De afvalenergiecentrale van EEW speelt een steeds belangrijkere rol in de verduurzaming van de energievoorziening van de bedrijven in de Eemshaven. Aan plantmanager Wilfred de Jager de taak om de fabriek niet alleen uit te breiden, maar ook steeds meer afvalstromen te verwaarden.

De Nederlandse afvalenergiecentrales vormen een belangrijke schakel in de nieuwe energie- en grondstoffenketens. De centrales maken van het restafval dat nog niet kan worden hergebruikt energie in de vorm van stoom en elektriciteit.

Het is in die wereld waar Wilfred de Jager twee jaar geleden opnieuw instapte toen hij technical managing director werd bij EEW Energy from Waste Delfzijl. Het Duitse moederbedrijf heeft in totaal zeventien afvalenergiecentrales in Duitsland en Luxemburg staan. Wat milieuprestaties betreft behoort de installatie op het Chemiepark in Delfzijl tot de top. Dat heeft veel te maken met de strikte Nederlandse milieuvoorschriften. Een ogenschijnlijke beperking die het bedrijf heeft weten om te buigen in een kans. De Jager staat aan het begin van een flinke uitbreiding van de capaciteit en een verbreding van het portfolio. Dat is op zijn zachtst gezegd een uitdaging in een fabriek waar veel bedrijven in de omgeving afhankelijk van zijn. En dan heeft hij ook nog te maken met de publieke beeldvorming over afvalverbranding. Dat beeld wil De Jager graag bijstellen.

Rookgasreiniging

‘De afvalwereld heeft al heel wat transities doorgemaakt’, zegt De Jager. ‘Waar voorheen storten de norm was, verschoof dat naar verbranden om daarna de warmte van die verbranding te gebruiken voor de productie van stoom of stroom. De volgende trede in de Ladder van Lansink is hergebruik van afval als grondstof voor nieuwe producten. De Nederlandse overheid heeft zich duidelijk uitgesproken voor die volgende stap, ofwel de circulaire economie. Nu ben ik daar zelf ook een groot voorstander van, maar helaas is niet alles te recyclen. Je houdt altijd reststromen over die je alleen kunt storten of verbranden. Dat hoeft niet erg te zijn, als je maar alle waarde die er in zit er ook uit haalt zonder het milieu te belasten. En daar is ons bedrijf goed in geworden, toch mede met dank aan de Nederlandse overheid. In een dichtbevolkt land moet je nu eenmaal meer rekening houden met de impact van je activiteiten op de omgeving. We reinigen onze rookgassen dus optimaal en zorgen ervoor dat onze uitstoot minimaal is. In ons geval blijven onze emissies ruim binnen de vergunde normen.’

Die gunstige scores heeft EEW met name te danken aan de zeer uitgebreide droge rookgasreiniging. In de eerste stap injecteert men bicarbonaat in het rookgas, dat zich bindt aan zuren zoals zoutzuur en zwaveloxiden. In de tweede trap ontbindt een katalysator met behulp van ammoniakwater de in de rookgassen aanwezige stikstofoxiden in stikstof en water. Daarna volgt onder andere nog een doekenfilter die furanen en dioxinen verwijderd door kalkhydraat. Tot slot is er nog een mogelijkheid om actieve kool te injecteren om kwikpieken af te vangen.

Wilfred de Jager (EEW): ‘We halen zoveel mogelijk waarde uit het afval en stellen zeer hoge eisen aan de beschikbaarheid van de assets.’

De Jager: ‘We zetten alles op alles om onze processen zo duurzaam en schoon mogelijk te maken. Zo hebben we de wens uitgesproken om het bicarbonaat dat we gebruiken voor de rookgasreiniging terug te winnen. Ook de slak die overblijft is na opwerking, conform de Green Deal, een gewild vrij toepasbaar product in de wegenbouw.’

De vierde verbrandingslijn die EEW laat bouwen, biedt bovendien kansen om nog meer te recyclen. ‘Bij de verbranding van slib komt namelijk ammoniak vrij. Dat gaan we inzetten bij de bestaande installatie voor de katalysator voor het verwijderen van stikstofoxiden. Dankzij deze werkwijze kunnen we de milieu­impact van een vierde verbrandingslijn gemakkelijk intern salderen. Bovendien winnen we vanaf 2026 fosfaat terug uit de verbrandingsas van het slib.’

