Het Amerikaanse Plug Power wil een 100 megawatt groene waterstoffabriek bouwen in de Antwerpse Haven. Het bedrijf  heeft een 30-jarige concessieovereenkomst getekend voor de bouw van de fabriek in het NextGen District, een hotspot voor circulaire economie. Het is de eerste aankondiging van een grootschalige groene waterstoffabriek in Antwerpen.

De bouw van de fabriek zal beginnen na afronding van het vergunningsproces, naar verwachting eind 2023. De eerste productie van groene waterstof wordt eind 2024 verwacht en de inbedrijfstelling van de fabriek zal in 2025 plaatsvinden.

Fluxys

De locatie is goed ontsloten. Nabijgelegen windturbines leveren stroom en een elektrisch interconnectiepunt ligt op minder dan een mijl afstand. Bovendien biedt Nextgen toegang tot uitgebreide infrastructuur voor de levering van groene waterstof aan – onder meer – industriële klanten. Langs de site zal een vrij toegankelijke waterstofpijpleiding worden aangelegd. Plug onderzoekt met Fluxys de mogelijke aansluiting mogelijk te maken op de pijpleiding, die deel zal uitmaken van een Europese waterstof-backbone.

Lanxess is sinds 3 augustus met productielocaties aanwezig in zowel Antwerpen als Rotterdam. Het chemiebedrijf heeft de overname van Emerald Kalama Chemical afgerond. Alle nodige wettelijke goedkeuringen zijn verleend. De aankoopprijs is ruim een miljard Amerikaanse dollar  (EUR 870 miljoen). Lanxess financiert de overname uit eigen middelen.

Onderdeel van de overname is ook de fabriekslocatie van Emerald Kalama in Rotterdam. Met de locaties in Washington (VS) en Widnes (Groot-Brittannië), neemt het Duitse chemiebedrijf in totaal 470 werknemers over.
Door de overname wordt Lanxess één van de grootste leveranciers van smaak- en geurstoffen – een gebied waarvoor het concern op de lange termijn sterke groeipercentages verwacht. De stoffen worden voornamelijk gebruikt in verzorgingsproducten, cosmetica, exclusieve parfums en in voedsel en dranken.

Antwerpen

In de Benelux was Lanxess al met een grote productielocatie vertegenwoordigd in Antwerpen. Tot eind 2018 had het bedrijf ook 50 procent in handen van Arlanxeo, met fabrieken op Chemelot in Nederlands Limburg. Maar dat bedrijf is inmiddels volledig in handen van olie- en chemiegigant Saudi Aramco.

De Vlaming Peter Vandenborne is sinds 1 juli de nieuwe directeur van ExxonMobil’s raffinaderij in Antwerpen. Hij volgt daarmee Shawn Kuntz op die na bijna drie jaar regional manufacturing manager voor Noord-Amerika wordt. Dat liet het bedrijf maandag weten in een persbericht.

Peter Vandenborne is geen onbekende voor de Antwerpse site. Na zijn studies ingenieurswetenschappen (KU Leuven, 1989) startte hij als process ingenieur op de raffinaderij in Antwerpen. Daarna voerde Vandenborne verschillende functies uit in binnen- en buitenland. Hij deed daarbij ervaring op in raffinage en chemie in verschillende fabrieken en het regionale hoofdkwartier in Brussel. Voor zijn terugkeer naar Antwerpen, was hij vier jaar raffinaderijdirecteur in het Franse Port-Jérôme-sur-Seine.

Vandenborne kijkt uit naar zijn nieuwe opdracht: ‘Het is voor mij als thuiskomen, al is er sinds 2007 ook veel veranderd. De voorbije vijftien jaar waren er grote investeringsprojecten op deze site, met onder andere de warmtekrachtcentrale, de ontzwavelingsplant en de nieuwste fabriek voor schonere transportbrandstoffen die in 2019 werd opgestart.’ Deze projecten betekenden een investering van ongeveer 2,6 miljard euro in de Antwerpse site.

