De energietransitie vraagt om goed opgeleide jonge mensen met een brede blik. Zij staan straks in het oog van de industriële transformatie. Denk bijvoorbeeld aan Paco Rutten die zich bij ISPT onder andere bezig houdt met de elektrificatie van de industrie en circulaire grondstoffen. Tijdens de opening van het iLinqs-festival op 22 juni deelt hij zijn visie en zijn drive.

Volgens Paco Rutten gaat de industrie er in de toekomst echt anders uitzien. ‘Een belangrijk deel van de installaties worden vervangen door nieuwe veel duurzamere fabrieken. Die bijvoorbeeld elektrisch aangedreven worden.’

Professionele vaardigheden

Paco Rutten voelt sterk de uitdaging van de transitie. Hij wil daar graag ook onderdeel van zijn. ‘Door in deze sector bezig te zijn, kan ik er aan bijdragen.’

Hij neemt ook deel aan het Nationaal Energie Traineeschip. Elke vrijdag komen young professionals van verschillende werkgevers bij elkaar voor trainingen, excursies, presentaties van experts en meer. Ze worden getraind in professionele vaardigheden en ze leren vooral ook veel van elkaar.

Energiebalans

Trainee Paco Rutten leert door het netwerk ‘de complexiteit van de energietransitie respecteren. Dat gebeurt vanzelf als je elke vrijdag mensen treft die in een ander domein van de transitie werken. Denk bijvoorbeeld aan RVO of een waterschap. Zij maken ook deel uit van de totale energiebalans. Bij ISPT krijg ik een slechts een deeltje mee.’

iLinqs

Tijdens het iLinqs festival op 22 en 23 juni 2022 vieren we de industrie in de Onderzeebootloods in Rotterdam.  Het wordt tijd om de industrie in het spotlicht te zetten als stabiele, creatieve en vooral ook aantrekkelijke sector voor nieuwe generaties. Daarom nemen Industrielinqs en iTanks het initiatief om samen met verschillende andere partners, waaronder de Provincie Zuid-Holland, de VNCI en Deltalinqs het eerste Festival van de Industrie te organiseren: iLinqs.

Schrijf hier kosteloos in voor het festival.

 

TU Delft en TNO werken al jaren aan schonere productieprocessen voor de chemische industrie. Binnen het nieuwe samenwerkingsverband e-Chem willen ze grootschalige elektrolyse-installaties bouwen die CO2 uit de lucht omzetten in drie basisbouwblokken voor de chemische industrie: methanol, etheen en kerosine.

In 2050 zouden we volgens het in 2015 gesloten Klimaatakkoord van Parijs een CO2-neutrale samenleving moeten hebben. Dat halen we niet zonder een ingrijpende verandering van de chemische industrie. Eén van de opties is om CO2 uit de lucht te halen en met duurzaam opgewekte elektriciteit om te zetten in grondstoffen voor de productie van onder andere plastics en brandstoffen. Om deze ontwikkeling te versnellen, slaan e-Refinery (TU Delft) en VoltaChem (TNO) de handen ineen binnen het programma e-Chem.

De TU Delft heeft binnen e-Refinery ervaring opgedaan met fundamenteel en toegepast onderzoek naar materialen, processen en reactoren op alle lengteschalen, van het atomaire niveau tot aan de reactorschaal. TNO heeft uitgebreide ervaring met het testen in de praktijk en onderwerpen als levenscyclusanalyse en business modellen. Door die kennis en kunde aan elkaar te knopen, willen beide partijen binnen een paar jaar komen tot demonstratieopstellingen. Deze moeten de industrie er vervolgens van overtuigen om in de technologie te investeren.

Meest kansrijke routes

De onderzoeksagenda richt zich op de meest kansrijke routes naar succes. Martijn de Graaff (Voltachem): ‘Het is bijvoorbeeld een bewuste keuze om als grondstof CO2 uit de lucht te gebruiken. Omdat fabrieken nu al bezig zijn om het CO2-gehalte van hun rookgassen te verlagen, voorzien wij dat die bron van CO2 in de toekomst langzaam zal opdrogen.’

Ook de keuze voor de producten methanol, etheen en kerosine is geen toevallige. ‘Etheen en methanol hebben heel veel toepassingsmogelijkheden, variërend van plastics tot pillen. Ook bij brandstoffen hebben we gekeken waar de meest veelbelovende business case zit. Voor personenvervoer zijn er vergevorderde opties om over te stappen op batterijen of op waterstof. Maar voor de luchtvaart blijft kerosine waarschijnlijk nog lang onvervangbaar. Een schoner productieproces is daar dus ook zeer gewild.’

Een forse en tijdige uitbreiding van de infrastructuur is essentieel voor een betaalbare en haalbare energietransitie. Dat staat in het rapport Cluster Energie Strategie (CES) van het zogenoemde Cluster 6, industriële bedrijven die buiten de vijf grote industriegebieden vallen. 

Netbeheerders en provincies ook hun blik richten op bedrijven uit Cluster 6, stellen negen industriële sectoren. Het rapport dat afgelopen week is aangeboden aan minister Rob Jetten, stelt dat bedrijven graag verder willen verduurzamen. De huidige randvoorwaarden sluiten echter onvoldoende aan op de ambities van de bedrijven. Zo is een forse en tijdige uitbreiding van de benodigde infrastructuur essentieel om een betaalbare en haalbare energietransitie te realiseren. Bedrijven buiten de grote vijf industrieclusters hebben toegang nodig tot nieuwe duurzame energie-infrastructuur die is berekend op grote opgaven zoals elektrificatie. Veel mogelijke oplossingen liggen op regionaal of provinciaal niveau. Dilemma’s rondom de infrastructuur zijn onder andere de vergunningsprocedures en de afweging en bepaling van welk verzoek van een bedrijf wanneer wordt uitgevoerd. Bijvoorbeeld voor een verzwaring van de aansluiting op het elektriciteitsnet.

Competitief

Met deze CES gaat Cluster 6 in gesprek met provincies en netbeheerders om de uitvoering gezamenlijk vorm te geven. Alleen zo kunnen bedrijven hun innovatiekracht ten volle benutten voor de energietransitie. Dan is de doelstelling van -55% CO2-uitstoot in 2030 haalbaar en blijven bedrijven competitief.

Negen sectoren

Het rapport geeft  beeld van de behoeften en zwakken plekken die er zijn in de energie-infrastructuur. ). De Cluster Energie Strategie is opgesteld met inbreng van alle negen sectoren die deel uitmaken van Cluster 6. Adviesberdijf Water & Energy Solutions heeft de benodigde data verzameld bij circa 150 productielocaties en verwerkt. De negen sectoren zijn: FNLI (voedingsmiddelenindustrie), FME en Metaal Nederland (metaalindustrie),  KNB (keramische industrie),  NLDigital (ICT), Nogepa (olie en gas), VA (afval en recycling), VNCI (chemie),  VNG (glas) en VNP (karton en papier).