Helaas strookt de beeldvorming van de directe omgeving niet altijd met de werkelijkheid. De Jager: ‘We krijgen nog wel eens bezwaarschriften, ook van de Duitse kant. We zitten vlak bij de grens en tussen chemische bedrijven. Als de wind een beetje verkeerd staat, komen de rookgassen inderdaad in Duitsland terecht. De zorgen zijn echter onterecht. We garanderen dat onze emissies ruim binnen de Nederlandse normen vallen. En deze zijn de strengste in Europa. Ook blijven we communiceren met onze omgeving over onze activiteiten en prestaties. We gaan overigens nog een stap verder op termijn door ook de CO2 van de centrale af te vangen en te leveren als grondstof voor de chemische industrie.’

Stoom

De centrale heeft een behoorlijk hoog rendement, wat mede te danken is aan het feit dat EEW het grootste deel van de opgewekte stoom direct aan de industrie in de buurt levert. De Jager: ‘Hoe directer je de warmte kunt inzetten, hoe hoger je rendement. Het merendeel van onze energieproductie, zo’n 800.000 megawattuur, gaat als stoom naar de bedrijven op Chemiepark Delfzijl. De overige tien procent stoom voeden we aan een stoomturbine, die jaarlijks zo’n 160.000 megawattuur stroom aan het net levert. We leveren ook nog perslucht aan tal van bedrijven. Alleen al de stoomlevering bespaart jaarlijks 100.000 ton CO2-uitstoot bij de bedrijven doordat ze geen gas hoeven te verstoken. Het is voor onze klanten gunstig dat de CO2-rechten daarvan bij hen terechtkomen. Helaas kunnen wij er geen rechten aan ontlenen.’

Het rendement mag door de directe levering hoog zijn, het vergt wel veel van de organisatie van EWW. De Jager: ‘In de omstandigheden waarin wij werken ten opzichte van onze concurrenten, moeten we wel operationeel excelleren. We kunnen alleen maar concurrerend blijven als we onze processen zeer economisch inrichten. Dat betekent dat we zoveel mogelijk waarde uit het afval halen en tegelijkertijd zeer hoge eisen stellen aan de beschikbaarheid van de assets. Gelukkig hebben we een zeer ervaren team van in totaal 85 mensen. EEW Delfzijl is een kapitaalsintensief bedrijf met een hoge automatiseringsgraad. Daardoor voldoet een ploeg van zeven operators per shift, aangevuld met een eigen technische dienst van zestien personen.’

eew

De kennis van die operators bepaalt grotendeels de efficiëntie van de productie. ‘Zij weten precies welk afval, welke calorische waarde heeft en wat ze nodig hebben om de voeding te homogeniseren en de verbranding zo stabiel te laten verlopen. Sommige andere fabrieken automatiseren hun ketelvoeding ook, maar ik geloof nog steeds dat de mens hierin betere keuzes maakt. Dat geldt overigens ook voor het werk van onze monteurs. Ook dat valt niet zomaar te automatiseren.’

Die afhankelijkheid van specialistisch personeel maakt het bedrijf natuurlijk kwetsbaar. ‘De industrie deelt de zorg om de beschikbaarheid van technisch personeel’, zegt De Jager. ‘Ook hier in de Delfzijl werken we samen met bedrijfsvereniging SBE aan het imago van de industrie en de aantrekkelijkheid als werkgever. Dat is soms best een uitdaging omdat monteurs en operators doorgaans genoeg hebben aan de waan van de dag. Het is dan ook de kunst om ze vrij te kunnen maken om werknemers van de toekomst te inspireren en opleiden.’

De Jager: ‘We hebben nu eenmaal het grote voordeel dat we onze stoom direct bij de industrie kwijt kunnen.’

