OCI investeert in een uitbreiding van haar importterminal voor ammoniak in de haven van Rotterdam. In een eerste fase gaat het om een verdrievoudiging van de importcapaciteit, maar het bedrijf wil met een nieuwe derde tank naar 3 miljoen ton overslag per jaar toe.

In een eerste fase gaat de capaciteit van 400 kiloton naar maximaal 1.200 kiloton per jaar. Deze uitbreiding realiseert OCI met relatief goedkope upgrades van de bestaande infrastructuur van OCI. De totale investeringskosten voor deze fase worden geschat op minder dan 20 miljoen dollar. Naar verwachting is deze eerste uitbreiding in 2023 klaar.

Voor de tweede fase heeft OCI een basis engineeringpakket afgerond voor de bouw van een nieuwe ammoniaktank op de terminal. Deze maakt een toename van de overslag tot boven de 3 miljoen ton per jaar mogelijk. Hiervoor moet ook de aanlegsteigerinfrastructuur worden uitgebreid. OCI wil nog dit jaar met de activiteiten voor vergunningverlening beginnen.

Hub

OCI Nitrogen beschikt sinds 2011 over de ammoniakterminal in de haven van Rotterdam. In 2015 en 2016 zijn de twee ammoniaktanks op de terminal volledig gerenoveerd. Dit zorgde toen al voor een verdubbeling van de capaciteit.

De terminal ligt strategisch en kan de opkomende vraag naar ammoniak voor het bunkeren van zeeschepen vergemakkelijken. Ook kan de terminal een hub zijn voor waterstof die wordt geïmporteerd in de vorm van ammoniak uit regio’s met voldoende aardgas en hernieuwbare bronnen, zoals het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

De scheepvaart is momenteel goed voor bijna 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot, maar is een van de moeilijkst te decarboniseren sectoren vanwege de kosteneffectiviteit van zware stookolie en verspreid tanken. Ammoniak en methanol, twee van OCI’s kernproducten, zijn alternatieve producten die de decarbonisatie van de maritieme industrie kunnen stimuleren.

Gasunie huurt de komende vijf jaar een drijvende LNG-installatie (FSRU) van het Amerikaanse New Fortress Energy. Deze brengt vloeibaar aardgas naar de Eemshaven waar het de LNG omzet in aardgas. De installatie is ook geschikt voor de opslag van gas. Het is de tweede FSRU die Gasunie heeft gecontracteerd. Eind april maakte het bedrijf al bekend dat het een FSRU van de Belgische rederij Exmar heeft gehuurd.

Met deze tweede drijvende LNG-installatie breidt Gasunie-dochter EemsEnergy Terminal haar nieuwe LNG-terminal in de Eemshaven verder uit. Daardoor kan nu in totaal acht miljard kubieke meter LNG worden omgezet in aardgas.

De eind april gestarte tender voor marktpartijen leidde tot overweldigende belangstelling. In deze niet-bindende fase hebben al meer dan vijftien partijen hun interesse getoond in het gebruik van de terminal en is de vraag vier keer zo groot als het aanbod. Deze partijen kopen het LNG-gas in en gebruiken de nieuwe drijvende terminals om al deze winter vloeibaar aardgas naar Nederland te kunnen brengen. Ze hebben tot 10 juni de tijd om hun interesse om te zetten in een bindend contract.

Alternatief

Beide schepen worden in augustus in de Eemshaven verwacht. Zodra de twee drijvende installaties zijn afgemeerd, volgt het technisch gereed maken, de aansluiting op het al bestaande gasnetwerk in de Eemshaven en tenslotte de aanvoer van de LNG. Beide installaties zullen naar verwachting dit najaar operationeel zijn. Vanuit de Eemshaven regelt Gasunie Transport Services verder voor het transport van gas via het landelijke gasleidingnet.

De drijvende installaties zullen in ieder geval de komende vijf jaar worden ingezet als tijdelijk alternatief voor Russisch gas. Tegelijkertijd onderzoeken de partijen de mogelijkheid voor de bouw van een vaste terminal aan land. Die terminal zal op den duur ook kunnen worden ingezet voor de aanlanding van groene waterstof.