Opgetogen is hij zeker, helemaal nu de omgevings­vergunning binnen is. John McNally mag als CEO van Project One de komende jaren de veelbesproken ethaankraker van Ineos bouwen in de Antwerpse haven. Een miljardeninvestering die de Europese chemie qua omvang in decennia niet heeft gezien. Alle kritiek ten spijt wordt die significant schoner dan welke Europese kraker ook. McNally: ‘Wachten we op de ultieme auto, of willen we nu al vooruit?’

John McNally deelt een grafiek, want beelden zeggen vaak meer dan woorden. Bovenin een grillige lijn met in de huidige maanden enorme pieken. Het is de gasprijs in Europa. ‘Kijk nu naar die grijze lijn onderin’, verzoekt hij. ‘Die is stabiel en laag. Dat is de prijs van aardgas in de Verenigde Staten.’

Dat de prijs van ethaan gekoppeld is aan die van aardgas, hoeft dus geen probleem te zijn voor de ethaankraker van Ineos die straks in de Antwerpse haven verrijst, impliceert de project­directeur. ‘Ook niet als de gasprijzen in Europa hoog blijven. We kunnen ethaan overal vandaan halen. Uit de gaswinning in de Noordzee, uit Noorwegen, maar zeker ook uit de Verenigde Staten. Nu al importeren we veel ethaan uit de VS naar fabrieken in Schotland in Noorwegen. Dat wordt straks alleen maar meer.’

Een derde

Ethaan is een bijproduct van de aardgaswinning en werd vroeger als “nutteloos gas” afgefakkeld. Alleen methaan telde. McNally: ‘Gelukkig zijn we erachter gekomen dat ook ethaan een waardevol product is.’ Bijvoorbeeld als grondstof van etheen, ofwel ethyleen, misschien wel de belangrijkste bouwsteen in de chemie. Als gevolg van de schaliegasrevolutie zijn al verschillende ethaankrakers gebouwd in de Verenigde Staten. In Europa zijn enkele krakers inmiddels zo aangepast dat ze onder andere ook ethaan als grondstof kunnen inzetten, zoals de aangepaste kraker van Total in Antwerpen. Maar een speciaal ontworpen ethaankraker was er nog niet. En daar brengt Ineos de komende jaren dus verandering in. De nieuwe kraker moet in 2026 in gebruik zijn.

John McNally (Ineos): ‘We stoten straks slechts een derde uit van wat nu gemiddeld is bij Europese krakers.’

Traditioneel draaien krakers vooral op nafta, één van de producten uit een aard­olieraffinaderij. De productie van ethyleen uit ethaan is veel directer. Simpel gezegd ontstaat er uit iedere molecuul ethaan een molecuul ethyleen (C2H4) en een molecuul waterstofgas (H2). Bijkomend voordeel is dat de waterstof, die in grotere hoeveelheden vrijkomt dan bij het kraken van nafta, als brandstof kan fungeren. Daar heeft Ineos ook voor gekozen. McNally: ‘Met de waterstof kunnen we meteen al zestig procent van het aardgas vervangen dat we normaal nodig zouden hebben. Omdat we consistent hebben gekozen voor de best beschikbare technieken van vandaag, stoot de kraker straks 58 procent minder CO2 uit dan de tien procent schoonste concurrerende installaties in Europa. En het verschil met een doorsnee kraker is nog veel groter. We stoten straks slechts een derde uit van wat nu gemiddeld is bij Europese krakers.’

Groene waterstof

Het is zelfs goed mogelijk dat de kraker tegen 2036 zelfs helemaal CO2-neutraal is. ‘De kraker is zo ingericht dat deze volledig op waterstof als brandstof kan draaien. Als straks veel meer groene waterstof beschikbaar komt in Antwerpen, kunnen we uiteindelijk ook de overige veertig procent vervangen.’

McNally schat in dat het na ingebruikname van de kraker in 2026 het een decennium kan duren voordat er voldoende betaalbare groene waterstof beschikbaar is. ‘Echt goed inschatten kan ik dat natuurlijk niet. Het zou zo maar heel snel kunnen gaan met waterstof. Wellicht dat blauwe waterstof, waarbij de CO2 wordt afgevangen en opgeslagen, ook een rol kan spelen. Import uit landen waar relatief goedkoop waterstof kan worden geproduceerd, sluit ik ook niet uit.’

ineos

Voor zichzelf ziet Ineos ook mogelijkheden voor de productie van groene waterstof. Expertise op het gebied van elektrolyse, de kerntechnolgie hiervoor, is volop aanwezig. Zo is dochterbedrijf Inovyn met diens chloorproductie een belangrijke industriële operator in elektrolyse in Europa.

Een paar maanden geleden kondigde CEO Jim Ratcliffe aan dat het chemieconcern de komende jaren twee miljard euro investeert in de productie van groene waterstof. De eerste fabrieken wil Ineos de komende tien jaar bouwen in Noorwegen, Duitsland en België, terwijl ook investeringen zijn gepland in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Een eerste project in België, waarvoorhet bedrijf samenwerkt met een consortium van zes partners, is het power-to-methanol­project voor de productie van groene methanol.

Suikerbieten

Veel aanstekelijke ambities dus. Toch heeft Ineos de nodige kritiek over zich heen gekregen na de aankondiging van de enorme investeringen in de Antwerpse haven. ‘Het is heel belangrijk om de keuzes uit te leggen. Natuurlijk zijn er altijd mensen die kritisch blijven. Maar we hebben veel energie gestoken in communicatie. We laten zien dat de investeringen gezond zijn voor de regionale economie. Het vernieuwt het petrochemische cluster in Antwerpen en levert veel werkgelegenheid op. Met Project One brengen we ongeziene vernieuwing in de petrochemische cluster in Antwerpen na een periode van stilstand. Het is 25 jaar geleden dat Europa nog een dergelijke investering kon aantrekken. Elders in de wereld zoals in China, de VS en het Midden-Oosten wordt massaal geïnvesteerd in soortgelijke nieuwe installaties. Willen we onze industrie ‘offshoren’ en afhankelijk worden van import uit regio’s waarvan we de milieuvoorschriften zelf niet in de hand hebben? Vergeet niet dat de vergunningsprocedure in Vlaanderen strenger is dan waar dan ook. Daar hebben we het onszelf misschien niet gemakkelijker mee gemaakt. Maar we wisten dat we met hoge standaards te maken kregen. Our eyes were wide open.’

‘Onze ethaankraker zal eerder in de verre toekomst als laatste overblijven, the last one standing.’

Veel aandacht ging naar het beantwoorden van vragen. Waarom bijvoorbeeld in deze tijd nog een kraker bouwen met fossiele bronnen als grondstof? Het antwoord van McNally is dat er op korte en middellange termijn nog geen betere alternatieven zijn. ‘We kunnen natuurlijk de ultieme auto willen, maar blijven we daar nog decennia op wachten of willen we nu al klimaatwinst boeken door de best mogelijke technologie van vandaag in te zetten? Natuurlijk zijn bijvoorbeeld biogrondstoffen interessant. Zo is het jammer dat bio-ethaan nog niet bestaat. Productie van ethyleen via bio-ethanol is zeker een interessante route. Maar met de volumes van deze kraker is dat niet realistisch. Suikerbieten vormen wellicht de beste bron voor bio-ethanol. Maar toch geen serieuze optie voor grootschalige chemie. Voor de productievolumes van de nieuwe kraker, zou je al de volledige agrarische oppervlakte van Vlaanderen nodig hebben voor de suikerbieten.’