Daarmee heeft ExxonMobil een hypermoderne en efficiënte raffinaderij in de Antwerpse haven. ‘Nu is het zaak om deze positie in de Europese raffinagemarkt volop te bestendigen. De nadruk ligt op performante en veilige operaties, in het belang van onze klanten, medewerkers en omgeving. Daarbij hebben we uiteraard ook oog voor duurzaamheid. Zo zijn we deelnemer in het Antwerp@C consortium dat de haalbaarheid bestudeert om capaciteit en infrastructuur te bouwen voor koolstofafvang- en opslag.’

Lanxess heeft in Lillo (Antwerpen) een installatie voor de reductie van de lachgasuitstoot ingehuldigd. Deze breekt ongeveer vijfhonderd ton lachgas per jaar af. Het project heeft ongeveer tien miljoen euro gekost. In 2023 komt er een tweede installatie bij, die twee keer zoveel lachgas kan afbreken.

Lachgas, of eigenlijk N2O, ontstaat bij Lanxess als bijproduct tijdens de productie van caprolactam. Het is ongevaarlijk voor de mens, maar brengt ongeveer 300 maal meer schade toe aan het klimaat dan CO2. De nieuwe installatie kraakt lachgas bij temperaturen rond de duizend graden Celsius tot stikstof en zuurstof. Zo wordt het gas volledig geneutraliseerd.

In een tweede processtap breekt de installatie stikstofoxiden (NOx) af, met ammoniak als reductiemiddel. Bij temperaturen van 250 tot 450 graden Celsius worden de stikstofoxiden afgebroken tot stikstof en water.

Thermisch efficiënt

Dankzij de combinatie van deze processen is de nieuwe installatie thermisch zeer efficiënt. Speciaal ontwikkelde keramische warmtewisselaars vangen de warmte op die in het proces wordt gebruikt en die ontstaat door de afbraak van lachgas en stikstofoxiden. Ze slaan deze warmte op, om daarmee het inkomende rookgas voor te verwarmen. Daardoor hoeft veel minder energie van buitenaf worden toegevoerd om het proces aan de gang te houden.

 

Een nieuw te bouwen ontziltingsinstallatie in de haven van Antwerpen zal vanaf begin 2024 brak dokwater oppompen en omzetten in hoogwaardig proceswater voor de chemiesector. Daardoor hoeven chemiebedrijven voor bepaalde productieprocessen niet langer drinkwater uit het Albertkanaal te gebruiken. Dit zou in de opstartfase al een besparing betekenen van miljoenen liters drinkwater per jaar.

De Amerikaanse investeringsmaatschappij Avaio, in samenwerking met Aecom, sloot een intentieverklaring met Covestro om de waterfabriek op de terreinen van het chemiebedrijf te bouwen. De installatie zal via een pijpleiding ook het naburige Evonik bevoorraden en is erop voorzien dat ook andere chemiebedrijven erop kunnen aansluiten.

In de chemiesector is water een cruciale schakel in de productieprocessen. Drinkwater wordt daarbij vooral gebruikt als noodzakelijke grondstof. Maar ook voor stoomproductie of als koelwater om de veiligheid van de installaties te garanderen. Met de bouw van een nieuwe waterfabriek in de haven van Antwerpen hoeven industriebedrijven hiervoor niet langer drinkwater uit het Albertkanaal te gebruiken, maar kunnen ze overschakelen op water uit de havendokken

Minder drinkwater

Daardoor kunnen Covestro en Evonik hun drinkwatergebruik met liefst 98 procent terugdringen. Beide chemiebedrijven zullen drinkwater enkel nog gebruiken voor sanitaire toepassingen. De ontziltingsinstallatie heeft de capaciteit om een jaarlijkse waterbesparing te realiseren die gelijk is aan de gemiddelde drinkwaterconsumptie van ongeveer 40.000 gezinnen van vier personen. Bovendien is het mogelijk om de waterfabriek – en de daarmee samenhangende drinkwaterbesparing – nog verder uit te breiden. De initiatiefnemers zijn daarover in onderhandeling met andere bedrijven en in overleg met Port of Antwerp.