Optimalisatie GATE

Medio maart maakte Minister Jetten van Energie en Klimaat bekend dat het Nederlandse kabinet samen met Gasunie onderzoekt hoe de importcapaciteit voor LNG in Nederland op korte termijn kan worden vergroot. De import van LNG kan bijdragen aan minder afhankelijkheid van gas uit Rusland. Gasunie is hierover al enige tijd intensief met het kabinet in overleg. Naast Eemshaven zal ook de bestaande GATE terminal op de Maasvlakte in Rotterdam worden geoptimaliseerd om meer LNG te kunnen realiseren. Eemshaven en Rotterdam samen zullen dan de LNG-capaciteit in Nederland verdubbelen.

Het onafhankelijk willen zijn van Russisch gas geeft de Hanseatic Energy Hub in Stade (Duitsland) een boost. Al in de zomer van 2022 kunnen internationale marktpartijen terminalcapaciteit gaan boeken. De nieuwe LNG-terminal moet tegen 2026 operationeel zijn.

‘De vraag in de markt is groot en HEH bevindt zich al in een vergevorderde positie met zeer gedetailleerde informatie over de commerciële en technische elementen van de terminal’, aldus Danielle Stoves, commercieel directeur Hanseatic Energy Hub. Zo heeft het Duitse energiebedrijf EnBW al aangekondigd minimaal drie miljard kubieke meter aardgas per jaar aan importcapaciteit te willen boeken. De Stade LNG-terminal krijgt in totaal een capaciteit van 13,3 miljard kubieke meter aardgas per jaar. Dit komt overeen met ongeveer vijftien procent van de Duitse gasvraag.

Het HEH-consortium, bestaande uit Fluxys, Partners Group en Buss Group, is onlangs uitgebreid met Dow, directe buur in het industriepark Stade. De partners waren vorig jaar al overeengekomen dat Dow restwarmte aan de terminal gaat leveren. Daarmee kan HEH zonder uitstoot vloeibaar gas hervergassen naar de oorspronkelijke gasvorm. Als onderdeel van het partnerschap stelt Dow ook bouwgrond voor de terminal en infrastructuurdiensten beschikbaar.

De hub is in eerste instantie ontworpen voor LNG en koolstofarme energiebronnen zoals bio-LNG en synthetisch methaan. Naarmate het wereldwijde aanbod groeit, is het straks ook klaar om CO2-neutrale energiebronnen zoals ammoniak te importeren.

Gasunie, HES International en Vopak ontwikkelen samen een importterminal voor groene ammoniak als waterstofdrager op de Maasvlakte. Nog dit kwartaal begint het werk aan het basisontwerp van de importterminal, die de naam ACE Terminal zal gaan krijgen. Het streven is dat de terminal vanaf 2026 operationeel is.

Naast de productie van groene waterstof in Nederland, zal er in Noordwest-Europa ook behoefte zijn aan grootschalige import van groene waterstof om aan alle toekomstige vraag te kunnen voldoen. Groene ammoniak als waterstofdrager zal hierin een belangrijke rol spelen. Waterstof kan na verbinding met stikstof in de vorm van ammoniak eenvoudiger en veilig in grotere hoeveelheden worden getransporteerd, opgeslagen en weer worden omgezet naar groene waterstof. Daarnaast is groene ammoniak ook direct toepasbaar als CO2-vrije brandstof voor bijvoorbeeld de scheepvaart of als grondstof voor bijvoorbeeld de productie van kunstmest.

Locatie

De drie partners hebben een locatie op de Maasvlakte in Rotterdam op het oog. Daar kunnen schepen vanuit de gehele wereld aanleggen om groene ammoniak, en in de beginfase mogelijk ook blauwe, te lossen. Bovendien kan op die locatie gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur en de logistieke faciliteiten van de Rotterdamse haven. Op het terrein is ook ruimte voor de ontwikkeling van een installatie waar ammoniak weer kan worden omgezet naar waterstof. In de toekomst zal deze installatie worden aangesloten op het landelijke waterstofnetwerk van Gasunie waarmee de toekomstige waterstofmarkt in Noordwest-Europa kan worden bediend.

