Wetenschappers reiken opties en denkroutes aan. Ze kunnen hoop geven voor de toekomst, maar moeten ook aansporen tot realisme. Volgens professor Bert Weckhuysen van de Universiteit Utrecht kunnen innovatieve aanpassingen van bestaande processen veel bijdragen aan de energietransitie. Het olietijdperk is nog niet ten einde. Daarmee kan juist ook de benodigde tijd worden gekocht om doorbraaktechnologie tot wasdom te laten komen.

Wie op internet zoekt naar professor Bert Weckhuysen stuit al snel op een intrigerende YouTube-video. Een opname van een presentatie die de hoogleraar gaf bij TEDx Binnenhof een paar jaar geleden. Daarin haalt hij molecuulmodellen tevoorschijn, die we nog wel kennen van de scheikundelessen op de middelbare school. Kunststof bolletjes die je tot moleculen kunt legoën.

Water is een zuurstofbolletje vastgeklikt aan twee kleinere waterstofbolletjes. Weckhuysen haalt tijdens zijn TED-talk een ander molecuul met drie bolletjes tevoorschijn, twee zuurstof-
atomen die elk met een dubbele binding aan een koolstof-
atoom vastzitten. ‘Dit is de huidige boosdoener, CO2,’ stelt hij. ‘Maar laten we er een molecuul water bij halen.’

Met waterstof uit water en koolstof uit CO2 kun je theoretisch een grote verscheidenheid aan organische moleculen maken, betoogt hij. Er is alleen heel veel energie voor nodig. Hij moet ook kracht zetten en stevig wrikken aan het CO2-molecuul om het C-atoom los te krijgen. Symbolisch. Volgens Weckhuysen is er naast heel veel energie, vooral ook veel kennisontwikkeling nodig om CO2 grootschalig in te zetten als grondstof. En mogelijk het CO2-probleem net zo op te lossen als het probleem met zure regen en het gat in de ozonlaag. Want wie heeft het daar nog over?

Nog niet volwassen

Een inspirerende presentatie. Maar wie denkt met Weckhuysen een dromer, een idealist te treffen, heeft het goed mis. Ja, hij is ervan overtuigd dat er veel mogelijk is en wordt als het gaat om verduurzaming van de chemische industrie. Mits we goede keuzes maken, uiteraard geholpen door de wetenschap. 
Als hoogleraar anorganische chemie en katalyse aan de Universiteit Utrecht tast hij daarom voortdurend de toekomst van de chemie af.

innovators

Weckhuysen: ‘Door het kraakproces efficiënter te maken, 
kunnen we nu al resultaten boeken.’

Er zijn verschillende hoopgevende onderzoekslijnen, maar voor veel oplossingen en mogelijke doorbraken wordt ons geduld voortdurend op de proef gesteld. Keulen en Aken zijn immers niet op één dag gebouwd. Dat het olietijdperk al ten einde loopt, vindt Weckhuysen bijvoorbeeld een veelgehoorde, maar ongegronde uitspraak. Er staan in de wereld nog veel raffinaderijen, krakers en afgeleide installaties die niet zomaar zijn afgeschreven. Er wordt nieuwe technologie ontwikkeld, maar veel innovatieve technieken zijn nog niet volwassen genoeg en vaak nog zeer inefficiënt.

Dreamliner

Aan het voorspellen van de toekomst, waagt hij zich ook niet aan. Er is sowieso geen blauwdruk. Bovendien moeten keuzes worden gemaakt die vaak buiten het bereik van de wetenschap liggen. Weckhuysen: ‘Het is onze taak om opties en denkroutes aan te reiken. We bieden gereedschappen. Of die tot doorbraken leiden, hangt af van veel factoren die buiten onze invloed vallen.’ Denk alleen al aan de olieprijs of de belasting op CO2. Hoe dwingend durft een overheid te zijn?

Met meer dan normale interesse volgt hij daarom de ontwikkelingen rond het Nederlandse Klimaatakkoord. Hij voelt daarbij wel meteen de behoefte opkomen om te relativeren. Weckhuysen: ‘49 procent minder CO2-uitstoot in 2030. Dat is een heel ambitieus plan. Maar beseffen we echt wel voldoende waar we ja tegen willen zeggen? Is er ook goed nagedacht over hoe we het allemaal gaan realiseren? En welke offers daar voor nodig zijn?’

Om het wat dichter bij het dagelijks leven te brengen rekent hij voor: ‘Een gemiddeld gezin stoot meer dan tien ton CO2 uit per jaar. Een gemiddelde auto al 4,5 ton. In 2030 willen we dat gehalveerd hebben. Ik heb het ook voorgerekend bij een congres in Canada. Ik was daar gekomen in een Dreamliner, waardoor ik al een ton bij mijn CO2-uitstoot kon optellen.’

Fundamenteel

Weckhuysen denkt dat er zeker mogelijkheden zijn, als we ons niet alleen blindstaren op de verre toekomst. Op oplossingen die nog heel veel ontwikkeltijd nodig hebben. Onderzoek vooral wat op korte termijn mogelijk is, is zijn devies. Zo kan energiebesparing het komende decennium verreweg de meeste CO2-reductie opleveren. Helemaal in de industrie. Weckhuysen: ‘We kunnen de processen die nu al draaien als eerste aanpakken. Neem bijvoorbeeld de productie van ammoniak.’ De synthese van ammoniak kost veel aardgas als energie en grondstof. Met andere, efficiëntere routes is veel CO2-uitstoot te reduceren.

Hij ziet ook interessante mogelijkheden bij de huidige krakers. ‘Wereldwijd staan er ongeveer vijfhonderd. Alleen al door het kraakproces efficiënter te maken, kunnen we resultaten boeken. Kraken is een endotherm proces. Kunnen we de verhitting bijvoorbeeld niet op een andere manier regelen?’

Het is volgens de hoogleraar nog steeds een actuele vraag hoe er meer uit fossiele grondstoffen kan worden gewonnen, met minder CO2-uitstoot. Als het om verduurzaming gaat, is daarin volgens hem nog veel te bereiken. Zijn specialisme, de katalyse, kan daar een belangrijke rol in spelen. Katalysatoren kunnen lange olieketens knippen tot brandstoffen of bouwstenen voor de chemie, denk aan etheen en propeen. Door de werking van deze katalysatoren fundamenteel te onderzoeken, kunnen mogelijk processen worden ontwikkeld die veel minder energie gebruiken en zodoende veel minder CO2 uitstoten.

Methaan

Eerst dus het laaghangende fruit, maar tegelijkertijd onderzoekt de vakgroep van Weckhuysen ook de mogelijkheden voor de middellange en langere termijn. Ze kijkt bijvoorbeeld naar manieren om beter en effectiever organisch afval en biomassa bij te mengen in krakers.

Voor de langere termijn richt hij zich onder meer op solar fuels. Met zowel directe fotochemische omzetting van CO2 als reactie van CO2 met groene waterstof is het mogelijk om brandstoffen en bouwstenen voor de chemie te maken. Met name de directe omzetting van CO2 in methaan (CH4) is nog een hele uitdaging. Weckhuysen: ‘De opbrengst van dit soort processen is nog steeds laag. Er is dus nog veel onderzoekswerk te doen.’

