De Inspectie SZW gaat de komende drie jaar scherp controleren bij BRZO-bedrijven op de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Uit eerdere inspecties blijkt dat bedrijven de gevaren van deze stoffen nog steeds onvoldoende in beeld hebben. Ook is het vaak niet duidelijk in welke mate werknemers worden blootgesteld.

Bij de inspecties gaat het om CMRS-stoffen zoals chroom-6, formaldehyde of benzeen. CMRS-stoffen kunnen kanker veroorzaken, genen beschadigen of schadelijk zijn voor de voortplanting. De afgelopen jaren heeft Inspectie SZW 28 procent van alle ruim 400 BRZO-bedrijven geïnspecteerd op het risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen voor werknemers. Alle BRZO-bedrijven die nog niet zijn geïnspecteerd op dit onderwerp, worden de komende drie jaar bezocht.

Naast het toezicht op blootstelling aan CMRS-stoffen voert de Inspectie SZW jaarlijkse reguliere inspecties uit. Uit diverse onderzoeken blijkt volgens de Inspectie dat bedrijven de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen onvoldoende op orde hebben.

Bronmaatregelen

Maar dit betekent niet dat bedrijven helemaal geen maatregelen treffen. De Inspectie SZW constateert dat er bij de bedrijven het nodige wordt gedaan en dat op veel vlakken de zaken wel zijn geregeld. Maar voor een goed samenhangend beleid om risico’s te voorkomen is meer nodig laat de Inspectie SWZ weten in een persbericht. ‘Wat opvalt is dat bedrijven er vooral voor kiezen om hun medewerkers persoonlijke beschermingsmiddelen te geven als ze met gevaarlijke stoffen werken, terwijl het verplicht is om te denken aan bronmaatregelen of technische maatregelen om blootstelling te vermijden. Door vervanging van de kankerverwekkende stof of aanpassing van het productieproces.’ Ook ziet de Inspectie dat maatregelen soms wel op het hoofdproces zijn toegepast, maar niet op alle nevenprocessen, zoals onderhoud aan installaties.

De emissie van vinylchloride bij PVC-producent Shin Etsu in Pernis in 2017 is ontstaan nadat een breekplaat bij een veerveiligheid van een reactor faalde. Dat blijkt uit onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

Omdat die veerveiligheid niet goed vast zat, kon een open verbinding met de buitenlucht ontstaan. Tijdens een ruim drie-en-een-half uur durende emissie kwam circa 3,6 ton vinylchloride in de atmosfeer vrij. Niemand is gewond geraakt bij het incident en niemand is blootgesteld aan een concentratie vinylchloride boven de gezondheidsgrenswaarde.

Veerveiligheid

De veerveiligheid bij de reactor van Shin Etsu opent bij een te hoge druk in de reactor. Door een teveel aan gas door te laten naar een emissiepunt verlaagt de veerveiligheid de druk. Een breekplaat schermt de veerveiligheid af van de reactor. Omdat breekplaten kunnen falen, kan dat alleen als de installatie gasdicht is. Ook als de breekplaat zou falen. De gasdichtheid van de installatie is een veiligheidskritische voorwaarde die continu op orde moet zijn. Bij het toetsen of aan deze veiligheidskritische voorwaarde is voldaan, moet dus ook het leidingdeel tussen de breekplaat en de veerveiligheid worden getest.

De bij de reactor aanwezige meetapparatuur is uitsluitend gebruikt om zicht te houden op het batchproces. De beschikbare meetwaarden zijn niet gebruikt om vooraf of tijdens het proces na te gaan of de installatie gasdicht was. Door het aanwezige inzicht in druk en temperatuur niet te gebruiken, is een niet goed vastzittende flens bij de veerveiligheid door Shin-Etsu niet opgemerkt.

Geen controle

Bij de opstart van de reactor is de integriteit van de reactor getest. Shin-Etsu zag de breekplaat en de veerveiligheid echter niet als veiligheidskritisch onderdeel van de reactor, terwijl deze wel die functie hadden. De gasdichtheid van de reactor is een veiligheidskritische voorwaarde voor het gebruik ervan. De installatie moet daarom in zijn geheel, met alle veiligheidskritische potentiële emissiepunten, worden gecontroleerd en gemonitord. Door het ontbreken van deze benadering kon de emissie plaatsvinden.

Tweede keer

Het is de tweede keer in korte tijd dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een rapport naar buiten brengt over Shin Etsu. Tijdens een vier uur durende emissie kwam in augustus 2016 bij Shin-Etsu in Rotterdam-Botlek ook vinylchloride vrij in de atmosfeer. Lees hier meer.

