Langzaam maar zeker kruipen we uit het dal van de coronacrisis. Die vooruitgang danken we aan de wetenschap die ons met vaccins de wapens geeft om het virus te verslaan. Dat we dit gevecht zullen winnen is vrijwel zeker, de enige onzekerheid is hoe lang dit gevecht nog duurt. Ik ben vooral benieuwd naar wat er daarna gebeurt: gaat de wereld ‘back to normal’, of misschien zelfs in overdrive: alle remmen los? Of zal onze wereld blijvend veranderd zijn, in positieve of in negatieve zin?

Door het virus zijn sommige dingen in zeer korte tijd sterk veranderd. Wat me geweldig opvalt, is hoe gewoon het geworden is om een online vergadering of overleg te houden. Zeker, videoconferencing kon voor de pandemie ook al, maar het was allesbehalve ingeburgerd. Het ging vaak mis en de kwaliteit was ondermaats. Dankzij het virus is dat heel snel verbeterd. Dat is niet het resultaat van nieuwe technologie, maar van de simpele noodzaak tot versnelde uitrol en perfectionering van een bestaande technologie. Het virus heeft die evolutie versneld: de nood creëert de oplossing.

‘Het beleid moet een algemene koolstoftax opleggen, voor iedereen en zonder uitzonderingen, als drijvende kracht achter alle mogelijke oplossingen voor het klimaatprobleem.’

Sleutelfactor

Deze crisis laten we dus straks achter ons, maar de volgende crisis loert al om de hoek. De klimaatcrisis is allesbehalve opgelost en daar bestaat jammer genoeg geen vaccin voor. Of toch: in feite zijn de meeste technologieën voor de oplossing van de klimaatcrisis reeds beschikbaar. Ze worden alleen niet grootschalig uitgerold omdat er in wezen geen vraag naar en behoefte aan is. Zodra die behoefte dringend en dwingend wordt, zal de nood de oplossing creëren, net zoals bij het virus.

Het recept is simpel: plak een prijs op de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen en de markt doet de rest. Dat markmechanisme moet worden gecreëerd door een algemene koolstoftax. Ik heb er al vaak voor gepleit en ik stel tot mijn genoegen vast dat dit idee ondertussen gemeengoed is geworden.

De sleutelfactor vormt hierbij het beleid, de politiek. Die moet een algemene koolstoftax opleggen, voor iedereen en zonder uitzonderingen. Als drijvende kracht achter alle mogelijke oplossingen voor het klimaatprobleem. De nodige schaal van verandering is enorm en zonder marktmechanisme gaat het niet gebeuren.

Doortastend ingrijpen

Dat politici in actie kunnen schieten hebben we al gemerkt. De dadendrang om het virus krachtdadig te bestrijden was enorm. Dat had vooral met de dynamiek van deze crisis te maken. De exponentiële groei van een virus levert een typische J-curve op. Je ziet het eerst langzaam groeien en dan gaat het plots razendsnel de hoogte in. De kunst is om voor dat kritische punt in te grijpen, want daarna heb je het niet meer onder controle. Die dynamiek werd rampzalig gedemonstreerd in Italië en Spanje, wat de leerschool vormde voor de rest van Europa. Jammer genoeg verschilt de dynamiek van de klimaatopwarming erg van de dynamiek van een virusinfectie. De klimaatopwarming is eerder lineair. Het wordt heel langzaam maar zeker warmer, bijna onzichtbaar. Het is duidelijk dat we eigenlijk vroeger hadden moeten ingrijpen. Het is nog niet te laat, maar het wordt wel dringend om doortastend in te grijpen. Iedereen kan zelf vaststellen dat de klimaatverandering niet ergens in de verre toekomst ligt, maar reeds hier en nu grote problemen veroorzaakt.

Oplossing

Het Europese beleid heeft het begrepen en zet sterk in op de ‘green deal’. Een opsteker was ook de nieuwe president van de VS, die prompt na zijn beëdiging zijn land weer in lijn bracht met de rest van de wereld. Ik ben dan ook hoopvol gestemd. Straks kan alles weer vooruit en dan kunnen we echt beginnen bouwen aan een duurzame wereld. Het wordt niet gemakkelijk maar het is perfect mogelijk. Alle elementen van de oplossing zijn reeds voorhanden. We moeten het gewoon doen. Niet praten, maar doen. Net zoals een jaar geleden.