Vierde lijn

Dat de toekomst er voor EWW enerverend uitziet, blijkt wel uit de uitbreidingsplannen. ‘De afvalenergiecentrale begon in 2010 met twee verbrandingslijnen en negen jaar later kwam daar een derde lijn bij. Met die capaciteit kunnen we jaarlijks 576 duizend ton afval thermisch verwerken. Ik ben twee jaar geleden onder meer in huis gehaald voor de uitbreidingsplannen van EEW met een vierde lijn. Deze lijn is speciaal voor het verbranden van zuiveringsslib uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Met zo’n vierde ketel neemt het stoomvolume en de redundantie verder toe en bieden we tegelijkertijd een duurzame oplossing voor de verwerking van zuiveringsslib. We zijn zelfs van plan om fosfaat dat achterblijft in de as terug te winnen. Fosfor is immers een steeds schaarser wordende grondstof.’

De impact op het bedrijf is echter nog veel groter dan die ene extra lijn omdat daarmee alles wat er nu staat te klein wordt. ‘Er komen meer vrachtwagens, dus leggen we nieuwe wegen en een rotonde aan. We hebben redundantie nodig in de tien kilovoltstations en we hebben een andere locatie als revisieplaats nodig. Over revisies gesproken, we doen al meerdere revisies per jaar en dat werk neemt dus ook toe. We groeien fysiek behoorlijk en kopen grond aan om te kunnen uitbreiden.’

eewEn dat alles terwijl het gewone werk ook doorgaat. De Jager: ‘Binnenkort reviseren we de stoomturbine voor het eerst in twaalf jaar. Zulke grote revisies grijpen we ook aan om de eerste tie-ins te maken voor de nieuwe installatie. De komende jaren moet ik dan ook continu laveren tussen dagelijkse operaties en nieuwbouw. Gelukkig heeft ons Duitse moederbedrijf eigen engineers die ook de nodige werkzaamheden voor hun rekening nemen.’

Barrières

Zo nu en dan voelen de taken van een plantmanager als zendingswerk. De Jager blijft de scheve wet- en regelgeving in zijn branche aan de kaak stellen. ‘De Nederlandse overheid wil graag zo snel mogelijk zoveel mogelijk CO2 uit het systeem halen. Toch lijken de daarvoor ingezette instrumenten niet altijd logisch. Zo wordt de CO2 die wij aan de industrie willen leveren niet als scope 1 emissiereductie gezien. Dat is natuurlijk raar. Alleen als we de kooldioxide onder de grond stoppen, kunnen we het als negatieve emissie meenemen in de ETS-prijs.’

Eenzelfde soort maatregel die zijn doel voorbij schiet, is de importheffing op afval. Die heffing is in het leven geroepen met het idee dat afval meer plaatselijk moet worden verwerkt. ‘Veel landen in Europa, zoals Engeland, Italië, Polen Spanje, hebben een groot tekort aan verwerkingscapaciteit. Het alternatief is dan storten, maar dat leidt tot methaanuitstoot en veel meer broeikasgassen in de atmosfeer. Dus is het beter om onze moderne installaties in te zetten, dan het daar te storten. De stikstofemissies van de schepen die het afval bij ons brengen, nemen we gewoon mee in onze stikstofuitstoot. Ook dan blijven we ruimschoots binnen de gestelde vergunningseisen. We hebben nu eenmaal het grote voordeel dat we onze stoom direct bij de industrie kwijt kunnen en ook op die wijze bij klanten CO2-uitstoot reduceren, laten we daar dan ook optimaal gebruik van maken. Wij blijven innoveren om onze uitstoot te beperken en onze toegevoegde waarde te verhogen. Dan hoop ik dat de wetgevers zich nog een keer buigen over wat echt bijdraagt aan een duurzame energie- en grond­stoffenvoorziening.’

De plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over het werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren? Kent u interessante plantmanagers? Mail dan naar redactie@industrielinqs.nl

Het Duitse olie- en gasbedrijf Wintershall Dea onderzoekt hoe bestaande gaspijpleidingen in de Noordzee gebruikt kunnen worden voor het transporteren van vloeibaar CO2. Het bedrijf ziet groot potentieel voor CO2-opslag in het Nederlandse gedeelte van de Noordzee, waar 1200 kilometer aan leidingen ligt.

