Het Noord-Brabantse Pyrochem-project wil de chemische recycling van plastic afval en de pyrolyse van andere reststromen optimaliseren en opschalen. De ambitie: vanaf 2030 jaarlijks één miljoen ton afvalplastic verwerken tot nieuwe grondstoffen voor de chemische industrie.

Plastic afval dat nu niet geschikt is om te recyclen, is vaak te vervuild of bestaat uit meerdere lagen. Alleen al in Nederland verbrandt men daardoor jaarlijks 629 kiloton plastic afval. In het Pyrochem project ontwerpt Waste4ME een demonstratiefabriek met een capaciteit van 35 kiloton. Daarnaast ontwikkelen de projectpartners een Waste2Chem open innovatiecluster. Hier kunnen MKB’ers tegen gunstige voorwaarden gebruik maken van de faciliteiten en het netwerk van de Pyrochem projectpartners. De partners van het Pyrochem project willen vanaf 2030 jaarlijks één miljoen ton plastic chemisch recyclen tot waardevolle grondstoffen. Dat reduceert elk jaar 1,7 miljoen ton CO2-equivalenten en bespaart 550 kiloton aan aardolie.

Samenwerking

Port of Moerdijk biedt een locatie voor vestiging van pyrolyse-installaties op commerciële schaal. Waste4ME maakt een ontwerp voor de proeffabriek en test vijf afvalstromen afkomstig van afvalverwerker Renewi. Van der Kooy deelt zijn faciliteiten en kennis rond het recyclen van oliën en vetten. De Green Chemistry Campus legt de verbinding met het circulaire ecosysteem in de regio. En biedt een locatie voor pyrolyse-activiteiten op demoschaal. De Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) ontwikkelt het innovatiecluster en Avans Hogeschool biedt kennis op het gebied van pyrolyse en Life Cycle Analysis.

Het Pyrochem project heeft een waarde van 2,9 miljoen euro.

 

De industrie is de afgelopen jaren complexer geworden terwijl het Industrial Internet of Things geleidelijk aan is omarmd. Veel installaties kunnen al automatisch worden bijgestuurd op basis van real-time data die slimme sensoren genereren. In de industrie is steeds meer intelligentie nodig om complexe problemen te analyseren en op te lossen. Ook bij asset management speelt digitalisering een belangrijke rol om het juiste moment van onderhoud te kunnen inplannen. Maar met digitalisering alleen, red je het niet. John Bruijnooge, site manager van Sabic in Geleen, legt uit het bedrijf de beschikbaarheid van installaties op peil houdt.

‘Sabic in Geleen telt elf fabrieken waaronder chemische fabrieken, krakers en een aantal polymerenfabrieken. Deze maken vanuit nafta onder meer polypropeen en polyetheen. Om de installaties beschikbaar te houden, hebben we een centrale technische groep die bepaalt welk onderhoudsfilosofie voor bepaalde assets nodig is. Daarnaast is er een centraal uitvoeringsteam in onderhoud. Er is dus een afstemming en gelijkvormigheid tussen de elf fabrieken.’

Criticality

Toch wordt iedere fabriek ook afzonderlijk benaderd. ‘We hebben een Asset Performance Management proces waar we de criticality of kriticiteit van een asset bepalen. Sommige assets produceren een kritisch product. Voor een aantal producten is de marktvraag of zijn de marges hoog, voor anderen minder. Aan de hand van dergelijke factoren bepalen we het niveau van kriticiteit wat leidt tot een specifieke onderhoudsstrategie aangaande de asset. Een heel kritische asset waar we behoorlijk mee kunnen verdienen, daar passen we meer digitale technieken op toe, zoals monitoring. We voeren extra maintenance uit en houden veel reservedelen op voorraad zodat, mocht er wat gebeuren, de fabriek weer snel in bedrijf is.’

Gediversifieerde strategie

Een asset die anderzijds worstelt om diens positie in de Europese markt, daar past Sabic een andere asset managementstrategie op toe. ‘Veiligheid behandelen we over de hele lijn vanzelfsprekend hetzelfde, maar wat betreft beschikbaarheid en betrouwbaarheid nemen we andere risico’s. Verdienen we minder aan een product, dan betekent dit dat we minder reservedelen op voorraad houden, we minder preventief onderhoud uitvoeren maar ook dat we run to failure-strategieën toepassen op bepaalde equipment. Dit leidt tot een optimaler kostenplaatje als geheel dan wanneer je voor deze iets minder kritische assets ook de meest geavanceerde monitoringsstrategieën gaat toepassen en predictief onderhoud inzet. Kortom, we hebben een gediversifieerde assetmanagementstrategie, niet elke asset behandelen we op dezelfde manier.’

Sensoriek

De bewezen onderhoudsmethodieken die in de (petro)chemische industrie alom bekend zijn en sectorbreed worden toegepast, zijn ook bij Sabic geïntegreerd. Bruijnooge: ‘Daarnaast volgen we uiteraard trends en nieuwe methoden om equipment te bewaken, zodat je op het juiste moment (niet te vroeg maar zeker ook niet te laat) het onderhoud (niet te veel of te weinig) uitvoert dat nodig is. Daar helpen de digitale technieken mee. Om dit te kunnen realiseren volgen we wat er op de markt is, we draaien pilots en de meest kritische equipment bewaken we met geavanceerde temperatuur- en trillingssensoriek, waarbij we gebruikmaken van slimme digitalisering. Op dit gebied doen we het niet veel anders dan andere bedrijven in onze sector.’

Stabiel-draaien-concept

Naast bovengenoemde benadering zijn er nog twee andere zaken die Sabic doet om de beschikbaarheid zo hoog mogelijk te houden. ‘Al enige tijd passen we het zogenaamd stabiel-draaien-concept toe. Vanuit de kern van operations en onderhoud is er altijd een intrinsieke drive om na te gaan hoe er nog meer uit de fabriek kan worden gehaald. Men wil dicht tegen de limieten van de fabrieken draaien om er zoveel mogelijk uit te halen. Maar dan neem je ook risico’s. De equipment is niet ontworpen om altijd op de limiet te draaien, waardoor onderdelen mogelijk sneller dan verwacht moeten worden vervangen. Altijd het maximale uit de fabriek halen hebben we jarenlang geprobeerd, wat heeft geleid tot de mindset van records draaien. Wie kent niet de onderlinge strijd tussen ploegen die hun collega’s van andere shifts willen overtroeven? Maar met deze mentaliteit drijf je de fabriek uiteindelijk tot aan de limiet en soms zelfs eroverheen, waardoor zaken stuk gaan en moeten worden schoongemaakt of vervangen.’