Het Duitse chemieconcern BASF waarschuwde begin oktober fabrikanten dat er mogelijk ruim een maand lang een te hoge concentratie dichloorbenzeen terecht zou zijn gekomen in een component van schuimvulling voor onder andere matrassen. Matrasfabrikanten binnen en buiten Duitsland legden de productie onmiddellijk stil. Inmiddels verzekert BASF dat er geen gezondheidsgevaar is.

BASF stelde begin oktober fabrikanten op de hoogte dat er mogelijk door een productiefout tussen 25 augustus en 29 september een te hoge concentratie dichloorbenzeen terecht zou zijn gekomen in het TDI dat BASF produceert en dat verwerkt wordt in polyurethaanschuim. Polyurethaanschuim is de meestgebruikte vulling voor matrassen van alle soorten. PU-schuim is de basis voor koudschuim, maar wordt ook verwerkt in traagschuim-, pocketvering- en binnenveringsmatrassen.

Vluchtige stof

BASF benadrukt dat het dichloorbenzeen dat gebruikt wordt snel vervliegt. Omdat het niet de enige vluchtige stof is die in (matras)schuimvulling gebruikt wordt, is het beter om een nieuwe matras eerst grondig te luchten voor je hem in gebruik neemt en opdekt.

Het chemieconcern is in nauw contact met de relevante verenigingen voor matrassen en schuimproducenten om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. Het is nog onduidelijk hoe de productiefout heeft kunnen plaatsvinden.

 

Bron: Consumentenbond en BASF

Vervoerders en verladers kunnen voortaan bij de de Servicedesk Basisnet terecht met vragen over het vervoer en de routering van gevaarlijke stoffen over het spoor. Doel is om vervoer van gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk via de Betuweroute te laten verlopen.

De Servicedesk zal naast het beantwoorden van vragen ook actief voorlichting gaan geven aan goederenvervoerders en verladers. De voorlichting is bedoeld om vervoerders in sommige gevallen alternatieve routes te laten overwegen. Daarnaast gaat de Servicedesk de vervoersstromen met gevaarlijke stoffen in beeld brengen voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De servicedesk is een samenwerking van Prorail met het Bureau InfoMil van Rijkswaterstaat, dat formeel aangesteld is voor voorlichting over de wet Basisnet waarin het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd. Sinds 1 april 2015 is Basisnet van kracht op de weg, het water en het spoor. Met het Basisnet wordt geprobeerd een evenwicht te vinden tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid.

Met de publicatie van ISO 20519 ’Ships and marine technology – Specification for bunkering of liquefied natural gas fuelled vessels’ is er een belangrijke mijlpaal bereikt in de uitrol van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen. Met de publicatie van deze internationale norm hebben partijen de beschikking over breed gedragen eisen voor verlaadsystemen en toebehoren voor het bunkeren van schepen met LNG.

LNG is schoner dan traditionele transportbrandstoffen en motoren op LNG zijn bovendien stiller. LNG wordt dan ook gezien als een belangrijke brandstof voor onder meer schepen in de transitie naar duurzame brandstoffen. Wereldwijd wordt het aantal zogenoemde ‘emission control areas’ uitgebreid, waardoor schepen niet zonder meer op stookolie kunnen varen. De sector wordt voor de keuze gesteld te investeren in filtersystemen om emissies te beperken of over te stappen op (bio-)LNG als alternatieve brandstof. Ook in de binnenvaart wordt het gebruik van schone brandstoffen gestimuleerd om de lokale luchtkwaliteit te verbeteren, naast de verduurzaming van het brandstofgebruik.

Europese richtlijn

In 2014 heeft de Europese Commissie haar richtlijn betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (2014/94/EU) gepubliceerd. In deze richtlijn wordt verwezen naar technische specificaties voor deze infrastructuur, die, als het gaat om interoperabiliteitsaspecten, in Europese normen moeten worden vastgelegd. Daartoe heeft de Europese Commissie de Europese organisaties voor normalisatie – CEN en CENELEC – verzocht deze normen te ontwikkelen, waaronder normen voor LNG-bunkering. Europese belanghebbenden hebben aangegeven dat ISO 20519 toereikend is om als Europese norm te aanvaarden. Daarmee wordt dit een nationale norm voor de 34 bij CEN aangesloten landen. De norm komt dan ook als NEN-EN-ISO 20519 beschikbaar.