Er ligt meer dan 4800 kilometer pijpleiding in de zuidelijke Noordzee, waarvan 1200 kilometer wordt geëxploiteerd door Wintershall Noordzee in het Nederlandse gedeelte van het water. Delen van dit netwerk zouden voor CO2-transport kunnen worden gebruikt. Wintershall Noordzee exploiteert ook veel uitgeputte reservoirs. Deze zijn potentieel geschikt voor de opslag van CO2. Deskundigen schatten volgens Wintershall dat er ongeveer achthonderd miljoen ton CO2 kan worden opgeslagen in het Nederlands continentaal plat. Dat is genoeg om de volledige jaarlijkse uitstoot van de hele Nederlandse industrie dertig keer op te slaan.

CCS

Voor Wintershall Dea maakt het onderzoek, dat ze samen met de OTH Regensburg Universiteit doet, deel uit van de maatregelen van het bedrijf om de energietransitie te bevorderen. In november 2020 heeft Wintershall Dea zich klimaatdoelstellingen gesteld. Deze omvatten de vermindering van de Scope 1- en Scope 2-emissies van broeikasgassen in alle eigen en niet-eigen geëxploiteerde exploratie- en productieactiviteiten tegen 2030. Na 2030 wil de onderneming haar netto koolstofintensiteit, met inbegrip van de Scope 3-emissies, op significante wijze verminderen. CCS en waterstof zijn daarbij belangrijke technologieën.

Ineos wil de ethaankraker, die ze in Antwerpen bouwt, binnen tien jaar na opstart klimaatneutraal laten produceren. De kraker is onderdeel van Project ONE waarvan de bouw volgend jaar staat gepland. De verwachting is dat de installatie in 2026 opstart.

Al bij de opstart van de kraker heeft deze de laagste koolstofafdruk van alle Europese stoomkrakers. De koolstofemissies van de Project ONE kraker zijn dan nog geen derde van de gemiddelde stoomkraker. De meeste Europese krakers gebruiken nafta als grondstof. Die van Ineos wordt gevoed met ethaan. Een belangrijk voordeel van ethaan ten opzichte van nafta is dat er bij de productie van etheen veel meer waterstof vrijkomt tijdens de chemische reactie. Ineos zet deze waterstof in als koolstofarme brandstof voor de kraakovens (zestig procent van de brandstof is waterstof). Door koude- en warmtestromen maximaal te recupereren, kan het energieverbruik worden ingeperkt. Tenslotte is alle aangekochte elektriciteit afkomstig van offshore windparken op de Noordzee.

Flexibiliteit

In het ontwerp van de installatie is de nodige flexibiliteit ingebouwd om aanvullende technieken te integreren zodra deze matuur zijn. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk de kraakovens volledig met waterstof te voeden zodra er genoeg klimaatvriendelijke waterstof beschikbaar is. Ook doet Ineos al pre-investeringen in koolstofafvang- en opslag. Nog een optie is de gedeeltelijke omschakeling van de kraakovens naar elektrische ovens in combinatie met waterstof als brandstof. Hierdoor ontstaat een hybride kraker.

PDH-fabriek geen onderdeel meer van Project One

Project One bestond oorspronkelijk uit de bouw van een PDH-unit (propaandehydrogenering) en een ethaankraker. De PDH-unit zou propaan omzetten in propeen, de kraker zet straks ethaan om in etheen. Dit zijn grondstoffen voor de productie van diverse chemicaliën in verschillende vestigingen van Ineos in België en in Europa.

Begin dit jaar maakte Ineos al bekend de bouw van de PDH-unit uit te stellen, waardoor deze plant geen onderdeel meer uitmaakt van Project One. De investering voor Project One was eerder geraamd op 5 miljard euro. Op het moment gaat het om 3 miljard euro.

Omgevingsvergunning

Vorige week maakte Ineos bekend een nieuwe omgevingsvergunning te hebben ingediend. In november vorig jaar werd de vergunning al verleend, maar vervolgens geschorst toen milieuorganisaties beroep aantekenden. Ineos heeft de aanvraag aangepast aan de gewijzigde scope van het project, die zich nu exclusief toespitst op de ethaankraker en ondersteunende infrastructuur. Ook zijn de milieueffecten van alle fasen van het project in kaart gebracht.