Minder stress

Daarom heeft het bedrijf nu een andere mindset geïmplementeerd. ‘Ons motto luidt: “Zoek het meest optimale punt om de fabriek stabiel te laten draaien voor een langere periode waardoor ongepland onderhoud drastisch vermindert.” Dit is logischerwijs niet het allerhoogste punt. Bereik je voor een langere periode die stabiele situatie, dan kun je nagaan of je door bepaalde instellingen of parameters te veranderen, je een niveau hoger kunt komen zonder in te boeten aan die hoge betrouwbaarheid en beschikbaarheid. Door deze mindset toe te passen, haal je veel meer uit de fabriek. Er zijn minder ongeplande storingen en reparaties, er is minder afval, een betere energiehuishouding en -gebruik en het leidt tot minder stress bij de operators en monteurs die te pas en te onpas een noodreparatie moeten uitvoeren. Onder de streep is er meer output en zijn er minder kosten.’

Aandacht

Deze strategie bereik je alleen door de juiste mentaliteit. ‘Er zijn geen bijzondere digitale middelen nodig om hiertoe te komen. Vanuit je productiemanagementsysteem en je data historiesysteem, Excel en dagelijkse ochtendbesprekingen, ga je na of je de verwachte productie hebt gehaald. Mocht het vooropgestelde doel niet zijn bereikt, dan ga je na wat heeft geleid tot instabiliteit. Het is een proces dat we dagelijks bespreken. De tools zijn eenvoudig, maar de mindset is contra-intuïtief. Het is best tegenstrijdig aan de noodzaak en behoefte om meer te doen en harder te gaan. Het is daarom belangrijk om hier als management continu aandacht aan te besteden, zodat iedereen begrijpt waarom je voor deze aanpak kiest en wat het oplevert.’

Optimaliseren

Een tweede aspect dat bijdraagt aan de hoge beschikbaarheid is het werken met een decision support tool. ‘Veel onderhoudsactiviteiten en turnarounds worden bepaald op basis van de historie en de actuele gegevens. Maar ook hier zijn mogelijkheden tot verbetering’, stelt Bruijnooge.

‘Op globaal niveau werken we met adviesbureau The Woodhouse Partnership. Zij hebben een decision support tool (DST) waarmee we optimaler kunnen bepalen wanneer welke interventie op onze equipment het beste kan plaatsvinden. In elke fabriek zijn er diverse onderhoudstaken: reparatie van equipment, het vervangen van specifieke onderdelen, preventieve tests van instrumentatie, inspecties, etc. Alle onderdelen van een fabriek hebben ieder afzonderlijk hun meest optimale moment van interventie. Dat komt nooit honderd procent overeen met de andere onderdelen. Het ene onderdeel heeft in optimale omstandigheden na drie jaar onderhoud nodig, het andere deel pas na vijf jaar, jaarlijks of maandelijks. Alle onderdelen hebben daarnaast een eigen risicoprofiel. Wacht je te lang met onderhoud, dan zorgt dit voor problemen. De grootte van de problemen hangt af van de kriticiteit van de assets. Voor een stop bijvoorbeeld zijn typisch zo’n 20-25 taken de reden om te moeten stoppen. Voor ieder van deze taken wordt een optimaal moment van interventie bepaald.’

John Bruijnooge (Sabic): ‘We zijn van twee korte stops per jaar naar één korte stop per jaar gegaan in een aantal fabrieken.’

Levensduur

De DST maakt gebruik van algoritmes die dan over deze groep van taken het optimale moment van de stop bepalen. ‘Hiermee hebben we intervals van stops verlengd, en zijn we van twee korte stops per jaar naar één korte stop per jaar gegaan in een aantal fabrieken. Dat hebben we dankzij deze tool voor elkaar gekregen, omdat inzichtelijk wordt welke equipment de bottleneck is. Als je weet wat je ervan weerhoudt om van vijf naar zes jaar te gaan, dan kun je onderzoeken of je daar wat aan kunt doen. Soms kun je de bottleneck oplossen of weghalen door bijvoorbeeld te investeren in een dubbele uitvoering, zodat heel de fabriek een extra jaar kan doordraaien. We hebben er onze small stops en grote turnarounds mee kunnen optimaliseren en voor complexe en dure vervangingen of reparaties een aantal keren significant meer levensduur uit bestaand equipment gehaald. We kijken naar de limieten van het equipment zonder aan veiligheid in te boeten.’

Maximale waarde

Vaak zijn het geen grote investeringen die je ervan weerhouden om een turn­around met een jaar op te schuiven, stelt Bruijnooge. ‘Denk bijvoorbeeld aan interventies die nodig zijn omdat bepaalde pijpleidingen door vuilophopingen dichtslibben. Door een bypass of tweede pijpleiding te maken, kun je de productie omleiden en draaiende houden zodat je het nodige onderhoud kunt uitvoeren. Deze taak is hiermee niet langer stop-gerelateerd. Die bypass vergt een investering, maar in vergelijking met het verlengen van de onderhoudsintervallen heb je die zo terugverdiend. We zetten kosten af tegen risico’s, in wezen optimaliseren we reliability met availability en gaan voor de maximale waarde (value).’

Cirkel van verbetering

De polypropyleenfabrieken van het chemiebedrijf in Geleen zijn dankzij de DST in 2021 van twee kleine stops naar één kleine stop overgegaan. ‘Hiermee hebben we meteen twee weken per jaar gewonnen, wat financieel enorm veel oplevert. We verliezen een beetje doorzet in de laatste weken voor de stop maar winnen total uptime; de OEE gaat omhoog. Als je onderzoekt wat het vervuilingsproces is, moet je weten hoe snel dit verloopt en wat het risico is als je de volgende periode niet haalt. Je mag niets overlaten aan het onderbuikgevoel of sturen op basis van ervaring hoe je het in het verleden deed. Belangrijk is dat je weet wat je waarom doet. Professionele acilitering van de studie dwingt je om op basis van data te werken. Hoe vuil is een ‘vuile pijpleiding’? Je kunt hier een waarde aan geven door de dikte van het slib binnenin de pijpleiding te meten. We doen niet langer wat we deden, maar nemen beslissingen op basis van data. En dat leidt tot nieuwe kansen en dat in een continue cirkel van verbetering .’

Modulaire opzet

‘In onderhoud worden modulaire concepten steeds belangrijker’, stelt Wouter van Gerwen, New Business & Innovation engineer bij Bilfinger Tebodin. Dit heeft een aantal redenen. ‘Bij turnarounds vinden er veel activiteiten tegelijkertijd plaats, terwijl de omstandigheden waarin wordt gewerkt op iedere turnaroundlocatie kunnen verschillen. Hoe meer werk je kunt voorbereiden door installatiedelen in modules te bouwen, des te minder constructie-uren op de bouwplaats. De onderhoudsperiode is hierdoor des te veiliger en goed te plannen. Het verminderen van de uren ter plaatse kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verkorten van de stop en des te minder is er sprake van de derving van inkomsten.’

Wouter van Gerwen (Bilfinger Tebodin): ‘Het uitwisselen van een unit gaat veel sneller dan ter plekke onderhoud te moeten uitvoeren.’

