De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) verdenkt een groot internationaal testlaboratorium van het grootschalig vervalsen van analyseresultaten. Het bedrijf levert inspecties, analyses en certificeringen aan bedrijven die producten ontwikkelen voor de olie-, gas-, chemicaliën- en agro-industrie, zoals brandstoffen.

De ILT-IOD heeft aanwijzingen dat het bedrijf niet integer handelt en monsters manipuleert of analyses aanpast, met als oogmerk financieel gewin voor de betrokken bedrijven. Gesjoemel met uitkomsten maakt dat geteste producten in werkelijkheid (veel) schadelijker voor mens en milieu kunnen zijn.

Een testlaboratorium hoort onafhankelijk en onbevooroordeeld te testen en analyseren, stelt ILT-IOD in een persbericht. Uitkomsten van deze analyses bepalen wat de risico’s voor de gezondheid van mensen, of schade of gevaren voor de leefomgeving en het milieu zijn. De integriteit van testen van laboratoriummonsters en onderzoeksrapporten zijn dus cruciaal.

De ILT-IOD heeft bij doorzoekingen op twee vestigingslocaties van het bedrijf gegevensdragers en administratie in beslag genomen. Er zijn geen aanhoudingen verricht.

Na vier jaar werden onlangs de resultaten gepresenteerd vanuit het Nederlands-Duitse project LNG Pilots. Het project richtte zich op de versnelde introductie van LNG (Liquefied Natural Gas) als alternatieve brandstof in het goederentransport over de weg en over water in de grensregio. Marktpartijen zijn ervan overtuigd dat (Bio) LNG een effectief middel is om zwaar transport te vergroenen. Daarnaast zijn vervoerders bereid om investeringen te doen in hun wagenpark om over te stappen op LNG.

In 2018 stootte de Nederlandse transportsector 26 miljard CO2-equivalenten aan broeikasgassen uit. Dat is 12 procent van de totale broeikasgasuitstoot door de Nederlandse economie. Binnen de transportsector veroorzaakt de luchtvaart bijna de helft van broeikasgasemissies (49 procent), gevolgd door vervoer over water (zeevaart en binnenvaart) (26 procent) en vervoer over de weg (21 procent). Het mag dus duidelijk zijn dat er winst te behalen is in het terugdringen van emissies in het goederenvervoer.

Het LNG Pilots-project moest een aanzet geven voor de opbouw van een LNG-infrastructuur in Nederland en Duitsland, een markt creëren en technische ontwikkelingen doorvoeren. In het project is samengewerkt door bedrijven, kennisinstellingen en belangenorganisaties. Er is onder andere een analyses voor een trimodale infrastructuur – zwaar vrachtverkeer, binnenschepen en industriële toepassingen – in havens en bedrijventerreinen uitgevoerd. Verder zijn de mogelijkheden van het gebruik van Bio-LNG onderzocht en werden logistieke concepten voor het grensgebied ontwikkeld. Ook zijn diverse technologische toepassingen en innovaties in kaart gebracht en aangejaagd, zoals bijvoorbeeld:

  • Robotisering van het LNG tankproces door Rotec Engineering: robotisering moet het tanken veiliger maken. De chauffeur hoeft met deze toepassing niet meer uit de cabine te stappen om zelf te tanken. De robot is bijna marktrijp en de prototype-fase is bijna afgerond. Marktpartijen hebben reeds interesse getoond in de robotarm om deze toe te kunnen passen in hun eigen tankstations.
  • Dual Fuel-motor door Prins Autogas, HAN en GWI: de laatste ontwikkeling is dat een nieuwe katalysator de methaanslip voor een substantieel deel kan wegnemen. Hiermee zijn we een stap dichterbij de realisatie van een dual fuel-motor die de weg op mag. Dual fuel is een tussenstap om tot een volledige LNG-infrastructuur te komen. Totdat er een volledige LNG-infrastructuur tot stand is gekomen, kan de dual fuel-toepassing deze tijd overbruggen. De motor kan toegepast worden op oude vrachtwagens of als alternatief dienen voor de – nu nog – hoge investering van een LNG-vrachtwagen.
  • Mobiele walstroom op LNG door Mobiele Stroom en DST: partijen hebben voor de scheepvaart een mobiele walstroomunit ontwikkeld die op basis van LNG stroom kan opwekken maar daarnaast ook koude en warmte kan produceren.