Schoolser

Om alles in een beter perspectief te zien, is meer kennis nodig en ook meer inhoudelijk debat, is de overtuiging van de professor. ‘Onlangs mocht ik een congres organiseren waar onder meer Marjan van Loon van Shell sprak. Voor het brede debat had ik ook filosoof Peter Paul Verbeek van de Universiteit Twente uitgenodigd. Voor het eerst kreeg ik te maken met protesten en spandoeken in de zaal, gericht tegen Shell. Mensen die gebruikmaakten van hun recht tot vrije meningsuiting. Yes! Helemaal goed. Maar wat ik dan jammer vind, is dat ze meteen na het protest de zaal verlieten. Blijf dan, zou ik zeggen. Ga in debat! Dat mis ik wel een beetje.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

’Je kunt verbindingen leggen door meer van verschillende wetenschappen te 
begrijpen.’

De nieuwe generatie wetenschappers zal een prominente rol spelen bij de energietransitie. Als opleider van jonge mensen pleit hij voor een brede belangstelling bij studenten. ‘De eerste wetenschappers waren heel breed geïnteresseerd. Ik ben zeer voor de homo universalis. Door meer van verschillende wetenschappen te begrijpen, kun je verbindingen leggen. Dan kun je mogelijk meer oplossingen zien en problemen beter uitdagen. Voor een hoogleraar moet opleiden verder gaan dan alleen het delen van boekenwijsheid. Ik merk dat studenten momenteel schoolser worden. Dat ligt zeker niet alleen aan de studenten zelf. Vergeet niet dat we de innovators van de toekomst moeten opleiden. Laten we ze uitdagen en leren denken, verbindingen leren leggen.’

Succes

Zelf ziet hij zijn postdoctorale tijdperk in de Verenigde Staten als de mooiste tijd in zijn wetenschappelijke loopbaan. Als jonge Vlaming, afgestudeerd aan de universiteit van Leuven, mocht hij twee jaar onderzoek doen in de staten Pennsylvania en Texas. ‘De vrijheid die ik toen had, geweldig.’ Dat gunt hij ook de jonge wetenschappers. ‘Nu ik tegen de vijftig loop, merk ik steeds meer dat het niet alleen om prestaties gaat. Bijvoorbeeld om hoeveel publicaties je achter je naam hebt staan. Dat kan niet je enige motivatie zijn als wetenschapper. Dat wordt op den duur heel ledig.’

Het is volgens Weckhuysen juist de bedoeling dat huidige studenten ideeën, theorieën en innovatieve routes verder brengen. Dat kan het beste als iedereen, dus ook de hoogleraar, openstaat voor nieuwe ideeën en inzichten. ‘Ik kan ook niet jaloers zijn. Zeker niet als iemand met een beter idee komt. Openheid is echt heel belangrijk. Studenten vergeten vaak dat hoogleraren ook student zijn geweest. En weet ook dat ik me op elk college opnieuw moet voorbereiden. Toen ik student was, zei een hoogleraar eens tegen me dat hij ook nog elke dag bijleerde.’

Vooral de honger om bij te leren kan iedereen verder brengen. ‘Een andere mooie uitspraak die ik me altijd nog kan herinneren, kwam van een leraar Latijn. Succes is i maal i maal i. Interesse maal intelligentie maal inzet. De beste wetenschappers hebben voldoende van alle drie. Het zijn menselijke eigenschappen. Een reden te meer om bij het opleiden van studenten ook hier aandacht aan te geven. Wetenschappers moeten zeker heel gepassioneerd zijn. Zelf voeg ik er overigens ook de factor geluk aan toe. Maar dat is een plusje, geen vermenigvuldigingsfactor.’

Eind oktober 2001 zaten we met een stel journalisten na te tafelen in een restaurant onder de Dom van Florence. Ook twee persvoorlichters van DSM zaten erbij. We waren met het chemiebedrijf op persreis. De twee DSM-ers hielden hun kaken stijf op elkaar, want het gesprek ging toen over overnamekandidaten. Welke partij ging de basischemie van DSM overnemen?

BP werd genoemd. Ook BASF, Dow en ExxonMobil hoorden tot the usual suspects. Er werd bovendien rekening gehouden met kleinere chemische bedrijven. Allemaal uit het Westen. Maar het Saoedische Sabic? Geen moment aan gedacht… En ik wed dat de meesten van ons nog nooit van het bedrijf hadden gehoord. Ikzelf incluis, moet ik eerlijk bekennen.

Niet lang daarna werd Sabic als potentiële koper bekend gemaakt. Dat was wel even wennen. Natuurlijk gingen de gesprekken over welke invloed de Arabische eigenaren zouden uitoefenen op de Nederlandse cultuur binnen de voormalige DSM-activiteiten. Het was voer voor anekdotes. Bijvoorbeeld over die keer dat de topman van Sabic de fabrieken in Geleen bezocht. Voor die gelegenheid was op meerdere plaatsen zijn portret opgehangen. Toch hing ergens nog een onopgemerkte blootfoto. En precies daar bleef de goede man even staan. ‘Definitely, that’s not me’, zou zijn reactie zijn geweest. Of dit een waargebeurd verhaal is, misschien wat aangedikt, maakt eigenlijk niet zoveel uit. Het hielp mee om het ijs te breken.

Pyrolyse

Inmiddels is Sabic niet meer weg te denken uit de Nederlandse chemische industrie en kocht het concern naast de activiteiten in Geleen ook een chemisch complex van GE Plastics in Bergen op Zoom. Een modern bedrijf, weten we inmiddels. En wie denkt dat Arabieren alleen maar inzetten op de versterking van hun aardoliebelangen, heeft het mis. Voor Chemelot wordt momenteel een pyrolysefabriek, om afvalplastic om te zetten in bouwstenen voor de chemie, onderzocht. En in Saudi-Arabië heeft het bedrijf ’s werelds grootste installatie staan die CO2 als grondstof gebruikt voor de productie van methanol en ureum, met behulp van zonne-energie.

Beursgang

De invloed van Saoedi-Arabië op de chemische industrie in de Benelux wordt groter. Olieconcern Saudi Aramco wil alle aandelen van Arlanxeo overnemen. Sinds 2016 bezit het al de helft van de rubberproducent. De andere helft is in handen van het Duitse Lanxess dat het onderdeel in 2011 kocht van DSM. Het bedrijf heeft twintig productielocaties in negen landen, met in Nederland een grote op Chemelot. Daarnaast is het bedrijf ook in Antwerpen aanwezig.
Het lijkt er sterk op dat Saudi Aramco, het grootste oliebedrijf ter wereld, zijn activiteiten in de chemie verder wil uitbreiden. Zo investeerde het de afgelopen jaren samen met Dow Chemical twintig miljard in een spiksplinternieuw chemisch complex in het Saoedische Jubail.

Ook lijkt het enorme concern geld vrij te willen maken voor nieuwe overnames. Zo wordt sinds 2016 veel gespeculeerd over een beursgang. Het zou om vijf procent van de aandelen gaan. Met een totale waarde van maar liefst 100 miljard (!) euro. De totale waarde van het concern wordt immers geschat op 2 biljoen euro…

Met het opgehaalde geld zou Saudi Aramco volgens insiders een groot belang willen nemen in…. jawel: Sabic. Dat is nu grotendeels in handen van een publiek Saoedisch investeringsfonds. Meer dan veel andere olie- en gas producerende landen lijkt Saudi-Arabië zich hiermee voor te bereiden op een toekomst waarin aardolie een minder belangrijke rol zal spelen. Indirect is deze actie van het olieconcern namelijk bedoeld om het land minder afhankelijk te maken van het zwarte goud. Het investeringsfonds kan het geld namelijk aanwenden voor niet-oliegerelateerde activiteiten.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl
of via Twitter: @wimraaijen

Hij is plantmanager van een site die slechts tien jaar oud is. Van alle chemicaliën die hij distribueert, wordt 18.000 kubieke meter opgeslagen bij de buren. Maar achterover leunen doet Sander Schiereck allerminst. ‘De wereld van de chemische distributie is dynamisch. Ik zie vele uitdagingen. Ik haal veel energie uit de fabriek en uit mijn medewerkers.’ Schierecks belangrijkste advies: ‘Luister naar je mensen.’