Of het nu gaat om preventief, correctief of predictief onderhoud, een modulaire opzet verlaagt de stoptijden wat leidt tot een hogere productiviteit. ‘Units kunnen snel worden uitgewisseld, waarna er offline onderhoud kan worden uitgevoerd. Hier kan de procesindustrie nog leren van voorbeelden van onderhoud in de automotive of luchtvaartindustrie. Uitgangspunt is het sturen op inkomsten. De goedkoopste manier om de capaciteit te vergroten is het aantal productieve uren te verhogen. Daar kan een modulaire opzet aan bijdragen. Het uitwisselen van een unit gaat veel sneller dan ter plekke onderhoud te moeten uitvoeren.’

Aanpassingsvermogen

Denken en werken in modulaire concepten heeft ook een positieve invloed op investeringen. Van Gerwen: ‘Als je de investering kunt opknippen in modulaire stappen die de klantvraag volgen, creëer je meer beslismomenten. Je kunt bijsturen op elk moment, zowel in productievolumes als in installatie-optimalisatie. Dit is fijn vanuit een financieringspers­pectief aangezien het leidt tot een snellere – want lagere – eerste investering.’

In het huidige tijdperk zijn de marktvraag en de randvoorwaarden vaak moeilijk te voorspellen. ‘Aanpassingsvermogen is daartegen de belangrijkste remedie. Als je niet een volledig nieuwe productie-installatie hoeft te bouwen, maar een aantal modules kunt aanpassen, kun je sneller schakelen.’

Hogere restwaarde

Het komt regelmatig voor dat installatiedelen op het eind van hun economische levensduur of nut nog lang niet aan hun technische levensduur zitten. Van Gerwen: ‘Nu gaat, zelfs bij het benutten van de tweedehandsmarkt voor werktuigbouwkundige apparatuur, veel waarde verloren. Tot wel 75 procent. Is de fabriek echter modulair opgebouwd, dan leidt dit ertoe dat je volledige, zelfstandig functionerende units terug kunt brengen naar hun leverancier. Deze ontvangt waardevolle informatie over het gebruik ervan, kan het ontwerp aanpassen en na refurbishment krijgt de module een tweede leven, dankzij het netwerk van de leverancier. Dit geeft bovendien mogelijkheden voor leaseconstructies met onderhoudscontracten.’

Nu zowel Shell als HyCC concrete plannen hebben voor de installatie van een tweehonderd en tweehonderdvijftig megawatt elektrolyser, gaat Havenbedrijf Rotterdam verder met de ontwikkeling van het conversiepark. Inmiddels is de locatie zo goed als klaar en werkt men aan de benodigde infrastructuur. Daarmee lijkt er nog weinig in de weg te liggen om de productie van groene waterstof op te schalen.

Het Havenbedrijf Rotterdam zet in op de energietransitie. Het wil de industrie faciliteren bij het terugdringen van de CO2-emissies en tegelijkertijd zorgen dat Rotterdam de belangrijkste energiehaven van Europa blijft. Op dit moment wordt nog veel olie geïmporteerd. In de toekomst moet dat duurzame energie zijn. Als onderdeel van de energietransitie heeft het Havenbedrijf grootse plannen op het gebied van waterstof. Nu al produceren bedrijven in het gebied grijze waterstof met behulp van steam methane reforming (SMR). De hierbij geproduceerde kooldioxide afvangen en opslaan zal de grootste milieuwinst opleveren. Maar de industrie wil op den duur vooral groene waterstof inzetten. Om dit mogelijk te maken, reserveerde het Havenbedrijf een stuk grond van 24 hectare tussen de terminals en loodsen op het puntje van de Tweede Maasvlakte. Hier komt een conversiepark dat groene stroom van offshore windparken omzet in groene waterstof, zuurstof en warmte.

Randolf Weterings, programmamanager Elektrificatie en Waterstof van Havenbedrijf Rotterdam ziet inmiddels de eerste contouren van wat straks het eerste grootschalige Nederlandse groene waterstofpark wordt. ‘We hebben een vlakte en de weg ernaartoe is aangelegd. Momenteel zijn er nog bodemonderzoeken gaande, maar gezien de geschiedenis van de Tweede Maasvlakte verwachten we geen verrassingen. We verwachten dan ook in het tweede kwartaal van dit jaar met de verdere voorbereidingen te beginnen.’

Inmiddels is dus bijna een halve megawatt al ingepland en volgens Weterings zijn de andere twee plots ook gereserveerd. Als die partijen daadwerkelijk tekenen, is het eerste conversiepark dus gevuld en zou jaarlijks zo’n honderd tot honderdtachtig duizend ton groene waterstof (afhankelijk van de productieprofielen en beschikbare groene stroom) kunnen worden geleverd aan de industrie of bijvoorbeeld de transportsector.

Offshore wind

De positie op de Tweede Maasvlakte is niet voor niets gekozen. De locatie vormt een goede aanlandingsplaats voor de windparken die medio 2023 (Hollandse Kust Zuid, 1,4 gigawatt) of richting 2030 (IJmuiden Ver, twee gigawatt) in gebruik worden genomen. Daarnaast is nog vier gigawatt in ontwikkeling, wat de totale potentie voor aanlanding op de Maasvlakte brengt op 7,4 gigawatt. Hoe dichter de conversie bij de parken plaatsvindt, hoe goedkoper het elektriciteitstransport wordt. En hoe meer het park de netbeheerder ontlast. Het Havenbedrijf voerde al een studie uit naar de infrastructuurbehoefte voor groene waterstof en concludeerde dat daarvoor een 48 meter breed kabelbed nodig was of slechts zes meter pijpleiding om dezelfde energie te transporteren.

Overigens kiest Shell voor koppeling aan het offshore windpark dat het samen met Eneco bouwt, Hollandse Kust Noord. Hoewel de stroom ergens anders aanlandt, kent de netbeheerder de geproduceerde energie via power purchase agreements toe aan de waterstofproductie van Shell. Om voldoende elektriciteit in de Rotterdamse haven ook in de toekomst te blijven leveren, moet het hoogspanningsnetwerk wel worden verzwaard. Havenbedrijf Rotterdam onderzocht samen met Tennet en Stedin hoe het tegen de laagste maatschappelijke kosten kan uitbreiden. Het bij elkaar brengen van grootschalige productie, zoals aanlandingen van wind op zee, bij grootschalige afname, zoals het conversiepark, beperkt de benodigde verzwaringen. Ook als de afname contractueel verbonden zit aan een ander windpark. Als het op de Noordzee waait, leveren immers alle parken stroom.

Voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie in 2050 is grootschalige productie van waterstof nodig.