Krachten bundelen

HES beschikt op de Maasvlakte over een strategische locatie met kadecapaciteit en directe toegang vanaf zee. Gasunie heeft een infrastructuur met bestaande opslagtanks en pijpleidingen. Vopak heeft met zes ammoniakterminals over de hele wereld ruime ervaring in het veilig opslaan van ammoniak. Door deze krachten te bundelen, kunnen de partners binnen enkele jaren de importlocatie voor groene ammoniak in Rotterdam kunnen realiseren. Het uiteindelijke investeringsbesluit moet nog worden genomen en zal worden gebaseerd op onder andere klantcontracten en de benodigde vergunningen inclusief een m.e.r.-procedure.

Uitgangspunt is een onafhankelijke en open access infrastructuur waarbij de partners zelf geen eigenaar zullen zijn van de groene ammoniak. Binnenkort start een marktconsultatie waarin geïnteresseerde partijen hun interesse kenbaar kunnen maken voor de aanvoer, opslag en doorvoer van groene ammoniak en waterstof. Er lopen op dit moment al verkennende gesprekken met internationale marktpartijen.

Met het toenemende belang van waterstof in de energiemix, wordt ook de noodzaak voor wateropslag steeds groter. In Zuidwending werkt Gasunie druk aan de toekomstige wateropslag in zoutcavernes. Maar hoe worden die cavernes eigenlijk gemaakt?

TNO bracht met partners onlangs een rapport uit over verschillende facetten van waterstof-waardeketens. Een van de uitkomsten is dat tot 2030 één tot vijf zoutcavernes nodig zijn om vraag en aanbod gedurende het jaar in evenwicht te houden. En de onderzoekers verwachten dat dit aantal naar 2050 toe oploopt tot ten minste 49 tot 57 cavernes, uitsluitend voor waterstofopslag.

Gasunie heeft vorig jaar op de locatie Zuidwending al tests gedaan met de opslag van waterstof. Op die locatie slaat het bedrijf al meer dan tien jaar aardgas op in zoutcavernes. Het doel van de tests is om aan te tonen dat het boorgat, de leidingen, afdichtingen enzovoorts ook geschikt zijn voor de toepassing van waterstof. De eerste tests werden uitgevoerd op locatie A8 omdat hier al wel een boorgat, maar nog geen caverne is aangebracht. De druk werd daarbij stapsgewijs opgevoerd tot meer dan 200 bar.

Dit jaar volgt naar verwachting een definitief besluit om grootschalige waterstofopslag in zoutcavernes op de locatie Zuidwending te realiseren. De eerste zoutcaverne zou in 2026 volledig operationeel kunnen zijn, met groeimogelijkheden naar vier cavernes in 2030. Daarmee ontstaat een opslagvolume dat past bij de huidige Nederlandse ambitie om in 2030 3 tot 4 GigaWatt groene waterstof uit duurzame elektriciteit te realiseren.

De engineering voor Antwerp@C – de bouw van een gemeenschappelijke CO2-infrastructuur in de haven van Antwerpen – is begonnen. De initiatiefnemers van het project verwachten tegen het einde van dit jaar, na afronding van de engineering, een definitieve investeringsbeslissing te nemen voor de eerste fase.

Na het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie in 2021, heeft Antwerp@C nu de beslissing genomen om over te gaan naar de volgende fase en de engineering op te starten. In deze fase wordt de aanleg van een centrale “backbone” in de haven van Antwerpen uitgewerkt. Deze loopt langs de industriezones op zowel de rechter- als de linkeroever van de Schelde. Een gemeenschappelijke CO2-liquefactie-eenheid met tussentijdse opslag en maritieme laadfaciliteiten voor grensoverschrijdende scheepvaart maken ook deel uit van de engineering.