 

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

Niet alleen de luchtvaart en de transportsector over land, maar ook de scheepvaart moet de CO2-uitstoot drastisch gaan verminderen. Als het aan het Europees Parlement ligt, dan moet de maritieme transportbranche in 2030 jaarlijks zeker veertig procent minder uitstoot produceren. Verder komt er een speciaal ‘Oceaanfonds’ om schepen energiezuiniger te maken en te investeren in nieuwe technologieën.

Het Europees Parlement kwam woensdag bijeen in Brussel om te praten over de toestand in de scheepvaart. Die sector is, ondanks de wens van de Europese Commissie, nog lang niet groen genoeg. Daardoor blijft ze achter bij andere transportsectoren. Zodoende wil de Commissie een klimaatrichtlijnen voor de maritieme transportbranche aanscherpen. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) moet rapporteren over de voortgang in het groener maken van de sector. Maar komt volgens parlementariërs haar afspraken nog onvoldoende na.

Verdrag

De IMO werkt momenteel aan een wereldwijd en ambitieus akkoord voor terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen. Maar volgens bepaalde Europarlementariërs gaat dat niet snel genoeg. Zij vragen de Commissie daarom om de integriteit van de IMO-maatregelen te onderzoeken. Zoals het halen van de doelen van het Parijsakkoord. Een internationaal verdrag over broeikasgassenuitstoot van de scheepvaart is dringend nodig, vinden leden van het Europees Parlement. Voortaan gaat de grote maritieme scheepvaart ook Europese emissierechten betalen, zo bepaalde het Europarlement. De grote maritieme scheepvaart deed dat als enige nog niet. Voor alle schepen moet de uitstoot van CO2 sowieso met veertig procent per jaar omlaag. In 2030 moet dit doel bereikt zijn.

Oceaanfonds

Daarnaast willen leden van het Europees Parlement dat er een speciaal ‘Oceaanfonds’. Deze moet worden gefinancierd uit de opbrengsten van emissieveilingen. Het is de bedoeling dat van 2023 tot 2030 geld uit deze pot getrokken kan worden om de scheepvaart energiezuiniger te maken en om in nieuwe technologie te investeren. Verder moet het fonds geld uittrekken voor alternatieve brandstoffen en groene zeehavens. Zeker twintig procent van de inkomsten van het fonds moet worden gebruikt voor het beschermen, herstellen en beheren van mariene ecosystemen die worden beïnvloed door de opwarming van de aarde, zoals koraal.

Sterk signaal

De Nederlandse Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) is tevreden met de bereikte resultaten, maar pleit ook voor meer dadendrang. ‘In de Green Deal heeft de Europese Commissie al aangeven dat het Europese ETS ook moet gelden voor internationale scheepvaart, zonder in te gaan op het wanneer en hoe. Voordat zoiets vervolgens het gehele wetgevende proces doorlopen is, gaat er een heleboel kostbare tijd verloren. Het Europees Parlement vult het daarom nu in en besparen we een hoop tijd. Het is tijd voor daadkracht, scheepvaartemissies lopen de klauwen uit.’

Een overgrote meerderheid van het Europees Parlement stemde donderdag voor de maatregelen. ‘Vandaag sturen we een sterk signaal overeenkomstig met de Green Deal en de klimaatnoodtoestand. Monitoring en rapportage van CO2-uitstoot is belangrijk, maar statistieken alleen besparen geen gram broeikasgas!’ aldus rapporteur en Europarlementariër Jutta Paulus (Groenen) uit Duitsland.

Het overleg tussen de Europese leiders leverde ook doorbraken op rondom ETS en de zogenaamde carbon border adjustment. De emissiebelasting wordt uitgebreid met de luchtvaart en de maritieme sector. En vanaf 2023 zullen bedrijven die goederen willen exporteren naar Europa  importheffing voor hun CO2-uitstoot moeten betalen.

De inzet van het topoverleg tussen de Europese leiders was hoog. Naast de EU-begroting van één biljoen euro voor de periode 2021 tot 2027 lag er ook een voorstel voor een Covid-19 herstelplan van 750 miljard euro. Na lang overleg zijn de ministers het met elkaar eens geworden. Opvallend daarbij is dat twee hete hangijzers ook akkoord zijn bevonden. Zo is de internationaal georiënteerde lucht- en zeevaart lange tijd uit het Emission Trading System (ETS) gehouden. Hoewel er nog geen officiële uitspraken zijn gedaan, moet de Europese Commissie wel een voorstel doen voor een herziene ETS-regeling. Die zou dan mogelijk worden uitgebreid met de tot nog toe uit de wind gehouden sectoren.