Infrastructuur

Uiteraard werkt het Havenbedrijf tegelijkertijd de plannen uit voor de ontsluiting van de waterstof via een centrale waterstofbackbone. De plannen voor blauwe waterstof zijn immers ook al ver doorontwikkeld. Wel is het nog een punt van discussie welke kwaliteit waterstof in die leiding moet komen. Waterstof uit elektrolyse is namelijk direct zeer zuiver, terwijl diezelfde zuiverheid bij blauwe waterstof extra processtappen zou vergen. Voor de industriële productie van hoog temperaturen (verbranding) zouden eventuele onzuiverheden niet zo’n probleem zijn. Maar brandstofcellen in vrachtauto’s kunnen last krijgen van vervuilingen. Men kan er dan ook voor kiezen om twee aparte leidingen aan te leggen voor de twee kleuren waterstof.

Ongeacht de keuze, moeten er in de toekomst vele megatonnen waterstof worden getransporteerd. Volgens Weterings zou de leiding een diameter van 24 inch moeten krijgen en op hoge druk waterstof moeten leveren aan het hoofdnet van Gasunie en de Delta Corridor leiding. Dat behoorlijke formaat sluit momenteel het gebruik van kunststofleidingen uit.

Het aanleggen van de buisleiding is in Rotterdam geen gemakkelijke klus, omdat de ondergrond in het havengebied redelijk vol is. H-vision zal ook gebruikmaken van Porthos, het project waarbij CO2 van de industrie in de haven wordt getransporteerd en opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee.

H2-Fifty

HyCC en BP sloten een joint development agreement voor het project H2-Fifty. De twee partijen willen in 2023 een finale investeringsbeslissing nemen over de bouw van de tweehonderdvijftig megawatt elektrolyser in Rotterdam.

Een haalbaarheidsstudie heeft laten zien dat het project een forse bijdrage kan leveren aan vergroening van de industrie in de regio. De groene waterstof van H2-Fifty, maximaal 45.000 ton per jaar, zal worden ingezet om de raffinaderij van BP en andere industrieën in het havengebied te verduurzamen.

In de haalbaarheidsstudie is onder andere de techniek verder uitgewerkt. Ook de locatie van de elektrolyser is bepaald, deze komt op de Maasvlakte. Het komende jaar gaan de partners een technologieleverancier selecteren, het ontwerp van de installatie verder uitwerken en starten met de milieustudies voor het vergunningentraject. Volgend jaar volgt een investeringsbeslissing.

Demiwater

Het Havenbedrijf kijkt niet alleen naar de locatie van deze elektrolyser en de infrastructuur voor transport van elektriciteit en waterstof, maar ook naar de infrastructuur die nodig is voor aanlevering van water. Een elektrolyser heeft immers water nodig om de H2O-moleculen te splitsen in waterstof en zuurstof. Vanwege de gevoeligheid van zowel PEM- als alkaline-elektrolysers voor vervuiling, moeten ze worden gevoed met demiwater.

Nu hoeft dat niet een heel groot probleem te zijn: Evides Industriewater heeft tenslotte al twee demiwaterfabrieken in Rotterdam staan. Maar voor de productie van honderdtachtig duizend ton waterstof is toch wel heel veel demiwater nodig. Berekeningen komen al snel neer op negen liter water per kilogram waterstof. Om er zeker van te zijn dat te zijner tijd voldoende demiwater beschikbaar is en blijft, houdt het Havenbedrijf in het conversiepark ruimte beschikbaar voor een eventuele extra demiwaterfabriek. De keuze daarvoor zou volgens Weterings eerder gedreven zijn door redundantie dan door volume.

waterstof

(c) Havenbedrijf Rotterdam

Zuurstof en warmte

Bijkomende uitdaging is dat de elektrochemische scheiding van water niet alleen waterstof produceert, maar ook zuurstof. In het totaalconcept dat het Havenbedrijf voor ogen heeft, zou dat niet eens verkeerd uitkomen. Autothermal reforming (ATR) blijkt namelijk een zeer efficiënte techniek voor de productie van blauwe waterstof uit methaan. En bij die techniek heeft men zuurstof nodig voor oxidatie van de koolwaterstoffen. Een zuurstofleiding is dan zeker een optie.

Eenzelfde optimalisatie is te vinden in het gebruik van warmte. Daardoor wordt ongeveer een kwart van de groene stroom omgezet in warmte. De efficiency van de elektrolysers zou enorm toenemen als die warmte nuttig kan worden ingezet. Nu heeft Rotterdam al een warmtenet en wellicht zou deze warmte straks naar de Rotterdamse huishoudens kunnen worden geleid.

Import

Ondanks alle plannen om zelf groene en blauwe waterstof te produceren, zijn ze niet genoeg om de gehele fossiele energievoorziening te vervangen. Voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie in 2050 is grootschalige productie van waterstof nodig. Volgens studies van het Wuppertal Institut is voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie zo’n 2,5 tot 6,4 gigawatt aan elektrolyse-vermogen nodig. En dit is alleen nog maar voor de industrie. Als ook de mobiliteitssector en het achterland moet worden bediend, is een veelvoud nodig. In zijn waterstofvisie verwacht het Havenbedrijf in 2050 twintig megaton waterstof te produceren, importeren of doorvoeren.

Zelfs als alle offshore concessies worden ingevuld en windparken stroom leveren voor de elektrolysers, is dat niet voldoende om de gehele industrie, transport­sector en huishoudens te decarboniseren. Het Havenbedrijf verwacht dan ook een groot aandeel van de benodigde groene waterstof te moeten importeren uit landen met veel ruimte, zon en/of wind. Hiervoor werkt het havenbedrijf wereldwijd samen met tientallen partijen. Dat waterstof kan cryogeen of als ammoniak, ethanol of gebonden aan een liquid organic hydrogen carrier (LOHC) worden binnengehaald via bestaande en nieuwe terminals. Het Havenbedrijf Rotterdam tekende al twee van dit soort terminals in de toekomstvisie in.

Shell Hydrogen Holland I

De investering van Shell in een groene waterstoffabriek in Rotterdam lijkt in de maak. Het concern maakt nu al de belangrijkste technologieleverancier bekend. Thyssenkrupp gaat de installatie van tweehonderd megawatt ontwerpen en bouwen. Daarvoor levert de Duitse technologiegigant tien alkaline water-elektrolysemodules van twintig megawatt. Officieel moet Shell ergens komende maanden de investeringsbeslissing nog nemen, maar dat lijkt een formaliteit. De eerste bouwwerkzaamheden van de elektrolyse-installatie zijn gepland voor het voorjaar. Holland Hydrogen I produceert naar verwachting vanaf 2024 waterstof.

De waterstoffabriek komt in een hal met de omvang van twee hectare op de Tweede Maasvlakte. De groene waterstof is straks bedoeld voor industrie en het vervoer. De elektriciteit is dan afkomstig van het offshore windmolenpark Hollandse Kust (Noord). Dit offshore windpark van 759 megawatt is 2023 operationeel en is een joint venture van Shell en Eneco. De waterstof kan worden getransporteerd via een pijpleiding van ongeveer veertig kilometer lang die van de fabriek naar het Energie- en Chemie Park Rotterdam, ofwel Shell Pernis, loopt.

