebalans. Het is dan niet evident om de ammoniakproductie weer één op één te gaan integreren.’

Sammy Van Den Broeck (Yara): ‘We hebben ook groene projecten in Australië en Noorwegen. Waar is de co-funding het meest forward leaning?’

Tot tien procent bijmenging van groene waterstof is dus nog relatief eenvoudig voor een bestaande ammoniakfabriek. Boven de tien procent zijn er heel grote aanpassingen nodig. ‘Wil je boven de tien procent gaan, dan heb je eerder een greenfield design nodig’, vult Gunter aan. ‘Dat is precies het unieke van dit project. Het gaat niet om een losstaande elektrolyzer in the middle of nowhere. We integreren hier een elektrolyzer met bestaande ammoniakproductie, waarbij we zowel het geproduceerde waterstof als zuurstof gebruiken in bestaande processen. Het is dus geen greenfield, maar we vergroenen de bestaande plant, die overigens de grootste in haar soort is in Europa.’

Businesscase

De technologie voor een honderd megawatt elektrolyzer zal geen probleem vormen, stelt Van Den Broeck. ‘In Glomfjord, in het noorden van Noorwegen, heeft Yara lange tijd – tussen 1953 en 1991 – groene waterstof via elektrolyse gemaakt, en daarmee groene ammoniak. Dat was met een capaciteit van rond de honderdvijftig megawatt. Tot dertig jaar geleden heeft Yara de technologie op deze schaal dus al toegepast. In die tijd was in Noorwegen zeer goedkope hydropower beschikbaar. In 1991 is de productie stopgezet omdat het economisch gunstiger was om waterstof uit aardgas te maken.’

Juist de economische kant vormt voor deze schaal van waterstofproductie een grote uitdaging. Van Den Broeck: ‘In eerste instantie is het kostenplaatje voor hernieuwbare energie een belangrijke factor, aangezien het grootste deel van de productiekosten wordt bepaald door de energiekosten. Ook moeten de kosten van elektrolyzers voldoende laag zijn om een businesscase te hebben. Kostenverbetering door schaalgrootte is dus absoluut nodig. Maar dat lukt alleen als er projecten op die schaal komen. Bovendien moeten die projecten er vervolgens voor zorgen dat zich een downstream-markt ontwikkelt, voor groene waterstof en in ons geval groene ammoniak. De drijfveer voor ons is ervoor te zorgen dat er voldoende vraag is aan de marktkant. Als we klein blijven bouwen, is er een risico dat we een veel langere aanloop gaan kennen voor zo’n markt zich opbouwt.’

Kip-ei-situatie

Bij eerdere experimenten met groene waterstof liep Yara steeds aan tegen het feit dat daarmee de prijs van eindproducten twee tot vier keer hoger werd dan bij productie met grijze waterstof. ‘En de markt kiest nog steeds vooral voor de laagste prijs’, weet Gunter. ‘Nu willen we 14,5 kiloton grijze waterstof vervangen door groene, maar daarvoor is dus vooralsnog wel overheidssteun nodig. Niet alleen de bouw van een elektrolyzer kost nog te veel, ook de productie met (groene) elektriciteit in plaats van aardgas als grondstof is duurder.’

In SDE++ heeft Planbureau voor de Leefomgeving echter geadviseerd om maximaal tweeduizend uur waterstofproductie te subsidiëren. De reden daarvoor is dat er anders zoveel elektriciteit nodig is, dat die niet groen voor handen zou zijn. In dat geval kun je beter waterstof maken uit aardgas, zoals Yara nu doet, in plaats van met grijze stroom.

Gijsbrecht Gunter (Yara): ‘Je hebt stroom nodig, of die nu grijs of groen is, om elektrolyzers verder te ontwikkelen.’

Dat klinkt logisch, maar het gevolg is dat de schaalvergroting met bijbehorende kostenverbetering voor elektrolyzers niet van de grond komt. ‘Je hebt stroom nodig, of die nu grijs of groen is, om elektrolyzers verder te ontwikkelen’, stelt Gunter. ‘Als het een op het ander gaat wachten, ontstaat er een kip-ei-situatie. Nu je niet meer dan tweeduizend uur gesubsidieerd krijgt met ook nog eens een beperkt maximum bedrag per vermeden ton CO2, wordt de ontwikkeling van een businesscase een stuk lastiger. Je krijgt dan dekking op nog geen kwart van het totale aantal bedrijfsuren van een elektrolyzer waarmee je het liefst 24/7 produceert. Daarom pleiten wij ervoor om de ontwikkeling van elektrolyzers los te zien van de ontwikkeling van de groene elektriciteitsmarkt. Laat het een niet op het ander wachten.’