LNG Pilots wordt gezien als een goede opstart om het gebruik van LNG verder van de grond te krijgen in de grensregio. Het zal nu verder door de markt opgepakt moeten worden. De weg is grotendeels geplaveid. Uiteindelijk zal Bio-LNG de brandstof worden. Het nog fossiele LNG is een tussenstap.

LNG Pilots is een INTERREG VA-project. LNG Pilots (Liquefied Natural Gas Project voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor de transport- en industriële sectoren) wordt uitgevoerd door een consortium van 41 partners uit Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Nederland. Energy Valley-part-of-New Energy Coalition is lead partner.

In de klimaatdiscussie is de internationale transportsector tot nog toe redelijk uit de wind gehouden. En dit terwijl luchtvaart, zeescheepvaart en wegtransport een behoorlijk deel van de totale CO2-uitstoot voor hun rekening nemen. Verduurzaming van deze sector is lastig omdat met name de luchtvaart en zeescheepvaart internationaal opereert. Maar ook omdat de duurzame alternatieven voor fossiele brandstoffen nog niet concurrerend zijn. Dat laatste zal volgens het Platform Duurzame Biobrandstoffen moeten veranderen.

Bij het klimaatoverleg in Parijs bepaalden de deelnemende landen dat ook de transportsector in 2050 zijn CO2-uitstoot tot bijna nul moet terugdringen. Het Platform Duurzame Biobrandstoffen heeft er vertrouwen in dat dit technisch mogelijk is. Maar of het einddoel ook daadwerkelijk wordt gehaald, is met name afhankelijk van politieke wil.

Eric van den Heuvel en Loes Knotter van het Platform Duurzame Biobrandstoffen zien een duidelijk transitiepad voor zich. Waar de Nederlandse transportsector in 2018 nog 494 pètajoule aan fossiele brandstoffen gebruikte, zou ze dit tot 2030 moeten afbouwen naar zo’n driehonderd pètajoule. In 2040 zou dan nog maar 150 pètajoule fossiel nodig zijn om dit in tien jaar af te bouwen tot nul.

Hoe dit gaat gebeuren, ligt wat minder definitief vast, maar dat biobrandstoffen daar een belangrijke rol in gaan spelen, is duidelijk. Knotter: ‘Het personenvervoer kan redelijk eenvoudig overstappen naar elektrische mobiliteit. Zowel met meer treinen, elektrische fietsen als elektrische auto’s. De intensiteit van de energievraag van luchtvaart, scheepsvaart en wegtransport is echter zo groot dat moleculen nog steeds de beste optie zijn. Biobrandstoffen zijn dan een belangrijk onderdeel van de nieuwe energiemix.’

Geavanceerd

Bijkomende uitdaging is dat de Europese Commissie als aanvullende eis stelt dat 3,5 procent van het totale energievolume in 2030 moet komen van zogenaamde geavanceerde brandstoffen. Knotter: ‘Geavanceerd wordt bepaald door de grondstof. Planten bevatten onverteerbare delen zoals hemi- en lignocellulose. De Europese Commissie eist dat een deel van de biobrandstoffen vooral uit deze afval- en resttsromen komt. Die reststromen zou je kunnen vergassen, vergisten of via bestaande chemische processen, zoals Fischer-Tropsch synthese, naar brandstoffen kunnen converteren. Daarmee gebruik je resten die anders zouden worden verbrand of op het veld blijven rotten.´

De uitdaging die de Europese Commissie neerlegt bij zijn lidstaten, is tevens een kans voor het Nederlandse petrochemisch complex. ‘Nederland heeft al veel kennis en ervaring op het gebied van biomassaconversie’, zegt Van den Heuvel. ‘Maar we hebben ook een grote installed base die redelijk eenvoudig is om te bouwen naar een nieuwe, biologische grondstof. Als we als Nederland de keuze maken een hoofdrol te spelen in de bioraffinage, hebben we wel de hele keten nodig. Dat begint bij een transparante, duurzame aanvoerroute van biomassa en eindigt bij brandstofsystemen die kunnen omgaan met flexifuels. De petrochemische industrie zit daar ergens middenin, maar kan wel eens de sector zijn die het meest profiteert van de omschakeling. Want behalve voor brandstoffen, zal de petrochemische industrie ook alternatieve feedstocks moeten vinden voor de koolstofchemie. Als ze op tijd aanhaakt, kan dat een behoorlijk concurrentievoordeel opleveren. We willen dan ook een oproep doen aan deze industrietak om vooral aan de bal te blijven en nu al mee te denken over een duurzame chemische industrie.’

