Eind vorig jaar, tijdens een van onze online talkshows Industrielinqs LIVE, viel de term ‘technologie-agnost’. René Peters van TNO bekende er een te zijn. En toen hij uitlegde wat dat predicaat inhield, wist ik het meteen. Ook ik ben er een. En de andere tafelgasten sloten zich daar ook bij aan.

Opgegroeid aan de rand van de Veluwe weet ik het verschil tussen dogmatici en agnostici als geen ander. Het is een religieus onderscheid. Enerzijds de mensen die in één nauw omschreven waarheid geloven en daar allerlei strikte regels aan verbinden – het is zo en niet anders. Aan de andere zijde de mensen die rekening houden met meerdere waarheden en dat regelmatig onderzoeken. Al jong hoorde ik – het zal u niet verbazen – bij de tweede groep. Ik houd rekening met tal van mogelijkheden. Soms neem ik ook de tijd die te onderzoeken. Het is niet per se de gemakkelijkste weg. Voor dogmatici en atheïsten is het duidelijker. Zwart of wit. Dogmatiek heeft ook iets gemakzuchtigs. Het kost veel meer inspanning om juist niet ‘zeker’ van een waarheid te zijn. Niet dat ik daar continu mee bezig ben. Voor mijn eigen comfort berust ik overheersend in het idee dat ik het gewoon niet weet. En dat ik het ook niet altijd hoef te weten.

Onbetaalbaar

In de energie- en grondstoffentransitie zijn er ook dogmatici en agnostici. En laten we gemakshalve de ontkenners onder de atheïsten scharen. In die categorie vallen wellicht ook de technologie-pessimisten, die denken dat er gewoonweg niet voldoende oplossingen zijn voor de klimaatproblemen. Of ze denken dat nieuwe innovatieve technologie de problemen alleen maar groter maakt.

Dogmatici en agnostici zijn er beiden wel van overtuigd dat het klimaatprobleem bestaat en dat er daadwerkelijk ook oplossingen zijn te vinden. Je zou de meesten van hen technologie-optimist kunnen noemen. Wel verschillen ze zeer in waar ze hun heil van verwachten. Dogmatici geloven in ‘the One Solution that fits all.’ En er zijn heel veel geloofsrichtingen, die allemaal het antwoord denken te hebben. Ze gebruiken dogmatische termen als biobased economy, waterstofeconomie, van-gas-los, all-electric, waarbij ze andere richtingen uitsluiten en soms zelfs verketteren.

‘In de scheikunde kost binden vaak meer energie dan scheiden, maar meestal levert het ook veel meer waarde op.’

Agnostici willen juist niet bevooroordeeld zijn. En daar sluit ik me graag bij aan. Door voor één oplossing, één overheersende waarheid te gaan, sluit je al het andere uit. Niet alleen loop je de kans dat je op het verkeerde paard wedt. Het probleem is bovendien dat door oplossingen uit te sluiten, de oplossingen die overblijven duurder en misschien zelfs onbetaalbaar worden.

Samen op weg

Willen we het klimaatprobleem oplossen, dan hebben we tal van oplossingen nodig. En we moeten vooral gaan samenwerken. Of zoals de nieuwe Plant Manager of the Year, Yolande Verbeek van Uniper dat in het hoofdinterview stelt: ‘Als iedereen alleen maar met eigen oplossingen bezig gaat, komen we er gewoon niet.’ En: ‘Ik zie de energietransitie als een complexe puzzel, waarbij verschillende partijen puzzelstukjes in handen hebben. We moeten samen de puzzel leggen. Onze kennis is ook maar beperkt.’

Of met andere woorden: Iedereen moet eens uit zijn eigen kerk en parochie komen om vooral de dialoog aan te gaan. Om misschien er achter te komen dat er meer ideeën en oplossingen zijn die kunnen werken. Dat er verschillende situaties zijn, die ook om een verscheidenheid aan technologieën vragen. En dat in veel gevallen de verschillende technologieën elkaar juist kunnen versterken, in plaats van uitsluiten.

In de scheikunde kost binden vaak meer energie dan scheiden, maar meestal levert het ook veel meer waarde op. Samen op weg dan maar?