Begin voorjaar was de overname van DSM Resins & Functional Materials een feit. ‘Wow, was mijn eerste reactie, toen ik zag hoeveel specifieke kennis op het gebied van materialen beschikbaar is binnen Covestro. Dat kan verschillende ontwikkelingen enorm versnellen.’ Managing director Covestro Nederland Aukje Doornbos ziet vooral veel mogelijkheden.

Verder in dit blad:

Eemsdeltavisie is ook dit jaar weer het podium voor de Northern Enlightenmentz-verkiezing. In willekeurige volgorde presenteren Uppact, Senbis, Ocean Grazer en Purified Metal Company hun innovaties aan het publiek in het Chemport Innovation Center.

Gasprijzen van rond de honderd euro per megawattuur dwingen bedrijven hun productie terug te draaien. Grootste boosdoener blijkt de Europese focus op de kortetermijnhandel. Terwijl de leveringszekerheid van met name LNG neer baat heeft bij langetermijnverplichtingen.

Energieleverancier Vattenfall kan bij een tekort aan stroom zorgen dat de chloorfabriek van Nobian in Rotterdam tijdelijk en beperkt minder produceert. Dat was heel erg wennen, vertelt operations manager Toine van de Lindeloof.

Thema: Sustainability

Rechtszaken en activistische beleggers dwingen grote petrochemische bedrijven tot de vlucht voorwaarts. Verschillende bedrijven kondigden het afgelopen jaar dan ook veel nieuwe investeringen aan in een zeer divers scala aan duurzame energieprojecten.

Shell wil uiterlijk in 2025 één miljoen ton plastic afval per jaar verwerken in haar chemiefabrieken wereldwijd. Samen met BlueAlp gaat het bedrijf BlueAlps technologie voor het omzetten van plastic afval naar pyrolyse-olie verder ontwikkelen, opschalen en implementeren.

Dit en meer leest u in Petrochem 7, 2021. 2 november bij lezers op de mat en nu tijdelijk online al door te bladeren!

Elektrificatie en elektrochemie bepalen de komende jaren steeds meer het gezicht van investeringsprojecten in de procesindustrie. Op de korte en middellange termijn gaat het vooral om de vervanging van fossiele brandstoffen door duurzame elektriciteit. En groene waterstofprojecten worden steeds talrijker. Pas later volgen mogelijk complexere elektrochemische processen.

Het hele artikel vind je in onze digitale Projecten Special 2021!

Als de Nederlandse industrie haar CO2-uitstoot tegen 2030 flink omlaag wil hebben gebracht, zijn er ingrijpende veranderingen in productieprocessen nodig. Het vraagt bijvoorbeeld om innovaties die de energievraag omlaag brengen. Maar ook om nieuwe processen waarmee afvalstromen weer grondstoffen worden. Splitsen we in de toekomst CO2 met plasma en scheiden we mengsels dan in een horizontale kolom?

Het hele artikel vind je in onze digitale Projecten Special 2021!

Eerder dit jaar vertelden Sebastiaan Guzik en Nickel van de Mortel van Sitech in een artikel aan Industrielinqs dat het best wel wat voeten in de aarde had om met draadloze sensoren assets te monitoren. Wat kan er nu al met draadloze sensoren, wat zijn de ontwikkelingen en moeilijkheden?

Het hele artikel vind je in onze digitale Projecten Special 2021!

Nobian past de chloorproductie in Rotterdam aan als er plotseling meer of minder stroom beschikbaar is. Hiermee helpt het bedrijf om het stroomnet beter in balans te houden. De chloorfabrikant werkt hiervoor samen met energieleverancier Vattenfall.

Door de samenwerking met Vattenfall kan Nobian (tot voor kort Nouryon) inspelen op de toenemende fluctuaties in het stroomaanbod. Om de pieken en dalen te balanceren, gebruikt netbeheerder Tennet regelvermogen. Dit koopt ze in bij verschillende leveranciers, waaronder Vattenfall. Het regelvermogen bestaat uit een verzameling van productielocaties, met name gascentrales, die snel meer, of juist minder, stroom kunnen leveren. De chloorproductie van Nobian wordt hier nu aan toegevoegd.

Als er minder stroom beschikbaar is, wordt de chloorproductie van Nobian automatisch afgeschaald. Het tempo wordt weer opgevoerd als het aanbod dat toelaat. Deze aanpassing gebeurt volautomatisch door real-time ondersteuning van Vattenfall. Door de samenwerking wordt veertig megawatt aan flexibele capaciteit aan het net toegevoegd. Dit staat gelijk aan een vijfde van de chloorproductie van Nobian in Rotterdam.

Marcel Galjee (Nobian): ‘Een wens voor de toekomst zou zijn dat we regel- en noodvermogen kunnen aanbieden vanaf dezelfde asset.’

Pieken en dalen

Marcel Galjee, directeur Energy & New Business bij Nobian: ‘Met onze flexibele chloorproductie leveren we een belangrijke bijdrage aan de energietransitie. Waarbij de vraag naar elektriciteit het aanbod van (groene) elektriciteit gaat volgen. De samenwerking met Vattenfall is een volgende stap om de flexibiliteit binnen onze processen te gebruiken om te verduurzamen. Een wens voor de toekomst zou zijn dat we regel- en noodvermogen kunnen aanbieden vanaf dezelfde asset.’

Het belang van vraagsturing neemt toe. Door het groeiende aandeel zonne- en windenergie kent het stroomaanbod steeds meer en grotere pieken en dalen. Daarbij komt de uitfasering van verschillende regelbare bronnen van opwekking, zoals kolen (in Nederland en Duitsland) en nucleaire centrales (vooral in Duitsland en België).

Ook de vraag verandert, de industrie gaat meer elektriciteit gebruiken doordat ze processen elektrificeert.

Industriële vraagsturing

Uit onderzoek dat Strategy& (onderdeel van PwC) deze zomer uitvoerde in opdracht van Tennet bleek dat zowel Nederland als Duitsland de piekbelasting van hun elektriciteitsnet met wel tien tot zeventien procent kunnen verlagen als ze volledig het potentieel benutten van industriële vraagsturing, industrial Demand Side Response (iDSR).

In Nederland is het potentieel iDSR rond de 3,4 gigawatt en in Duitsland tien gigawatt. De huidige inzet van iDSR in Nederland ligt tussen de 700 en 1900 megawatt. In Duitsland ligt de huidige inzet rond de drie gigawatt. Met voldoende flexibiliteit kunnen kostbare maatregelen als import of regelbare centrales worden beperkt. Flexibiliteit aan de markt bieden kan bovendien een extra verdienmodel voor de industrie zijn.