Intussen hebben Fluxys, Air Liquide en Pipelink (dochteronderneming van Port of Antwerp) bij bedrijven in het havengebied geïnventariseerd hoeveel interesse er is voor CO2-transport- en/of CO2-terminalinfrastructuur. Dit wordt meegenomen bij het nemen van een definitieve investeringsbeslissing eind 2022. Antwerp@C is een initiatief van Air Liquide, BASF, Borealis, ExxonMobil, INEOS, TotalEnergies, Fluxys en Port of Antwerp.

Kairos@C

Twee initiatiefnemers, Air Liquide en BASF, ontwikkelen tegelijkertijd het project Kairos@C. Zij willen gezamenlijk de CO2 van vijf fabrieken op de BASF-site in Antwerpen gaan afvangen en opslaan. Als het project doorgaat, moet het in 2025 operationeel zijn. Kairos@C zou dan worden aangesloten op de gedeelde CO2-infrastructuur van Antwerp@C.

De twee bedrijven verwachten 14,2 miljoen ton CO2 te kunnen vermijden in de eerste tien jaar van afvang en opslag. Het gaat om de CO2 van vijf verschillende eenheden: twee ethyleenoxidefabrieken en een ammoniakfabriek van BASF en twee waterstoffabrieken van Air Liquide op de site van BASF in Antwerpen.

> Lees meer over Kairos@C

Shell is een lange termijn samenwerkingsovereenkomst met Vopak aangegaan voor de opslag van een breed scala aan grondstoffen voor haar nieuwe biobrandstoffenfabriek in Pernis. Vopak gaat de fabriek bevoorraden via haar terminal in Vlaardingen en bouwt er 64.000 kubieke meter opslagcapaciteit bij.

De opzet bestaat uit nieuwe en bestaande infrastructuur die zal worden aangepast om grondstoffen op basis van afval te kunnen verwerken. De nieuwe infrastructuur is momenteel in aanbouw en bestaat uit in totaal zestien opslagtanks. De terminal heeft ruime ervaring met de opslag van dit soort producten, heeft al tanks voor plantaardige oliën, dierlijke vetten, oleochemicaliën en biodiesel. Er staan 293 tanks op de site, bij elkaar een opslagcapaciteit van 565.606 kubieke meter.

De biobrandstoffenfabriek in Pernis krijgt een capaciteit van 820.000 ton per jaar. De fabriek start vanaf 2024 met het produceren van biobrandstoffen zoals duurzame vliegtuigbrandstof en hernieuwbare diesel uit afval. Denk daarbij aan gebruikt frituurvet, dierlijk vet en andere industriële en agrarische restproducten.

JPB breidt haar opslagcapaciteit op het Chemie Park Delfzijl uit met acht tanks van elk 3.500 kubieke meter. In totaal komt er 28.000 kubieke meter aan opslagcapaciteit bij. Daarnaast wordt de verlaadsnelheid opgeschroefd, waardoor schepen sneller kunnen worden beladen. De fundaties voor de tanks zijn al klaar.

De nieuwe tanks worden gefaseerd, per twee stuks, bijgebouwd. De verwachting is dat de eerste tanks in juli 2022 klaar zullen zijn. ‘De vraag is enorm. Verschillende klanten hebben al concreet interesse getoond en de eerste tanks zijn al verhuurd’, zegt Stephan Oldenburger, commercieel directeur bij JPB Logistics. ‘Om zo flexibel mogelijk te zijn voor toekomstige aanvragen kiezen we ervoor om de tanks van hoogwaardig materiaal te bouwen.’

Naast het bijbouwen van tanks wordt ook de zeesteiger van JPB aangepakt. Zo wordt de verlaadsnelheid verhoogd zodat schepen minder lang aan de kade liggen. ‘Onlangs is onze zeesteiger al uitgebreid met een extra betonnen fundatie voor vier nieuwe laadarmen. Deze zijn voor de nieuw te bouwen tanks.’