 

Reageren? wim@industrielinqs.nl

Nu de coronapandemie op haar laatste benen loopt, komt de klimaatcrisis weer op het voorplan. Dat het een echte crisis is, werd de laatste maanden steeds duidelijker door extreem weer zowat overal ter wereld: verschroeiende droogte en bosbranden in de Verenigde Staten, Canada en Siberië, extreme regenval en overstromingen in Europa en China. Alhoewel droogte en regenval tegengestelde fenomenen zijn, worden ze toch beide veroorzaakt door de opwarming van de aarde: die leidt namelijk tot een sterke toename van extreem weer in alle richtingen.

Titanic

Begin augustus bracht het IPCC haar zesde klimaatrapport uit. Volgens het rapport is de aarde door menselijk handelen al 1,1 graad opgewarmd. Die opwarming kan deze eeuw verder oplopen tot 5 graden en dat is een regelrecht catastrofescenario. Het IPCC heeft door geduldig onderzoek nagenoeg alle onzekerheden over de klimaatverandering uit de weg geruimd. Waar we uitkomen blijft echter de grote vraag, want er rest één onzekerheid en dat is het gedrag van de mensheid en de hoeveelheid broeikasgassen die deze nog zal uitstoten.

Wat betreft die uitstoot werden er tot nog toe vooral veel rapporten geschreven met grootse plannen, maar in de praktijk is er vooral aangemodderd en gebeurde er op het terrein heel weinig. Er werd vooral creatief gerekend en gecommuniceerd, om de anderen en misschien ook zichzelf iets wijs te maken. De papieren beloften en duurzaamheidsrapporten blijken een soort theater: voor het bedrijf een handig communicatiemiddel, voor het communicatiebureau een broodwinning zoals een ander. Samen de kluit belazeren door de indruk te geven dat er wat gebeurt. Zoals Greta Thunberg terecht opmerkte is dit soort “activiteit” zeer negatief, nog erger dan geen actie eigenlijk. Het is zoals het orkest op de Titanic dat slaapliedjes speelde zodat iedereen rustig bleef. Pas toen het schip ernstig slagzij maakte, brak de paniek uit, maar was het al te laat voor actie.

Ontkenning

De grote olie majors hebben de laatste decennia miljarden uitgegeven aan de beïnvloeding van de publieke opinie tegen klimaatmaatregelen. Er is zeer doelbewust desinformatie verspreid, onzekerheden in de klimaatmodellen werden uitvergroot en ontkenners van de klimaatverandering werden financieel ondersteund. Dit is in 2019 door Naomi Oreskes van Harvard University en anderen aangetoond in hun rapport “America misled: how the fossil industry deliberately misled Americans about climate change”. Aan iedereen vertellen dat klimaatverandering fictie is, terwijl je eigen wetenschappers het omgekeerde beweren, dat is immoreel en je betaalt er vroeg of laat de prijs voor. Er zit een vloedgolf aan gerechtelijke acties tegen big oil aan te komen.

De oliemaatschappijen vervuilden immers niet enkel de lucht, ze vervuilden ook het informatielandschap. Ze wisten heel goed dat hun product schade aanrichtte en hebben doelbewust de maatschappij belogen. Hun doelstelling was duidelijk: vermijden dat er actie komt, zodat alles kan blijven zoals het is. We hebben op die manier al dertig jaar tijd verloren sinds het eerste klimaatrapport van het IPCC in 1990. Kostbare tijd die we nu duur betalen, want het moet nu allemaal in hoog tempo veranderen en de fossiele investeringen zullen snel waardeloos worden. Het is onbegrijpelijk dat er nog steeds geld wordt uitgegeven aan olie- en gasexploratie terwijl de meeste olie en gas gewoon in de grond moet blijven zitten. De oliemaatschappijen leven dus nog steeds in een staat van ontkenning.

Schouders eronder

Het nieuwste IPCC-rapport is niet deprimerend, integendeel, het is hoopgevend. Het rapport stelt dat we onze toekomst nog in handen hebben. Als we de uitstoot snel naar nul brengen, kunnen we de opwarming nog beperken tot minder dan 2 graden. Maar dan moeten we nu wel doortastend handelen, want de leefbaarheid van de aarde staat op het spel. De hele fossiele sector moet deel van de oplossing worden in plaats van de kern van het probleem. Van obstructie naar constructie, want de hand moet nu echt aan de ploeg. De pandemie heeft ons geleerd dat we grote uitdagingen aankunnen, als we er maar onze schouders onder zetten. Genoeg getreuzeld en geleuterd, hoog tijd voor echte klimaatactie.