Elektrisch aangedreven

Met meer dan gemiddelde aandacht volgt McNally de ontwikkelingen op het gebied van circulaire grondstoffen en bijvoorbeeld elektrificatie. Veel grote chemiebedrijven onderzoeken de mogelijkheden van elektrische fornuizen. Vandaag zijn industrieel schaalbare elektrische krakers nog verre toekomstmuziek, stelt McNally. ‘Ze veronderstellen bovendien gigantische hoeveelheden beschikbare energie. Maar zijn elektrische fornuizen in de toekomst wel realiseerbaar, dan sluit ik niet uit dat Ineos daar bij eventuele vervolginvesteringen serieus naar kijkt.’

ineos

John McNally van Ineos – Copyright Bart Dewaele

Hij benadrukt dat Ineos nu de meest realistische stap zet. Eentje die voor het klimaat een enorme stap voorwaarts is en ook verschillende mogelijkheden biedt voor vervolgacties. Niet alleen op het gebied van waterstof, maar ook op andere vlakken. Zo zullen veel onderdelen, denk aan pompen en afsluiters, elektrisch aangedreven zijn. Dat alleen biedt kansen voor vergroening.

Last one standing

Ineos zet breder in op elektrificatie, in combinatie met duurzaam opgewekte stroom. ‘Alle extern betrokken stroom voor Project One zal afkomstig zijn van offshore windparken.’ Begin januari sloot het chemiebedrijf nog een overeenkomst met energiebedrijf Eneco. De komende tien jaar neemt Ineos 250 gigawattuur stroom af van het grootste Belgische offshore windpark Seamade in de Noordzee. De hernieuwbare energie is bestemd voor Belgische en Duitse vestigingen van Ineos. Dit is overigens het derde contract voor windenergie op rij dat Ineos aangaat. In combinatie met eerder overeenkomsten komt de afname van Belgische offshore windparken in totaal op 750 gigawattuur per jaar.

Dat de komende decennia krakers verdwijnen, is volgens de projectdirecteur zeker niet uitgesloten. Maar de kraker van Ineos zal daar hoogstwaarschijnlijk niet bij zijn. ‘Onze ethaankraker zal eerder in de verre toekomst als laatste overblijven, the last one standing.’

Vlaggenschip

Aan vertrouwen dus geen gebrek. Vertrouwen dat continu wordt gevoed, bijvoorbeeld door grote ingenieursbureaus. Ineos zit momenteel in de afrondende fase van de selectie voor de EPC-contractor. ‘De bedrijven die daarvoor in aanmerking komen, zijn natuurlijk wel bekend. Maar nog meer dan normaal doen ze hun best om hier bij te zijn. Het is een uniek project met een investering van ruim drie miljard euro. Helemaal voor Europa. Een vlaggenschip.’

Vier de industrie! Het wordt tijd dat we de industrie niet alleen vereenzelvigen met het negatieve deel. We kennen het beeld wel, de industrie veroorzaakt veel problemen. Op het gebied van veiligheid, milieu en klimaat bijvoorbeeld. Het is natuurlijk waar. Industriële productie heeft grote nadelen. Als we ons daar niet bewust van zijn, dan zijn de risico’s enorm. Levensbedreigend zelfs.

Tegelijkertijd kan de industrie juist onderdeel zijn van de oplossingen. Ook op dat vlak zijn de grote lijnen wel bekend. Zonder composieten zijn de moderne windmolens niet mogelijk en kunnen onze auto’s nauwelijks lichter en dus zuiniger worden. In de transitie naar schonere energiedragers en grondstoffen speelt de industrie een cruciale rol. En de industrie levert ons medicijnen, voeding, beschermingsmiddelen en ga zo maar door.

Echter, onbekend maakt onbemind. De samenleving lijkt het beeld van de vieze en gevaarlijke industrie te koesteren. Tegelijkertijd hebben veel industriële bedrijven en hun medewerkers moeite om uit hun schulp te kruipen. Misschien doordat ze zich in het defensief gedwongen voelen. Maar zeker ook onder druk van juristen en aandeelhoudersbelangen. Een negatieve status quo zo lijkt het.

Hoopgevend

Dat is jammer. Want er zijn veel mooie verhalen te vertellen over de industrie. Jaar na jaar treffen wij slimme en gedreven mensen in de industrie, bijvoorbeeld voor onze verkiezingen van de Plant Manager of the Year en de Techniekheld. Ze zijn zich terdege bewust van de risico’s, maar ook de kansen van hun vak en industriële omgeving. En ze eisen een rol op in de verbetering van de industrie. Ook zijn er voldoende interessante innovaties. Als redactie moeten we echter ons best doen om een deel van die vernieuwingen boven water te tillen. Alsof de meeste industriële bedrijven niet trots durven te zijn.

Blijkbaar niet genoeg allemaal. Al voor de coronapandemie rees daarom bij ons en enkele partners het idee om meer schijnwerpers op de industrie te zetten. Op de uitdagingen, maar ook de oplossingen. En niet alleen vergezichten, maar vooral de stappen die nu al worden gezet. Eerlijk, open en waar kan hoopgevend.

HYTE

De afgelopen tijd is daarom het idee van een industriefestival geboren. Dat idee begint concrete vormen aan te nemen. Sterker nog, we hebben een datum en een tijd. Samen met founding partner iTanks en – hopelijk veel – andere partners willen we op 22 en 23 juni in de RDM Onderzeebootloods de industrie vieren. Schrijf dus in je agenda: iLinqs, festival van de industrie.

Een festival met innovaties, pitches en demonstraties. Zeker met bekende elementen, bijvoorbeeld van onze congressen Watervisie en Deltavisie. En de verkiezing van de Plant Manager of the Year bijvoorbeeld. Maar ook veel nieuwe side-events over de druk op de technische arbeidsmarkt, de mogelijkheden van digitalisering, ideeën van young professionals en uiteraard thema’s als veiligheid en transitie.

Om het allemaal nog intensiever te maken; een week later ga ik met drie young professionals op pad voor de Hydrogen Trail Europe, ofwel HYTE, van 27 juni tot 8 juli. Via vlogs, blogs, artikelen en een documentaire willen we laten zien waar de industrie in Europa mee bezig is. Dan wel specifiek op het gebied van transitie en met name waterstof. Ook weer op een eerlijke en hopelijk inspirerende manier.

Meer informatie over beide initiatieven volgt de komende weken en maanden. In onze beide magazines Petrochem en Industrielinqs, op onze sites en zeker ook op social media. Volg de pagina’s van Industrielinqs, Petrochem platform en Hydrogen Trail Europe op LinkedIn! Wil je met je bedrijf of organisatie actief deel uitmaken van onze initiatieven, neem gerust contact met me op. Laten we komend jaar vooral met ons allen de industrie vieren.