Publicatiereeks gevaarlijke stoffen

Nederland heeft de afgelopen jaren veel kennis en ervaring opgedaan op het gebied van LNG-bunkering. De faciliteiten voor het bunkeren van LNG worden steeds verder uitgebreid. Een voorbeeld is de recentelijk geopende LNG-laadplaats bij Gate Terminal op de Rotterdamse Maasvlakte. Mede om de vergunningverlening van het bunkeren met LNG te harmoniseren en daarmee te vereenvoudigen, is PGS 33-2 ‘Afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor vaartuigen’ opgesteld die deel uit maakt van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Dit document is ook ingebracht in het ISO-proces en heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de uiteindelijk inhoud van de ISO-norm. Momenteel wordt PGS 33 herzien om de nieuwste ontwikkelingen op te nemen.

Staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) wil dat de wagens van treinen die gevaarlijke stoffen vervoeren verplicht worden voorzien van GPS-trackers. Dit is nodig, omdat vervoerders de wettelijk verplichte registratie van die stoffen in stilstaande treinen op emplacementen nu te vaak niet naleven. De brandweer moet in het geval van calamiteiten precies weten welke stoffen zich waar op het spoor bevinden. Dijksma wil daarom ook dat vervoerders die de registratieplicht bij herhaling onvoldoende nakomen de toegang tot het spoor wordt ontzegd. Dit schreef ze 15 februari aan de Tweede Kamer na een bijeenkomst met de spoorgoederensector in Dordrecht.

Stilstaande treinen

Vorig jaar riep staatssecretaris Dijksma de goederensector al op om de wettelijke registratieplicht voor gevaarlijke stoffen in treinen beter na te leven. Het vervoer van gevaarlijke stoffen voldoet in Nederland aan strenge internationale en nationale veiligheidsregels. Maar als er onverhoopt toch een incident plaatsvindt, is het belangrijk dat informatie over waar gevaarlijke stoffen zich bevinden klopt. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) stelt nu vast dat 75 procent van de wagens met gevaarlijke stoffen in stilstaande treinen op emplacementen correct geregistreerd is. Dit is een verbetering ten opzichte van de 60 procent score in 2015, maar de staatssecretaris wil meer tempo maken. Dijksma: ‘Het is in het belang van iedereen die op en rond spooremplacementen woont of werkt dat hulpdiensten in het geval van een calamiteit altijd precies kunnen zien welke stoffen zich waar bevinden. Ik wil daarom zoveel mogelijk tempo maken met het verbeteren van het informatiesysteem dat hiervoor nodig is.’

Rijdende treinen

Uit de ILT-cijfers blijkt ook dat de registratie van gevaarlijke stoffen in doorgaande treinen op orde is. Dit betekent dat van elke wagon met gevaarlijke stoffen op het doorgaande spoor met één druk op de knop precies duidelijk is wat waar rijdt. De reden dat de registratie bij stilstaande treinen op emplacementen minder goed op orde is, is dat hier meer menselijke handelingen zoals het loskoppelen, verplaatsen en opnieuw koppelen van wagons bij komen kijken. Om hier een einde aan te maken, neemt Dijksma nu een aantal maatregelen.

Van het spoor verbannen

Zo wil de staatssecretaris vervoerders verplichten apparatuur met locatiegegevens te plaatsen, bijvoorbeeld GPS-trackers, in wagens met gevaarlijke stoffen. Op die manier moet straks altijd en overal duidelijk zijn waar wagens met gevaarlijke stoffen staan en neemt de kans op fouten door menselijk handelen af. Voor vrachtwagens die mest vervoeren over wegen werd zulke apparatuur in 2015 al verplicht gesteld. Later dit jaar wordt duidelijk hoe deze plicht straks aan spoorgoederenvervoerders wordt afgedwongen.

Spoorbeheerder ProRail zal vervoerders die bij herhaling de fout ingaan en niet meewerken aan verbetering bovendien de toegang tot het spoor ontzeggen. De ILT inspecteert intensiever op het naleven van de registratieplicht door vervoerders. Boetes en lasten onder dwangsom worden verhoogd en vervoerders die hun registratie structureel niet op orde hebben worden straks vermeld op een openbare zwarte lijst. Onder leiding van ProRail blijven vervoerders, hulpdiensten en het ministerie van IenM ook de komende tijd intensief samenwerken aan een structureel beter informatiesysteem.

Er is donderdag groot alarm geslagen bij chemisch bedrijf Sonneborn Refined Products in Amsterdam-Amstelland. Bij het lossen van een tankwagen is volgens de Amsterdamse brandweer een kleine hoeveelheid zwaveltrioxide vrijgekomen.

Het ‘effectgebied’ is volgens de brandweer beperkt gebleven tot eigen terrein. Er is geen gevaar voor omliggende terreinen of gebouwen. Eerder werd wel geadviseerd om ramen en deuren gesloten te houden.

De A5 is vanwege het incident deels afgesloten.

Tweet van de brandweer van Amsterdam-Amstelland.

Tweet van de brandweer van Amsterdam-Amstelland.