Al jaren protesteren milieuorganisaties tegen de bouw van Project One. Ineos zegt juist dat zij de Europese standaard voor krakers kan verleggen. Er zijn ongeveer veertig krakers in Europa waarbij de nieuwe in Antwerpen volgens het bedrijf driemaal beter presteert dan de gemiddelde Europese stoomkraker. Vergeleken met de tien procent best presterende Europese krakers bedraagt de koolstofafdruk van Project One minder dan de helft. Als de ethaankraker van Ineos op de markt komt, zal deze als beste presteerder wegen op de benchmark voor koolstofemissies binnen het Europese handelsemissiesysteem (ETS) en de norm substantieel verlagen voor andere Europese stoomkrakers. Oudere en mindere efficiënte stoomkrakers worden als gevolg hiervan aangezet om zelf bijkomende investeringen te doen voor koolstofreductie of ze moeten meer emissierechten aankopen of sluiten.

Invest-NL investeert 15 miljoen euro in SCW Systems en wordt daarmee aandeelhouder. SCW bouwt een installatie voor de productie van groene waterstof en gas uit organische reststromen. Hiervoor gebruikt het bedrijf een zelf ontwikkelde techniek: superkritisch water vergassen.

Bij deze techniek worden organische reststromen onder hoge temperatuur en grote druk omgezet in groene waterstof en groen gas. Op de demolocatie bouwen SCW en haar partner Gasunie op dit moment een industriële installatie met een initiële capaciteit van 18,6 megawatt. De investering van Invest-NL maakt de weg vrij voor een verdere opschaling naar 100 megawatt. De doelstelling is om op termijn op verschillende locaties in Nederland een half miljard kuub groen gas te produceren.

Parrallel hieraan ontwikkelt SCW haar ‘CO2 Cleanup’ proces. Hierbij wordt CO2 permanent vastgelegd en omgezet in nuttige grondstoffen, bijvoorbeeld voor duurzaam cement. Op dit moment wordt dit op bescheiden schaal getest. Bij een succesvolle pilot kan door de investering direct worden doorgepakt naar een industriële demonstratiefabriek.

Naast SCW Systems en Invest-NL is ook PGGM aandeelhouder.

TerraWatt Biochar start een pilot rond de productie van biochar uit biogrondstoffen. Biochar legt koolstof uit biomassa vast en verlaagt zo uitstoot van CO2. Het uiteindelijke doel is grootschalige productie van CO2-negatief asfalt en biochar uit reststromen zoals bermgras.

Biochar is een houtskoolachtige stof die ontstaat door biogrondstoffen zuurstofloos te verhitten, ofwel pyrolyseren. Biochar kan koolstof, bijvoorbeeld uit biomassa, eeuwenlang vastleggen en zo klimaatverandering tegengaan. Daarnaast heeft biochar een enorm hoog absorptievermogen. De toepassingen zijn legio. In veevoer zorgt het voor een lagere ammoniak- en methaangasuitstoot en gezondere dieren. Als actief koolfilter haalt biochar zware metalen uit water en lucht. Tot slot absorbeert biochar effectief ammoniak, methaan en stikstof uit grond, mest en lucht.

CO2 opnemen

TerraWatt Biochar wil een bijdrage leveren aan een versnelde transitie naar een CO2-negatieve economie waar CO2 niet langer wordt geproduceerd, maar wordt opgenomen. Daarom plaatst TerraWatt pyrolyse-apparatuur in de demo faciliteit van de Green Chemistry Campus in Bergen op Zoom. Hiermee gaat het bedrijf samples van biochar produceren op basis van verschillende biogrondstoffen. Het doel is om tot de gewenste structuur en kwaliteit te komen voor verschillende toepassingen van biochar, zoals in asfalt, bodemverbeteraars of diervoeder.

Bermgras

Na de pilot wil TerraWatt grootschalig biochar produceren voor toepassing in CO2-negatief asfalt. Daarvoor is al een overeenkomst gesloten met een internationaal opererende producent van CO2-negatief asfalt. Daarnaast wil het bedrijf graag samenwerken met Rijkswaterstaat en Nederlandse asfaltbedrijven om bermgras te pyrolyseren tot biochar om dat vervolgens toe te passen in CO2-negatief asfalt.