Koolstoftaks

Bijzonder interessant is de invoering van een aanpassingsmechanisme dat de invoer van koolstof gaat belasten. ETS-plichtige Europese bedrijven hebben steeds meer moeite te concurreren met producenten uit landen zonder koolstofheffing. De invoerheffing moet de scheve verhoudingen weer rechttrekken. De Europese Commissie krijgt tot de eerste helft van 2021 de tijd om een voorstel voor deze zogenaamde carbon border adjustment in te dienen. Als de lidstaten het eens zijn met de voorstellen zou de invoerheffing in 2023 kunnen worden ingevoerd.

Single-use plastic

De EU zal vanaf 1 januari 2021 tevens een heffing op niet-gerecycleerd kunststofafval invoeren en een digitale belasting op inkomsten uit onlinebedrijven.

Dertig procent naar klimaat

De inkomsten van de belastingen worden onder meer gebruikt om de leningen uit het herstelplan terug te betalen. Daarbij zijn de Europese leiders ook overeengekomen dertig procent van de bedragen uit zowel de begroting als het herstelfonds aan klimaat verbeterende activiteiten te spenderen.

De Nederlandse procesindustrie heeft het er maar moeilijk mee. Het is nog niet geheel duidelijk welk effect het Klimaatakkoord zal hebben, maar eenvoudiger zal het vast niet worden. Het lijkt er in ieder geval op dat er een landelijke CO2-heffing gaat komen. En dat kan de concurrentiepositie aantasten. En dan doemen er nog andere burning platforms op. Zo is er veel onrust over de uitstoot van stikstofverbindingen. Volgens verschillende media zet een recente uitspraak van de Raad van State Nederland momenteel ‘op slot’. 

Lees de volledige column van Wim Raaijen in de digitale editie van Petrochem

De SER presenteerde zijn Nationale klimaataanpak voor regionale industriële koplopers. Hierin geeft de initiatiefnemer van het Klimaatakkoord advies over de invulling van de energietransitie voor de industrie. Opvallend is dat de SER alleen CO2-belasting wil heffen over vermijdbare uitstoot. Verder pleit het adviesorgaan voor versterking van de industrie.

De SER ziet dat de discussie over de terugdringing van broeikasgassen in de industrie zich de laatste tijd vooral toespitst op mogelijke instrumenten. Deze discussie is volgens de SER te beperkt en ontneemt het zicht op de brede doelen van het klimaatakkoord. De SER brengt daarom een breder advies, die uit vier pijlers bestaat. De eerste is versterking van de regionale aanpak. Daarna versterking van arbeidsmarkt- en scholingsbeleid. Gevolgd door bevorderen van innovatie en investeringen in nieuwe technologieën. En tot slot beprijzen van vermijdbare CO2-uitstoot om vernieuwing te versnellen.

Vijf clusters

Het samenhangende beleid krijgt vooral vorm in de vijf regionale energie-intensieve industriële clusters: Rotterdam en Moerdijk, Terneuzen en omstreken, Noordzeekanaalgebied, Noord-Nederland en regio Geleen. In deze clusters bevinden zich de twaalf grote energie-intensieve bedrijven, die samen verantwoordelijk zijn voor driekwart van de Nederlandse industriële CO2-uitstoot . Deze ‘grote twaalf’ hebben een spilfunctie in de hele regionale keten van bedrijven. Zij moeten de transitie vaart geven. De andere bedrijven in het cluster kunnen daar in meegaan en versterken zo deze ontwikkeling. Door de ketenrelaties werkt realisatie van koplopersposities door in de industriële omgeving maar ook ver daarbuiten. Zo kunnen de bedrijven restwarmte leveren voor gebouwen net als CO2 aan kassen en groene waterstof voor elektriciteitproductie.

Grote twaalf

De SER stelt voor dat de ‘grote twaalf’ extra inspanningen plegen en het voortouw nemen bij het maken van meerjarige industriële koploperprogramma’s met ambitieuze CO2-doelen. Men stelt daarbij voor  dat een college van internationale experts de uitvoering van de koploperprogramma’s beoordeelt en toetst.