Kwaliteits- en milieuvoordelen

De omzetting van dokwater naar proceswater vermindert niet enkel de druk op de drinkwatervoorziening maar biedt ook kwaliteits- en milieuvoordelen. Zo is de zoutlast, of de concentratie aan mineralen, van proceswater vijf keer lager dan van drinkwater. Doordat het water minder zout bevat is het beter geschikt voor chemie-installaties. Dat betekent minder watergebruik, minder afvalwater en minder chemicaliën voor waterbehandeling.

Avaio en Aecom willen begin volgend jaar starten met de aanvraag van de nodige vergunningen. Avaio verwacht medio 2022 te kunnen beginnen met de bouw van de installatie. Die zou twee jaar later, in 2024, operationeel moeten zijn. De investeerders streven ernaar om de ontziltingsinstallatie te laten draaien op groene stroom. De waterfabriek is ook uitgerust met de juiste technologie om in een latere fase gezuiverd afvalwater te gaan hergebruiken.

Frank Beckx, gedelegeerd bestuurder essenscia vlaanderen, sectorfederatie van de chemie en life sciences: ‘Chemie- en farmabedrijven hebben het verbruik van drink- en grondwater de voorbije tien jaar al fors teruggedrongen. Met een efficiëntieverhoging van liefst 35 procent. We produceren dus meer met minder water. Met dit unieke project zorgt de chemiesector opnieuw voor een grote vermindering van het drinkwaterverbruik, volledig in lijn met de ambities van de Blue Deal van de Vlaamse regering.’

De raffinaderij van Gunvor in Antwerpen gaat in tegenstelling tot haar zuster in Rotterdam voorlopig niet – en misschien wel nooit meer – open. De directie en de vakbonden zijn gesprekken begonnen over een collectief ontslag, waarbij 230 werknemers hun baan kunnen verliezen. 

Al sinds eind mei wordt bij Gunvor Petroleum Antwerpen (GPA) geen ruwe olie meer geraffineerd. Andere verwerkingsprocessen, zoals het ontzwavelen van diesel, liepen wel nog even door. Maar ook die worden binnenkort stilgelegd. Gunvor is van plan om de raffinaderij in de mottenballen te leggen. Dat betekent dat alle installaties worden stilgelegd, maar wel worden onderhouden om een eventuele snelle heropstart mogelijk te maken.

In de online talkshow Industrielinqs BREAK OUTS noemde Harry Talen van Engie een dergelijke maatregel het voorlaatste alternatief voor een asset owner. Het laatste alternatief is sluiting. Hij moest het een aantal jaar geleden ook met veel tegenzin onderdelen van de gasgestookte centrale van Engie in de Eemshaven in de mottenballen leggen. Inmiddels mag hij ze er gelukkig weer uithalen, omdat de sterren voor gasgestookte stroom inmiddels een stuk beter staan.

Olie uit Rusland

Of GPA weer in die positie komt, is maar zeer de vraag. In de stillegging van de raffinaderij lijkt veel tragiek van de huidige crisis bij elkaar te komen. Al jaren hangt het zwaard van Damocles boven de Europese raffinagesector. Er is sprake van overcapaciteit. En het lijkt er op dat de huidige crisis de langverwachte shake out definitief in gang zet. Grote geïntegreerde raffinaderijen in Rotterdam en Antwerpen van Exxon, Shell en Total hebben de afgelopen jaren daarom belangrijke moderniseringsslagen gemaakt. En ontspringen daardoor de dans. Waar kerosine en benzine een enorme vraagval hebben, kunnen deze raffinaderijen nog steeds andere producten kwijt, waaronder nafta voor de chemie en diesel voor de vitale sectoren.

Daarbovenop komt dat Gunvor in Antwerpen de te raffineren olie voornamelijk uit Rusland haalt. Juist die olie is duurder geworden. Die is minder beschikbaar door geopolitieke sancties tegen Iran en Venezuela.