‘Ik zou graag vier vaten tolueen, één can butyldiglycol en één IBC xyleen ontvangen en het zou fijn zijn als dat morgen binnen is.’ Voor diverse bedrijven is dit een onmogelijke klantvraag, maar voor Brenntag is het een heel normaal verzoek. Zowel de minimale hoeveelheden als de korte levertijd zijn in principe haalbaar. ‘We zijn een one-stop-shop voor de professionele gebruiker’, legt Sander Schiereck uit. Sinds september 2017 is hij binnen Brenntag Benelux plantmanager van de vestiging in Rotterdam. ‘En ja, dat vraagt om een hoge mate van flexibiliteit en aanpassingsvermogen, maar dat maakt het werk zeer dynamisch.’

Een goede buur

Brenntag richt zich op de distributie van chemicaliën. Het bedrijf vormt een schakel tussen producenten en afnemers van chemicaliën. Producten worden ingekocht, chemicaliën uit grote bulkvolumes worden herverpakt in kleinere eenheden en Brenntag zorgt voor vullen, etiketteren, pelletiseren en fijnmazige distributie naar klanten in binnen- en buitenland. Al deze activiteiten vinden plaats op de locatie in Rotterdam. Deze locatie fungeert tevens als een hub voor de Europese vestigingen van Brenntag. Schiereck: ‘Wij hebben hier veertig tanks van vijftig kubieke meter onder de grond en daarnaast hebben wij een co-siting agreement met Vopak waar opslagtanks van 800 tot 1.200 kubieke meter worden gehuurd.’ De samenwerking met Vopak is dus erg belangrijk. ‘Toen we hier ruim tien jaar geleden gingen bouwen, wisten we dat er geen ruimte was voor een aanlegplaats voor schepen. Maar doordat we gebruikmaken van de havenfaciliteiten van Vopak, kunnen we handelen alsof we die havenaansluiting wel hebben. Er is dagelijks contact tussen Brenntag en Vopak. ‘Wij zijn van de korte en snelle wisselingen en dat vraagt ook van Vopak, waar ze eigenlijk langere doorlooptijden gewend zijn, om flexibiliteit.’

In deze samenwerking gaat het vooral om bulkvoorraden die vervolgens door Brenntag worden herverpakt in IBC’s, tweehonderd liter drums en in cans. Of, als het toch om grote hoeveelheden gaat, dan kan ook een tankauto worden afgevuld. Er is een laadstelling met vier straten. Daarnaast kunnen er diverse mengsels worden gemaakt en afgevuld op de mengafdeling. Ook staan op het terrein twee PGS 15 loodsen met elk vierduizend palletplaatsen. ‘De ene wordt gebruikt voor opslag van de oplosmiddelen die we zelf verpakken. En de andere is bestemd voor prepacked materialen. Deze producten komen dus verpakt binnen, bijvoorbeeld als zakgoed of in bigbags of vaten.’

Mensenmens

De veertigjarige plantmanager werkt inmiddels één jaar op deze Brenntag-site in Botlek Rotterdam. Daarvoor heeft hij ruim zes en een half jaar ervaring opgedaan binnen Sabic waar hij begon als process engineer. Hij werkte zich op en in 2017 nam hij afscheid als plantmanager van de site in Bergen op Zoom. ‘Dat was voor mij dagelijks minimaal een uur rijden. Het leek me goed om een baan dichter bij huis te zoeken.’ Schiereck meldde zich bij Progressive Recruitment en zo werd hij op het pad van Brenntag gebracht. ‘Een interessant pad. Ik ben graag werkzaam in de chemische industrie, op een BRZO-locatie. Bovendien was het dicht bij huis zodat ik ook wat meer tijd heb om te genieten van mijn dochters van inmiddels drie en zes jaar oud.’

Het bleek een prima match en Schiereck kwam terecht op een site waar het goed georganiseerd was, maar waar hij ook zijn tanden in een aantal uitdagingen kon zetten. ‘Ik mag graag partijen met elkaar verbinden en vanuit het motto ‘Connecting Chemistry’ staat dit bij Brenntag hoog op de beleidsagenda.’ Daarnaast is Schiereck een mensgerichte manager. ‘Deze site is slechts tien jaar oud, dus de processen draaien wel. Dat geeft me alle ruimte om me te richten op de medewerkers. Wat beweegt hen? Wat vinden zij belangrijk? Hoe kunnen we zorgen voor eigenaarschap?’

Spiegel

De eerste stap van Schiereck, nadat zijn voorganger Theo Gebuis vanwege pensionering het stokje had overgedragen, was koffie drinken met alle operators en heftruckchauffeurs. ‘Ik wilde weten wie ze zijn, hoe ze in hun vel steken. Maar ik wilde ook van hen weten hoe het gaat op de werkvloer.’ Schiereck stelde vragen als: ‘Benoem drie dingen die goed gaan en drie dingen die je zou willen verbeteren.’ En ook: ‘Wat zou je veranderen als je een grote zak geld tot je beschikking zou hebben?’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Sommige medewerkers zijn al ruim twintig jaar aan het bedrijf verbonden en Schiereck heeft ervaren dat het voor deze waardevolle krachten best lastig is om na te denken over hoe het anders kan. ‘Ze werken al twintig jaar op een bepaalde manier. Dat het ook anders kan, dat het beter of efficiënter kan, daar wil ik ze bij helpen. Daarom hou ik ze een spiegel voor. Ik kan het misschien zelf wel verzinnen, maar ik heb liever dat het vanuit de mensen zelf komt.’

Om die reden heeft Schiereck het ‘ploegenpraatje’ geïntroduceerd. Op deze momenten wordt informatie over operationele en personele zaken gedeeld, over veiligheid en toekomstige projecten. ‘Maar de helft van de tijd hou ik mijn mond en luister ik naar mijn mensen.’

Sturen op near misses

Op deze manier is er alle ruimte om ideeën en verbetervoorstellen in te dienen. Volgens Schiereck zijn er altijd wel manieren om het werk veiliger of efficiënter uit te voeren. ‘We proberen hier een meldcultuur te creëren waarin near misses in alle openheid worden gemeld. Niet om iemand ergens van te kunnen beschuldigen maar om gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situaties te kunnen voorkomen en om hiervan te kunnen leren.’ Zo is op de site een zogenaamd learning-to-see programma gestart. Hierbij worden foto’s getoond van gevaarlijke situaties. ‘Het gaat hier over het waarnemen van risicosituaties. Zijn er tijdelijk objecten geplaatst voor brandbeveiligingsmiddelen? Zijn er technische defecten waarbij iets mis kan gaan? Loopt er een collega naast je die niet de juiste PBM’s draagt? Is er ergens struikelgevaar? Dat soort situaties.’

Verder worden alle near misses en natuurlijk ook de daadwerkelijke incidenten geregistreerd. ‘We sturen erop aan dat we per medewerker drie meldingen kunnen registreren. Dat klinkt misschien als een stimulans om je collega te verlinken, maar zo moet je dat niet zien. Een near miss melden mag ook zonder namen te noemen. Alleen als het constant om dezelfde man of vrouw gaat, dan wil ik dat natuurlijk wel weten.’ Doel van dit programma is het creëren van bewustwording bij de medewerkers en ervoor zorgen dat iedereen aan het einde van de dag veilig naar huis kan.