In 2019 investeerde JPB al ruim tien miljoen euro in negen nieuwe tanks voor glycerine en methanol op Chemie Park Delfzijl. Er kwam 36.000 kubieke meter opslagcapaciteit bij. Het bedrijf moderniseerde toen ook bestaande tanks en automatiseerde laad- en lossystemen.

Vier de industrie! Het wordt tijd dat we de industrie niet alleen vereenzelvigen met het negatieve deel. We kennen het beeld wel, de industrie veroorzaakt veel problemen. Op het gebied van veiligheid, milieu en klimaat bijvoorbeeld. Het is natuurlijk waar. Industriële productie heeft grote nadelen. Als we ons daar niet bewust van zijn, dan zijn de risico’s enorm. Levensbedreigend zelfs.

Tegelijkertijd kan de industrie juist onderdeel zijn van de oplossingen. Ook op dat vlak zijn de grote lijnen wel bekend. Zonder composieten zijn de moderne windmolens niet mogelijk en kunnen onze auto’s nauwelijks lichter en dus zuiniger worden. In de transitie naar schonere energiedragers en grondstoffen speelt de industrie een cruciale rol. En de industrie levert ons medicijnen, voeding, beschermingsmiddelen en ga zo maar door.

Echter, onbekend maakt onbemind. De samenleving lijkt het beeld van de vieze en gevaarlijke industrie te koesteren. Tegelijkertijd hebben veel industriële bedrijven en hun medewerkers moeite om uit hun schulp te kruipen. Misschien doordat ze zich in het defensief gedwongen voelen. Maar zeker ook onder druk van juristen en aandeelhoudersbelangen. Een negatieve status quo zo lijkt het.

Hoopgevend

Dat is jammer. Want er zijn veel mooie verhalen te vertellen over de industrie. Jaar na jaar treffen wij slimme en gedreven mensen in de industrie, bijvoorbeeld voor onze verkiezingen van de Plant Manager of the Year en de Techniekheld. Ze zijn zich terdege bewust van de risico’s, maar ook de kansen van hun vak en industriële omgeving. En ze eisen een rol op in de verbetering van de industrie. Ook zijn er voldoende interessante innovaties. Als redactie moeten we echter ons best doen om een deel van die vernieuwingen boven water te tillen. Alsof de meeste industriële bedrijven niet trots durven te zijn.

Blijkbaar niet genoeg allemaal. Al voor de coronapandemie rees daarom bij ons en enkele partners het idee om meer schijnwerpers op de industrie te zetten. Op de uitdagingen, maar ook de oplossingen. En niet alleen vergezichten, maar vooral de stappen die nu al worden gezet. Eerlijk, open en waar kan hoopgevend.

HYTE

De afgelopen tijd is daarom het idee van een industriefestival geboren. Dat idee begint concrete vormen aan te nemen. Sterker nog, we hebben een datum en een tijd. Samen met founding partner iTanks en – hopelijk veel – andere partners willen we op 22 en 23 juni in de RDM Onderzeebootloods de industrie vieren. Schrijf dus in je agenda: iLinqs, festival van de industrie.

Een festival met innovaties, pitches en demonstraties. Zeker met bekende elementen, bijvoorbeeld van onze congressen Watervisie en Deltavisie. En de verkiezing van de Plant Manager of the Year bijvoorbeeld. Maar ook veel nieuwe side-events over de druk op de technische arbeidsmarkt, de mogelijkheden van digitalisering, ideeën van young professionals en uiteraard thema’s als veiligheid en transitie.

Om het allemaal nog intensiever te maken; een week later ga ik met drie young professionals op pad voor de Hydrogen Trail Europe, ofwel HYTE, van 27 juni tot 8 juli. Via vlogs, blogs, artikelen en een documentaire willen we laten zien waar de industrie in Europa mee bezig is. Dan wel specifiek op het gebied van transitie en met name waterstof. Ook weer op een eerlijke en hopelijk inspirerende manier.