Rechtstreeks linken

De Europese Commissie heeft Nederland op dit punt echter ook nog op de vingers getikt. Ze vindt dat zelfs die tweeduizend uur eigenlijk nog te hoog is. De insteek is, begin lager en loop mee met de ontwikkeling van groene energie in Nederland. De Europese Commissie kijkt dus kritisch naar de wijze waarop de Nederlandse overheid subsidie verstrekt aan projecten waarbij waterstof wordt gemaakt via elektrolyse. Van Den Broeck: ‘Het mooie van ons project is dat we twee partners bij elkaar hebben, die dit samen rechttrekken. Onze overeenkomst met Ørsted maakt dat we de elektrolyzer rechtstreeks kunnen linken aan windenergie. We kunnen dus garanderen dat deze volledig op groene winduren draait.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Yara

Yara Sluiskil

Nederland heeft grootse ambities op het gebied van offshore wind, stelt Van Den Broeck. ‘Die ambitie zorgt samen met de site in Sluiskil – de grootste van Europa – voor een unieke combinatie. Nederland is de ultieme kandidaat voor waterstofnetwerken. Maar publieke co-funding blijft een belangrijk element en zal zeker een rol spelen bij portfoliobeslissingen in een internationaal bedrijf als Yara. We hebben bijvoorbeeld ook groene projecten in Australië en Noorwegen. Waar is de co-funding het meest forward leaning? Co-funding speelt een belangrijke rol in waar het eerst actie wordt ondernomen.’

Zero emission

Yara heeft de afgelopen jaren overigens al fors geïnvesteerd in Sluiskil om de uitstoot van broeikasgassen te verlagen. De site realiseerde een reductie van zestig procent ten opzichte van 1990 en daarmee heeft het de doelen van het Nationale Klimaatakkoord al bereikt. De ambitie reikt echter verder. Via een roadmap tot 2030 met drie sporen wil het bedrijf een zogenoemde ‘zero emission plant’ worden.

Spoor één is vooral op de korte termijn gericht, waarbij verschillende CO2-reductieprojecten worden uitgevoerd. Denk hierbij aan het aanpassen van installaties en het opsporen van onnodig energieverlies tijdens het productieproces door data te analyseren. Gunter: ‘We hebben hiervoor een projectportfolio lopen van ongeveer 25 projecten. Het gaat dan bijvoorbeeld om elektrificatie, andere warmtewisselaars met een hoger rendement, vergroening van de elektriciteitsproductie en tweede generatie De-N2O catalyst (katalytische omzetting van lachgas (N2O) naar stikstof en water, red.). Deze projecten moeten samen voor 0,3 tot 0,4 megaton CO2-reductie zorgen voor 2025.’

Het tweede spoor focust op het opslaan van CO2 in lege gasvelden. Dit spoor kan op korte termijn 0,7 megaton CO2-reductie opleveren, maar heeft op dit moment nog een belangrijke bottleneck, stelt Gunter. ‘We vangen nu al zuiver CO2 af om vloeibaar te maken of in gasvormige fase te gebruiken voor eigen productie van bijvoorbeeld ureum-meststoffen of rechtstreekse levering aan de naastgelegen glastuinbouw. We kunnen dat prima uitbreiden. Vervolgens kunnen we het vloeibaar gemaakte CO2 per schip naar een injectiepunt vervoeren. Maar binnen het Europese systeem voor emissiehandel is dat niet toegestaan. Je mag CO2 alleen per pijpleiding naar een opslagpunt brengen. Overigens heeft de Europese Commissie inmiddels wel aangegeven dit te willen aanpassen.’

Het derde spoor, dat parallel aan het tweede loopt, is om in Sluiskil over te stappen op groen waterstof. Op dat spoor heeft het bedrijf nu een eerste stap gezet. Met dit project hoopt Yara 0,1 megaton CO2 te besparen. Het bedrijf neemt eind 2021 of uiterlijk begin 2022 een definitieve investeringsbeslissing over de bouw van de elektrolyzer. Het project kan dan in 2024/2025 operationeel zijn.

Yara Sluiskil

Yara Sluiskil produceert jaarlijks ruim 1,8 miljoen ton ammoniak in drie fabrieken, die de ruggengraat vormen van de site. Het zijn de grootste ammoniakfabrieken van Yara en in Europa. De fabrieken zetten waterstof – 340.000 kiloton per jaar, gemaakt uit aardgas en water – met stikstof uit de lucht om in ammoniak. De CO2 die daarbij ontstaat, wordt voor een deel gebruikt voor de productie van ureum. Ook gaat een deel naar industriële klanten, zoals de tuinbouw, bierbrouwers en frisdrankproducenten.Het bedrijf valoriseert verreweg het grootste deel van de ammoniak lokaal tot een breed scala eindproducten. Zo maakt Yara naast ureum ook salpeterzuur. Dit gaat deels naar de voedingsmiddelenindustrie, maar wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de productie van ammoniumnitraathoudende meststoffen voor akkerbouwers. De producten worden in Europa verkocht, maar ook een aanzienlijk deel wordt verscheept, hoofdzakelijk naar Noord- en Zuid-Amerika.