Belemmeringen

De mogelijke capaciteit van flexibel elektriciteitsgebruik door de industrie is veelbelovend, maar toegang voor iDSR kent ook barrières. Om het industriële potentieel in de beide landen waar Tennet actief is te benutten, is een aantal veranderingen nodig. Zo krijgen in Nederland bedrijven die hun stroomverbruik stabiel houden tot wel negentig procent korting op het netwerktarief. Vanuit het standpunt van flexibiliteit vormt zo’n korting een financiële belemmering die moet worden weggenomen.

Volgens de onderzoekers moeten de mogelijkheden en voordelen van iDSR meer onder de aandacht worden gebracht bij de industrie. Verschillende vertegenwoordigers van de industrie geven aan dat ze de mogelijkheden van iDSR onvoldoende kennen en nieuwsgierig zijn naar de kansen voor hun iDSR-businesscase.

Tussenpersonen

Wat volgens de onderzoekers ook kan helpen, is het aanstellen van onafhankelijke tussenpersonen, zogenaamde aggregators. Juist in een markt met nieuwe deelnemers zijn er kansen voor vereenvoudigde diensten en risicobeperking.

De huidige eisen aan meters vormen ook een belemmering voor iDSR omdat ze tot hoge kosten leiden. Wellicht kunnen bedrijven af met goedkopere meters.

Effectieve deelname

Het Europese wetgevingspakket ‘Clean energy for all Europeans’ is nog een goede reden om meer inzicht te vergaren in het potentieel voor iDSR en in kansen om die capaciteit te benutten. Dit wetgevingspakket, dat leidend is voor nationale wetgeving, stelt bijvoorbeeld dat klanten moeten kunnen deelnemen aan de elektriciteitsmarkten voor netbalans, day-ahead en intraday-handel – individueel of via een tussenpersoon. Daarnaast dienen TSO’s en DSO’s voor vraagsturing aanvullende diensten beschikbaar te stellen op een manier die transparant en non-discriminatoir is.

ESD-Sic en Engie werken ook samen

Nobian en Vattenfall zijn niet de enigen die samenwerken om het stroomnet in balans te houden. Al een aantal jaar bepaalt Engie wanneer producent van silicium­carbide ESD-SIC wel of niet produceert. Omdat ESD haar productieproces per direct kan aan- of uitschakelen, kan ze dus produceren als er bijvoorbeeld veel zonne- en windenergie beschikbaar is. De productie kan uit als de stroomvraag groot is, of er weinig zon en wind is.Een belangrijke troef van ESD-SIC is dat het de productie van siliciumcarbide kan beginnen en stilleggen wanneer het maar wil. Dat biedt interessante mogelijkheden bij afname van overschotten duurzame energie. Voor de samenwerking kocht en verkocht ESD-SIC stroom op de onbalansmarkt. Het bedrijf kocht bij zodra er een overschot aan stroom op het net was. Bijvoorbeeld als gevolg van een ‘teveel’ aan windenergie. Of andersom. De productie werd afgeschakeld zodra er zeer hoge prijzen werden gerekend omdat er onverwacht te weinig stroom werd geproduceerd. Op dat moment werd de stroom die eerder voor de productie was ingekocht weer verkocht.

Rol aluminiumproducent in netstabilisering

Ook elektriciteitsgrootverbruiker Damco Aluminum Delfzijl Coöperatie (Aldel) is bezig om een rol te spelen in het regelvermogen. Dat vertelde COO David Eisma vorig jaar in ons zusterblad Industrielinqs. ‘Wij kunnen onze productie laten meeveren met het aanbod, zodat we een belangrijke rol krijgen in de netstabilisering. Momenteel kunnen we dat vooral door onze productie af te schakelen bij tekorten, ook wel noodstroom genoemd. Maar met een paar aanpassingen kunnen we dat veel subtieler doen. We werken al met onze partner Energy Pool samen, die ons helpt met de benodigde soft- en hardware om te flexibiliseren.’

Voordat het zover is, moet wel een aantal aanpassingen worden gedaan aan zowel de hoogspanningsinstallaties als de gelijkrichters die het aluminium smelten. De gelijkrichters kunnen met enige aanpassingen de variabele belasting opvangen. Om dit te kunnen doen, bouwt Aldel samen met Energy Pool tien installaties om. Iedere installatie heeft een capaciteit van 40.000 Ampère en een spanning tot ongeveer 800 Volt. Aldel verwacht een variabele belasting van vijftien megawatt te kunnen bereiken om de netfrequentie te ondersteunen.

Met het toenemende aanbod groene energie, neemt de roep om flexibele stroomconsumptie toe. De industrie kan een grote rol spelen in netbalancering, maar moet daarbij wel rekening houden met cybersecurity. Want hoe meer ketens aan elkaar worden geknoopt, hoe groter de kans dat kwaadwillenden toegang krijgen tot het kwetsbare en kritieke energiesysteem.

Waar de energiebedrijven voorheen eenvoudigweg gas of elektriciteit leverden, verandert het landschap snel. Elektriciteit kan namelijk zowel van duurzame bronnen als van energiecentrales komen terwijl energieconsumenten tegelijkertijd producenten zijn. En dan investeren ook steeds meer partijen in elektrificatie van hun gas- of stoomsystemen.

Bijkomend voordeel van deze stap is dat de bedrijven een rol spelen in balancering van het stroomnet. Zo kondigde Nobian onlangs nog aan een deel van het regelvermogen van de fabriek inenerg Rotterdam in handen te geven aan Vattenfall. Het Zweedse energiebedrijf kan daarmee de chloorproductie van Nobian ietsje terugdraaien wanneer de stroomprijs te hoog wordt of er stroomtekort dreigt, terwijl het extra kan produceren bij stroomoverschotten op zonnige en winderige dagen. Dat klinkt natuurlijk mooi, maar vraagt ook om verdergaande integratie van de bedrijfssystemen van beide bedrijven. Onderzoeksdirecteur Marco Waas liet dan ook desgevraagd doorschemeren dat in de discussies die Nobian voerde over samenwerking met Vattenfall, een derde deel ging over cybersecurity. ‘Je wil niet dat malafide partijen je productieprocessen kunnen verstoren. We kiezen dan ook bewust voor een directe, bekabelde verbinding.’

Operationele systemen

Nu was Nobian altijd al afhankelijk van de stroomvoorziening omdat chloorproductie nu eenmaal een elektrochemisch proces is. Maar de verwachting is dat de verhoudingen tussen elektriciteit en gasconsumptie meer verschuiven richting eerstgenoemde. Bedrijven als BASF, Dow, Shell, en Sabic onderzoeken al de mogelijkheden voor het elektrificeren van hun krakers. Bovendien investeren steeds meer bedrijven in elektrische stoomketels of warmtepompen. Daarmee verkleinen de bedrijven hun CO2-voetafdruk, maar vergroten ze tevens het risico op cyberterrorisme. Zeker als ze hun assets ook willen inzetten voor netbalancering. Dit soort systemen is nu eenmaal te complex om autonoom af te handelen en vergt altijd digitale communicatie met de keten.