Opslagterminal

Even leek ook de raffinaderij van Gunvor in Rotterdam het loodje te leggen. Maar na uitstel is vorige maand toch een grote turnaround van start gegaan. Daardoor lijkt het voorbestaan van deze raffinaderij voor de komende interval van vijf jaar geborgd. Het lijkt erop dat het hoofdkantoor van Gunvor de afgelopen maanden heeft moeten kiezen. De raffinaderijen in Rotterdam en het Duitse Ingolstadt blijven open, die in Antwerpen niet.

Kenmerkend is dat de directie benadrukt dat het collectief ontslag geen impact heeft op de terminalactiviteiten van GPA. Dat Gunvor de installaties in de mottenballen legt, betekent dat ze een heropstart niet uitsluit. Maar het lijkt er het meest op dat de site uitgekleed doorgaat als opslagterminal. Immers in tijden van enorme onbalans, zoals nu in de huidige crisis, is de vraag naar opslag het grootst. De bemensing van een dergelijke terminal kan Gunvor af met misschien tien procent van het werknemersbestand.

 

 

 

Een nieuwe pijpleiding tussen Antwerpen en het Ruhrgebied dat de chemiebedrijven in Vlaanderen ondergronds verbindt met de chemie-industrie in Nederlands Limburg en Duitsland. Dat zou zowel ecologisch als economisch een goede zaak zijn. Sectorfederatie Essenscia Vlaanderen reageert positief op de beslissing van Vlaamse minister van Omgeving Zuhal Demir om de procedures hiervoor op te starten.

Pijpleidingen halen jaarlijks tienduizenden vrachtwagens van de weg. Ze zorgen voor veilige extra transportcapaciteit en versterken de concurrentiekracht van de Antwerpse haven en de chemiesector in Vlaanderen.

Logistieke troef

Pijpleidingen zijn al decennialang de onzichtbare logistieke troef van de chemiesector in de Antwerpse haven en de rest van Vlaanderen. Het is een essentieel transportmiddel voor de veilige, filevrije en milieuvriendelijke aan- en afvoer van allerlei grondstoffen, chemieproducten en industriële gassen, zoals zuurstof of stikstof. De bestaande pijpleiding Antwerpen-Limburg-Luik zorgt jaarlijks voor zowat 100.000 vrachtwagens minder op de weg tussen de Antwerpse haven en Chemelot in Geleen.

De verbinding tussen Europa’s grootste chemiecluster in de haven van Antwerpen en Chemelot is een cruciale route voor nieuwe pijpleidingen. Vele chemiebedrijven langs het Albertkanaal in Geel, Meerhout, Beringen en Tessenderlo kunnen op dit netwerk aansluiten. Bovendien is dit tracé van strategisch belang voor de verbinding met het Duitse Ruhrgebied en het BASF-complex in Ludwigshafen.

Cruciale rol in energietransitie

Voor de verdere economische groei van de chemiesector in Vlaanderen is bijkomende ruimte voor pijpleidingen een absolute noodzaak. Dit heeft logistieke en maatschappelijke voordelen. Door een voorkeurstraject af te bakenen en dit wettelijk vast te leggen ontstaat een gereserveerde strook voor pijpleidingen. Ook infrastructuur zoals kabels, rioleringen of andere nutsvoorzieningen kunnen snel en efficiënt ondergronds gebundeld worden. Bovendien spelen pijpleidingen de komende jaren een cruciale rol in de energietransitie. Denk daarbij aan het transport van waterstof of CO2.

Frank Beckx, gedelegeerd bestuurder Essenscia vlaanderen: ‘Pijpleidingen zijn op ecologisch vlak een van de beste transportkeuzes. Ze zorgen voor minder verkeer, minder uitstoot en ze veroorzaken geen visuele, geluids- of geurhinder. Ze zijn ook ontzettend belangrijk voor de internationale concurrentiepositie van de Antwerpse haven en de chemiesector in Vlaanderen. Door op korte termijn ruimte te reserveren voor extra pijpleidingen tussen Antwerpen en Geleen verankeren we de logistieke infrastructuur én de werkgelegenheid in de chemie op lange termijn. Een wettelijk vastgelegde gereserveerde strook zal de realisatie van nieuwe pijpleidingen ook aanzienlijk versnellen. Dat biedt de chemiesector en de Vlaamse economie een concurrentievoordeel.’