 

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

Wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en NHL Stenden Hogeschool ontwikkelden een polymeermembraan uit biobased appelzuur. Het superamfibisch vitrimere epoxyhars membraan scheidt water en olie en is volledig recyclebaar. Wanneer de poriën verstopt zijn door verontreinigingen, kan het worden gedepolymeriseerd, gereinigd en vervolgens tot een nieuw membraan worden geperst.

Superamfibische membranen, die zowel van olie als van water houden, zijn een veelbelovende oplossing voor het opruimen van olievlekken op water. Helaas zijn deze membranen  vaak niet robuust genoeg voor gebruik buiten de laboratoriumomgeving. Bovendien kunnen de membraanporiën dichtslibben door aangroei van algen en zand. Chongnan Ye en Katja Loos van de Rijksuniversiteit Groningen en Vincent Voet en Rudy Folkersma van NHL Stenden gebruikten een relatief nieuw type polymeer om een membraan te maken dat zowel sterk als gemakkelijk te recyclen is.

De wetenschappers maken het nieuwe vitrimeer membraan door polymeren uit het natuurlijke monomeer appelzuur te persen en sinteren. Dit membraan kan worden gerecycled door het te malen en vervolgens te persen en te sinteren.

Dynamisch netwerk

Vitrimeerplastics zijn polymeren met de mechanische eigenschappen en chemische resistentie van een thermohardende kunststof. Vitrimeer-kunststoffen kunnen zich echter ook gedragen als een thermoplast, omdat ze kunnen worden gedepolymeriseerd en hergebruikt. Dit betekent dat een vitrimeer kunststof alle kwaliteiten bezit om een goed membraan te vormen voor de sanering van olielekken.

De polymeren in het vitrimeer zijn op een omkeerbare manier verknoopt’, legt Voet uit. Ze vormen een dynamisch netwerk, dat recycling van het membraan mogelijk maakt.’ De wetenschappers produceren het vitrimeer via basegekatalyseerde ringopeningspolymerisatie tussen appelzuur en epoxy-gemodificeerd appelzuur.

Poriën

Zowel water als olie verspreiden zich over het resulterende superamfibisch membraan. Bij een olieramp is veel meer water aanwezig dan olie. Het overvloedig aanwezige water bedekt het membraan en passeert  vervolgens door de poriën. Voet: ‘De waterfilm aan het oppervlak van het membraan houdt de olie uit de poriën en scheidt deze van het water.’

Het membraan is stevig genoeg om olie uit het water te filteren. Als zand en algen de poriën verstoppen, kan het membraan na verwijdering van de verontreinigingen worden gedepolymeriseerd. Daarna kan men van de bouwstenen een nieuw membraan maken. ‘We testten dit op laboratoriumschaal van enkele vierkante centimeters’, zegt Loos. ‘En we zijn ervan overtuigd dat onze methoden schaalbaar zijn. Zowel voor de polymeer-synthese als voor de productie en recycling van het membraan.’ De wetenschappers hopen dat een industriële partner de verdere ontwikkeling op zich zal nemen.

Toepassingen

Het maken van dit nieuwe membraan voor olielekkagesanering toont de kracht van samenwerking tussen een onderzoeksuniversiteit en een toegepaste universiteit. Loos: ‘Een tijdje geleden besloten we dat de polymeergroepen van de twee instituten één moesten worden. Door studenten, staf en faciliteiten te delen. We startten onlangs de eerste hybride onderzoeksgroep in Nederland. Dat maakt het makkelijker om toepassingen te vinden voor nieuw ontworpen materialen. Voet: ‘Polymeerchemici streven ernaar moleculaire structuren te koppelen aan materiaaleigenschappen en toepassingen. Ons hybride onderzoeksteam heeft de ervaring om precies dat te doen.’

Petrochem bestaat 30 jaar en daarvan ben ik alweer driekwart de hoofdredacteur. Pfff, 23 jaar is een hele tijd. In ieder geval een prima moment om herinneringen op te halen. En dan kom je erachter dat sommige interviews van de vorige eeuw nog vers in het geheugen liggen, terwijl andere, vaak veel recentere gesprekken inmiddels zijn vervaagd. Het schijnt te horen bij het ouder worden, maar dat is het niet helemaal. Het gaat ook om de impact van de gesprekken en tegelijk om de trivialiteiten, die de pagina’s van Petrochem nooit haalden.