Ketensamenwerking

Een van de partners van het Platform Duurzame Biobrandstoffen is ECN part of TNO. Programmamanager Biomassa Jaap Kiel ziet dezelfde kansen voor de chemische industrie, mits de hele keten op een lijn komt te staan. ´We zitten op het randgebied van de food- en agrosector, de chemische sector, de transportbranche en de energiebranche. Samenwerking tussen die sectoren is essentieel om ervoor te zorgen dat we de juiste producten ontwikkelen voor de juiste toepassing. En dat tegen de laagste kosten. Wij zelf bundelen onze krachten met bijvoorbeeld de Wageningen Universiteit om de juiste gewassen en reststromen te gebruiken voor de juiste brandstoffen of chemische grondstoffen. Vervolgens bepaalt de grondstof welke technologie we het beste kunnen inzetten. Zo ontwikkelde ECN al de Milena en Olga technologie waarmee zowat alle soorten biomassa kan worden vergast en opgewerkt tot aardgaskwaliteit. Maar je kunt ook denken aan pyrolyse olie of bijvoorbeeld Fischer Tropsch Diesel. We zien ook goede kansen voor Dimethyl ether (DME, red.), wat een schoon alternatief biedt voor diesel en LPG.’

Flexifuels

Als laatste wil het Platform Duurzame Biobrandstoffen ook de motorfabrikanten betrekken bij de ontwikkelingen. ‘Het is toch raar dat er nog auto’s worden opgeleverd die niet op flexifuels kunnen rijden’, zegt Knotter. ‘Met minieme aanpassingen kunnen auto’s op 85 procent ethanol rijden. Daar rijdt men in Brazilië al op. Ook in Nederland hebben autofabrikanten voertuigen voor deze brandstof geleverd. De automobielindustrie vertrekt nu nog teveel van fossiele brandstoffen en overweegt alleen de inzet van biobrandstoffen als deze aan dezelfde specificaties voldoen. Dat is op den duur niet meer houdbaar. Hetzelfde geldt voor de luchtvaart als de scheepsvaart: als we gezamenlijk naar duurzame alternatieven zoeken voor zware stookolie en kerosine, is tegelijk de motorenkant nodig om de route van innovatie naar toepassing te versnellen. Er is haast geboden om de emissiedoelstellingen te halen. We zullen de ketens dan ook moeten koppelen.’

 

European Industry & Energy Summit

Tijdens de European Industry & Energy Summit op 10 en 11 december in de Kromhouthal in Amsterdam, organiseert Platform Duurzame Biobrandstoffen samen met ECN part of TNO op dinsdag 10 december een side event over Geavanceerde biobrandstoffen. Kijk op de site voor meer achtergrondinformatie over het zeer interessante programma en schrijf u in.

Het afgelopen jaar hebben Europese onderzoeksinstituten tien kilo bio-ethanol en acht kilo bio-butanol uit zeewier geproduceerd. Daarop heeft een personenauto de eerste tachtig kilometer gereden. Daarmee is het Europese project MacroFuels is er in geslaagd om volwaardige brandstof uit zeewier te maken. 

Met het vorig jaar geopende zeewierlaboratorium leverde TNO een belangrijke bijdrage.  In het MacroFuels-project bewerkte TNO in het laboratorium de zeewier tot een grondstof voor de productie van deze brandstoffen. Deze grondstof is vervolgens door partner Universiteit Wageningen omgezet in biobutanol. Danish Technological Institute (DTI) heeft de bio-ethanol uit zeewier geproduceerd.