Reageren? wim@industrielinqs.nl

Industrielinqs pers en platform levert als kennispartner voor de industrie een bijdrage aan een duurzame industrie. Dat doen we het hele jaar door met journalistieke producties en bijeenkomsten, zoals onze magazines Industrielinqs en Petrochem, verschillende nieuwssites, online talkshows, congressen, films en natuurlijk via social media.

Eén maal per jaar maken we de Industrielinqs Catalogus. Dit naslagwerk biedt al jaren een compleet overzicht van honderden leveranciers, opleiders, kennispartners en dienstverleners. Ook voor 2022 is dit complete naslagwerk uw gids voor de industriële delta.

We geven u bovendien een journalistieke blik op de toekomst dankzij een aantal artikelen over in het oog springende industriële trends. U leest onder meer:

  • Op de valreep van 2021 werd duidelijk dat de industrie een nog prominentere rol krijgt in de transitie naar een CO2-emissieloos energiesysteem. Daarmee lijken veel projecten die al in de steigers stonden, nu definitief op hun plaats te vallen. Tel daarbij absurd hoge gas- en CO2-prijzen op en het mag duidelijk zijn dat 2022 een scharnierpunt wordt voor de energietransitie.
  • Het is haast cynisch. De sectoren die tijdens corona-lockdowns als cruciaal worden gezien, kampen het meest met personeelstekorten. Denk aan de zorg, het onderwijs, maar niet te vergeten ook de industrie. Al decennialang klaagt de industrie over een dreigende krapte op de technische arbeidsmarkt. Vaak boden automatisering en efficiëntieslagen de nodige verlichting. Zal dat nu ook voldoende zijn?
  • Voor velen is het niet de vraag of er autonome fabrieken komen, maar meer wanneer. De technische vooruitgang gaat zo snel, dat steeds meer werk uit handen wordt genomen door digitale systemen. Zes trends maken de autonome fabriek mogelijk en het grootste deel is al begonnen.

Dit en meer vindt u in de Industrielinqs Catalogus 2022. Lees nu alvast digitaal!

Het investeringsprogramma op het gebied van waterstof dat Ineos voor ogen heeft, behelst een aantal belangrijke projecten in Europa. Met de ontwikkeling van duurzaam methanol in Antwerpen tot duurzaam ammoniak in Keulen en een giga-waterstof­project in de EU, worden serieuze stappen gezet om de waterstofeconomie in 2030 realiteit te maken.

In oktober kondigde Ineos aan dat het plannen heeft om twee miljard euro te investeren in duurzame waterstofprojecten in Europa. Dat ligt volgens Wouter Bleukx, business manager Hydrogen van Inovyn, helemaal in de lijn van de bedrijfsstrategie. ‘Voor Ineos is het een logische stap om in te zetten op groene waterstof. In november 2020 is specifiek voor de ontwikkeling van deze projecten de businessunit Hydrogen binnen Inovyn opgericht.’ Inovyn is het bedrijfsonderdeel dat zich voornamelijk bezig houdt met de productie van PVC (polyvinyl chloride). ‘Voor de productie van PVC hebben we chloor nodig dat wordt geproduceerd door pekelwater te elektrolyseren. Naast chloor en natriumloog is waterstof een co-product van deze chloor-alkali business. We zijn in Europa de grootste operator van elektrolyzers. De technologie om water te elektrolyseren tot waterstof en zuurstof is vergelijkbaar met de elektrolyse-processen die we al opereren. Daar hebben we al ruim honderd jaar ervaring in. Bovendien ontwikkelen, produceren en verkopen we ook elektrolyzers aan derden.’

Dankzij deze ervaring is Inovyn volgens Bleukx bij uitstek de partij, die de ambitie van Ineos om groene waterstof te produceren, kan realiseren.

Groene waterstof

Ineos produceert jaarlijks zo’n 400.000 ton waterstof, als co-product van ethaankrakers, als co-product van zout-elektrolyse of door middel van steam reforming. Alleen door groene stroom te gebruiken voor de elektrolyse, wordt de waterstofstroom gezien als ‘groen’. Maar de kleurstellingen zijn volgens Bleukx niet helemaal correct. ‘De waterstof die we verkrijgen als bijproduct kunnen we eigenlijk niet aanduiden met een kleur zoals groen, blauw of grijs. Want het is een co-product, dat sowieso vrijkomt bij onze processen en dat we nog efficiënter gaan inzetten om onze processen te verduurzamen.’ Het is echter belangrijk on the weten dat dit co-product een lage CO2-voetafdruk heeft. Voor het waterstof dat via steam reforming wordt gemaakt onderzoekt het bedrijf mogelijkheden om CO2 af te vangen en op te slaan, zodat de CO2-uitstoot wordt beperkt.

Wouter Bleukx (Inovyn): ‘We zien de verschillende plannen als een leercurve.’

Eigen processen vergroenen

De twee miljard euro worden de komende tien jaar geïnvesteerd in waterstofprojecten in de verschillende chemische clusters in België, Duitsland, Noorwegen, Frankrijk, Engeland, Zweden en Spanje. Om de weg te effenen voor de nieuwe projecten krijgt de huidige productie van waterstof – die ontstaat als bijproduct van de normale processen – direct extra aandacht. ‘Tegelijkertijd ontwikkelen we nieuwe, groene waterstofprojecten’, aldus Bleukx. ‘Het waterstof dat we al hebben als co-product moet worden gedroogd en gecomprimeerd en dan kan het worden gebruikt in verschillende toepassingen.’ Dat zal in eerste instantie zijn om de eigen processen te vergroenen. Daarnaast wordt het ingezet om de CO2-uitstoot van de eigen transportmiddelen te verminderen. ‘We laten onze vrachtwagens waarmee we producten naar klanten vervoeren op waterstof rijden.’ Tot slot wordt het ook verkocht aan derden als transportbrandstof of, op langere termijn, in de voorziening van warmte en elektriciteit.

Verenigd Koninkrijk

Een van de eerste projecten, die passen in het investeringsprogramma, wordt ontwikkeld in het Verenigd Koninkrijk. Op haar site in Chester produceert Inovyn momenteel jaarlijks 7000 ton waterstof als bijproduct van de chloor en natronloogproductie. Inovyn investeert daar tientallen miljoenen euro’s in een plant die het waterstof geschikt maakt als brandstof voor de locale transportsector. Er worden installaties gebouwd om het waterstof te drogen en te comprimeren. In 2023 wordt het eerste waterstof geleverd aan tankstations in het Verenigd Koninkrijk. Ook onderzoekt Inovyn de uitbreiding met een water-elektrolyzer om de productie te verhogen. De huidige waterstofproductie op deze site zou voldoende zijn om duizend bussen of tweeduizend vrachtauto’s te laten rijden. Tegelijkertijd is Ineos in dit industriële cluster betrokken bij het consortium HyNet. In dit consortium wordt de gehele waterstofketen ontwikkeld, van productie tot infrastructuur, eindgebruikers en opslag. In oktober gaf de Britse overheid zijn fiat aan plannen om waterstof op te slaan in negentien nabijgelegen zoutmijnen. Oorspronkelijk was het plan om deze voor de opslag van aardgas te gebruiken, maar mits technische aanpassingen worden doorgevoerd, kan er waterstof in worden opgeslagen.