Meer informatie over beide initiatieven volgt de komende weken en maanden. In onze beide magazines Petrochem en Industrielinqs, op onze sites en zeker ook op social media. Volg de pagina’s van Industrielinqs, Petrochem platform en Hydrogen Trail Europe op LinkedIn! Wil je met je bedrijf of organisatie actief deel uitmaken van onze initiatieven, neem gerust contact met me op. Laten we komend jaar vooral met ons allen de industrie vieren.

Reageren? wim@industrielinqs.nl

Nu zowel Shell als HyCC concrete plannen hebben voor de installatie van een tweehonderd en tweehonderdvijftig megawatt elektrolyser, gaat Havenbedrijf Rotterdam verder met de ontwikkeling van het conversiepark. Inmiddels is de locatie zo goed als klaar en werkt men aan de benodigde infrastructuur. Daarmee lijkt er nog weinig in de weg te liggen om de productie van groene waterstof op te schalen.

Het Havenbedrijf Rotterdam zet in op de energietransitie. Het wil de industrie faciliteren bij het terugdringen van de CO2-emissies en tegelijkertijd zorgen dat Rotterdam de belangrijkste energiehaven van Europa blijft. Op dit moment wordt nog veel olie geïmporteerd. In de toekomst moet dat duurzame energie zijn. Als onderdeel van de energietransitie heeft het Havenbedrijf grootse plannen op het gebied van waterstof. Nu al produceren bedrijven in het gebied grijze waterstof met behulp van steam methane reforming (SMR). De hierbij geproduceerde kooldioxide afvangen en opslaan zal de grootste milieuwinst opleveren. Maar de industrie wil op den duur vooral groene waterstof inzetten. Om dit mogelijk te maken, reserveerde het Havenbedrijf een stuk grond van 24 hectare tussen de terminals en loodsen op het puntje van de Tweede Maasvlakte. Hier komt een conversiepark dat groene stroom van offshore windparken omzet in groene waterstof, zuurstof en warmte.

Randolf Weterings, programmamanager Elektrificatie en Waterstof van Havenbedrijf Rotterdam ziet inmiddels de eerste contouren van wat straks het eerste grootschalige Nederlandse groene waterstofpark wordt. ‘We hebben een vlakte en de weg ernaartoe is aangelegd. Momenteel zijn er nog bodemonderzoeken gaande, maar gezien de geschiedenis van de Tweede Maasvlakte verwachten we geen verrassingen. We verwachten dan ook in het tweede kwartaal van dit jaar met de verdere voorbereidingen te beginnen.’

Inmiddels is dus bijna een halve megawatt al ingepland en volgens Weterings zijn de andere twee plots ook gereserveerd. Als die partijen daadwerkelijk tekenen, is het eerste conversiepark dus gevuld en zou jaarlijks zo’n honderd tot honderdtachtig duizend ton groene waterstof (afhankelijk van de productieprofielen en beschikbare groene stroom) kunnen worden geleverd aan de industrie of bijvoorbeeld de transportsector.

Offshore wind

De positie op de Tweede Maasvlakte is niet voor niets gekozen. De locatie vormt een goede aanlandingsplaats voor de windparken die medio 2023 (Hollandse Kust Zuid, 1,4 gigawatt) of richting 2030 (IJmuiden Ver, twee gigawatt) in gebruik worden genomen. Daarnaast is nog vier gigawatt in ontwikkeling, wat de totale potentie voor aanlanding op de Maasvlakte brengt op 7,4 gigawatt. Hoe dichter de conversie bij de parken plaatsvindt, hoe goedkoper het elektriciteitstransport wordt. En hoe meer het park de netbeheerder ontlast. Het Havenbedrijf voerde al een studie uit naar de infrastructuurbehoefte voor groene waterstof en concludeerde dat daarvoor een 48 meter breed kabelbed nodig was of slechts zes meter pijpleiding om dezelfde energie te transporteren.