Filerijden

Door de biobrandstoffen te mengen met fossiele brandstoffen zijn E10- en B10-brandstof geproduceerd (10 procent biobrandstof bijgemengd) waar hedendaagse auto’s op kunnen rijden. In totaal is er circa honderd liter brandstof met bio-ethanol aangemaakt en werd ook honderd liter brandstof gemengd met bio-butanol. Vervolgens zijn er rijtesten met een personenauto op de weg in Denemarken uitgevoerd. Diverse soorten rijgedrag, van filerijden tot op de snelweg rijden, werden getest. Aangetoond werd dat de “zeewierbrandstoffen” hetzelfde werken als de reguliere brandstoffen, in termen van gebruik en emissies. Het doel is om aan te tonen dat het assortiment duurzame brandstoffen uitgebreid kan worden met de grondstof zeewier.

Bioraffinaderijen

Het TNO zeewier programma zal zich de komende jaren richten op optimalisering van het proces om biobrandstoffen te produceren zodat opschaling en kostenbesparing mogelijk wordt. Het doel van de Hernieuwbare energie EU richtlijn is om in 2030 in het transport (luchtvaart, zwaar wegverkeer en binnenvaart veertien procent hernieuwbare brandstoffen te gebruiken waarvan 3,5 procent geavanceerde biobrandstoffen zoals die uit zeewier. Dit betekent dat er dan 175-350 bioraffinaderijen in Europa moeten staan. TNO zal de komende jaren een bijdrage blijven leveren met het onderzoek in het zeewierlaboratorium.

Bioplastics

De combinatie van de productie van biobrandstoffen met andere hoogwaardige producten uit zeewier is een veelbelovend vooruitzicht. De kennis die TNO heeft ontwikkeld in het zeewierlaboratorium is toepaspaar voor een breed scala aan zeewiertoepassingen van voedingsmiddelen, bioplastics tot biobrandstoffen.

Het sinds 2013 op de Green Chemistry Campus gevestigde bedrijf Nettenergy produceerde een belangrijke grondstof voor scheepsbrandstof op basis van lignine.

Nettenergy produceerde in de nieuwe demo facility van de Campus een eerste batch lignine-olie met behulp van haar PyroFine technology. Dit is een pyrolyseproces dat lignine omzet in biokool, pyrolyse olie, houtazijn en houtgas. Lignine is de stof die planten en bomen stevigheid geeft en het is de op twee na meest voorkomende bron van hernieuwbare koolstof op aarde.

Duurzaam alternatief

Lignine-olie kan niet alleen worden toegepast in scheepsbrandstoffen, maar kan ook als basis dienen voor bio-aromaten. Aromaten zijn een van de belangrijkste stoffen voor de chemische industrie. Veertig procent van alle chemicaliën is aromatisch van aard en aromaten worden onder meer toegepast in plastics, verven en coatings. Tot op heden hebben vrijwel alle aromaten een fossiele basis, met alle negatieve gevolgen voor het klimaat van dien

SCeLio-4B

Nettenergy ontwikkelde de scheepsbrandstof binnen het SCeLio-4B project waar ook de Green Chemistry Campus een van de partners is. Binnen dit project onderzoeken de projectpartners hoe uit plantaardige grondstoffen zoals suiker, cellulose en houtstof bouwstenen voor bijvoorbeeld brandstof, asfalt of dakbedekking kunnen worden gemaakt.

Swinkels (voorheen Bavaria) gaat als proef metaalpoeder gebruiken als duurzame brandstof om stoom te produceren voor haar brouwproces. De proefinstallatie wordt mogelijk gemaakt door een financiering van 2,4 miljoen euro. De provincie Noord-Brabant legt daarvan 1 miljoen euro bij. De installatie moet in juli dit jaar werken.

De installatie gaat stoom leveren aan het stoomnetwerk van Swinkels en zal goed zijn voor 100 kW. Dit komt overeen met het vermogen van de cv-ketels van vijf huishoudens. Het doel van dit project is vooral het aantonen van de potentie van de installatie, met het oog op verder onderzoek naar de technologie. De installatie wordt gebouwd door de TU Eindhoven, Metalot en de technologiebedrijven EMGroup, Romico en HeatPower.

Circulair proces

Studenten en onderzoekers van de TU Eindhoven hebben een systeem ontworpen om de energie die vrijkomt bij het verbranden van metaalpoeder, praktisch te gebruiken. Daarmee pakken ze twee problemen aan: het opslaan van energie en het vermijden van CO2-uitstoot. De energie die vrij komt, kan gebruikt worden voor het opwekken van stoom, dat weer stoomturbines kan aandrijven voor elektriciteit of aandrijvingen van industriële processen. Dit is een circulair proces, doordat het roestpoeder gemakkelijk is af te vangen en met duurzaam opgewekte energie weer kan worden ‘geregenereerd’ tot schoon metaalpoeder.