 

Power-to-methanol

In 2022 neemt het chemiebedrijf een definitief investeringsbesluit voor de plannen in België en Noorwegen. In Antwerpen werkt Inovyn samen met zes andere partners (Engie, Fluxys, OilTanking, PMV, Indaver en het Havenbedrijf van Antwerpen) om duurzame methanol te produceren. Als grondstof wordt afgevangen CO2 gebruikt. Waterstof wordt gegenereerd door een nieuw te bouwen elektrolyzer van vijf megawatt. De elektriciteit die nodig is voor de elektrolyzer zal afkomstig zijn van zonne- en windenergie. Als besloten wordt om door te gaan met dit project, kan de installatie in 2024 in gebruik worden genomen. De demonstratiefabriek is in de race voor een bijdrage uit het IPCEI-fonds. Deze Europese subsidiepot ‘Important Projects of Common European Interest’, heeft tot doel om projecten te ondersteunen die een zeer belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de economische groei, werkgelegenheid en concurrentiekracht van de Europese industrie en economie.

Groene waterstof in Noorwegen

Op de Rafnes-site in Noorwegen heeft Inovyn plannen voor een twintig megawatt elektrolyzer die ‘first-intent hydrogen’ zal produceren – kortom geen bijproduct van chloorproductie. ‘Hier gaat het automatisch om groene waterstof, de benodigde energie is in Noorwegen afkomstig van waterkracht. Wat mensen vaak vergeten is dat er behalve waterstof ook groene zuurstof wordt geproduceerd. Bij iedere ton waterstof die we produceren, ontstaat acht ton zuurstof. Zowel het waterstof als het zuurstof gebruiken we zowat volledig op de site om onze processen te vergroenen. Een klein deel kunnen we leveren aan de vervoerssector in Noorwegen.’

Duurzaam ammoniak in Keulen

In 2023 wordt besloten of de plannen op de Duitse site in Keulen worden gerealiseerd. Daar wil Ineos een elektrolyzer van honderd megawatt bouwen, als basis voor de productie van duurzaam ammoniak. ‘We zien de verschillende plannen ook als een leercurve. In Antwerpen beginnen we met een demonstratie-elektrolyzer van vijf megawatt, in Noorwegen schalen we op tot twintig en in Duitsland tot honderd megawatt.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Ineos

(c) Oliver Brenneisen / INEOS Koeln

Het bedrijf ziet een toekomst voor ammoniak in de toepassing als transportbrandstof, met name voor de scheepvaart. Naar het gebruik van ammoniak in een brandstofcel doen diverse partijen momenteel onderzoek. Later wordt op deze site gekeken naar de mogelijkheid om hier ook groene methanol te produceren. Het bedrijf is in overleg met verschillende partijen voor wat betreft de levering van (groene) elektriciteit. Ook het project in Keulen zou in aanmerking kunnen komen voor een IPCEI-bijdrage.

Giga-waterstofproject

Tot slot vertelt Bleukx dat Ineos naast de genoemde projecten als onderdeel van het investeringsprogramma ook plannen heeft voor een ‘giga-waterstofproject’ ergens in Europa. Bleukx tekent wel aan dat waterstofprojecten ‘verschrikkelijk duur’ zijn. De investeringen die de onderneming heeft gepland, zijn dan ook voor een deel afhankelijk van overheidsbijdragen en subsidies. ‘Om economisch rendabel te worden, hebben we opschaalervaring nodig en moeten de kosten dalen. Dat geldt voor alle innovatieve sectoren. Denk maar aan de windenergiesector. De eerste windmolens hadden een vermogen van nog geen honderd kilowatt en waren zo’n 75 meter hoog. Huidige offshore-modellen zijn bijna net zo hoog als de Eiffeltoren en hebben een vermogen van meer dan tien megawatt. Om deze groei mogelijk te maken voor waterstof moeten we niet alleen investeren in de productie, maar ook in infrastructuur, pijpleidingen en tankstations. Daarom hebben we de overheid nodig.’

Wouter Bleukx (Inovyn): ‘We kijken naar alle ontwikkelingen, voor mij is er niet één specifieke weg.’

Bleukx ziet dat sommige landen voor lopen op anderen. ‘Duitsland bijvoorbeeld engageert zich duidelijk als groen-waterstofland.’ De Duitse overheid heeft aangegeven negen miljard te investeren in waterstofprojecten en heeft ook al talloze waterstof tankstations in gebruik genomen. In het Verenigd Koninkrijk zijn dat er slechts een handvol. ‘Er is ook veel aandacht voor waterstof vanuit landen die een sterke mix van renewables hebben. Zoals Spanje, het Midden-Oosten, Chili en een aantal Noord-Afrikaanse landen, waar veel zonne- en windenergie capaciteit is.’

Eerst de chemie

Bleukx denkt dat waterstof een belangrijke rol in de transitie naar een duurzame maatschappij heeft. ‘In de eerste plaats denk ik dat waterstof moet worden ingezet in de chemie. Maak er moleculen van, zoals ammoniak of methanol. En gebruik het duurzaam geproduceerde waterstof voor het vergroenen van de processen. Daarnaast denk ik dat waterstof een toekomst heeft als transportbrandstof voor het zwaardere transport. Als transportbrandstof is waterstof zeer geschikt voor zwaardere voertuigen, zoals vrachtauto’s, bussen en bouwmaterieel zoals graafmachines. Het is slim om deze uit te rusten met een fuel cell voor waterstof in plaats van een batterij zoals in een elektrische auto. Voor deze voertuigen zou een batterij te zwaar zijn of te veel ruimte innemen. Ineos ontwikkelt overigens samen met Hyundai een fuel cell voor de intern ontworpen 4×4 auto Grenadier.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Ineos

(c) Oliver Brenneisen / INEOS Koeln

Uiteindelijk kan waterstof aardgas vervangen in de energievoorziening, maar daarvoor moeten de kosten sterk dalen. Tot slot ziet Bleukx een rol voor waterstof als chemische batterij. ‘Als er voldoende renewables zijn, kan opgeslagen waterstof dienen als buffer. We kunnen dat direct opslaan in zoutmijnen, zoals we dat in Chester gaan doen. Maar het kan ook eerst omgezet in ammoniak, dan is de opslag makkelijker.’ Er wordt onderzoek gedaan naar andere carriers om waterstof stabiel te bewaren.

Waterstofeconomie

Het chemiebedrijf wil graag koploper zijn op het gebied van waterstof. Daarvoor denkt Bleukx dat het nodig is dat er vanuit verschillende invalshoeken naar de mogelijkheden en moeilijkheden wordt gekeken. ‘Zeker interessant is bijvoorbeeld de ontwikkeling van offshore waterstofprojecten en het investeren in voldoende elektrificatie. Maar we kijken naar alle ontwikkelingen, voor mij is er niet één specifieke weg. Wij produceren waterstof vanuit de chemie en bekijken de ontwikkelingen vanuit een chemisch perspectief. Ik denk dat we door verstandige en gedreven mensen met verschillende achtergronden bij elkaar te zetten, tegen 2030 een waterstofeconomie kunnen realiseren.’