Marcel Jutte, managing director bij Hudson Cybertec, een cybersecurity solution provider: ‘Zeker in de chloor- en stikstofketen zijn de onderlinge afhankelijkheden tussen verschillende bedrijven groot. Als de een niet kan produceren, kan de ander niet afnemen waardoor het primaire proces stilvalt. Andersom, als een bedrijf een product of halfproduct niet kan afnemen, kan de toeleverende partij dit ook niet in grote mate produceren. Alle partijen zijn erbij gebaat een zo stabiel mogelijke productieomgeving te hebben. Dat betekent dat cybersecurity van de primaire processen tiptop op orde moet zijn.’

Cyberaanvallen

Alhoewel gerichte aanvallen op de vitale processen nog niet in Nederland zijn waargenomen, zijn er wel voorbeelden uit het buitenland te vinden. Zo leidde een cyberaanval op een regionaal Oekraïens elektriciteitsdistributiebedrijf in december 2015 tot een verstoring van de dienstverlening aan ongeveer 225.000 klanten. De storingen waren te wijten aan de onbevoegde toegang van derden tot een van de computers en SCADA­systemen van het bedrijf. Zeven 110 kV en 23 35 kV-onderstations werden gedurende drie uur afgesloten.

Chinese hackers vielen in 2011 in operation Night Dragon elektriciteitsbedrijven aan. In 2016 werd ten minste één Europees energiebedrijf slachtoffer van SFG malware dat een backdoor installeerde op de industriële controlesystemen. Dat de mens nog steeds een zwakke schakel is, blijkt ook wel weer uit een als onderdeel van een pentest (penetratie test) uitgevoerde social engineering aanval op een energiebedrijf. Bedrijven laten dit soort testen uitvoeren door zogenaamde ethical hackers, die kijken of het ze lukt een systeem binnen te dringen. Een van de securityonderzoekers kreeg in 2008 volledige toegang tot de SCADA-omgeving van het energiebedrijf. Als dit echte cybercriminelen waren, had dat niet goed kunnen uitpakken. Dat merkte ook Israël dat in 2016 nog werd getroffen door een massale cyberaanval op het elektriciteitsnetwerk, precies tijdens een periode van voor het land extreem koud winterweer.

kunstmatige intelligentie

Marcel Jutte (Hudson Cybertec): ‘Een integrale aanpak van alle aspecten, mens, organisatie én techniek, is van groot belang voor een digitaal weerbare organisatie.’

In het Cybersecurity Beeld Nederland 2020 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) werd melding gemaakt van ransomwareaanvallen op industriële automatisering en controlesystemen (IACS) die worden gebruikt voor bijvoorbeeld de drinkwater- en energievoorziening. Ook het afgelopen jaar zijn wereldwijd vitale processen in de sectoren elektriciteit, water, olie en gas, chemie, voedsel, transport en de zorg doelwit geweest van digitale aanvallen door criminele groepen. Jutte: ‘Of de zwakke plek nu zit in de techniek, het personeel of het beleid van de organisatie maakt niet uit. Een gemotiveerde aanvaller zal de zwakke plek uiteindelijk vinden en uitbuiten. Een integrale aanpak van alle aspecten, mens, organisatie én techniek, is dan ook van groot belang voor een digitaal weerbare organisatie.’

Security by design

Het ministerie van Justitie en Veiligheid gaf onderzoeksbureau Gartner de opdracht de cybersecurity van IACS­systemen te onderzoeken. De conclusie was dat de systemen tot nog toe weinig problemen ondervonden van cyberaanvallen. Maar dat wilde niet zeggen dat dit zo zou blijven.

Volgens de onderzoekers gebruikt de energiesector veelvuldig IACS-systemen. Men verwacht dat dit nog verder toeneemt door het gebruik van smart grids. Ook het gebruik van wind- en zonne-energie zorgt voor een wisselend aanbod van elektriciteit. IACS-systemen sturen de productieprocessen voor het genereren van stroom aan, zorgen ervoor dat het primaire proces op een veilige manier verloopt en zorgen ervoor dat de spanning op het elektriciteitsnet constant blijft. Verder gebruiken netbeheerders IACS-systemen om bij onderhoud delen spanningsloos te maken, zodat onderhoud veilig kan gebeuren. Ook bij incidenten, zoals een probleem met een transformator, kan de stroom anders worden gerouteerd, zodat de eindgebruikers hier geen last van hebben. De impact bij verkeerde aansturing kan ervoor zorgen dat het elektriciteitsnetwerk zonder spanning komt te staan.

Verder is het mogelijk dat de spanning hoger of lager wordt dan 230V, waardoor aangesloten apparaten ook fysiek beschadigd kunnen raken. Of wat te denken van fluctuaties in de frequentie, waardoor klokken en timers niet meer goed functioneren. Als het meetgedeelte van een systeem niet goed functioneert, kan dit ervoor zorgen dat er niet of niet tijdig kan worden ingegrepen bij afwijkingen.

Jutte: ‘Door de toenemende digitalisering en steeds verdergaande autonomie van gekoppelde beslissystemen wordt ook de potentiële impact van een cyberincident significant groter. Dit maakt het noodzakelijk dat de IACS-omgevingen cybersecure zijn en bestand zijn tegen aanvallen van zowel buitenaf als binnenuit. Het geheel moet kloppen. Ontwerpers van dit soort systemen moeten vanaf het begin rekening houden met cyberveiligheid, ofwel security by design. Alleen dan kan de keten de digitale weerbaarheid van dit soort omgevingen gedurende de gehele levenscyclus borgen.’

Ketenveiligheid

Ook de Cyber Security Raad, die de overheid informeert over cyberrisico’s, ziet dat steeds meer systemen zich met elkaar verknopen. Dat is volgens deze raad een goede ontwikkeling omdat daarmee ook steeds meer mogelijkheden ontstaan voor samenwerking tussen bedrijven en sectoren. De schaduwzijde is echter dat een meer ICT-afhankelijke economie ook meer risico’s met zich meebrengt op het gebied van digitale veiligheid. Volgens de raad worden steeds meer bedrijven, overheden, systemen en applicaties met elkaar verbonden, terwijl er nauwelijks wordt nagedacht over de digitale veiligheid in deze keten. Dit kan grote economische gevolgen hebben. De raad riep daarom onlangs op niet alleen de cyberrisico’s in organisaties in kaart te brengen, maar ook de risico’s in de keten.

Jutte: ‘Ook wet- en regelgeving zal hier een rol in gaan spelen.’

Jutte: ‘Natuurlijk is het belangrijk dat de keten wordt beschermd. Dat geldt niet alleen voor bedrijven en organisaties die direct aan elkaar zijn gekoppeld, maar ook voor toeleveranciers en onderhoudspartijen voor IACS-omgevingen. We zien in de praktijk dat ICT en OT-afdelingen van bedrijven steeds vaker productcertificeringen verwachten en andere cybersecurityeisen stellen aan de keten. Ook wet- en regelgeving zal hier een rol in gaan spelen. Er valt nog een heleboel op dit vlak te doen.’