Efficiënter

Een van de efficiency-verbeteringen die Schiereck heeft geïntroduceerd is het gebruik van portofoons. ‘Onderlinge communicatie is ongelooflijk belangrijk. Zeker in de dynamische wereld waar wij in werken. Communiceren middels portofoons gaat sneller dan communicatie met mobiele telefoons.’ Volgens Schiereck is dit een simpele investering waarmee het werk al snel efficiënter en veiliger kan worden gemaakt. Een ander verbetervoorstel waar een van de medewerkers mee kwam, was dat er in een bepaald proces een aantal losse stickers moesten worden geplakt. ‘Dit gebeurde al jaren zo en dan word je een beetje blind voor alternatieven, maar toch werd er op een dag geopperd of het plakken van één sticker met daarop alle informatie niet mogelijk zou zijn. Dat is onderzocht en bleek mogelijk.’

Een ander project dat voor de komende jaren op de planning staat, is het verder verbeteren van het management warehouse systeem. ‘We vertrouwen nu nog heel veel op ervaring en de ogen en de oren van onze medewerkers. Staan die producten klaar die moeten worden klaargezet voor die specifieke klant? We gaan onze mensen voorzien van scanners waarmee een directe koppeling wordt gemaakt met SAP. Op deze manier verklein je de kans op vergissingen want je weet zeker dat het juiste product wordt klaargezet voor de klant. Daarnaast zorgen we hiermee voor minder papierwerk.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Uitdagingen

Het verbeteren van de veiligheid en het verbeteren van de efficiency zijn belangrijke speerpunten voor Schiereck. ‘De uitdaging is om de site de komende tien jaar op minimaal hetzelfde niveau te houden. Dan moet je inzetten op deze thema’s.’ Verder is duurzaamheid een thema dat altijd op de achtergrond aanwezig is. ‘Wanneer we assets moeten gaan vervangen, dan kijken we of er een duurzamer alternatief is. We beschikken bijvoorbeeld over eigen perslucht compressoren en hiervan moeten we er binnenkort een vervangen. Een hoger rendement compressor verbruikt minder energie. Daar willen we dan best in investeren.’

Een andere uitdaging is het vinden van goed technisch personeel. ‘Wat mij betreft begint het met het vasthouden van de mensen die je al aan boord hebt. Luister naar ze, zorg dat ze plezier hebben in hun werk en zorg ervoor dat ze zich kunnen ontwikkelen.’ Het gevaar van het laten groeien van je mensen is dat ze op enig moment verder gaan kijken bij andere bedrijven. ‘Die kans bestaat, dat realiseer ik me, maar ik hou ze hiermee toch nog een tijdje vast en die extra kennis wordt in eerste instantie ingezet binnen Brenntag.’

Het krijgen van nieuwe technische mensen is doorlopend een punt van aandacht. Schiereck wil mensen zonder technische kennis een kans geven. ‘Mensen die niet direct de juiste papieren hebben, maar wel gemotiveerd zijn om deze te behalen, kunnen prima intern worden opgeleid.’ Ook werkt Brenntag veel samen met opleidingsinstituten in de regio. ‘Stagiairs krijgen bij ons de juiste begeleiding en worden, als ze zich hebben bewezen en het diploma hebben behaald, al snel gezien als volwaardige operators. Hopelijk houden we ze zo aan boord.’

Op de enorme chemische site van Dow Terneuzen wordt het straks een stuk rustiger. Veel vrachtwagenbewegingen zijn niet meer nodig, omdat transportactiviteiten naar de randen van het complex worden verplaatst. Bovendien hebben de belangrijkste aannemers nieuwe kantoren betrokken buiten het terrein, op het nieuwe Maintenance Valuepark. Mede om plaats te maken voor een mogelijke nieuwe fabriek? Binnen enkele maanden valt de beslissing.

Nog niet zo lang geleden was de chemische industrie in Nederland en Vlaanderen volledig in mineur. Tijdens de economische crisis die tien jaar geleden begon, daalde de vraag naar chemische bouwstenen enorm. Fabrieken draaiden jarenlang niet overal op vollast.

Juist in Europa werd de pijn van de crisis het hardst gevoeld. De markt in China groeide immers nog steeds, alleen tijdelijk iets minder hard. Het Midden-Oosten hield haar directe toegang tot de grondstoffen en de Verenigde Staten had ineens het wondermiddel schaliegas.

Het waren onzekere jaren, ook voor Dow Terneuzen. Niet alleen de jaren van overcapaciteit waren uitdagend. In de vorige editie van Petrochem stelde de kersverse Plant Manager of the Year 2018, Niels Smits, dat het vanaf 2014 ook spannend werd, juist toen de vraag enorm toenam. ‘Dan gaat alles toch even piepen en kraken. Stel je voor dat je in de Formule 1 jarenlang vooral gewend bent om alle rondjes uit te rijden, maar ineens wordt van je verwacht dat je de snelste rondjes gaat maken.’

Op het hoofdkantoor van Dow groeide ondertussen het vertrouwen in de Nederlandse site. Zodoende gaf het topmanagement een paar jaar geleden groen licht om het complex verder te moderniseren. Dat terwijl het concern samen met Saudi Aramco de afgelopen jaren een enorm nieuw chemisch Sadara-complex bouwde in Saudi-Arabië (Jubail) en de VS-locaties nog steeds profiteerden van de schaliegasrevolutie. Sinds 2012 investeerde het chemieconcern voor zes miljard dollar in de Amerikaanse Gulf Coast (Texas en Louisiana). Het belang van Dow in Sadara is 35 procent. De totale investering in dat gigantische petrochemische complex is 20 miljard euro.

500 miljoen

Natuurlijk halen de investeringen in Zeeuws-Vlaanderen het daar niet bij. Toch haalde Dow Terneuzen de afgelopen jaren verschillende projecten binnen. Wel waren die vooralsnog minder gericht op de nieuwbouw van fabrieken, maar op de ombouw en uitbreiding van de huidige installaties. Flexibilisering was daarbij een belangrijk doel, om voortaan beter op externe ontwikkelingen te kunnen reageren. Zo kunnen verschillende fabrieken inmiddels een variëteit aan grondstoffen verwerken, om niet alleen afhankelijk te zijn van de toevoer van nafta. Het maakt de chemielocatie minder kwetsbaar. Ook werd de fabriek voor de productie van polyurethaan – basisstof voor onder meer matrassen, kleding en isolatiemateriaal – voor honderd miljoen euro uitgebreid. In de periode 2015-2019 steekt het concern al zo’n 500 miljoen euro in Terneuzen.

Dow TerneuzenWellicht is het chemiecomplex in Zeeuws-Vlaanderen een graadmeter voor de hele chemie in zowel Nederland als Vlaanderen, want sinds een paar jaar groeit de chemische industrie weer als kool. Niet altijd met grote nieuwbouw, maar het aantal investeringsprojecten is haast niet bij te houden. De projectenrubriek in Petrochem groeit per editie en telt inmiddels acht pagina’s. Oude tijden herleven.

PE-korrels

Een heel bijzonder project realiseert Dow momenteel met het van origine Vlaamse opslag- en transportbedrijf Ravago. Aan de zuidkant van het Dow-terrein verrijst een silopark voor de opslag en distributie van polyetheengranulaat (PE). Bijzonder is vooral de wijze waarop de korrels van de fabrieken naar de silo’s worden getransporteerd, namelijk per pijpleiding. Het transport over de site gebeurt nu nog met vrachtwagens.