Overigens kiest Shell voor koppeling aan het offshore windpark dat het samen met Eneco bouwt, Hollandse Kust Noord. Hoewel de stroom ergens anders aanlandt, kent de netbeheerder de geproduceerde energie via power purchase agreements toe aan de waterstofproductie van Shell. Om voldoende elektriciteit in de Rotterdamse haven ook in de toekomst te blijven leveren, moet het hoogspanningsnetwerk wel worden verzwaard. Havenbedrijf Rotterdam onderzocht samen met Tennet en Stedin hoe het tegen de laagste maatschappelijke kosten kan uitbreiden. Het bij elkaar brengen van grootschalige productie, zoals aanlandingen van wind op zee, bij grootschalige afname, zoals het conversiepark, beperkt de benodigde verzwaringen. Ook als de afname contractueel verbonden zit aan een ander windpark. Als het op de Noordzee waait, leveren immers alle parken stroom.

Voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie in 2050 is grootschalige productie van waterstof nodig.

Infrastructuur

Uiteraard werkt het Havenbedrijf tegelijkertijd de plannen uit voor de ontsluiting van de waterstof via een centrale waterstofbackbone. De plannen voor blauwe waterstof zijn immers ook al ver doorontwikkeld. Wel is het nog een punt van discussie welke kwaliteit waterstof in die leiding moet komen. Waterstof uit elektrolyse is namelijk direct zeer zuiver, terwijl diezelfde zuiverheid bij blauwe waterstof extra processtappen zou vergen. Voor de industriële productie van hoog temperaturen (verbranding) zouden eventuele onzuiverheden niet zo’n probleem zijn. Maar brandstofcellen in vrachtauto’s kunnen last krijgen van vervuilingen. Men kan er dan ook voor kiezen om twee aparte leidingen aan te leggen voor de twee kleuren waterstof.

Ongeacht de keuze, moeten er in de toekomst vele megatonnen waterstof worden getransporteerd. Volgens Weterings zou de leiding een diameter van 24 inch moeten krijgen en op hoge druk waterstof moeten leveren aan het hoofdnet van Gasunie en de Delta Corridor leiding. Dat behoorlijke formaat sluit momenteel het gebruik van kunststofleidingen uit.

Het aanleggen van de buisleiding is in Rotterdam geen gemakkelijke klus, omdat de ondergrond in het havengebied redelijk vol is. H-vision zal ook gebruikmaken van Porthos, het project waarbij CO2 van de industrie in de haven wordt getransporteerd en opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee.

H2-Fifty

HyCC en BP sloten een joint development agreement voor het project H2-Fifty. De twee partijen willen in 2023 een finale investeringsbeslissing nemen over de bouw van de tweehonderdvijftig megawatt elektrolyser in Rotterdam.

Een haalbaarheidsstudie heeft laten zien dat het project een forse bijdrage kan leveren aan vergroening van de industrie in de regio. De groene waterstof van H2-Fifty, maximaal 45.000 ton per jaar, zal worden ingezet om de raffinaderij van BP en andere industrieën in het havengebied te verduurzamen.

In de haalbaarheidsstudie is onder andere de techniek verder uitgewerkt. Ook de locatie van de elektrolyser is bepaald, deze komt op de Maasvlakte. Het komende jaar gaan de partners een technologieleverancier selecteren, het ontwerp van de installatie verder uitwerken en starten met de milieustudies voor het vergunningentraject. Volgend jaar volgt een investeringsbeslissing.

Demiwater

Het Havenbedrijf kijkt niet alleen naar de locatie van deze elektrolyser en de infrastructuur voor transport van elektriciteit en waterstof, maar ook naar de infrastructuur die nodig is voor aanlevering van water. Een elektrolyser heeft immers water nodig om de H2O-moleculen te splitsen in waterstof en zuurstof. Vanwege de gevoeligheid van zowel PEM- als alkaline-elektrolysers voor vervuiling, moeten ze worden gevoed met demiwater.