Analyse

Inmiddels zijn de eigenaren van vitale systemen wel in de weer om cyberaanvallen zoveel mogelijk te voorkomen. Zo voerde Tennet samen met Shell, Gasunie, Nuon, Alliander en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) een risicoanalyse cybersecurity uit binnen de energiesector. De analyse moest blootleggen wie van wie afhankelijk is, welke kritieke IT-systemen er zijn en welke risico’s de verschillende partijen in de sector lopen. Met als belangrijkste hoofdvraag: welke digitale veiligheidsmaatregelen moet de keten nemen? Aangezien er geen effectieve analysemethode bestond voor digitale ketenveiligheid, ontwikkelde de energiesector deze zelf. Deze methode is inmiddels gratis te downloaden via de website van de Cyber Security Raad.

Veel bedrijven zoeken een oplossing voor verwerking van gemengde kunststofstromen. UPP! stuitte op een Australische uitvinding die het plastic door wrijving laat smelten. Binnenkort staat de Australische pilotinstallatie in de Groningse Eemshaven.

Plastic afval vormt wereldwijd nog steeds een groot probleem. Gelukkig proberen steeds meer landen de verschillende kunststofstromen zoals polyetheen, polypropeen, polystyreen en polyvinylchloride te scheiden en hergebruiken. Toch blijft er na inzameling en sortering vaak nog meer dan vijftig procent gemengd en vaak vervuild afval over waar men eigenlijk niks anders meer mee kan dan verbranden of geheel afbreken en weer opbouwen. Dat eerste is zonde, het tweede kost veel energie en kan lang niet voor alle gemengde en vervuilde fracties goed worden toegepast.

Jan Jaap Folmer richtte ruim vier jaar geleden Upp! op, naar eigen zeggen een impact gedreven social enterprise dat zich als doel stelt plastics te redden van verbranding en dumpen. Met Vietnam, Singapore, Indonesië en Nederland als werkgebied lukte het de ondernemer om de lastige kunststofstromen om te zetten in bouwblokken, dakpannen of bijvoorbeeld stoeptegels met een waterreservoir.

Wrijving

In zijn zoektocht naar een efficiënte en eenvoudige plastic verwerkingstechnologie, stuitte Folmer op een interessante Australische innovatie. Folmer: ‘Met deze technologie is het mogelijk ongesorteerd, ongewassen en ongemalen gemengd plastic afval te verwerken tot eindproducten zoals bijvoorbeeld palen en planken. De machine verwerkt tapijttegels, visnetten, multilayer verpakkingen en zelfs gymschoenen of sigarettenpeuken. De basis van de technologie is dat elk stuk plastic door middel van wrijvingsenergie wordt verwarmd tót zijn eigen smeltpunt. Daarna waarna het in gesmolten toestand met de andere gesmolten plastics wordt gemengd tot een homogene massa. Die massa perst men vervolgens in een mal. De kwaliteit van het nieuwe materiaal is hierdoor veel beter dan je op basis van de laagwaardige en gemengde input zou verwachten.’

Jan Jaap Folmer (Uppact): ‘Technologie is maar een deel van de oplossing. We moeten lokale partijen betrekken om cirkels te sluiten.’

Het proces slaat dus zowel sortering, shredderen en wassen van het materiaal over en is zo een kosten- en energie-efficiënte oplossing voor vele lastig te recyclen afvalstromen. Om de installatie in Europa te commercialiseren zette Upp! samen met de Australische en Nederlandse partners het bedrijf Uppact op. Allereerst verscheept Uppact de prototype installatie naar Nederland als test- en demonstratiefaciliteit. Folmer: ‘Uiteindelijk is het de bedoeling om grootschalige verwerkingscapaciteit voor de verschillende moeilijk te recyclen plastic en textiel afvalstromen in Europa en ook wereldwijd op te zetten.’

 

Visnetten

In de tussentijd waren er nog wel twee uitdagingen. Uppact moest een locatie hebben voor de test en demonstratiefaciliteit en een partij die graag zijn moeilijke kunststofafval wil omzetten in duurzame producten. De locatie vond Folmer bij Groningen Seaports, dat graag experimenteerruimte biedt aan innovatieve duurzame bedrijven. Scheepsafvalverwerker Bek en Verburg had nog wel een afvalstroom dat ze graag wilde upcyclen: visnetten. Folmer: ‘Visnetten zijn doorgaans gemaakt van nylon, maar hebben vaak ook onderdelen van polyetheen. Vissers leveren afgedankte netten in bij Bek en Verburg met de boeien er nog aan. Ook die kunnen eenvoudig in de machine worden gevoed.’

Afvalstromen

Inmiddels is de installatie onderweg van Australië naar Groningen en kan Uppact bijna starten met de eerste proeven. ‘Als alles goed verloopt, is het de bedoeling verschillende commerciële productielijnen in te richten, afhankelijk van de behoefte van een afnemer’, zegt Folmer. ‘Een fabriek van deze omvang moet jaarlijks minimaal vijfduizend ton aan verwerkt plastic afval afzetten. Wat betreft aanvoer voorzie ik geen problemen. De vraag naar recyclingcapaciteit is wereldwijd enorm en deze moeilijk te recyclen gemengde stromen plastic en ook textielafval verdwijnen nog grotendeels in de verbrandingsovens, op stortplaatsen en in de rivieren en oceanen. Ook synthetisch textiel zoals bijvoorbeeld polyester of nylon is zeer lastig te recyclen, maar met onze technologie prima te verwerken. Wij denken dan ook met ons Textiel-Plastic-Composiet materiaal mooie producten te kunnen maken. En voor een aantal afvalstromen waar Bek en Verburg nu geen duurzame alternatief voor heeft, is onze technologie een mooie oplossing. Zo hebben we ook een unieke toepassing voor het plastic afval dat bij dit bedrijf van schepen en uit de oceanen en rivieren komt.’

Regionale producten

Het team van Uppact lijkt het technisch dan ook goed voor elkaar te krijgen, maar daarmee stopt het voor Folmer niet. ‘Technologie is maar een deel van de oplossing. We moeten lokale partijen bij dit soort projecten betrekken om cirkels te sluiten. Als we producten maken waar lokaal behoefte aan is, hoef je ze niet de hele wereld over te transporteren. Het mooiste zou zijn als we nieuwe netten van de oude visnetten kunnen maken, maar misschien zijn boeien ook goed. We werken graag met lokale kunstenaars of ontwerpers die oplossingen bedenken voor lokale problemen. Zo hadden de dakpannen die we in Vietnam maakten een uitsparing voor een zonnepaneel. Op die manier los je onderdak en energievoorziening in een keer op. Groningen heeft zijn eigen dynamiek, maar we zijn ook hier al met regionale productontwikkelaars en designers bezig met mooie en bruikbare producten voor de regio uit afval van diezelfde regio.’