Granulaat via pijpleidingen transporteren is niet alledaags. Er moest ook goed worden nagedacht hoe dat het beste kon worden aangepakt. Eerst bestond bijvoorbeeld het idee om de kunststofkorrels van de productie naar de silo’s te blazen, maar dat bleek toch te ingewikkeld. Het is nu de bedoeling dat de PE-korrels in water naar de rand van de site worden getransporteerd.

Maintenance Value Park

Wat ook veel ruimte geeft, het verplaatsen van verschillende werkplaatsen en kantoren buiten het industrieterrein van Dow. Bereik je Zeeuws-Vlaanderen uit de Westerscheldetunnel, dan ligt rechts het chemiecomplex. Links is aan de innovatieweg inmiddels het nieuwe Maintenance Valuepark verrezen. Chemiebedrijf Trinseo en industrieel dienstverleners TMS, Engie en Spie zitten er al met een eigen vestiging. Evenals verschillende Dow-onderaannemers in een verzamelgebouw.

Op de kop van het bedrijvenpark verrijst momenteel ook het nieuwe hoofdgebouw van Dow Benelux. Het is de bedoeling dat het gloednieuwe gebouw met meer dan duizend werkplekken begin volgend jaar klaar is. In het nieuwe kantoorgebouw wordt voornamelijk niet-operationeel personeel gehuisvest: onder meer het management en bovendien verschillende serviceafdelingen die Dow in Europa, Afrika, het Midden-Oosten en India ondersteunen. Tevens vinden de maintenance- en engineering-afdelingen voor de regio er een nieuwe plaats.

Hoogwaardige toepassingen

Al met al wordt het dus rustiger op het productiecomplex. Het lijkt echter stilte voor de storm. Al een tijdje zingt het in het rond: Dow Terneuzen maakt kans op een grote nieuwe investering. Door onder andere de aannemers te verplaatsen naar het nieuwe Maintenance Valuepark schept Dow voldoende ruimte voor de komst van nieuwe fabrieken. En voor een grote fabriek in het bijzonder. Het zou gaan om een fabriek voor innovatieve kunststoffen.

Een definitieve beslissing moet het Dow-hoofdkantoor in het Amerikaanse Midland nog nemen. In Terneuzen is iedereen nog voorzichtig, maar dat de site in Zeeuws-Vlaanderen in beeld is voor de nieuwe investering is wel duidelijk. Uiteraard speelt de recente modernisering van de site daarbij mee. En vergeet verder niet dat Dow Terneuzen de grootste niet-Amerikaanse site is van de chemiereus.Dow Terneuzen

Dat de nieuwe fabriek hoogstwaarschijnlijk in Europa terecht komt, heeft vooral te maken met de groei van de Europese afzetmarkt. De vraag naar plastic voor allerlei hoogwaardige toepassingen, onder meer in meubels en auto’s, is ook in Europa groeiende.

Scope

Vooral uitspraken vanuit het hoofdkantoor zijn hoopgevend. Een paar maanden geleden gaf Jim Fitterling, de nieuwe topman van Dow Chemical, een interview aan Het Financieele Dagblad. Daarin roemde hij de goede energie- en grondstoffenvoorziening en de vervoersmogelijkheden van Dow Terneuzen. Of zoals hij het in het FD verwoordde: ‘De voorwaarden zijn goede energiekosten en goede grondstoffenvoorziening, en toegang tot de markt. Terneuzen heeft al deze dingen; fantastische logistiek, grote mogelijkheden voor energie en grondstoffen en prima toegang tot de wereldmarkt. Maar grondstoffen en energie zijn cruciaal. Als energie niet concurrerend is, is de som moeilijk. Je kunt niet dertig procent achterlopen op een buurland en toch verwachten dat de investeringen komen.’

Vooral de opmerking over energie is opmerkelijk. Juist de relatief hoge energiekosten zetten de Europese chemiesector jarenlang op achterstand ten opzichte van andere continenten. Lange tijd reden om vooral in de VS en het Midden-Oosten te investeren. Maar dat is dus aan het veranderen. In ieder geval in de scope van het Dow-hoofdkantoor. Nog even fingers crossed dus.

De veiligheidscultuur is, naast technologie en veiligheidsmanagement, een belangrijk onderdeel van de veiligheidsprestaties van risicovolle bedrijven. Uit onderzoek van TNO en DCMR blijkt dat de veiligheidscultuur over het algemeen voldoende is, maar beter kan en moet. Bedrijven die hoog scoren in het rapport, maken vooral het verschil doordat veiligheid bij het hoger en middel management ‘uit het hart komt’.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen bij Odfjell is in 2012 in opdracht van de provincie Zuid-Holland onderzoek gedaan naar de veiligheidscultuur bij veertien risicovolle bedrijven in het Rijnmondgebied. Het ging om bedrijven uit de branches raffinaderijen, (petro)chemie, natte bulk en op- en overslag van gevaarlijke stoffen. Begin dit jaar is het onderzoek herhaald, bij dezelfde bedrijven en bij vijf andere BRZO-bedrijven in dezelfde branches.

Met veiligheidscultuur wordt de houding, waarden, (impliciete) aannames, percepties en gedrag en gewoonten van leden van een organisatie met betrekking tot het omgaan met veiligheidsrisico’s bedoeld. De onderzoekers zien dat bij bedrijven veel aandacht is voor de veiligheidscultuur. Zo is er sinds 2012 bij bedrijven veel aandacht voor het opleiden en goed inwerken van nieuw personeel. Maar in het rapport staan ook een aantal belangrijke aandachtspunten. Het blijkt dat het management bij een aantal bedrijven dubbele of onduidelijke boodschappen uitzendt met betrekking tot veiligheid. Procedures zijn niet altijd eenduidig of worden niet eenduidig opgevat. Ook heerst er tussen management en werkvloer soms een wij/zij-cultuur of angstcultuur. Verder zijn er soms problemen met het realiseren van tijdige en adequate follow-ups van audits en inspecties. En tot slot is er niet altijd voldoende veiligheidskundige kennis aanwezig.

Supervisor

Bij de bedrijven die in de periode 2012 tot en met 2018 hun veiligheidscultuur verbeterden, zijn investeringen in opleiding en training, het uitvoeren van gerichte veiligheidscultuurprogramma’s en het versterken van het leiderschap de belangrijkste interventies geweest. Leiderschap is sowieso erg bepalend voor de veiligheidscultuur. Het is het onderdeel waar de bedrijven met een hoge score zich het meest onderscheiden van degenen met een lagere score, volgens projectleider Johan van Middelaar (TNO).

Het gaat hierbij om leiderschap van zowel het hoger als het middel management. Van Middelaar: ‘Als er bij deze groepen een intrinsieke motivatie is voor veiligheid, het echt uit het hart komt, dan sijpelt dat door de hele organisatie heen. We zagen in dit onderzoek dat supervisors hierin een grote rol hebben. Zij staan dicht bij de werkvloer en kunnen de veiligheidscultuur zichtbaar maken voor iedereen.’

Interventies

Ook bedrijven die niet mee hebben gedaan aan dit onderzoek kunnen er van leren. Van Middelaar: ‘Heel veel organisaties zijn bezig om hun veiligheidscultuur te verbeteren. Daarom hebben we de deelnemers van het onderzoek gevraagd wat ze de afgelopen jaren hebben gedaan op het gebied van veiligheidscultuur. Daar is een lijst met interventies uitgekomen, die handvatten kan bieden voor anderen.’ In die lijst staan maatregelen zoals risicoanalyse, ketensamenwerking, training op het gebied van procesveiligheid, het zenden van de veiligheidsboodschap met posters of flyers, prestatiemetingen en training op (training)plants.