Kerstborrel

Die trivialiteiten. Zo kan ik me een interview in 1999 met de toenmalige havenschepen van Antwerpen Leo Baron Delwaide nog goed herinneren. Samen met fotograaf Eric de Vries moesten we eerst anderhalf uur wachten op een krap bankje, waarna we slechts een half uur over hadden voor het interview en het schieten van foto’s. Dat bleek lang genoeg. Elk woord van de schepen was gewogen, geladen en precies. In accentloos voornaam Nederlands. Ik had eerder te veel stof, dan te weinig.

Maar wat is dat toch met Vlaamse politici? Ik heb er verschillenden geïnterviewd, en bij geen van hen begon het interview op tijd. Zo had ik ooit uitgebreid de tijd om een deel van de weelderige ambtswoning van voormalig Vlaams premier Kris Peeters van binnen te bekijken.

Klap op de vuurpijl was toch wel Vlaams minister Annemie Turtelboom. Na bijna twee uur wachten, kwam de vraag of de minister met mij van Brussel naar Antwerpen kon meerijden. Daar had ze een radio-interview en onderweg zou ze mijn vragen kunnen beantwoorden. Dat leek me geen goed idee, rijden en interviewen tegelijk. Bovendien geldt natuurlijk ‘safety first’. Ik stelde voor dat ik met de minister mee zou rijden en dat mijn auto door een ambtenaar zou worden nagebracht. En zo geschiedde. Een half uur later zat ik met de minister achter in haar dienst-Tesla. We hadden genoeg tijd, tijdens de spits tussen Brussel en Antwerpen. Rotterdam – Utrecht is er niks bij…

Ook het afscheidsinterview met DSM-topman Simon de Bree staat me nog bij. Off the record kreeg ik de laatste roddels uit CEO-land mee. Indertijd had Huntsman net een deel van ICI overgenomen en vooral het feit dat de familie Huntsman mormoons is, intrigeerde De Bree enorm. ‘Dat wordt een ‘kerstborrel’ zonder glühwein in Rozenburg’, fluisterde hij me toe. Wat dat betreft is Huntsman een frontrunner. Er zijn tegenwoordig nog maar weinig sites waar binnen de hekken alcohol mag worden gedronken.

Stopcontact

Memorabel zijn ook de verschillende interviews die ik had met Wouter De Geest, topman van BASF Antwerpen. Dat waren geen vragenvuren, sowieso ben ik daar niet zo van, maar welhaast filosofische gesprekken. Soms zo open dat we na afloop beiden met nieuwe inzichten ons weegs gingen.

Ook vertelde Wouter me meer dan eens dat Petrochem het enige blad is dat hij mee naar huis neemt. Vervult me toch met enige trots… En dat hij het leest, merkte ik tijdens de gesprekken die we formeel en soms informeel hadden.

Ik heb dat ook een keer bewust ingezet. Ongeveer tien jaar geleden begon ik met het schrijven van verschillende artikelen over elektrisch rijden. Ook over mijn eigen zoektocht naar een elektrische auto. Dus toen ik mijn eerste – een Opel Ampera – reed, heb ik bewust bij de receptie van het BASF-hoofdgebouw om een stopcontact gevraagd. In Nederland en helemaal in België reden toen nog maar heel weinig elektrische personenauto’s. Dus het was nog een zeldzaam dier. Pal voor de ingang stond hij te laden, toen Wouter naar beneden kwam om met mij in het bedrijfsrestaurant het interview te hebben. Hij keek naar de auto, die voor de ingang stond en niet de zijne was. ‘Zo Wim, dus dat is uw nieuwe elektrische auto’, zei hij al glimlachend.

Wouter neemt binnenkort afscheid van BASF Antwerpen. Hoewel hij nog belangrijke rollen binnen de Vlaamse industrie blijft vervullen, zal ik hem zeker missen. Maar hij hoeft op zijn beurt Petrochem natuurlijk niet te missen. We gaan er alles aan doen om het blad bij hem thuis te krijgen. Al moet ik de eerste editie in het nieuwe jaar zelf brengen, uiteraard elektrisch.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter: @wimraaijen