Lees in het digitale magazine Het Nieuwe Produceren (van ons collega-platform) een uitgebreid artikel over metaal als brandstof.

Foto: Bart van Overbeeke/TU Eindhoven

Met veel energie kan CO2 worden omgezet in koolwaterstoffen. Ofwel brandstoffen en bouwstenen voor de chemie. Een belangrijkste stap hierbij is het omzetten van CO2 naar CO. Dat kan zeer efficiënt met een plasma. Fysicus Bart Klarenaar ontrafelde het proces en promoveerde cum laude aan de TU Eindhoven op zijn onderzoek.

Voor een succesvolle toepassing van deze methode is het van belang de omzetting van CO2 naar CO te optimaliseren, deze stap kost de meeste energie. Een relatief nieuwe manier is om dit in een plasma te doen – een gas met geladen deeltjes – waarin de CO2-moleculen door botsingen met elektronen, en met elkaar, aan het trillen worden gebracht. Dat is in theorie veel energiezuiniger dan het alternatief, waarbij je het hele gas verwarmt.

Trillingen en rotaties

Om deze splitsing van CO2 met plasma te optimaliseren is een gedetailleerd, fundamenteel inzicht in dit proces nodig. Tijdens zijn promotieonderzoek heeft Bart Klarenaar daar een aantal belangrijke stappen in gezet. Met verschillende spectroscopische technieken legde hij in detail de karakteristiek bloot van de trillingen en rotaties van de CO2-moleculen tijdens de opwarming door het plasma. Hiermee kunnen andere onderzoekers de plasma’s optimaler laten functioneren.

Binnen het Flexnode-project is een omkeerbare brandstofcelsysteem gebouwd waarbij niet alleen elektriciteit uit waterstof kan worden geproduceerd, maar ook andersom. Op die manier kunnen overschotten duurzame energie worden opgeslagen. Het gaat om een testopstelling op het Entrance-terrein in Groningen.

Het zogenoemde reversibel waterstof brandstofcelsysteem (RBC) bestaat uit een 5,5 kWe electrolyzer voor het produceren van waterstof uit water en een 1 kWe brandstofcel voor het genereren van elektriciteit uit waterstof. Geproduceerd waterstof wordt opgeslagen in een opslagtank van 850L en druk van ca. 50 bar zonder gebruik te maken van extra compressiestappen.

Overschotten

Het technische doel van het project is het bouwen van een proof-of-concept van een RBC met waterstofopslag. Dergelijke installaties kunnen de energietransitie zo kosteneffectief mogelijk maken. Op verschillende plaatsen in de energie-infrastructuur kunnen dergelijke installaties overschotten van duurzame energie opslaan Zo kan een RBC gebouwen grotendeels zelfvoorzienend maken in hun energieverbruik. Overschotten aan duurzaam opgewekte energie uit bijvoorbeeld zon of wind kunnen worden opgeslagen in waterstof en weer worden ingezet als de vraag groter dan het aanbod.

Regelstrategie

Nu de opstelling wordt de komende uitvoerig getest. Tegelijkertijd wordt voor verschillende concrete toepassingen onderzocht wat de kosten zijn en de waarde vanuit verschillende aspecten, zoals de flexibiliteit. Belangrijk voor de marktintroductie zijn een correcte dimensionering per toepassing en een optimale regelstrategie.

Het project wordt uitgevoerd door het consortium bestaande uit de Hanzehogeschool, Gasunie, GasTerra, Alliander, Hydron Energy, Jules Energy en BlueTerra en wordt gesubsidieerd door het programma TKI Systeemintegratie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

In de haven van Amsterdam is gestart met de bouw van een nieuwe fabriek die niet-recyclebaar plastic gaat omzetten in brandstof voor de transportsector waarmee op jaarlijkse basis 57.000 ton CO₂-uitstoot wordt bespaard. Het is het eerste project van Bin2Barrel, een Nederlandse onderneming die zich toelegt op het ontwikkelen van ‘Plastic to Fuel’ projecten.