Maar voordat bedrijven deze hele lijst af gaan vinken, waarschuwt Van Middelaar dat het verbeteren van de veiligheidscultuur maatwerk is. ‘Wat bij de een werkt, hoeft bij de ander niet te werken. En is afhankelijk van waar de organisatie staat in haar cultuurontwikkeling. Denk goed na over maatregelen voordat je er mee begint en kijk of een interventie voor jouw organisatie kan gaan werken.’ En dat is het lastige, hoe weet je van te voren of een interventie gaat werken? Uit onderzoek blijkt dat bedrijven niet altijd inzicht hebben in de werkzaamheid of effectiviteit van de uitgevoerde interventies. Er wordt daarom aangeraden om vaker onafhankelijke analyses te maken of metingen uit te voeren, bijvoorbeeld voor de start van een cultuur- of leiderschapsprogramma en enige tijd na afloop daarvan. Ook een gerichte procesevaluatie kan bijdragen aan een goed inzicht in de effectiviteit van wat men doet. De interventies in de lijst geven wel een beeld van maatregelen die waarschijnlijk hebben bijgedragen aan het verbeteren van de veiligheidscultuur van bedrijven.

Op dit moment wordt er onderzoek naar gedaan hoe je kan bepalen of een interventie heeft gewerkt en hoe je van te voren kan gaan bepalen welke interventie zinvol is.

Doel

De resultaten van het onderzoek geven volgens de onderzoekers een duidelijk signaal aan de bedrijven. Zij zijn als eerste verantwoordelijk voor de veiligheid. De provincie gaat met de bedrijven in gesprek en zal hen aansporen de aanbevelingen uit te voeren. Strikte eisen stellen aan de bedrijfscultuur is volgens Van Middelaar een minder goed idee. ‘Cultuur is niet iets wat je zou moeten verplichten. Een goede veiligheidscultuur komt vooral vanuit de ambities van bedrijven zelf. DCMR en de provincie willen dit onderzoek meer gebruiken om het risicogestuurd toezicht in te richten. Op basis van hoe goed bedrijven bezig zijn met de veiligheidscultuur en andere zaken, wordt het toezicht bepaald.’

De resultaten van het onderzoek

Bij negen bedrijven heerst een goede veiligheidscultuur, met een score van 4,0 (in 1 geval 4,5) en een consistent beeld op basis van cultuurdimensies. Bij acht bedrijven is sprake van een vrij goede tot acceptabele veiligheidscultuur, met enkele zwakkere dimensies. Bij de overige twee bedrijven is de veiligheidscultuur onvoldoende ontwikkeld. Het is volgens het onderzoeksrapport aannemelijk dat dit een negatieve impact heeft op de veiligheid.

Van de veertien bedrijven die in 2012 ook al meededen aan het onderzoek, hebben zes hun veiligheidscultuur verbeterd, bij vier is het niveau hetzelfde gebleven en van vier bedrijven is het achteruit gegaan. ‘Aan de ene kant verbaast het je en aan de andere kant niet’, zegt projectleider Johan van Middelaar (TNO). ‘De quick scan die wij hebben uitgevoerd is een momentopname. De kracht van dit onderzoek is dat je deze bij meerdere bedrijven doet en daar een grote lijn uit kunt halen. We hebben ook gekeken wat er in de afgelopen zes jaar is veranderd en dan zijn sommige scores te duiden. Een simpele verklaring kan al zijn dat er andere mensen werken.’ Daarnaast is de algemene maatschappelijke situatie nu anders en dat heeft volgens de onderzoekers ook ‘een zekere invloed op de bedrijven en de interpretatie van de bevindingen in het onderzoek’. Zo viel op dat het nu voor bedrijven geaccepteerd is dat de overheid ‘meekijkt’ naar de kwaliteit van de veiligheidscultuur. Dat was in 2012 nog een discussiepunt.

‘Verheugd met verbetertrend’

DCMR en de provincie Zuid-Holland willen naar aanleiding van het onderzoek graag in gesprek met brancheverenigingen om te kijken welke rol zij kunnen spelen om de veiligheidscultuur bij bedrijven te verbeteren. Veiligheid Voorop laat weten graag in gesprek te gaan.

Voorzitter van Veiligheid Voorop Anton van Beek is verheugd dat de onderzoekers in het algemeen een verbetertrend signaleren die overeenkomt met eigen inzichten. ‘De bandbreedte tussen de topperformers en het peloton verbaast ons niet, gegeven de verschillende startpunten en starttijden van individuele bedrijven met hun cultuurprogramma’s. En hierin zit een mooie kans: de voorlopers hebben een morele plicht om hun inzichten te delen zodat de anderen kunnen volgen, ook die bedrijven die buiten het TNO-onderzoek vallen.’

De veiligheidscultuur is volgens Van Beek een belangrijke parameter bij risicogestuurd toezicht, maar uiteindelijk gaat het volgens hem om de echte prestaties. ‘Dit betreft uitkomsten van onafhankelijke inspecties, incidentmeldingen en het melden van bijna-incidenten.

De snelheid van een transitie wordt door vele factoren bepaald. Zo moet er sowieso sprake zijn van maatschappelijke urgentie. En veel draait natuurlijk om geld. Een creatieve, wijde blik kan daarbij helpen, bijvoorbeeld bij het gehoopte succes van groen waterstof. Niet alleen kan de daarvoor benodigde elektrolyse goedkoper, maar ook windmolens die direct waterstof produceren, kunnen voor een efficiëntieslag zorgen. En wat te denken van kunststofleidingen en de inzet van bestaande gas-
infrastructuur.

Met wat we vandaag weten, kunnen we de toekomst nauwelijks voorspellen, helemaal als het gaat om technologie-
ontwikkeling. Veel beloftevolle technologieën laten nog steeds op zich wachten, terwijl andere ontwikkelingen veel sneller gaan dan voorspeld en ons dagelijks leven in korte tijd volledig op de kop zetten. In de ICT kan het bijvoorbeeld heel snel gaan, terwijl ontwikkelingen in de kapitaalintensieve chemische industrie en de energiesector veel trager gaan. Zeker als investeringen in infrastructuur nodig zijn.
Een mooi voorbeeld is de belofte van waterstof, als koolstofvrije energiedrager en groene grondstof voor de industrie. Al decennialang wordt gesproken over de voordelen. Bedrijven als Shell onderzochten de mogelijkheden al in de jaren negentig van de vorige eeuw, maar klaarblijkelijk waren ze te vroeg. Uit die tijd stammen ook de weerspiegelingen van goeroes als Jeremy Rifkin over de ‘waterstofeconomie’. Het bleef vooralsnog bij een belofte. Nu pas lijkt een doorbraak van waterstof aanstaande. Met name als een mogelijkheid om duurzaam opgewekte stroom op te slaan en te transporteren.
Waterstof staat er momenteel ook beter voor door de veranderende maatschappelijke omstandigheden. De CO2-problematiek staat wereldwijd hoger op de agenda dan enkele decennia terug en de problemen met de gaswinning in Nederland hebben de energietransitie hier extra urgentie gegeven.