Net als Nederland streeft Duitsland naar klimaatneutraliteit in 2050. De consequenties hiervan worden steeds duidelijker. Beide landen moeten flink aan de slag om hun respectievelijke doelen te halen, en kunnen elkaar daarbij helpen. Experts zien vooral in de decarbonisering van industrie goede kansen.Derk MarseilleDuitsland geldt wereldwijd als pionier in de Energiewende. Toch betekent dit niet dat de Duitsers met gemak de doelstellingen van het Parijse Klimaatakkoord gaan halen. Sterker nog, het is nu al duidelijk dat de tussentijdse doelen in 2020 niet worden gehaald. Via het Europese systeem voor emissiehandel (ETS) moeten de sectoren industrie en stroom uitstoot van broeikasgassen fors terugdringen. De sectoren die niet onder het ETS-systeem vallen, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw, moeten in 2020 veertien procent van hun uitstoot reduceren ten opzichte van 2005. In 2030 moet een reductie van min 38 procent zijn gehaald.Een grote zorg voor Duitsland. Want wanneer de Europese doelstellingen voor de niet-ETS sectoren niet worden gehaald, volgt er een miljardenrekening voor de belastingbetaler. Alles wat in 2030 te veel wordt uitgestoten, moeten de landen namelijk compenseren met het kopen van emissierechten van andere EU-lidstaten. Een onvermijdelijk scenario, wanneer niet hard wordt ingegrepen.

Voldoende reden voor bondskanselier Angela Merkel om het onderwerp tot Chefsache te benoemen. Eerder dit jaar vormde ze een klimaatkabinet, een werkgroep van alle ministers die hiermee te maken hebben. Hiermee wil ze voorkomen dat het thema een speelbal wordt tussen de verschillende ministeries. De Duitse regering zag al snel dat overleg met de buurlanden noodzakelijk is. Merkel bezocht dan ook samen met het klimaatkabinet premier Mark Rutte in het Catshuis.

CCS

De buurlanden kunnen volgens experts veel van elkaar leren. Zo willen beide landen een CO2-belasting invoeren om de uitstoot te beteugelen. Maar lukt dit zonder dat je de industrie en belangrijke kiezers tegen je in het harnas jaagt? Daarom kijkt Duitsland met grote belangstelling naar de Nederlandse klimaattafels, waar de kabinetsplannen worden besproken met het bedrijfsleven en andere betrokkenen.

Begin oktober volgde in de Berlijn de algemene Duits-Nederlandse regeringsdialoog, waar ministers van beide regeringen één-op-één beleidskwesties afstemmen. Opnieuw was klimaat een belangrijk thema. Minister Eric Wiebes ondertekende met zijn Duitse collega van Economische Zaken Peter Altmaier een intentieverklaring voor nauwere samenwerking. Hierin staat onder meer dat beide landen meer windturbines op zee willen bouwen. Bovendien moeten alle afzonderlijke windparken beter op elkaar worden aangesloten. Nu zijn het nog te vaak eilandjes in de Noordzee. Ook gaan beide landen samen onderzoek doen naar mogelijkheden om de windenergie om te zetten in waterstof.

Terwijl in Berlijn koortsachtig werd nagedacht over de klimaatplannen, bereikte Nederland afgelopen zomer een akkoord. Een uniek moment dus om de Nederlandse visie te mogen presenteren, midden in het Duitse denkproces, zeggen betrokken Nederlandse ambtenaren. Dit betekent niet dat er hele paragrafen zijn overgenomen, maar wel dat enkele thema’s nu bespreekbaar zijn geworden. Een goed voorbeeld is de ondergrondse afvang en opslag van CO2 (CCS) in lege gasvelden onder de Noordzee, een mogelijk nieuw verdienmodel voor Nederland. Dit is ook terug te zien in het Duitse klimaatakkoord dat op 20 september is gepresenteerd.

Belangen

De gezamenlijke belangen zijn groot, beide landen willen graag samen optrekken in Europees verband. Toch zie je een verschil in focus, stelt Dr. Jan Frederik Braun, Strategisch Energie Analist bij het Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS). ‘Ruim 46 procent van de Duitse stroomproductie in 2019 is groen. Daar blijft Nederland achter. Aan de andere kant moet Duitsland nog heel veel doen om de uitstoot in het verkeer, en mindere mate bij gebouwen te verminderen. Voorheen werd het energiebeleid vaak slecht afgestemd. Dan wordt het snel dweilen met de kraan open, wanneer je buurland een beslissing neemt die haaks staat op jouw plannen.’

Hij noemt gas als voorbeeld van tegengestelde trends. ‘Nederland wil van het gas af, Duitsland is juist meer gaan gebruiken door het sluiten van kerncentrales.’