Samenwerking verder uitgebouwd

Eind vorig jaar al bereikten acht internationale chemiebedrijven (BASF, Borealis, BP, Dow, Evonik, Ineos, LyondellBasell en Sabic), samen met de havens van Antwerpen en Rotterdam, een samenwerkingsakkoord. Dit focust op verdere uitbouw van de pijpleidingeninfrastructuur tussen Vlaanderen, Nederland en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen.

Op die manier kan de bevoorradingszekerheid van een van de belangrijkste industriële sectoren in Europa – goed voor meer dan 350.000 banen en een omzet van 180 miljard euro – op een milieuvriendelijke manier worden gewaarborgd. Het initiatief past in de trilaterale chemiestrategie. De overheden van Vlaanderen, Nederland en Noordrijn-Westfalen maken hun onderling sterk verbonden chemiesectoren tot drijvende kracht van een duurzame wereldeconomie.

Al decennialang wordt er zo nu en dan gefilosofeerd over een hechtere samenwerking tussen de havens van Antwerpen en Rotterdam. Heel soms wordt het woord fusie in de mond genomen, om vervolgens weer snel over te gaan tot de orde van de dag. Wat dat betreft waren Gent en Zeeland doortastender.

In 1999 vroeg Petrochem aan de toenmalige schepen (wethouder) van Antwerpen Leo Baron Delwaide of er niet een grensoverschrijdend havenbedrijf moet komen. Om de industriële belangen in Nederland en Vlaanderen internationaal beter te verdedigen. ‘U bedoelt een Delta-havenbedrijf? Dat is een mooie droom waar we zeker aan moeten denken’, antwoordde hij.

Hij was ook zo realistisch dat hij een fysieke samensmelting van havenbedrijven niet meer tijdens zijn ambtstermijn mee zou maken. ‘Ik ben natuurlijk een oude man, maar mijn jonge opvolger komt nog eens voor de beslissing te staan of er een enkel havenbedrijf moet komen voor alle havens in de hele Delta.’

Maar dat de havens van Rotterdam niet alleen elkaars concurrenten waren, maar elkaar ook zeer konden versterken, was hem toen al duidelijk. Of zoals hij het zelf mooi verwoordde: ‘Ik weet geen voorbeeld van Antwerpen, noch van Rotterdam, dat de opgang van de een ten koste ging van de ander. De activiteiten van beide gebieden versterken elkaar juist.’

Diplomatiek signaal

Ook zijn opvolger als schepen van de haven, Marc van Peel, heeft uiteindelijk niet voor de beslissing gestaan voor een eventuele fusie. Integendeel misschien wel. Van Peel, die vorig jaar afscheid nam, heeft eerder een tijdje op voet van ‘oorlog’ gestaan met zijn noorderburen. Belangrijkste dispuut was de uitdieping van de Westerschelde. Zomer 2009 bepaalde namelijk de Nederlandse Raad van State dat de vaargeul van de Westerschelde voorlopig niet mocht worden verruimd en verdiept omdat onduidelijk was welke gevolgen dat werk had voor de natuurlijke waarden. In een verdrag met Vlaanderen had de Nederlandse regering zich verplicht de Westerschelde beter bevaarbaar te maken voor grote schepen die de haven van Antwerpen wilden aandoen.

De Vlamingen reageerden furieus, met Marc van Peel voorop. Hij stelde zelfs voor om voor om de Zeeuwse mosselen te boycotten. Er werd gesuggereerd dat niet de Nederlandse milieubeweging, maar het Rotterdamse havenbedrijf hierachter zat. Ook de Vlaamse regering was ontstemd. De uitspraak van de Raad van State was reden voor de Vlaamse minister-president Kris Peeters om de Nederlandse ambassadeur te ontbieden. Een zwaar diplomatiek signaal.