Er lijkt een omgekeerd evenredige relatie te bestaan tussen de aandacht voor kansen voor waterstof per toepassingsgebied en de aandacht die het gas krijgt. Het gas heeft in de industrie al decennialang een haast ongezien bestaan. Producenten als Air Liquide, Air Products en Linde produceren en distribueren al jarenlang waterstof in de industrie. Een markt die alleen maar groeit.

In de procesindustrie is op dit moment veel vraag naar waterstof, bijvoorbeeld voor de ontzwaveling van brandstoffen en de productie van kunstmest. Ook voor nieuwe ontwikkelingen is straks waterstof nodig. Denk aan de chemische recycling van afvalplastics. Hydrogeneren lijkt de aangewezen route om bijvoorbeeld chloor en fosfor uit de stromen te halen.

Maar nu waterstof een potentiële energiedrager is, neemt de aandacht enorm toe. Om het grote publiek voor waterstof te winnen, wordt het in campagnes en documentaires vooral aaibaar gemaakt. En wat brengt het dichter bij de burger dan het te framen als schone brandstof. Rijden en koken op waterstof, daar kunnen de meeste mensen zich wat bij voorstellen. Het zijn toepassingen die echter het langst op zich laten wachten.

Gelukkig is er bij het aanleggen van een basisinfrastructuur voor waterstof voldoende realisme op dit vlak. De volle dochter van Gasunie, Hynetwork Services, die hier verantwoordelijk voor is, begint bij het logische begin. In het hoofdinterview legt de verantwoordelijke programmamanager Eddie Lycklama à Nijeholt dat helder uit. ‘Eerst onderzoeken we binnen grote industriële clusters zelf hoe we vraag en aanbod van waterstof aan elkaar kunnen koppelen. Als de een te veel heeft, dan brengen we dat bij een ander die juist waterstof kan gebruiken.’ Verschillende clusters werken al aan een regionale infrastructuur.

Tricky

De volgende stap is om dat ook landelijk te gaan doen. De aanleg van de zogenoemde backbone, de ruggengraat van het toekomstige waterstofnet. Lycklama à Nijeholt: ‘Dat betekent dat we ons gaan richten op het verbinden van de vijf grote indus­triële clusters.’ Daarbij gaat het om de Rijnmond, de IJmond, het gebied van North Sea Port (Zeeland en Gent), de Eemsdelta en Chemelot.

First things first. Daarna zijn transport en de bebouwde omgeving nog steeds niet aan de beurt. Bij het verbinden van de vijf clusters komt ook wat Lycklama à Nijeholt het zesde cluster noemt in beeld. ‘Dat zijn alle industrieën samen die niet in één van de vijf clusters liggen. Liggen de fabrieken toevallig op de route van de backbone, dan is een aansluiting relatief eenvoudig te realiseren. Het meest tricky is de afstand tot het hoofdnetwerk.’

Handen vol

Daarna komt transport mogelijk om de hoek kijken, en dan vooral zwaar transport. In personenverkeer heeft de batterijenauto al een aardige voorsprong opgebouwd. Dat ligt misschien anders bij zwaar vrachttransport over de weg, via het water en de lucht. Batterijen nemen veel gewicht en ruimte in, wat ten koste gaat van de lading. Het zal nog wel een tijdje duren voordat vrachtauto’s, boten en vliegtuigen massaal op waterstof lopen.

Dan de bebouwde omgeving. Of dat überhaupt nog een serieuze stap wordt, is maar zeer de vraag. Aardgas is sowieso niet op korte en middellange termijn weg te denken. Als vervanging, met name in nieuwe woonwijken, wordt stevig ingezet op elektrificatie, warmtepompen en ook biogas. In oudere woonwijken lijkt betere isolatie vooralsnog het meeste op te leveren.

Lycklama à Nijeholt geeft ook nog de optie van het bijmengen van waterstof in het huidige aardgasnet. Maar is dat echt een interessante oplossing? De aardgasprijs ligt zelfs nu nog te laag om dat enigszins rendabel te maken. En is het energetisch wel zo slim? Om toch nog maar een keer met Diederik Samsom te spreken: ‘Je kunt er rakketten mee naar de maan sturen en temperaturen boven de duizend graden Celsius mee bereiken. Waarom dan daarmee een kamer op twintig graden brengen?’ Nee, laten we ons maar eerst op het laaghangende fruit in de industrie richten. Daar hebben we voorlopig onze handen vol aan. En dan zien we daarna wel verder, voorbij 2035.

 

Reageren? wim@industrielinqs.nl

Het kabinet wil dat er een landelijk transportnetwerk voor waterstof komt. Het is een opdracht waarmee Hynetwork Services aan de slag gaat. De eerstvolgende stap voor deze volle dochter van Gasunie is het verbinden van vijf grote industriële clusters. ‘Het is nu van belang dat we een markt op gang brengen’, stelt Eddie Lycklama à Nijeholt.

De aanleg van een infrastructuur voor waterstof vraagt om een nuchtere blik. Want zo nieuw en technisch ingewikkeld is het ook weer niet, stelt Eddie Lycklama à Nijeholt, programma manager Hydrogen Backbone Netherlands bij Gasunie. Tot zestig jaar geleden was stadsgas een belangrijke energiedrager in Nederland en daarbuiten. ‘Dat bestond al gauw voor de helft uit waterstof’, stelt hij. In Nederland verdwenen de gasfabrieken, waarin de mengsels van waterstof, methaan en koolmonoxide werden geproduceerd met de opkomst van aardgas.

Juist de aardgasinfrastructuur die toen werd aangelegd, biedt momenteel een springplank voor de wederopstanding van waterstof. Lycklama à Nijeholt: ‘Om de vijf grote industriële clusters in Nederland aan elkaar te verbinden, is circa twaalfhonderd kilometer leiding nodig. Daarvoor kan meer dan duizend kilometer bestaande infrastructuur worden ingezet. Dat voorkomt al veel overlast voor de omgeving. Zie het als een snelweg, die moet worden gerenoveerd. We vervangen alleen de toplaag.’

50 bar

Nadat een deel van de aardgasinfrastructuur wordt losgekoppeld, is slechts een beperkt aantal aanpassingen nodig. ‘Natuurlijk inspecteren we de leidingen en vervangen we delen waar nodig. Ook maken we ze schoon en moeten we afsluiters vervangen. Echter, bij waterstof is niet zoals bij aardgas elke tien kilometer een afsluiter nodig, maar maximaal elke tachtig kilometer. Dus dat scheelt alvast.’