Sterkere positie

Een van de grote potenties waar beide landen elkaar kunnen versterken ziet Braun in Eemshaven en Rotterdam. ‘Hier kan je offshore-locaties goed verbinden met industrieclusters in Noordrijn-Westfalen. Dat biedt kansen voor waterstof, maar ook synthetisch gas, biogas en het afvangen en aanwenden van CO2.’

De energietransitie kan de Nederlandse en Duitse industrie een gigantisch nieuw verdienmodel opleveren, zegt Braun. ‘Nederland, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen vormen nu al samen het vierde grootste chemische industriecluster ter wereld. Dat betekent dat de kennis, infrastructuur en kapitaal al aanwezig is. Met de kennis die we samen opdoen in het bilaterale onderzoek kunnen frontrunner worden in de wereldwijde decarbonisatie ‘rat-race’ .’

Dat vooruitzicht is het hoe dan ook waard om in te investeren, zegt de analist. ‘Aan de ene kant zie je onzekerheid bij de toekomstige vraag naar fossiele brandstoffen. Deze onzekerheid wordt gevoed door strengere milieuwetgeving – zeker in Europa – die de fossiele industrie verder onder druk zet.’ Braun ziet in Nederland en Duitsland een goede toekomstige hub in waterstof. ‘De combinatie van offshore wind, waterstof, de bestaande gasinfrastructuur en de grote chemische sector, is veel waard.’

Samen investeren

In het intentie-akkoord dat Wiebes en Altmaier begin oktober sloten, wordt gesproken over gezamenlijk onderzoek naar de kansen van waterstof door onder meer de onderzoeksinstituten van TNO en DENA. Beide landen zien in waterstof de kans om de Energiewende verder te voltrekken. Dat is niet voor niets, zegt Braun. ‘Beide regeringen zien de mogelijkheden. Maar je moet goed kijken naar welke businesscases het meest zin hebben. Dat moet je vervolgens als buurlanden goed afstemmen. We hebben hier allebei heel veel bij te winnen. Als we dit goed doen, kunnen we er samen mee de wereldmarkt op.’

De Duits-Nederlandse Handelskamer (DNHK) in Den Haag maakt zich sterk voor meer concrete grensoverschrijdende projecten. Er zijn nu al binationale coöperaties die als voorbeeld kunnen dienen, zoals het project EnerPRO. De provincies Flevoland, Gelderland, Limburg en Oost-Brabant werken hierin samen met Noordrijn-Westfalen aan oplossingen voor een decentrale opslag van groene energie. Bovendien is het volgens de Handelskamer essentieel dat beide regeringen zich op EU-niveau voor één Europese stroomprijs inzetten, ter voorkoming van oneerlijke concurrentie.

Wat betreft de ontwikkelingen op het gebied van waterstof loopt Duitsland wederom voorop, stelt de DNHK. ‘Zowel op het gebied van waterstoftreinen als het aantal beschikbare tanksta-
tions. Joint ventures zoals H2mobility, die in 2015 door Shell, Total, Air Liquide, Daimler, Linde en OMV in het leven is geroepen en door de Duitse regering gestimuleerd wordt, kunnen ook internationaal als voorbeeld dienen.’

Projecten

Voor succes zijn dit soort zichtbare en concrete projecten nodig, zegt Braun. ‘Voor het gewone publiek is het vaak helemaal niet zo zichtbaar. In mei van dit jaar opende koning Willem-Alexander een elektrolyse-installatie van 1 megawatt. Dat is nog niks. De drie netbeheerders Gasunie, TenneT en Thyssengas werken samen om een efficiënte koppeling van de sectoren energie, industrie, mobiliteit en warmte mogelijk te maken. Hierbij plannen zij een elektrolyse installatie op industriële schaal van honderd megawatt. Dat laatste hakt er echt wel in, dat moeten we meer hebben.’  ■

European Industry & Energy Summit 2019

De European Industry & Energy Summit 2019, 10 en 11 december in Amsterdam, is een initiatief van TNO, FME en Industrielinqs (uitgever van Petrochem). Deze summit richt zich op de thema’s: energietransitie, emissievrije waterstof, chemcycling, biofuels, CCU/CCS, en veel meer. Tijdens deze summit wordt dieper ingegaan over samenwerkingen tussen de clusters in Duitsland en Nederland. Bekijk het volledige programma op: www.industryandenergy.nl 

 

 

Derk Marseille is redacteur, verslaggever en momenteel Duitsland-correspondent voor BNR.