Mijn vorige column in mei van dit jaar (Never waste a good crisis) ging over de coronacrisis en hoe deze ook positieve neveneffecten had op vlak van milieu en algemene levenskwaliteit. Nu staan we aan het begin van de langverwachte tweede golf. Die steekt even fel van wal wat betreft exponentiële groei, voorlopig nog met veel besmettingen en relatief weinig doden, maar dat kan snel veranderen.

Een groot verschil met de eerste golf is dat er van positieve neveneffecten geen sprake meer is. Er zijn nu vooral negatieve effecten, effecten die minder worden veroorzaakt door het virus zelf, maar vooral door de maatregelen ertegen. Het publieke leven komt grotendeels tot stilstand en de economie wordt langzaam doodgeknepen. In hoeverre het middel niet erger is dan de kwaal, is nog maar de vraag. De publieke discussie hierover is ook een belangrijk verschil met de eerste golf. In de eerste golf heerste vooral angst en gelatenheid. Zelfs de Italianen die zoals bekend geen vertrouwen hebben in hun overheid, gingen gedwee in een draconische lockdown, ook al ging dat geheel tegen hun aard en gewoontes in. Uit angst om het vege lijf te redden, maar ook uit een zelden geziene solidariteit en verantwoordelijkheidszin van de bevolking.

Tabakspandemie

Vandaag woedt er echter een grote discussie over de proportionaliteit tussen de maatregelen en de omvang van het probleem. Die discussie is goed, de waarheid zal wel ergens in het midden liggen. Diezelfde vraagstelling dient ook te worden gesteld voor veel andere problemen. Er zijn tal van problemen in de wereld die elk jaar opnieuw miljoenen doden eisen, maar waar helemaal niets tegen wordt ondernomen, dat is gewoon business as usual. Voor een virus met een relatief beperkt aantal slachtoffers wordt echter de hele wereld op zijn kop gezet. Hierop kan natuurlijk worden geantwoord dat het aantal doden nog veel hoger zou zijn zonder doortastende maatregelen. Dat is mogelijk, maar het Zweedse tegenvoorbeeld spreekt wat mij betreft boekdelen.

Er valt gewoon geen lijn te trekken in de proportionaliteit tussen een probleem en de maatregelen. Neem nu het voorbeeld van tabak, het dodelijkste consumentenproduct dat ooit op te markt is gebracht. Tabak veroorzaakt wereldwijd elk jaar opnieuw acht miljoen doden. Het is niet alleen dodelijk, maar ook nog eens erg verslavend en toch is het op elke straathoek te koop. Politici weifelen enorm om het tabaksgebruik terug te dringen, ze worden immers grondig beïnvloed door de tabakslobby en de economische belangen van de tabaksindustrie. Reclame voor tabak is in vele landen nog de gewoonste zaak van de wereld en elke ontradingscampagne van de overheid wordt op gewiekste wijze tegengewerkt door zeer goed gefinancierde organisaties van de tabaksindustrie. Het resultaat is dat wereldwijd het aantal doden nog elk jaar stijgt, het is niet overdreven om te spreken van een wereldwijde tabakspandemie.

Smaak te pakken

Als dezelfde daadkracht waarmee dit virus te lijf wordt gegaan ook aan de slag werd gelegd om de tabakspandemie een halt toe te roepen, dan leefden we in een veel betere wereld. Het verschil in respons zit hem dus niet in de omvang van het probleem, maar in de aard van het probleem. In tegenstelling tot tabak is het virus een gemeenschappelijke vijand zonder vrienden, lobbyisten of economische belangen. Er kan zonder tegenspraak hard tegen worden opgetreden, met politici in een heldenrol. Van een gebrek aan daadkracht is hier geen sprake, eerder van een teveel.

In feite is de coronacrisis een technisch beheersbaar probleem dat binnenkort zal verdwijnen als eenmaal de vaccins beschikbaar worden. De grote vraag is wat er zal gebeuren na deze pandemie, of we iets zullen geleerd hebben uit deze crisis. Keert alles terug naar het oude of wordt er deze keer echt gewerkt aan een nieuwe en betere wereld? De klimaatcrisis is hier de grote gorilla in de kamer. Vele malen gevaarlijker en moeilijker beheersbaar dan het coronavirus en dat probleem zal volgend jaar zeker niet opgelost raken. Politici zijn duidelijk aan zet in de klimaatproblematiek. Benieuwd of ze op vlak van daadkracht de smaak te pakken hebben gekregen.