Uiteindelijk ging kabinet Balkenende overstag en is in 2010 de uitdieping begonnen. Toch ging het nog niet helemaal zonder slag of stoot. Volgens het verdrag zou Nederland de Hedwigespolder onder water zetten als compensatie voor de uitdieping. Kabinet Rutte I kwam daar echter op terug. Het geduld van Vlaanderen was in 2012 daarom wederom op, waarna de Vlaamse regering een procedure startte om Nederland alsnog te dwingen de polder onder water te zetten. In 2015 stopten de Vlamingen deze procedure echter.

Oliehaven

De concurrentie tussen Rotterdam en Antwerpen springt nog steeds meer in het oog dan de onderlinge synergie en samenwerking. Dat bleek afgelopen jaren maar weer toen zowel Antwerpen als Rotterdam naar de hand van Ineos dongen. Uiteindelijk koos het chemiebedrijf in januari 2019 voor Antwerpen om drie miljard euro te investeren in een ethaankraker en een installatie voor de productie van propyleen.

Ineos-directeur Hans Casier verbaasde zich in een interview in Petrochem over de discussie die vervolgens losbarstte in de Nederlandse pers. Bedrijven zouden de Rotterdamse haven mijden vanwege het Nederlandse klimaatbeleid, was de teneur. Casier: ‘Dat is bij ons onderzoek nooit aan bod gekomen. Rotterdam had bovendien een heel sterk dossier. Het concrete aanbod was misschien zelfs iets beter dan dat van Antwerpen.’ Doorslaggevend was dat er bij vestiging in Rotterdam additionele infrastructuur nodig is. De eigen, bestaande installaties van Ineos in Antwerpen zijn straks immers de belangrijkste afnemers van ethyleen en propyleen uit de nieuwe fabrieken. Door te investeren in Antwerpen is geen extra transport nodig.

Wel bijzonder van deze investering is dat de grondstoffen, de schaliegassen ethaan en propaan straks direct in de Antwerpse haven in vloeibare vorm per schip aankomen. Dat zou nog weleens een deuk in de synergie tussen Rotterdam en Antwerpen kunnen opleveren. Immers Rotterdam is toch de oliehaven en veel, zo niet bijna alle grondstoffen voor de Antwerpse chemie komen via de Rotterdamse haven binnen en gaan vervolgens met name via de uitgebreide pijpleidinginfrastructuur naar het zuiden.

Trilateraal

Je zou dus kunnen zeggen dat de samenwerking tussen Antwerpen en Rotterdam de afgelopen decennia niet veel hechter is geworden. Toch wordt er op landelijk en gewestelijk niveau wel toenadering gezocht, ook met Noordrijn-Westfalen. Twee jaar geleden maakten overheden van Vlaanderen, Nederland en Noordrijn-Westfalen bekend nauw te gaan samenwerken om de chemische industrie verder uit te bouwen. Met een tewerkstelling van meer dan 350.000 mensen en een gezamenlijke omzet van 180 miljard euro is de regio goed voor twintig procent van de Europese chemie. Doel is om het chemiecluster in het hart van Europa aantrekkelijk te houden voor nieuwe investeringen. Daarvoor wordt een trilaterale samenwerking opgezet tussen overheid, industrie en academische wereld in de drie regio’s.

Tonnen-fetisj

Opvallend is verder dat waar Rotterdam en Antwerpen niet dichter bij elkaar zijn gekomen, er wel een ander grensoverschrijdend havenbedrijf is ontstaan: North Sea Port. Per 1 januari 2018 gingen Zeeland Seaports en Havenbedrijf Gent samen. ‘De gebieden sluiten naadloos aan’, stelde CEO Daan Schalck van Havenbedrijf Gent twee jaar geleden in Petrochem. ‘We hebben een onderzoek laten uitvoeren door McKinsey. Daarin werd ook de vraag gesteld wat er zou gebeuren als Gent met Antwerpen zou fuseren. Dat lijkt misschien een voor de hand liggende keuze, maar dat is het niet. In havens als Antwerpen en Rotterdam wordt bijna alles afgemeten aan de opslag en doorvoer van containers. Zowel Gent als Zeeland willen deze tonnen-fetisj juist loslaten. We richten ons allebei veel meer op de toevoegende waarde van de industrie. Na de fusie worden we straks de derde industriehaven van Europa. Voor op- en overslag blijven we rond de tiende plaats steken. Zou Gent samengaan met Antwerpen of Zeeland met Rotterdam, dan zouden we te veel worden meegesleurd in de jacht naar meer tonnen.’