Havenbedrijf Rotterdam en de Rotterdam Rijn Pijpleiding Maatschappij (RRP) starten deze week een haalbaarheidsstudie voor de ontwikkeling en aanleg van buisleidingen voor verschillende productstromen tussen Rotterdam, industriepark Chemelot (Limburg) en Noordrijn-Westfalen.

De buisleidingenbundel kan de strategische positie van de haven van Rotterdam in Noordwest-Europa versterken, biedt Chemelot verdere verduurzamingskansen en kan uitgroeien tot een belangrijke aanvoerroute voor de Duitse industrie die sterk inzet op CO2-vermindering.

Havenbedrijf Rotterdam en RRP (aandeelhouders Shell, Ruhr Oel en bp) voeren de haalbaarheidsstudie gezamenlijk uit. Het projectteam werkt nauw samen met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat, maar ook Binnenlandse- en Buitenlandse Zaken. Het is de intentie van het projectteam om een publiek-private ketensamenwerking te ontwikkelen, waarbij ook andere partijen zich kunnen aansluiten.

Waterstofplan Duitsland

Het projectteam borduurt voort op het werk van een initiële studie naar deze buisleidingen van het Havenbedrijf, Chemelot (Limburg) en het Rijk onder de noemer ‘Delta Corridor’. Daarin is al een positief signaal afgegeven over de versterking van de west-oost verbindingen mits de vraag uit Duitsland in voldoende mate stijgt.

Dat laatste lijkt het geval nu Duitsland dit jaar een ambitieus waterstofplan presenteerde ter waarde van negen miljard euro waarbij de import voor een belangrijk deel via Rotterdam kan verlopen. De waterstof wordt zowel gebruikt als energiedrager en als grondstof, in bijvoorbeeld de petrochemie en staalindustrie.

Het Havenbedrijf-RRP team richt zich op de technische en commerciële aspecten van de buisleidingen voor waterstof, CO2, LPG en propeen voor de verschillende industriële clusters en bedrijven in Nederland en Duitsland. De buisleidingen worden hierbij in principe ontwikkeld als ‘common carrier leidingen’ waarbij verschillende partijen gebruik kunnen maken van deze leidingen. Los van de aanvoer van producten die bijdragen aan verduurzaming, reduceren de ondergrondse leidingen ook de behoefte van vervoer per trein.

Tracé

Het voorziene tracé van de Delta Corridor loopt van Rotterdam via Moerdijk, Tilburg en via Venlo naar Chemelot en Noordrijn-Westfalen. Een gecombineerde aanleg van verschillende leidingen levert aanzienlijke synergievoordelen op. Daarom wordt bij de inventarisatie van leveranciers en afnemers meteen ook onderzocht in hoeverre er behoefte bestaat om de voorziene bundel uit te breiden met additionele leidingen voor andere producten en stroomkabels. Ook wordt gekeken naar kansen om andere industriële clusters in Nederland en België op de bundel aan te sluiten.

Een aanzienlijk deel van het tracé valt samen met de ligging van de bestaande RRP-leidingen. Via deze leidingen transporteren bedrijven al sinds de jaren ‘60 van de vorige eeuw jaarlijks tientallen miljoenen tonnen aan grondstoffen en producten tussen Rotterdam en Noordrijn-Westfalen.

Dow wil in Terneuzen een ‘schone waterstoffabriek’ bouwen die bijproducten omgezet in waterstof en CO2. Die CO2 wordt vervolgens afgevangen en opgeslagen. Het is de eerste fase van het stappenplan van het chemiebedrijf naar CO2-neutraliteit tegen 2050. Dat maakte Dow deze week bekend.

Dow wil in drie stappen naar de emissieloze productie toewerken in Terneuzen. De eerste fase is de nieuwe waterstoffabriek plus de bouw van infrastructuur voor de opslag en afvoer van CO2, zuurstofproductie en waterstofdistributie. De waterstoffabriek start naar verwachting in 2026 op en stelt Dow in staat om de CO2-uitstoot met ongeveer 1,4 miljoen ton per jaar te verminderen. Dit staat gelijk aan de jaarlijkse uitstoot van meer dan 300.000 auto’s.