Doordat de moleculen van waterstof lichter zijn dan die van aardgas, is in Nederland geen extra compressie onderweg nodig. De druk die bij de invoer wordt meegegeven, kan zelfs lager zijn dan bij aardgas. Zelfs dan gaat waterstof ongeveer drie keer zo snel door de buis. Lycklama à Nijeholt: ‘Aardgas krijgt een druk mee van 66 bar. Waterstof krijgt straks bij de invoer 50 bar mee. Dat is genoeg om aan de grens met Duitsland nog 30 bar over te houden. Dat is voldoende. Gaan we waterstof straks exporteren, dan is wellicht op de grens wel extra compressie nodig.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Lycklama

Eddie Lycklama à Nijeholt (Gasunie): ‘Hoe meer waterstof je naar Chemelot brengt, hoe minder CO2 je hoeft af te voeren.’

Hydrogeneren

Het ministerie van EZK heeft Gasunie aangewezen om in Nederland een waterstofinfrastructuur aan te leggen, de zogenoemde backbone. Die handschoen heeft Gasunie opgepakt. Dat gebeurt echter wel onder een andere naam en juridische entiteit. ‘Gasunie is indertijd opgericht om aardgas te transporteren. Willen we waterstof of bijvoorbeeld CO2 transporteren, dan moeten we daar andere organisaties voor oprichten. Voor CO2 is dat bijvoorbeeld onder meer Porthos.’

Voor waterstof is de nieuwe entiteit Hynetwork Services. ‘Al eerder hebben we deze honderd procent dochter opgericht voor transport van waterstof tussen Dow in Terneuzen en Yara in Sluiskil.’ Sinds eind 2018 wisselen de twee chemiebedrijven waterstof uit via een niet meer in gebruik zijnde gastransportleiding van Gasunie. De oprichting van een nieuwe entiteit is dus niet meer nodig. ‘Binnen Hynetwork Services gaan we ook de backbone uitrollen.’

Het verraadt meteen ook de volgorde van de eerste stappen die Hynetwork Services zet. Lycklama à Nijeholt: ‘Eerst onderzoeken we binnen grote industriële clusters zelf hoe we vraag en aanbod van waterstof aan elkaar kunnen koppelen. Zoals bij Dow en Yara. Als de één te veel heeft, dan brengen we dat bij een ander die juist waterstof kan gebruiken.’ Verschillende industriële clusters werken al aan een regionale waterstof infrastructuur.

De volgende stap is om dat ook landelijk te gaan doen. De aanleg van de zogenoemde backbone, de ruggengraat van het toekomstige waterstofnet. ‘Dat betekent dat we ons gaan richten op het verbinden van de vijf grote industriële clusters.’ Daarbij gaat het om de Rijnmond, de IJmond, het gebied van North Seaports (Zeeland en Gent), de Eemsdelta en Chemelot.

Het lijkt niet meer dan een logische stap. In de procesindustrie is al veel vraag naar waterstof, bijvoorbeeld voor de ontzwaveling van brandstoffen en de productie van kunstmest. En ook voor nieuwe ontwikkelingen is straks waterstof nodig. Denk aan de chemische recycling van afvalplastics. Hydrogeneren lijkt de aangewezen route om bijvoorbeeld chloor en fosfor uit de stromen te halen.

Elektronen

Bijzonder is de puzzel rond Chemelot, ziet ook Lycklama à Nijeholt. De andere vier clusters liggen aan zee, dus dicht bij bestaande en toekomstige offshore windparken. De productie van groene waterstof zal daar eenvoudiger zijn. Bovendien zijn daar ook meer mogelijkheden voor blauwe waterstof. CO2 kan dichtbij in uitgeproduceerde gasvelden worden opgeslagen. Chemelot en ook grote Duitse industrieclusters iets verderop, liggen wat dat betreft minder gunstig. Er wordt zelfs onderzocht of CO2 uit Limburg en Duitsland naar de Noordzee kan worden gebracht. ‘Dat kan natuurlijk ook. Echter hoe meer waterstof je naar Chemelot brengt, hoe minder CO2 je hoeft af te voeren.’

Chemelot en ook de Duitse chemiebedrijven onderzoeken daarom meer opties. Zo krijgt de turquoise route daar meer aandacht. Via methaanpyrolyse kan ook waterstof worden geproduceerd uit aardgas met koolstof als tweede product. Grootschalige aanvoer van aardgas is voor Chemelot vooralsnog geen probleem.

Ook elektrificatie van fabrieken is een belangrijke route. Niet voor niets zet Chemelot de lobby voor verzwaring van het elektriciteitsnet rond het cluster zwaar aan. Lycklama à Nijeholt begrijpt dat volkomen. ‘Je moet je altijd afvragen wat het meest efficiënt is. Dat kan per situatie verschillend zijn. In veel gevallen kan elektrificeren het meest voor de hand liggen.’

Wel wil hij het toch wat in perspectief zetten. ‘Momenteel wordt tachtig procent van ons energieverbruik geregeld met moleculen en slecht twintig procent met elektronen.’ De meeste auto’s rijden nog op benzine en diesel. Ook aardgas is nog steeds een belangrijke brandstof op heel veel plaatsen, stelt hij. ‘Het zou al heel knap zijn als het in 2050 fifty-fifty is.’

Scheiden

Bij het verbinden van de vijf clusters komt ook wat de projectdirecteur het zesde cluster noemt in beeld. ‘Dat zijn alle industrieën samen die niet in één van de vijf clusters liggen. Daar krijgen we als Gasunie ook veel vragen over. “Wanneer worden wij aangesloten op het waterstofnet?” Liggen de fabrieken toevallig op de route van de backbone, dan is een aansluiting relatief eenvoudig te realiseren. Het meest tricky is de afstand tot het hoofdnetwerk.’

LycklamaHet levert weer nieuwe puzzels op. Regionale netwerken kunnen daarin een belangrijke rol spelen. Als verschillende andere bedrijven in een regio ook waterstof kunnen en willen gebruiken is dat natuurlijk een groot voordeel. ‘Bij ons geldt re-use before buy before build. Als we een bestaand regionaal gasnet kunnen inzetten voor waterstof, dan heeft dat natuurlijk voordelen.’ Maar ook dat is niet eenvoudig. Wat betekent het voor de leveringszekerheid? En wil en kan iedereen wel over? ‘We onderzoeken volop technieken om bijvoorbeeld aardgas en waterstof te scheiden. Dan kan na gemengd transport het aardgas bijvoorbeeld richting de huishoudens en waterstof richting een deel van de industrie.’

Eddie Lycklama à Nijeholt (Gasunie): ‘Bij ons geldt re-use before buy before build.’

Extra zuiveren

Een belangrijke doelgroep voor waterstof lijkt ook vrachttransport. Hoewel er al personenauto’s op waterstof op de markt zijn en Lycklama à Nijeholt er zelf ook één rijdt, heeft de batterijenauto een duidelijke voorsprong opgebouwd. Dat ligt wellicht anders bij zwaar vrachttransport over de weg, via het water en mogelijk zelfs via de lucht. Batterijen nemen al gauw veel gewicht en ruimte in, wat ten koste gaat van de lading. ‘Vrachtvervoer is naar ons idee de volgende stap, na de regionale industrie. Daarbij onderzoeken we of de distributie van waterstof dan via flessen moet gebeuren, of dat we daar de backbone ook al voor kunnen inzetten.’