Haalbaar

De afgelopen jaren scharen zich steeds meer partijen achter waterstof. Een paar maanden geleden stelde de Waterstof Coalitie dat duurzaam geproduceerde waterstof een wezenlijk onderdeel is van een betrouwbare en betaalbare energietransitie in Nederland. Het manifest van de coalitie, met Greenpeace als initiatiefnemer, is ondertekend door de meeste grote energiebedrijven. Ook de chemie was vertegenwoordigd met AkzoNobel Specialty Chemicals, OCI Nitrogen en Yara Sluiskil.
Volgens de coalitie is de uitrol van groen waterstof een kosteneffectieve oplossing om rond 2030 al een forse bijdrage te leveren aan de daling van CO2-uitstoot. De programmatische aanpak van windparken op zee neemt de coalitie als voorbeeld. Subsidies zijn nodig geweest, maar inmiddels is het eerste offshore-windpark aanbesteed zonder overheidssteun.
Van groot belang is dat de productie van groen waterstof goedkoper wordt, met name de investering in elektrolyzers is nog kostbaar. Op dit moment is groene waterstof een duurdere oplossing dan de productie uit onder andere aardgas. Een forse kostenreductie van elektrolyzers, samen met een daling van de kosten van hernieuwbare elektriciteit, moet echter haalbaar zijn.

Zonne-energie

Een interessante ontwikkeling kan de innovatieve waterstofwindturbine zijn. In april dit jaar presenteerde Lagerwey Wind tijdens de Hannover Messe deze windmolen die in één keer waterstof produceert. In de waterstofwindturbine, met een vermogen van 4,8 megawatt, wordt een elektrolyzer ingebouwd. Door de integratie van beide technieken kunnen volgens Lagerwey veel componenten worden weggelaten waardoor de waterstofproductie goedkoper, efficiënter en robuuster wordt. In 2019 moet de eerste waterstofmolen ter wereld een feit zijn. Lagerwey plaatst dan met waterstofleverancier Hygro de eerste waterstofwindturbine in het windturbine-testveld van onderzoeksinstituut ECN in de Wieringermeer.

Ook proefprojecten kunnen natuurlijk helpen om verder te innoveren en de prijs van technologie te drukken. Met name Gasunie is in Nederland actief op dat vlak. Denk aan een project voor elektrolyse en opslag bij Zuidwending in Groningen. Daar wordt zonne-energie aangewend als energiebron. Op Chemiepark Delfzijl willen Gasunie en AkzoNobel een installatie bouwen die met een twintig megawatt waterelektrolyse-unit duurzaam drie kiloton groen waterstof per jaar produceert. Het doel is om uiteindelijk installaties te kunnen bouwen die op nog grotere schaal, vanaf honderd megawatt, duurzame stroom converteren en opslaan in de vorm van waterstof.

Geconserveerd

De omzetting van wind en zon in waterstof is slechts het begin van de toekomstige groene waterstofketen. Ook op andere vlakken zijn efficiëntieslagen te maken. Met een beetje slimheid kunnen bijvoorbeeld delen van de bestaande gasinfrastructuur worden ingezet voor het transport en de distributie van waterstof. Dat kan al beginnen in de Noordzee. Ruim twee jaar geleden onderzocht professor Catrinus Jepma de kansen voor een tweede leven van uitgeproduceerde platforms en gas- en olie-infrastructuur in de Noordzee. Een mogelijke sloop gaat heel veel geld kosten, want de huidige Europese regelgeving schrijft voor dat in principe alles in de oorspronkelijke staat moet worden achtergelaten. Het gaat om vele miljarden euro’s. Met een nieuwe functie is sloop niet nodig.

Klik voor vergroting. Infografic van Energystock Gasunie

Inmiddels zijn ook verschillende andere onderzoekers, maar ook grote bedrijven als Engie en Shell met deze ideeën aan de haal gegaan. Een tweede leven voor afgeschreven infrastructuur wordt serieus onderzocht, bijvoorbeeld door Total. Het gasproductieplatform L7 van Total is sinds 22 december vorig jaar verlaten, maar nog niet afgebroken. Total onderzoekt eerst een mogelijk tweede leven voor het gasplatform.
Een van de alternatieven is dat er een chemische fabriek op het platform komt om duurzaam opgewekte stroom om te zetten in bijvoorbeeld waterstof, door elektrolyse van water. De energie kan dan in de vorm van bijvoorbeeld waterstofgas worden getransporteerd. Een belangrijke gasverbinding van L7 naar L10 is bijvoorbeeld volledig geconserveerd. Mocht het nodig zijn, dan kan Total die per direct weer in gebruik nemen. Volg je de gasinfrastructuur, dan zie je dat L10 is verbonden met Uithuizen in Noord-Oost-Groningen.

Kostenbesparingen

Juist de industrie in de Eemsdelta en de Noordelijke provincies hebben grootse plannen met groen waterstof. Een belangrijke aanjager van groen waterstof daar is Groningen Seaports. Het havenbedrijf is ervan overtuigd dat het met groen waterstof dezelfde kant op gaat als met offshore-wind. Er zal een tijdje geld bij moeten, de onrendabele top moet er af, maar uiteindelijk gaat het op eigen benen staan.
Groningen Seaports voegt de daden bij de woorden. Ze investeert niet alleen, maar steekt ook veel tijd in co-creatie en innovatie. Zo legt Groningen Seaports samen met producent van kunststofbuizen Pipelife uit Enkhuizen een infrastructuur aan voor het transport van groene waterstof in Delfzijl en de Eemshaven. In eerste instantie zal vier kilometer aan infrastructuur worden aangelegd. Het doel is om binnen een jaar de leiding te realiseren.

Kunststof pijpleiding voor transport van groen waterstof.

Vernieuwend daarbij is het gebruik van kunststof leidingen, die de kosten significant kunnen verlagen. Speciaal daarvoor ontwikkelden ze twee nieuwe kunststof buistypes. Een eenvoudige van PE voor lage druk en een met aramide versterkte pijpleiding voor de hoge druk. Voordeel van kunststof pijpleidingen is dat ze goedkoper zijn dan stalen. Niet alleen in de aanschaf, maar ook in de aanleg. Zelfs de hogedruk-variant, die meer dan zestien bar aankan, wordt straks geleverd op haspels met een diameter van zo’n drie meter en is zodoende prima uit te rollen. Bovendien vergen ze veel minder onderhoud en zijn ze niet corrosiegevoelig. Dus ook bij de aanleg en het assetmanagement van nieuwe waterstoftrajecten zijn enorme kostenbesparingen mogelijk.

Gereedschappen

Ook bestaande infrastructuur op land kan straks worden ingezet voor transport van waterstof. Sterker nog, de eerste projecten zijn er al. Zo wil Dow Benelux via een oude gasleiding van Gasunie waterstof leveren aan Yara in Sluiskil. Yara kan de waterstof die vrijkomt bij de kraakinstallaties van Dow gebruiken als grondstof voor haar kunstmestfabriek. Momenteel haalt het bedrijf haar waterstof nog uit aardgas. Naar verwachting stroomt eind 2018 waterstof door de pijpleiding.
Recent publiceerde onderzoeksbureau Kiwa een rapport waaruit blijkt dat het huidige aardgasnet in Nederland relatief eenvoudig geschikt is te maken voor de distributie van waterstof als mogelijk alternatief voor aardgas of groen gas. Daarbij hebben de onderzoekers vooral gekeken naar het huishoudelijke gebruik. Wel is het nodig om een nieuwe cv-ketel te ontwikkelen of bij voorkeur een hybride warmtepomp die geschikt is voor waterstof. Ook veiligheidsmaatregelen zijn nodig, zoals het geven van een herkenbare geur aan waterstof en aangepaste werkmethoden en gereedschappen.