PFAS heeft in ons land bijna alle bouwprojecten lamgelegd. PFAS is een verzamelnaam van een aantal chemische stoffen die je kunt aantreffen in een tal van producten, variërend van pannen tot kleding en van pizzadozen tot blusmiddelen. In pannen is dat teflon, dat in ons land in Dordrecht wordt gemaakt door Chemours, vroeger DuPont.

Er mag geen kubieke meter grond meer worden verplaatst waar meer PFAS inzit dan de detectiegrens. En dat is bij bijna alle grond het geval. Vandaar: geen projecten meer, alles stopgezet. Waarom? PFAS is chemie en als het woord chemie ergens voorkomt, heb je al snel de poppen aan het dansen. Omdat chemie fout is, is de maximale hoeveelheid PFAS in grond meteen maar gelijkgesteld aan de detectiegrens van 0,1 microgram per kilogram. Wat zegt dat getal? Die waarde houdt in dat er maximaal één gram PFAS in tienduizend ton grond mag zitten. Met die hoeveelheid grond kun je ruim twee olympische zwembaden vullen. Mocht dat nog niet voldoende aanspreken: er passen vier olympische zwembaden op een voetbalveld. Oftewel: een heel voetbalveld een meter diep.

Zinloze actie

Volgens het rapport ‘Poly- en PerFluor Alkylstoffen (PFAS)’ van het Expertisecentrum PFAS vindt blootstelling van de algemene bevolking aan PFAS voornamelijk plaats via drinkwater of voedsel. Dus wat is dan het probleem met de grond? Volgens hetzelfde rapport wordt er jaarlijks tussen de 60 en de 105 ton PFAS geïmporteerd uit het buitenland in de vorm van vetvrij papier. Laten we die hoeveelheid weer op de hoeveel PFAS in grond betrekken. Stel dat die hoeveelheid PFAS in de grond zit met de concentratie van de door de overheid vastgestelde norm, dan importeren we alleen al in vetvrij papier de hoeveelheid PFAS waarvoor we heel Nederland over een diepte van bijna twintig meter moeten afgraven. En dat elk jaar. Los van of je de hoogte van de norm in dit licht bezien nu wel of niet snapt, blijft de maatregel van een vervoersverbod natuurlijk zotheid ten top. Er dreigt geen gevaar en een ruimere norm die transport weer toestaat, is dan ook in de maak. Waarom dan toch deze zinloze actie waarmee de bouw op slot ging? Hoe komt het toch dat er zo wordt gereageerd?

28 voorbeelden

Volgens mij een mooi voorbeeld van de risico-regelreflex. Op een website van de rijksoverheid omschreven als de valkuil om na het bekend worden van een risico of naar aanleiding van een incident maatregelen te nemen die in wezen ondoordacht zijn. Volgens Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit, is dat de reflex om na het publiek worden van een risico maatregelen te nemen om het risico te verminderen, zonder de kosten en de baten van de maatregel bewust te wegen. Al die ingrediënten zijn hier aanwezig. Het risico van PFAS is al jaren bekend, maar is blijkbaar nu publiek geworden. De baten zouden een lager risico moeten zijn, maar de norm gaat weer omhoog. Wat de kosten betreft weet ik niet of iemand die heeft uitgerekend, maar als ik de getallen optel van de (water)bouwers in Nederland kom ik al uit op een miljard euro. Hadden de verantwoordelijke bewindslieden, hun ambtenaren en de hen controlerende Tweede Kamerleden het boek Krachten rond de risico-regelreflex beschreven en geïllustreerd in 27 voorbeelden van Helsloot c.s. maar gelezen. Dan had deze onzin niet plaatsgevonden. Afijn, de volgende editie zal nu vast 28 voorbeelden bevatten. Wat mij betreft verplichte literatuur. Het boek hoeft niet eens in loodgieterstassen mee naar huis, want het is te downloaden. Gratis. Doen dus.

 

Henk Leegwater is onafhankelijk consultant.
henk.leegwater@lexxin.com

Afgelopen jaar was het meerdere malen in het nieuws. Er waren problemen met het leveren van medicijnen. De meest bekende ‘crisis’ was het tekort aan de anticonceptiepil die door vele vrouwen in Nederland structureel wordt geslikt. Bijna al die vrouwen ondervonden de gevolgen hiervan, doordat zij (tijdelijk) over moesten op een ander type of merk van de pil.