Er zijn veel discussies over de gewenste zuiverheid. Elektrolyse van water levert zuivere waterstof op. Bij de gangbare productie van waterstof uit methaan ligt de zuiverheid echter op ongeveer 96 procent. ‘De brandstofcellen in vrachtauto’s vragen om 99,9 procent zuiverheid. In de industrie ligt dat anders. Uit een marktconsultatie blijkt dat de meeste klanten prima uit de voeten kunnen met 98 procent. Dan rijst natuurlijk de vraag: tot welk niveau ga je extra zuiveren? Het is nu van belang dat we een markt op gang brengen en dan is het wenselijk om de kosten zo laag mogelijk te houden en de toegankelijkheid open.’ Het lijkt hem daarom verstandiger dat waterstof indien gewenst na transport extra wordt gezuiverd.

Tien procent

Dan het huishoudelijke gebruik. Voor velen is het de vraag of waterstof ooit een belangrijke rol gaat spelen in onze huizen. Aardgas is niet op korte en middellange termijn weg te denken. Als vervanging wordt stevig ingezet op elektrificatie, warmtepompen, betere isolatie. ‘Vergeet biogas niet’, vult Lycklama à Nijeholt aan. Nu al is vijf procent van het aanbod biogas, en dat aandeel neemt alleen maar toe, is zijn overtuiging. Het is ook niet ondenkbaar dat het huishoudelijke gas in de toekomst weer een mengsel wordt, net als in de tijd van het stadsgas. ‘Volgens onderzoek kan het huidige aardgas voor huishoudelijk gebruik zonder problemen worden bijgemengd met tien procent waterstof. Sommige bronnen beweren al twintig procent. Maar daar durf ik mijn hand nog niet voor in het vuur te steken. Nu is 0,02 procent toegestaan. Het lijkt me logisch dat dat verandert.’

European Industry & Energy Summit 2021

Tijdens de European Industry & Energy Summit 2021 (7 en 8 december in Rotterdam Ahoy en online) is Eddie Lycklama à Nijeholt een van de podiumgasten in het onderdeel Next Steps in Hydrogen. Dan vertelt hij meer over de aanleg van het waterstofnetwerk in Nederland. Het is dan mogelijk om vragen te stellen, ook online.

Kijk voor het volledige programma op www.industryandenergy.eu

Je kunt er momenteel niet omheen (en terecht). Het wordt wel het grootste probleem van deze tijd genoemd en ten tijde van het schrijven van deze column is de top in Glasgow gaande. Natuurlijk heb ik het over de klimaatproblematiek. Inmiddels al omgedoopt tot klimaatcrisis, want het is wel duidelijk dat er geen tijd meer te verliezen is. We moeten allemaal ons steentje bijdragen, maar weet u wat dat precies moet zijn?

Alternatief opwekken

Zelf ben ik recentelijk verhuisd, vanwege een nieuwe baan. Een uitgesproken kans om, naast de al geplande verbouwingen in het kader van comfort en onderhoud, ook investeringen te doen om het energieverbruik te reduceren en mijn verantwoordelijkheid in het klimaatprobleem te nemen. Dat is nodig, want de woning is uit de jaren dertig van de vorige eeuw, dus gebouwd in een periode waarin men zich totaal niet realiseerde dat we als mens invloed op het klimaat hebben. Eigenlijk erg vergelijkbaar met de situatie waar een groot deel van de chemische industrie ook in verkeert. De fabrieken zijn niet bepaald ontworpen voor een klimaatneutrale energiehuishouding en toch willen we allemaal iets doen om de status van energieneutraliteit te bereiken. Maar hoe die te bereiken? Dat is de uitdaging.

In mijn persoonlijke situatie heb ik meerdere opties tegen elkaar afgewogen. De makkelijkste optie is het beperken van het energieverbruik door bijvoorbeeld isoleren, dubbel glas en betere apparatuur zoals verwarmingsketel. Want wat je niet aan energie hoeft te gebruiken, hoeft ook niet te worden opgewekt. Dit geldt natuurlijk ook voor de procesinstallaties in de industrie. Het vervangen van verouderde grote energieverbruikers door modernere zuinigere installaties is haast een must. Dit vraagt natuurlijk wel flinke investeringen en de terugverdientijd is vaak (te) lang. Maar daarmee alleen kom je er niet. Dus is ook de optie voor het alternatief opwekken van energie een logische stap. Zonnepanelen op het dak dan maar. Iets met aardwarmte misschien? Een windmolen in de tuin komt er toch echt niet! En kernenergie heb ik maar achterwege gelaten…

Restenergie

Voor de industrie is dit een lastigere optie, omdat het opwekken van energie een eigen tak van sport is. Toch zijn er ook bedrijven die hun opslagtanks hebben voorzien van zonnepaneel-folie. En wat te doen met de daken van de controlekamers, kantoren en lege ruimtes rondom de fabrieksinstallaties? Hoewel het misschien niet veel lijkt, is dit toch een geval van alle beetjes helpen.

Maar de zon schijnt niet ’s nachts en ook waait het niet altijd als je meer energie nodig hebt. Opslag dan maar? Maar hoe dan? Een batterij? Of toch waterstof? Methaan en ammoniak worden tegenwoordig ook al als optie genoemd. Maar hoe te kiezen tussen al deze opties? Daar zit het grote probleem. Want elke optie heeft zijn voor- en zijn nadelen. Waterstof produceren met een overschot aan elektriciteit op zonnige dagen zou handig kunnen zijn, omdat er mogelijk een landelijk netwerk wordt gerealiseerd. Maar zou u mijn buurman willen zijn, als u weet dat er een waterstofgenerator en -opslag achter de heg komt te staan? En dat landelijke netwerk is ook niet zeker. De overheid heeft hierin nog niet beslist.

Voor de industrie zit hier misschien nog wat onontgonnen ruimte. Want het gebruik van restenergie elders in de installatie of bij een naastgelegen installatie is ons niet vreemd. Denk aan de Verbund-sites. Toch wordt er nog genoeg energie door de schoorsteen of via andere reststromen uitgestoten. Misschien goed om daar ook nog eens te kijken of er iets bruikbaars mee kan worden gedaan. Is het mogelijk deze energie in het landelijke netwerk te steken? Wat dat landelijke netwerk ook moge zijn, elektra of iets anders.

Verantwoordelijkheid pakken

Zo ziet u dat er voldoende uitdagingen en onzekerheden zijn. Er is geen totaaloplossing. De overheid gaat de uiteindelijke richting ook niet bepalen en wat voor de een werkt, past bij de ander totaal niet. Toch moeten we allemaal onze bijdrage leveren. Wat is uw bijdrage? Laten we als industrie niet wachten op andere bedrijven, sectoren of overheden en zelf onze verantwoordelijkheid pakken. Gelukkig lopen er al veel initiatieven in de industrie, maar of het voldoende is? Dat mag u zelf bepalen.

 

Chris Aldewereld is ingenieur Scheikundige Technologie en werkzaam als HSE-specialist. Aldewereld@gmail.com