De Wind Meets Industry coalitie lanceert een actieagenda die de elektrificatie van de industrie en verdere uitrol van wind op zee kan versnellen. De samenwerking tussen VEMW, NWEA, Energie-Nederland en Topsector Energie & Industrie koppelt de opgaven van zowel de industrie als de windsector.

VEMW is positief over de focus van de overheid op vraagstimulering via onder meer de verbrede SDE++. De focus stimuleert verduurzaming van de industrie maakt tegelijkertijd de verdere groei van duurzaam aanbod mogelijk. De opties voor het ontwikkelen van nieuwe Nederlandse duurzame bronnen zijn beperkt. Daarom is de verdere uitrol van windparken belangrijk voor een succesvolle energietransitie.

De industrie is een grote potentiële afnemer van nieuwe, duurzame windenergie. Zeker wanneer zij succesvol kan elektrificeren. Met andere woorden: de industrietransitie en energietransitie gaan hand in hand. Daarvoor moet de verdere ontwikkeling van duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar aanbod wel gelijke trend houden met de afzetmogelijkheden in de industrie. De Wind Meets Industry coalitie wil vraag en aanbod bij elkaar brengen door samen te werken vanuit gedeelde, transparante kennis en expertise.

Randvoorwaarden ontbreken

De Wind Meets Industry coalitie lanceerde een actieagenda die een aantal acties bevat om de succesvolle elektrificatie van de industrie en verdere uitrol van wind op zee mogelijk te maken. Elektrificatie in de industrie is namelijk niet mogelijk zonder het creëren van een aantal cruciale randvoorwaarden. De elektriciteitsinfrastructuur moet tijdig beschikbaar zijn en de SDE++ moet de onrendabele top van elektrificatie-opties adresseren.

Verder spelen er nog een aantal andere belemmeringen, zoals de hoogte van de elektriciteitsprijs en oplopende netwerkkosten. Daarnaast is er een behoefte aan toenemende flexibiliteit, ook aan de vraagzijde. De coalitie wil dat er meer kennisuitwisseling plaatsvindt ten aanzien van flexibiliteit en vraagt om een stimulerend beleidskader. De coalitie wil daarom samen met de overheid en de netbeheerders deze actieagenda gaan uitvoeren. Er is regie nodig om de benodigde infrastructuur tijdig te realiseren en een stabiel wettelijk kader te creëren dat investeringszekerheid voor bedrijven in Nederland op de lange termijn faciliteert.

Morgen om tafel

Voorzitter van VEMW Gertjan Lankhorst: ‘De industrie heeft in de toekomst veel groene stroom nodig. Niet alleen om te elektrificeren, maar ook voor CCUS en groene waterstof. De uitdaging is om deze vraag naar elektronen op een slimme manier te matchen met het aanbod aan windenergie. Dat kan alleen door als sectoren snel met elkaar om aan tafel te zitten. We hebben daarbij ook de netbeheerders en de overheid nodig.’

Over de toekomstige  samenwerking zei Lankhorst: ‘Tijdens het Klimaatakkoord hebben we elkaar al beter leren kennen en nieuwe coalities zijn al ontstaan. De regionale koploperprogramma’s in verschillende industriële clusters zijn nu klaar met hun cluster energiestrategieën. Wij willen dus morgen met de netbeheerders en de overheden aan tafel om te werken aan een succesvolle implementatie van de gezamenlijke verduurzamingsplannen.’

Minister Wiebes van Economische Zaken heeft gisteren de visie van het kabinet op waterstof voorgelegd aan de Tweede Kamer. Volgens VEMW straalt de visie ambitie uit, is realistisch en praktisch. De belangenbehartiger van zakelijke energie- en watergebruikers  mist nog wel duidelijkheid over de marktordening.

Voor een duurzaam, betrouwbaar, betaalbaar, veilig en ruimtelijk inpasbaar energiesysteem zijn moleculen – naast elektronen – onmisbaar. Die moleculen komen volgens het kabinet in de toekomst vooral uit groen gas en met name waterstof. Om de kansen van waterstof  optimaal te benutten zijn opschaling, kostenreductie en innovatie essentieel.

Internationale strategie

Momenteel is Nederland na Duitsland al de grootste producent van grijze waterstof in Europa. Uit een tiende van het Nederlandse aardgas produceert de industrie waterstof. Bijna alles wordt ingezet in de olieraffinage en de chemische industrie. De waterstofvraag concentreertzich in de vijf grote industriële clusters in Nederland.

Volgens het kabinet kan deze bestaande vraag de transitie naar groen groen geproduceerde waterstof aanjagen. Ook ziet het kabinet mogelijkheden voor Nederland bij het ontstaan van een internationale waterstofmarkt. Waterstof kan et als olie en aardgas een commodity worden. En dan kan Nederland met haar geografische ligging, havens, pijpleidingen en opslagfaciliteiten een spilfunctie vervullen in de regio. De beleidsagenda zet dan ook in op een actieve internationale strategie.

Opschaling en kostenreductie

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW is blij met de Nederlandse ambitie: ‘De kansen liggen in de verschillende toepassingen, de industrie voorop met waterstof als grondstof en energiedrager. Maar ook in de mobiliteit en gebouwde omgeving.’

Volgens Grünfeld stelt het kabinet terecht dat alle soorten emissieloos waterstof nodig zijn, zowel groene als blauwe waterstof.  ‘De waterstofvisie is ook realistisch. Om een waterstofmarkt van de grond te krijgen erkent het kabinet dat ondersteuning vanuit de overheid noodzakelijk is. Huidige instrumenten zoals de SDE++ voorzien onvoldoende hierin. Er is een nieuw -tijdelijk – instrument nodig voor opschaling en kostenreductie van groene waterstof.’