Verstandige CO2-heffing

Om de industrie te stimuleren bij ambitieuze CO2-doelen, adviseert de SER een verstandige invulling van een nationale CO2-heffing. Deze heffing kan qua systematiek zoveel mogelijk aansluiten bij het Europese emissiehandelssysteem (ETS). In beginsel betalen alleen de beste presterende tien procent van de industriële bedrijven geen heffing. Deze nationale heffing zal volgens de SER het vermijdbare deel van de CO2-uitstoot moeten beslaan en leiden tot de reductiedoelstelling voor de industrie: ten minste 14,3 Mton in 2030. Met de regionale koplopersprogramma’s denkt men de vermijdbare CO2-uitstoot te vergroten tot onder het niveau van de benchmarks.

Innovatie en subsidie

Voor echte doorbraken zijn investeringen nodig in technologieën die nu nog in de kinderschoenen staan. Daarvoor zal subsidie nodig zijn, zowel uit nationale programma’s als EU-fondsen. Men verwacht dat elk regionaal cluster innoveert op de manier die aansluit bij de sterke kant van dat cluster.

Ook de Partij van de Arbeid liet het PBL plannen doorrekenen voor een CO2-heffing in Nederland. Het voorstel van Diederik Samsom biedt een hoger reductiepotentieel dan die van het Kabinet. Maar dat kost de maatschappij ook meer geld.

De analyse concludeert dat de CO2-heffing kan leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland. Kwetsbare bedrijven zouden in het plan van de PvdA gedeeltelijk vrijstelling krijgen op hun CO2-heffing. De mate van CO2-reductie is mede afhankelijk van deze vrijstellingen. Bij veertig procent vrijstelling varieert de reductie tussen de 12 en 20 megaton. Bij twintig procent vrijstelling is dit 13 tot 22 ton. Zonder vrijstelling zou een emissiereductie van 14 tot 23 megaton mogelijk zijn.

Het effect van de maatregelen is afhankelijk van voldoende investeringsbereidheid bij bedrijven om, bovenop de door de heffing afgedwongen investeringen, gebruik te maken van de SDE++-middelen. Wanneer de investeringsbereidheid van bedrijven beperkt is, zal het totale emissie-effect meer steunen op alleen de heffing. Dan zou de effectbandbreedte dus beduidend lager liggen.

Lekkage

Een beperkt deel (2 tot 8 procent) van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Elektriciteitsvraag

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag van 5 – 20 Terawattuur ten opzichte van het ontwerp-Klimaatakkoord. Deze vraag kan deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot leiden, afhankelijk van de manier waarop deze wordt opgewekt. Hierdoor kan de milieuwinst In Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verkleinen. De extra uitstoot in Nederland is geraamd op 0 – 2,5 megaton. De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal is niet bepaald, maar kan significant zijn.

Kosten

De nationale kosten van de maatregelen in de industrie in 2030 zijn geraamd op 300 tot 1100 miljoen euro. Bij twintig procent ontheffing kost dit 350 tot 1100 miljoen euro. Bij veertig procent ontheffing betaalt de maatschappij een bedrag van 400  tot 900 miljoen euro. De nationale kosten die met de productie en transport van de extra elektriciteitsvraag zijn gemoeid, bedragen 50 tot 300 miljoen euro in 2030.

Op verzoek van GroenLinks analyseerde het PBL het effect van een CO2-heffing in Nederland. Het voorstel betreft een in de tijd oplopende heffing op de CO2-uitstoot van ETS bedrijven. GroenLink wil de CO2-uitstoot met name terugdringen via technische maatregelen. Het voorstel zal volgens het PBL wel tot carbon leakage leiden.

Conclusie van de analyse is dat de CO2-heffing naar verwachting zal leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland met 14 tot 20 megaton voor variant 1. Variant 2 levert een reductie van 18 tot 26 megaton op. Daarmee haalt Groen Links ruim het doel voor de industrie in het klimaatakkoord van 14,3 megaton reductie. Het grootste gedeelte van deze reductie komt door het nemen van technische maatregelen bij de bedrijven. De nationale kosten van deze maatregelen in 2030 zijn geraamd op 230 tot 370 miljoen euro voor de eerste variant. De tweede variant leidt tot 780  tot 920 miljoen euro maatschappelijke kosten.

Carbon leakage

Een beperkter, maar significant, deel van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Extra elektriciteitsvraag

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag die deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot kan leiden. Hierdoor kan de milieuwinst in Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verkleinen. Verplaatsing van industriële activiteiten leidt tot een kleinere elektriciteitsvraag in Nederland, maar elders juist tot meer.