Nu hoeft dat niet een heel groot probleem te zijn: Evides Industriewater heeft tenslotte al twee demiwaterfabrieken in Rotterdam staan. Maar voor de productie van honderdtachtig duizend ton waterstof is toch wel heel veel demiwater nodig. Berekeningen komen al snel neer op negen liter water per kilogram waterstof. Om er zeker van te zijn dat te zijner tijd voldoende demiwater beschikbaar is en blijft, houdt het Havenbedrijf in het conversiepark ruimte beschikbaar voor een eventuele extra demiwaterfabriek. De keuze daarvoor zou volgens Weterings eerder gedreven zijn door redundantie dan door volume.

waterstof

(c) Havenbedrijf Rotterdam

Zuurstof en warmte

Bijkomende uitdaging is dat de elektrochemische scheiding van water niet alleen waterstof produceert, maar ook zuurstof. In het totaalconcept dat het Havenbedrijf voor ogen heeft, zou dat niet eens verkeerd uitkomen. Autothermal reforming (ATR) blijkt namelijk een zeer efficiënte techniek voor de productie van blauwe waterstof uit methaan. En bij die techniek heeft men zuurstof nodig voor oxidatie van de koolwaterstoffen. Een zuurstofleiding is dan zeker een optie.

Eenzelfde optimalisatie is te vinden in het gebruik van warmte. Daardoor wordt ongeveer een kwart van de groene stroom omgezet in warmte. De efficiency van de elektrolysers zou enorm toenemen als die warmte nuttig kan worden ingezet. Nu heeft Rotterdam al een warmtenet en wellicht zou deze warmte straks naar de Rotterdamse huishoudens kunnen worden geleid.

Import

Ondanks alle plannen om zelf groene en blauwe waterstof te produceren, zijn ze niet genoeg om de gehele fossiele energievoorziening te vervangen. Voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie in 2050 is grootschalige productie van waterstof nodig. Volgens studies van het Wuppertal Institut is voor een CO2-neutrale Rotterdamse industrie zo’n 2,5 tot 6,4 gigawatt aan elektrolyse-vermogen nodig. En dit is alleen nog maar voor de industrie. Als ook de mobiliteitssector en het achterland moet worden bediend, is een veelvoud nodig. In zijn waterstofvisie verwacht het Havenbedrijf in 2050 twintig megaton waterstof te produceren, importeren of doorvoeren.

Zelfs als alle offshore concessies worden ingevuld en windparken stroom leveren voor de elektrolysers, is dat niet voldoende om de gehele industrie, transport­sector en huishoudens te decarboniseren. Het Havenbedrijf verwacht dan ook een groot aandeel van de benodigde groene waterstof te moeten importeren uit landen met veel ruimte, zon en/of wind. Hiervoor werkt het havenbedrijf wereldwijd samen met tientallen partijen. Dat waterstof kan cryogeen of als ammoniak, ethanol of gebonden aan een liquid organic hydrogen carrier (LOHC) worden binnengehaald via bestaande en nieuwe terminals. Het Havenbedrijf Rotterdam tekende al twee van dit soort terminals in de toekomstvisie in.

Shell Hydrogen Holland I

De investering van Shell in een groene waterstoffabriek in Rotterdam lijkt in de maak. Het concern maakt nu al de belangrijkste technologieleverancier bekend. Thyssenkrupp gaat de installatie van tweehonderd megawatt ontwerpen en bouwen. Daarvoor levert de Duitse technologiegigant tien alkaline water-elektrolysemodules van twintig megawatt. Officieel moet Shell ergens komende maanden de investeringsbeslissing nog nemen, maar dat lijkt een formaliteit. De eerste bouwwerkzaamheden van de elektrolyse-installatie zijn gepland voor het voorjaar. Holland Hydrogen I produceert naar verwachting vanaf 2024 waterstof.

De waterstoffabriek komt in een hal met de omvang van twee hectare op de Tweede Maasvlakte. De groene waterstof is straks bedoeld voor industrie en het vervoer. De elektriciteit is dan afkomstig van het offshore windmolenpark Hollandse Kust (Noord). Dit offshore windpark van 759 megawatt is 2023 operationeel en is een joint venture van Shell en Eneco. De waterstof kan worden getransporteerd via een pijpleiding van ongeveer veertig kilometer lang die van de fabriek naar het Energie- en Chemie Park Rotterdam, ofwel Shell Pernis, loopt.