Groene grondstof

VEMW is ook blij dat het kabinet de regie wil nemen. Het kabinet geeft in haar visie aan dat de waterstofketen een volwassen netwerksector kan worden, zoals elektriciteit en aardgas. Waarbij het transportnetwerk een natuurlijk monopolie is. Het bestaande gasnet kan worden ingezet voor het transport van waterstof. Het kabinet geeft volgens VEMW terecht aan dat de ordening van de toekomstige waterstofmarkt nader onderzoek vraagt..
Grünfeld vindt de kabinetsvisie nog wel te onduidelijk over de marktordening die de ontwikkeling van emissieloos waterstof mogelijk moet maken. Vooral de rol van de netbeheerders en de bescherming van afnemers wordt nog onvoldoende duidelijk. ‘VEMW wordt graag betrokken bij de discussie hierover.’ Samen met de overheid wil ze een succes maken van waterstof als  groene grondstof en energiedrager.

De Deltacommissaris verzorgt op 14 februari de afsluitende lezing tijdens Watervisie 2019.  Peter Glas zal als kersverse Deltacommissaris onder meer ingaan op het belang van het werk aan de Delta voor de zakelijke watergebruiker. Het Watervisie-congres wordt georganiseerd door VEMW, Industrielinqs en Evides Industriewater. De partijen zijn vereerd dat de Deltacommissaris bereid is om een bijdrage te leveren aan Watervisie 2019.

De Deltacommissaris waakt erover dat Nederland nu en in de toekomst beschermd is tegen hoog water. Ook de zorg voor voldoende zoet water behoort tot het takenpakket. Een veilige, bereikbare en leefbare delta die toegang biedt tot voldoende (zoet) water van de juiste kwaliteit is een belangrijke vestigingsconditie voor economische activiteiten. Het werk van de Deltacommissaris is met andere woorden van groot belang voor watergebruikers zoals de industrie.

Watervisie, hét congres voor de waterprofessional, wordt dit jaar voor de zevende keer georganiseerd. Watervisie richt zich op een breed publiek, in het bijzonder op professionals die werken voor of bij de industrie. Heineken Nederland in Zoeterwoude is dit jaar gastheer van het Watervisie-congres. De brouwer heeft zijn eigen watervisie vastgelegd in de Brewing a Better World strategie. Onderdeel van het congres is de verkiezing van de Waterinnovator of the year.

Een achttal tastbare maatregelen in de energie-intensieve industrie waarmee de CO2-emissie in de periode tot 2050 radicaal – met meer dan 90 procent – reduceert. Dat is het voorstel van de energie-intensieve industrie aan de overheid waarmee – met actieve betrokkenheid van die overheid – concrete beslissingen kunnen worden genomen in de transitie van de industrie naar een innovatieve, moderne en koolstofarme bedrijvigheid. VEMW baseert deze zienswijze op onderzoek van consultancybureau McKinsey & Company.

De Nederlandse industrie levert gezamenlijk met 21 procent van het BBP een substantiële bijdrage aan de Nederlandse economie en produceert noodzakelijke bouwstenen voor een duurzame samenleving. Tegelijk stoot de energie-intensieve industrie zo’n veertig procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland uit. De sector is doordrongen van de noodzaak om deze uitstoot drastisch te beperken én tegelijkertijd de mogelijkheid om door investeringen, innovatie en vernieuwing haar positie in de Nederlandse economie te versterken.

Onderzoek

Er zijn geen kant-en-klare oplossingen beschikbaar. VEMW vroeg consultancybureau McKinsey & Company om reële mogelijkheden te onderzoeken die een versnelling van de transitie van de industrie mogelijk maken. Dat leidde tot een achttal tastbare maatregelen die het potentieel hebben om de industriële CO2-uitstoot met meer dan negentig procent te reduceren in 2050. Met een aantal maatregelen kan in de komende kabinetsperiode al direct een start worden gemaakt, zoals de inzet van warmtepompen en het vervangen van gasgestookte boilers door hybride of elektrische systemen. Er zijn ook maatregelen die door de noodzakelijke drastische kostenreductie en/of innovatie pas na 2025 kunnen worden gerealiseerd, zoals CCS, CCU, inzet van biomassa en biobrandstoffen, productie van waterstof door elektrolyse, elektrische fornuizen voor hoge temperaturen en het ontwikkelen van waardeketens rond reststromen en een circulaire economie.

Volgens VEMW leiden de additionele investeringen van de acht genoemde opties, met  een totale ordegrootte van twaalf miljard euro,  tot de creatie van enkele duizenden nieuwe banen – van installatie van elektrische systemen tot CO2-netwerken. Banen die er anders niet zouden zijn.

Hand in hand

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘In ons voorstel vragen wij een actieve betrokkenheid en faciliterend beleid van de overheid, waarmee de energietransitie en industrietransitie hand in hand gaan. Dat vergt een geheel ander overheidsbeleid voor de komende vier jaar. Waarbij de overheid een regie- en investeringsrol neemt in de ontwikkeling van netwerken, vergelijkbaar met de succesvolle aanpak van wind-op-zee.  Zonder wettelijke belemmeringen voor het leveren van flexibiliteitsdiensten voor de steeds duurzamer wordende stroommarkt en de inzet van reststromen voor de circulaire economie. Met een financiële ondersteuning voor onrendabele investeringen in CO2-reductie, nieuwe financieringsinstrumenten en budget voor innovatie en ontwikkeling. Om van de transitie een succes te maken is een cruciale voorwaarde dat industrie en overheid een langetermijnvisie delen op concurrerend geprijsde CO2-vrije elektriciteit.’

Meer informatie over het onderzoek vindt u hier.