Deze redenering volgend, zou een samensmelting met Moerdijk en bijvoorbeeld Bergen op Zoom een logische vervolgstap kunnen zijn. Schalck (in 2017): ‘Zeker een interessante gedachte, maar laten we vooral niet op de zaken vooruitlopen. De eerste stap is al moeilijk genoeg. Er zijn veel overheden betrokken bij de voorgenomen fusie. En laten we eerst strategisch nog maar interessanter worden. Eerst groeien, daarna verder kijken.’

De havens van Antwerpen en Zeebrugge starten onderhandelingen over een mogelijke fusie. Uit onderzoek is gebleken dat verregaande samenwerking beide havens robuuster maakt op bestaande domeinen, werkgelegenheid verankert, de rol in de regio versterkt. Daarnaast kunnen de havens door een fusie sneller en beter in kunnen spelen op toekomstige uitdagingen.

Sinds begin 2018 voeren de havenbesturen van Antwerpen en Zeebrugge gesprekken met het oog op intensievere samenwerking. Deze gesprekken vormden de aanleiding voor een gezamenlijk economisch complementariteits- en robuustheidsonderzoek aan consultancybureau Deloitte en Laga. Daaruit bleek dat lopende samenwerkingen tussen beide havens weinig impact hebben omwille van bestaande concurrentie, een te beperkte scope en weinig engagement. Beide havens zijn echter in hoge mate complementair en delen dezelfde externe uitdagingen.

Win-win

Uit het onderzoek blijkt dat verregaande samenwerking beide havens robuuster maakt op bestaande domeinen, werkgelegenheid verankert en de rol in de regio, en bij uitbreiding internationaal, versterkt. Daarnaast laat verregaande samenwerking toe sneller en beter in te spelen op toekomstige uitdagingen zoals schaalvergroting, energietransitie, innovatie en digitalisering. Ook het cliënteel van beide havens staat positief ten opzichte van verregaande samenwerking. Deloitte concludeert dat samenwerking enkel win-win oplevert voor beide havens als wordt ingezet op verregaande integratie tussen beide havenbesturen.
De havens zijn nu gesprekken gestart ‘met het oog op een (gefaseerde) opbouw van een mogelijke fusie’. De verwachting is dat het gehele traject een doorlooptijd van twee jaar heeft.

BASF investeert meer dan vijfhonderd miljoen euro in haar Antwerpse Verbund-site. Het bedrijf bouwt er een tweede grote ethyleenoxide-fabriek en investeert daarnaast in verschillende installaties voor ethyleenoxide-derivaten. De gefaseerde opstart van de nieuwe installaties begint in 2022.

BASF breidt hiermee de productiecapaciteit van ethyleenoxide en ethyleenoxide-derivaten in Antwerpen uit. Daarmee verhoogt het concern de productiecapaciteit met zo’n vierhonderdduizend ton per jaar. De uitbreidingen in derivaten omvatten niet-ionische surfactanten, glycolethers voor toepassingen in de automobielsector en andere alkoxylaten. Met een uitbreiding van de methyltriglycol-capaciteit kan BASF aan de groeiende behoefte van hoogwaardige remvloeistoffen in Europa en Azië voldoen.

BASF heeft momenteel Europese ethyleenoxide-installaties in Antwerpen en Ludwigshafen met een totale capaciteit van 845.000 ton per jaar. Daarmee is het concern de grootste producent van ethyleenoxide-derivaten in deze regio.