Dankzij deze fabriek krijgen kunststoffen, die niet op een andere manier herbruikbaar zijn, een nuttige toepassing, terwijl tegelijkertijd een duurzamer alternatief wordt geboden voor reguliere transportbrandstoffen. Het einddoel is toepassing van de geproduceerde stoffen in de productie van nieuwe kunststoffen, oftewel ‘chemische recycling’. Hiermee sluit de doelstelling van Bin2Barrel volledig aan op de doelstellingen van de overheid, die chemische recycling onlangs heeft toegevoegd aan het nieuwe LAP (Landelijk Afvalbeheerplan). De fabriek wordt gerealiseerd in samenwerking met Port of Amsterdam en zal naar verwachting vanaf eind dit jaar in werking treden.

Bewezen techniek

De eerste fabriek van Bin2Barrel, gerealiseerd met een investering van ongeveer 28 miljoen euro, gaat per jaar ruim 30 miljoen liter brandstof produceren uit 35.000 ton niet-recyclebaar plastic. Er wordt gebruik gemaakt van een bewezen technologie, die mede dankzij overheidssubsidie voor energie-innovatie (DEI) voor het eerst commercieel wordt ingezet. De stroom niet-recyclebaar plastic is afkomstig van Nederlandse afvalinzamelaars en -verwerkers, die dit door het gebrek aan andere toepassingen normaliter zouden verbranden. Bij verbranding van de geproduceerde brandstof ligt het energetische rendement bijna drie keer hoger (80 procent) dan bij directe verbranding van het plastic in een afvalverbrander (33 procent).
Hoewel de brandstof in potentie ook geschikt is voor andere sectoren, richt Bin2Barrel zich in eerste instantie op verkoop aan de scheepvaart.

Besparing van CO₂-uitstoot 

De verwerking van het niet-recyclebare plastic in de nieuwe fabriek levert een reductie van 57.000 ton CO₂-uitstoot per jaar op ten opzichte van de huidige manier van verwerken. De geproduceerde brandstof is bovendien even duurzaam als biodiesel, wat verder bijdraagt aan het milieu.
Het doel is om uiteindelijk vier fabrieken in de haven van Amsterdam te realiseren, met daarnaast uitbreiding naar de gehele Benelux en Duitsland, om zo de grote hoeveelheden niet-recyclebaar plastic in Europa beter te benutten. Daarbij zal op termijn de focus worden verlegd naar het winnen van waardevolle chemische grondstoffen uit het plastic, in plaats van de productie van brandstoffen.

 

ExxonMobil en Synthetic Genomics hebben deze maand een nieuwe fase aangekondigd in hun gezamenlijke onderzoeksprogramma naar algen als biobrandstof. Daarmee moet het technisch mogelijk worden om in 2025 dagelijks tienduizend vaten algenbiobrandstof te produceren.

Tijdens de nieuwe onderzoeksfase zullen de twee bedrijven veldonderzoek doen waarbij natuurlijk voorkomende algen in verschillende vijvers in Californië zullen worden gekweekt. Zodoende krijgt men meer inzicht in fundamentele technische parameters, waaronder viscositeit en doorstroming, iets wat in een laboratoriumopzet minder goed kan worden nagebootst. De resultaten van dit onderzoek zijn belangrijk om vast te stellen hoe de technologie kan worden opgeschaald ten behoeve van een potentiële commerciële toepassing.

Doorbraak

ExxonMobil en Synthetic Genomics werken sinds 2009 samen aan onderzoek en ontwikkeling van olie uit algen voor een hernieuwbare brandstof met minder CO2-emissies, als alternatief voor brandstoffen van vandaag. In 2017 kondigden zij al een doorbraak aan in hun algenonderzoek. Dit onderzoek resulteerde in een gemodificeerde algenstam waarmee het oliegehalte kon worden verdubbeld zonder dat de algengroei aanzienlijk werd belemmerd – één van de grootste uitdagingen naar een commerciële schaalbaarheid.

De wereldwijde vraag naar transportgerelateerde energie zal tot en met 2040 naar verwachting met ongeveer 25 procent toenemen. Het versneld verlagen van de uitstoot van de transportsector zal een cruciale rol spelen bij het verlagen van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.