Vierduizend banen

De waterstoffabriek zet bijproducten om in waterstof en CO2. De waterstof gebruikt Dow als schone brandstof in het productieproces. De CO2 wordt afgevangen en opgeslagen totdat alternatieve technologieën zijn ontwikkeld. Dow zoekt ook naar manieren om CO2 in haar processen te kunnen gebruiken in plaats van het op te slaan.

Voor de bouw van de nieuwe waterstoffabriek en de bijbehorende infrastructuur zijn naar verwachting 3500 tot 4000 banen in engineering en bouw nodig over een periode van drie jaar. Ook levert het 400 tot 500 vaste banen op bij Dow, in de regio en bij toeleveranciers.

Elektrificeren fornuizen stoomkrakers

In de tweede fase, tegen 2030, wil Dow CO2 van zijn ethyleenoxidefabriek afvangen en een aantal gasturbines vervangen door elektromotoren. Hierdoor vermijdt het bedrijf nog eens 300.000 ton CO2-uitstoot per jaar.

In de derde en laatste fase van het plan wil het bedrijf aanvullende baanbrekende technologieën ontwikkelen en implementeren om het gebruik van brandstof in de productieprocessen te vervangen. Een voorbeeld hiervan is de eerder aangekondigde samenwerking van Dow met Shell om de fornuizen in de ethyleen stoomkrakers te elektrificeren. Deze fornuizen zijn momenteel afhankelijk van het gebruik van brandstof, waardoor ze veel CO2 uitstoten als ze niet op schone waterstof worden gestookt. Overschakeling op elektrisch kraken met schone elektriciteit brengt het CO2-profiel van het productieproces terug tot bijna nul emissies.

In 2022 verwacht Dow Terneuzen een voorlopig investeringsbesluit over de uitvoering van de routekaart.

 

Dow, Yara en Zeeland Refinery, willen samen met havenbedrijf North Sea Port, de provincie Zeeland en het samenwerkingsverband Smart Delta Resources (SDR) in 2050 klimaatneutraal zijn en in 2030 als regio 5,6 Mton CO2 reduceren. De komende vijf jaar willen de koplopers al snelheid maken op weg naar een reductie van 3,9 Mton CO2 in Zeeland. Deze doelstellingen en concrete plannen staan in een brief aan de informateur voor het nieuw te vormen kabinet. De partners roepen het nieuwe kabinet op tot ondersteuning en maatwerk bij de inzet van Nederlandse en Europese fondsen en de ambitie voor waterstof en aanlanding van windenergie.

Voor de regio is verduurzaming prioritair want de CO2-uitstoot is met ruim 22 Mton per jaar groot, gelijk verdeeld aan beide zijden van de Nederlands-Belgische grens van het havengebied. Het industriële cluster wil verduurzaming bereiken door efficiënter om te gaan met energie, elektrificatie en door in te zetten op waterstof en de afvang en opslag van CO2 (CCS). Daarnaast is de bijbehorende infrastructuur de belangrijkste pijler voor het havengebied om de versnelling naar CO2-neutraliteit te behalen. In de brief gaat het cluster in op de voorwaarden die nodig zijn om de doelstellingen te realiseren.

Zeeland vraagt het nieuwe kabinet om steun en maatwerk bij de inzet van geld uit Nederlandse en Europese fondsen en financiële instrumenten. Daarnaast vraagt de coalitie aandacht voor de ontwikkeling van een waterstofleiding in de regio, meer aanlanding van windenergie en een zwaardere elektriciteitskabel voor het transport van groene stroom. Deze groene stroom kan worden gebruikt voor de elektrificatie van de bedrijven en de productie van duurzame waterstof in Zeeland. Ook roept het cluster op om ook de grensoverschrijdende kansen te benutten.

In het Belgische gedeelte van North Sea Port wordt gewerkt aan een netwerk van pijpleidingen voor waterstof, CO2 en warmte. North Sea Port, Fluxys Belgium, ArcelorMittal Belgium en de Federale minister van Energie Tinne Van der Straeten spraken dit woensdag af.