Het PBL raamde de extra uitstoot in Nederland op 0 – 1 Mton (variant 1) respectievelijk 0,5 – 3 Mton (variant 2). De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal kon het PBL niet berekenen, maar kan significant zijn. De nationale kosten die met de productie en transport van deze extra elektriciteitsvraag gemoeid zijn bedragen 50 tot 150 miljoen euro voor variant 1. Variant twee zou zelfs respectievelijk 150 tot 350 miljoen euro kosten in 2030.

Het PBL rekende een aantal varianten door van een CO2-heffing voor de industrie in combinatie met aanpassingen van de tarieven van de energiebelasting en de opslag duurzame energie. De rekenmeester van het PBL onderzochten welk heffingsniveau nodig is om het emissiereductiedoel voor de industrie te kunnen halen. Het voorstel van het kabinet lijkt nog het meest gunstig uit te pakken voor de industrie.

Het kabinet stelde verschillende varianten van de CO2-heffing voor. Alle varianten gaan uit van een marginale ‘tonnenheffing’ die het kabinet oplegt op emissies boven een heffingsvrije voet. De heffingsvrije voet neemt per jaar af, en sluit in 2030 aan bij het emissiedoel voor de industrie. Die moet over tien jaar zijn emissies terugdringen tot maximaal 35,7 Megaton.

Net als in het ontwerp-Klimaatakkoord stelt het kabinet subsidie beschikbaar via de SDE++. Ook past Wiebes tarieven van de Energiebelasting (EB) en de opslag duurzame energie (ODE) aan. In een aantal varianten stelt het kabinet een vlakke CO2-heffing voor over de gehele uitstoot. Het kabinet sluist opbrengsten uit de heffingen terug via de SDE++.

Kosten bedrijven

De kosten die bedrijven gezamenlijk maken zijn afhankelijk van de mate waarin bedrijven die relatief goedkope maatregelen kunnen nemen, dit ook echt doen. Bedrijven kunnen hun ‘extra’ emissiereducties verkopen aan andere bedrijven die niet zelf beschikken over goedkoop emissiereductiepotentieel. Maar of deze mogelijkheid voor bedrijven aantrekkelijk genoeg is, is onzeker. Daardoor is de totale onrendabele top onzeker, en om die reden ook of deze volledig gesubsidieerd kan worden met het beschikbare budget.

Met voldoende subsidiemiddelen om de totale onrendabele top te vergoeden, is een beperkte heffing al voldoende om bedrijven maatregelen te laten nemen. Beperkt wil volgens het kabinet zeggen: oplopend tot enkele tientallen euro’s per ton CO2 in 2030.

Bij onvoldoende beschikbare subsidiemiddelen moet een deel van de emissiereductie op grond van alleen de heffing worden gerealiseerd. In dat geval is een heffing nodig die oploopt naar een niveau van tussen de 90 en 165 euro per ton in 2030. De ruime marge komt door onzekerheid over de mate waarin bedrijven met relatief goedkoop reductiepotentieel bereid zijn ‘extra’ te reduceren en de emissieruimte te verkopen.

Geringe weglekeffecten

Het PBL acht de risico’s gering op verplaatsing van industriële productie naar het buitenland en daarmee gepaard gaande weglek van emissies naar het buitenland. Dit komt met name door de subsidies op de maatregelen. Risico’s kunnen ontstaan bij bedrijven die niet zelf beschikken over goedkoop reductiepotentieel.

Het Planbureau voor de Leefomgeving analyseerde drie varianten voor een CO2-heffing in Nederland. Een voorstel kwam van de Partij van de Arbeid , een van GroenLinks en een van het Kabinet. Volgens de doorrekening lijken de voorstellen van het Kabinet het gunstigst voor de industrie.

Nadat in maart de doorberekening van het ontwerp-Klimaatakkoord werd gepresenteerd, stelden Groen Links en de PvdA een extra CO2-heffing voor de industrie voor. Ook Wiebes wilde laten doorberekenen wat de effecten zijn van een opslag op de huidige regelingen. Wiebes stelde tevens voor om de extra belasting naar de industrie terug te sluizen in de vorm van een SDE++ subsidie.