Vertrouwen

Een tekort aan medicijnen is niet iets dat we in Nederland vaak meemaken, maar zoals afgelopen jaar bleek, niet ondenkbaar is. Deze tekorten kwamen door verschillende leveringsproblemen bij meerdere leveranciers. Dit varieerde van productieproblemen tot afgekeurde partijen. Naar verluidt zou bij één partij de herkomst van een deel van de grondstoffen niet volledig kunnen worden achterhaald, waardoor de gehele partij werd afgekeurd voor gebruik.

Dit is iets dat binnen de chemische, plasticproducerende industrie niet gebruikelijk is. Zolang het product voldoet aan de specificaties, is het geschikt voor de verkoop. Kleine sporen aan (onbekende) stoffen zijn voor deze markt meestal niet zo relevant en daar waar niet teveel aan bepaalde stoffen in het product mag zitten, bijvoorbeeld vanwege de toepassing in de voedingsindustrie, zijn normen opgenomen in de specificaties waaraan wordt getoetst. Binnen de farmacie is dat strenger. Daar zijn zelfs mogelijke sporen van stoffen ontoelaatbaar, ook als ze niet direct aantoonbaar zijn. Dat is vastgelegd in de onze nationale regels.

Die strenge regelgeving brengt ons bij een ander medicijnprobleem dat afgelopen jaar in het nieuws was: de zeer dure medicijnen. Het zal niemand verbazen dat dergelijk strenge eisen aan het product de prijs opdrijft. Echter rijst de prijs van enkele specifieke medicijnen totaal de pan uit, tot onuitlegbare hoogte. Met als gevolg dat er apothekers zijn die zelf deze medicijnen willen gaan maken. Maar het is niet zo dat iedereen met enige kennis van de chemie zelf medicijnen kan gaan maken en verkopen. Zoals eerder vermeld, dient de herkomst van de grondstoffen te worden gegarandeerd. En mogen er geen twijfels zijn over de opwerking en kwaliteit van de medicijnen. Het laten keuren van medicijnen is een zeer zwaar traject. Dit is uiteraard nodig, omdat mensen moeten kunnen vertrouwen op de middelen die zij innemen. Iedereen verwacht beter te worden van medicijnen, niet zieker, doordat er allerlei restanten oplosmiddelen, opwerkingschemicaliën of sporen van vervuiling in zitten. We kunnen in Nederland dan ook echt wel vertrouwen op onze pillen.

Verantwoordelijkheden

Anders is dat met de pillen die voor de fun worden gebruikt. Het gebruik van partydrugs op festivals en in het uitgaansleven neemt toe. Er lijkt sprake te zijn van een toename in tolerantie bij gebruikers, waardoor het gebruik als normaal wordt bestempeld. Maar hier wordt vergeten dat deze pillen niet aan dezelfde strenge eisen voldoen als de bij ons zo vertrouwde medicijnen. Er zit geen goed gereguleerde industrie met experts op het gebied van chemie achter deze pillen. Partydrugs komen uit een duister, illegaal circuit. Niet geproduceerd in fabrieken met metalen reactoren, waar de conversie tot in de puntjes wordt gecontroleerd, de achtergrond van de gebruikte chemicaliën wordt uitgezocht en het product uitvoerig wordt getoetst aan zeer strenge normen. Nee, dit komt uit kookpotten en plastic kuipen die in schuren en kelders staan opgesteld, waar roerwerken bestaan uit houten lepels en de opwerking en zuivering op zijn minst twijfelachtig te noemen is. Hier vindt geen controle plaats op restanten van ongereageerde basischemicaliën of oplosmiddelen. Van veiligheid is in die ‘schuurfabriekjes’ al helemaal geen sprake. Naar de kennis van de producent kunnen we enkel gokken en de ‘responsible care’ kennen we uit de vele dumpingen die regelmatig het nieuws halen.

Bijzonder toch dat de consument zich zo onverschillig opstelt tegenover de herkomst van de door haar genuttigde genotsmiddelen, terwijl diezelfde consument zich kritisch opstelt ten opzichte van de kwaliteit van zijn dagelijkse medicijnen. Het voelt voor mij in elk geval prettig betrokken te zijn in een industrie die wel geeft om consumentveiligheid en zorgvuldig te werk gaat. Het doet mij dan ook deugt te zien dat de chemie in dezen haar verantwoordelijkheden niet uit de weg lijkt te gaan. Ik ben benieuwd of het illegale circuit ook zoiets zou kunnen. Wat denk u?

Chris Aldewereld is ingenieur Scheikundige Technologie en werkzaam als Adviseur Industriële Veiligheid