De pijpleidingen verbinden bedrijven die waterstof, CO2 en warmte produceren, importeren, vervoeren en opslaan met bedrijven die dit als grondstof gebruiken in hun productieprocessen. Vraag en aanbod worden dus op elkaar afgestemd, een cruciale stap in het uitbouwen van een Belgische waterstofhub. Het nieuwe netwerk in het Belgische deel wordt aangesloten op het pijpleidingennetwerk in Nederland. Vervolgens moet deze pijpleidinginfrastructuur in het havengebied aansluiten op het landelijke netwerk van Fluxys.

Industriële spelers binnen North Sea Port kunnen voor het transport van hun CO2, waterstof en warmte gebruik maken van het pijpleidingennetwerk. Dat is van belang voor bijvoorbeeld ArcelorMittal Belgium om de CO2-uitstoot te verminderen bij de productie van (groen) staal en dit als grondstof voor andere bedrijven aan te bieden. Ook is de infrastructuur voor waterstof en CO2 nodig om hergebruik van CO2 mogelijk te maken. Zoals in projecten als North-C-Methanol waarbij een industrieel consortium groene waterstof wil combineren met CO2 voor de productie van groene methanol. Het grensoverschrijdende karakter van de waterstofinfrastructuur is van belang in het kader van de aantakking van de windmolenparken in Zeeland: windenergie die voor de productie van waterstof wordt gebruikt.

Vier nieuwe buisleidingen tussen Rotterdam, Chemelot en Noordrijn-Westfalen kunnen de industrie helpen verduurzamen. Kosten van het tegelijk aanleggen van de vier leidingen zijn ruim één miljard euro.

Het plan is om de buisleidingen te gebruiken voor het transport van C4-LPG, propeen, waterstof en CO2. Uit een haalbaarheidsstudie die is gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Havenbedrijf Rotterdam en chemisch industrieterrein Chemelot blijkt dat de leidingen voordelen opleveren op het gebied van veiligheid, energietransitie en economie.

De aanleg van de buisleidingen, project ‘Delta Corridor’ genoemd, zorgt ervoor dat er minder treinen met gevaarlijke stoffen over de Brabantroute rijden waardoor kansen ontstaan voor woningbouw langs het spoor. Daarnaast krijgt de industrie op Chemelot er veilige en duurzame verbindingen met andere industrieclusters bij. Dit versterkt de concurrentiepositie van Chemelot. Nog een voordeel is dat de industrie met de leidingen voor waterstof en CO2 mogelijkheden krijgt om productieprocessen te verduurzamen. Ook de leidingen voor C4-LPG en propeen dragen bij aan de transitie volgens het onderzoek. C4-LPG is een duurzamer alternatief voor nafta en propeen kan op termijn vervangen worden door bio-propeen. De aanleg van de leidingen is ook belangrijk voor de haven van Rotterdam om zich te ontwikkelen tot duurzame energiehaven. En ten slotte ontstaan er voor bedrijven langs de route die een of meerdere van deze vier stoffen kunnen gebruiken of produceren ‘meekoppelkansen’. Bijvoorbeeld voor de industrie op Moerdijk.

Noordrijn-Westfalen en Antwerpen nodig

Het tegelijk aanleggen van de vier leidingen tussen Rotterdam en Chemelot kost ruim één miljard euro. Als de leidingen een voor een worden aangelegd, dan is dat 365 miljoen euro duurder en is de overlast tijdens de aanleg aanzienlijk groter. Uit het onderzoek komt het tracé Rotterdam-Moerdijk-Tilburg-Venlo-Chemelot als meest gunstig naar voren voor de ‘Delta Corridor’.

Uit het onderzoek blijkt ook dat een buisleidingenbundel financieel niet haalbaar is voor alleen het Nederlandse deel. Het verlengen van de leidingen naar Noordrijn-Westfalen en Antwerpen maakt dat ze aanzienlijk beter benut worden. Dat is essentieel voor het terugverdienen van de kosten.

De industrie op Chemelot gaat de komende jaren meer C4-LPG als grondstof gebruiken. Dat maakt het wenselijk de leidingen snel aan te leggen, staat in een persbericht. Ook heeft de industrie behoefte aan duidelijkheid over aanleg van de leidingen, vanwege het maken van lange termijn plannen. Nu de uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek positief zijn, kunnen de plannen verder worden uitgewerkt.