Het PBL en CPB hebben de voorstellen van de drie partijen doorgerekend en publiceerden de notities op de site van het PBL. Daarbij stelden de partijen zich ten doel de potentiële emissiereductie vast te leggen en de daarbij gepaard gaande kosten.

Weglek

Naast het mogelijke milieueffect is een belangrijk element in de analyses het risico dat de voorstellen leiden tot ongewenste ‘weglek’ omdat bedrijven hun productie verminderen. Daarmee importeert Nederland meer CO2 uit landen met een minder strenge milieuwetgeving. De emissiereductie in Nederland wordt dan via emissie-toename in het buitenland (deels) tenietgedaan.
In de beleidsvoorstellen van PvdA en GroenLinks  kan dit effect naar verwachting een significante invloed op de emissiereductie hebben.

Analyses

In drie notities en een policy brief beschrijven het PBL en het CPB verschillende varianten voor een nationale CO2-heffing en een terugsluis van de opbrengsten daarvan. De concrete beleidsvoorstellen voor een CO2-heffing in de industrie beslaan een scala aan verschillende heffingshoogten, richten zich op deels verschillende doelgroepen, gaan in op verschillende manieren om de lasten van bedrijven te beperken en bieden in verschillende mate mogelijkheid tot subsidiëring van emissiereductiemaatregelen in de industrie.

Als alle sectoren dezelfde prijs voor CO2-uitstoot betalen, kan de CO2-uitstoot relatief goedkoop worden verminderd bij de energie-intensieve industrie en de elektriciteitsopwekking. Dat concluderen het CPB en PBL. In een policy brief analyseren de bureaus verschillende opties voor beprijzing tegen de achtergrond van de kabinetswens om een voorloper te zijn in CO2-uitstootreductie en tegelijkertijd verplaatsing en andere neveneffecten te beperken.

Het beprijzen van CO2-uitstoot blijkt effectief en heeft in potentie gunstige effecten voor de kosten in vergelijking met ander beleid om CO2-uitstoot te reduceren. Als alle sectoren dezelfde prijs voor CO2-uitstoot  betalen, dus met een uniforme CO2-prijs, dan kan de uitstoot relatief goedkoop worden verminderd bij de energie-intensieve industrie en de elektriciteitsopwekking. Er hoeft dan minder een beroep te worden gedaan op bijvoorbeeld de gebouwde omgeving. Daar gelden al hoge impliciete belastingen en is verdere uitstootreductie relatief duur. Als de CO2-beprijzing zich beperkt tot de energie-intensieve industrie zijn de voordelen veel minder.

Dit blijkt uit een publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) over de economische gevolgen van een CO2-beprijzing. Deze publicatie laat overwegingen zien bij verschillende manieren van CO2 beprijzen. Deze lopen vooruit op enkele concrete doorrekeningen van beprijzingsvarianten die later zullen worden gepubliceerd.

Weglekeffecten

Een uniforme CO2-prijs in Nederland leidt wel tot het weglekken van CO2. Sommige sectoren opereren in een internationaal concurrerende setting, zoals de grootschalige energie-intensieve industrie (mondiaal) en de elektriciteitsproductie (buurlanden). De uniforme beprijzingsvariant leidt juist tot relatief grote inspanningen in de sectoren die zijn blootgesteld aan internationale concurrentie en die daardoor marktaandeel kunnen verliezen aan het buitenland. De productie in het buitenland kan daardoor toenemen. Daarmee stijgen mogelijk ook de emissies buiten Nederland en is sprake van CO2-weglek.

Terugsluizen en internationale beleidscoördinatie

Weglekeffecten blijken te kunnen worden beperkt door specifieke terugsluisopties. Maar internationale beleidscoördinatie helpt ook. Een subsidie op schone technologie zorgt voor minder weglek en een lagere benodigde CO2-prijs voor eenzelfde reductie-inspanning. Weglekeffecten worden ook weggenomen door meer internationale beleidscoördinatie, zoals het gezamenlijk invoeren van CO2-beprijzing met andere Europese landen.

Studie sluit aan bij politieke discussie CO2-beprijzing

De wenselijkheid van unilaterale beprijzing van CO2-emissies is onderwerp van debat. Economen zien effectief en efficiënt beleid, tegenstanders vrezen sluiting van bedrijven in de energie-intensieve industrie. In het kader van een te sluiten Klimaatakkoord wordt volop gediscussieerd over nut en noodzaak van beprijzing van CO2-emissies.