Factor tien

Of waterstof over een jaar of tien al op grote schaal onze huizen binnen stroomt, is echter zeer de vraag. Datzelfde geldt voor rijden op waterstof. Voor deze transitie is immers een enorme toename van duurzaam opgewekte energie nodig. Juist op dat vlak loopt Nederland nog achter. Voor een massieve transitie is voorlopig te weinig duurzaam opgewekte energie beschikbaar. De verwachte groei het komende decennium is het meest effectief in te zetten in de industrie. Daarvoor is vooral transport naar de grote clusters nodig, denk aan de Rijnmond, Chemelot, Zeeland en de Eemsdelta.
Gasunie heeft al eens berekend hoeveel het kost om de zware industrie te ontsluiten. Om de energie van vijftien gigawatt aan windmolens via waterstof te transporteren, is een investering van een miljard euro nodig in het bestaande gastransportsysteem. Op zich zijn die kosten te overzien. Zeker als je de kosten vergelijkt met het versterken van het elektriciteitsnet om de elektronen van windmolens aan land te brengen en te transporteren en in te zetten. Volgens de berekeningen van Gasunie gaat dat minimaal om een factor tien in het voordeel van het transport van gasmoleculen.

Hoofdfoto: Zero Emission Resource Organisation

Welke innovatie uit het noorden kan de groene industriële revolutie veroorzaken? Tijdens de Northern Enlightenmentz verkiezing gaan we op zoek naar hoopgevende innovaties. Dit jaar strijden Enerpy, Groningen Seaports/Pipelife en Stercore om de titel. De winnaar wordt bekendgemaakt tijdens het congres Eemsdeltavisie op 17 oktober in Delfzijl.

Met de verkiezing willen we de noordelijke provincies van Nederland inspireren bij het toepassen van hoopgevende innovaties en willen we de bedrijven die meedoen een duwtje in de rug geven.

Radiolyse

Ook dit jaar hebben we weer drie mooie innovaties die meedoen aan de verkiezing. De eerste is Enerpy, een bedrijf dat zich richt op het herwinnen van grondstoffen en energie uit problematisch organisch afval. Denk daarbij aan biomassa, plastics, huishoudelijk afval, bedrijfsafval en oude autobanden. Eigenlijk alles waar een koolstof in zit, kan Enerpy met een gepatenteerde technologie omzetten in carbon, olie en gas.

Het proces van Enerpy lijkt op pyrolyse, maar zelf noemen ze het liever radiolyse. Voor het thermische kraakproces maakt het bedrijf namelijk gebruik van straling (microgolven). Middels de radiation wordt het afval verhit en worden de molecuulketens gebroken. In gasvorm verlaten deze moleculen de reactor om vervolgens onder speciale condities in condensors te worden getransformeerd naar oliën en eventueel water. Een deel van het gas blijft in gasvorm. In de reactor komt na het proces de vaste grondstof carbon vrij. Het proces is energiezuiniger dan pyrolyse.

Om het organisch afval om te zetten in hernieuwde grondstoffen is energie nodig in de vorm van hitte. Deze hittebron kan worden gevormd door de verbranding van een brandstof als houtsnippers, gas of carbon. De restwarmte kan worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit en warm water. Alle energie wordt op deze wijze optimaal benut. Enerpy heeft een demoplant in Delfzijl. Het bedrijf heeft als doel om een installatie op industriële schaal te realiseren in de verwerking van een specifieke en problematische afvalstroom. > lees meer over deze finalist

Kunststof waterstofnet

De tweede finalist is Groningen Seaports samen met producent van kunststof buizen Pipelife. Zij willen een infrastructuur voor het transport van groene waterstof aanleggen in Delfzijl en de Eemshaven. In eerste instantie wordt vier kilometer aan infrastructuur aangelegd. Het doel is om binnen een jaar tijd de leiding te realiseren. Vernieuwend daarbij is het gebruik van kunststofleidingen, die de kosten significant kunnen verlagen zowel voor de aanschaf en aanleg.

Groningen Seaports en Pipelife hebben twee nieuwe kunststof buistypes ontwikkeld. Een eenvoudige van PE voor lage druk en een met aramide versterkte pijpleiding voor de hoge druk. Zelfs de homedruk-variant, die meer dan zestien bar aan kan, wordt straks geleverd op haspels van ongeveer drie diameter en is zodoende eenvoudig uit te rollen. Bovendien vergen ze veel minder onderhoud en zijn ze niet corrosiegevoelig. De aan te leggen infrastructuur gaat waterstof gemaakt met duurzame energie uit windmolens en zonneparken transporteren naar met name chemiebedrijven in de regio Groningen. De inzet van groen waterstof is nog duur. Daarom moeten alle zeilen worden bijgezet om verschillende onderdelen in deze toekomstige keten goedkoper te maken.

Voor de plannen in de Eemsdelta gaat Pipeline de gasbuizen leveren en Groningen Seaports zorgt voor de aanleg. Waterstof kan een belangrijke oplossing bieden voor fluctuaties in het groene energieaanbod. Elektriciteit van windmolens kan omgezet in en opgeslagen worden als waterstof. Waterstof kan op haar beurt weer worden omgezet naar grondstof of brandstof voor diverse chemie- en industriële bedrijven. > lees meer over deze finalist

Groen gas uit mest

De derde finalist is het Drentse bedrijf Stercore, dat er in is geslaagd om met een innovatieve technologie duurzame energie en koolstof te produceren uit mest en digestaat. Bijzonder is dat hierbij alle reststoffen worden hergebruikt. Andere producenten van groen gas hebben nog steeds te maken met afvalstoffen, die nog moeten worden verwerkt. De kosten daarvan kunnen zo maar hoger liggen dan de opbrengsten.

Met het systeem dat Stercore heeft ontwikkeld, blijven er alleen producten over. Naast groen gas zijn dat koolstof, CO₂ en warmte. De koolstof is hernieuwbaar met waardevolle mineralen, waarmee het bedrijf hoogwaardige organische meststoffen en andere bodemverbeteraars kan maken. De CO₂ en de restwarmte uit het productieproces kunnen door de tuinbouw worden benut.

Het bedrijf wil een fabriek in Emmen bouwen, naast een industrieterrein. Als deze volledig operationeel is, kan die ongeveer twintig miljoen kubieke meter aan groen gas produceren. Dit gas is direct te gebruiken. De installatie is gekoppeld aan een methanisatie-installatie, die het geproduceerde ruwe gas omzet in gas van Groningse aardgaskwaliteit. De twintig miljoen kubieke meter gas die Stercore in Emmen produceert, is bovendien een netto hoeveelheid. Het benodigde gas voor eigen gebruik is hierin al verrekend. > lees meer over deze finalist

De verkiezing

Tijdens Eemsdeltavisie op 17 oktober strijden de drie finalisten om de titel. De winnaar wordt bepaald door een deskundige jury (verdeelt 60 punten), internetstemmen (20 punten) en de bezoekers van het congres (20 punten). Houd onze websites www.hetnieuweproduceren.nu en www.petrochem.nl in de gaten, voor uitgebreidere artikelen over de drie finalisten en voor het uitbrengen van uw stem op uw favoriet Northern Enlightenment.

In de Industrieagenda voor de Eemsdelta durven de opstellers het aan: in 2050 kan het chemie- en energiecluster nettogebruiker zijn van CO2. Geen reductie, maar herstel! Net als bomen, die zijn niet CO2-neutraal, maar zetten kooldioxide juist om. Het vraagt wel een andere manier van kijken. CO2 is daarbij geen probleem, maar potentiële grondstof. De eerste projecten zijn er. Wat is er op termijn nog meer mogelijk?

Bij Eemsdeltavisie op 17 oktober in Delfzijl onderzoeken we hoe de industrie nog meer kan leren van hoe bossen functioneren: Factory as a Forest. Kijk voor het volledige programma en aanmelden op www.eemsdeltavisie.nl.