Energie-Nederland is blij met het nieuws dat het demissionair kabinet volgend jaar ruim 6,8 miljard euro extra uittrekt voor het verminderen van de CO2-uitstoot. Het geld zal onder andere worden gebruikt voor investeringen in noodzakelijke energie-infrastructuur zoals waterstof en de verduurzaming van huizen. De belangenvereniging vraagt wel om ook na 2030 oog te houden voor ondersteuning van duurzame energieprojecten.

De urgentie om méér te investeren in de klimaatmaatregelen wordt met de gepresenteerde begroting onderstreept. Om ook na 2022 te kunnen blijven toewerken naar de doelen van 2030, roept Vereniging Energie-Nederland het kabinet op om snel besluiten te nemen over het vergroten van het aanbod CO2-vrije elektriciteit. Daarnaast is het cruciaal dat het kabinet stuurt op voldoende en tijdige investeringen in de energie-infrastructuur.

Meer aanbod CO2-vrije elektriciteit

Voor de elektrificatie van de industrie, vervoer en gebouwde omgeving is, bovenop de reeds bestaande plannen, extra aanbod van CO2-vrije elektriciteit nodig. Het extra budget van 3 miljard euro voor de SDE++ kan onder andere worden ingezet voor de ontwikkeling van extra zon- en windprojecten, maar helpt ook duurzame warmte en projecten in de industrie.

Om de komende jaren te kunnen blijven investeren in de verdere verduurzaming van de elektriciteitsproductie blijft een stabiel investeringskader ook na 2025 nodig. Dit kan door ontwikkelaars van zon- en windprojecten zekerheid te geven dat hun elektriciteit zal worden gebruikt door het gebruik van groene elektriciteit in de industrie te stimuleren. De verhoging van het SDE++ budget is hiertoe een eerste stap, maar er is ook een specifiek steunmechanisme nodig dat afkoerst op de concrete doelstellingen in 2030 en daarna. Door een koppeling aan te brengen tussen elektrificatie en extra productie van CO2-vrije elektriciteit, wordt de transitie verder versneld.

Naast deze koppeling tussen vraag en aanbod, blijft ook het financiële aspect aandacht vragen. Volgens de huidige plannen is de SDE++ al vóór 2025 niet meer beschikbaar voor nieuwe aanvragen voor zonne- en windenergie. Bij onzekerheid over de groei van de vraag naar duurzame elektriciteit, zullen investeerders niet geprikkeld zijn om nog grootschalig te investeren in duurzame productie. Dit terwijl de doelstellingen voor 2030 nog zullen worden verhoogd als gevolg van de Europese plannen, en daarnaast moet in 2050 onze gehele energievoorziening CO2-vrij zijn. Energie-Nederland pleit daarom voor bodemprijsregeling die de grootste risico’s bij tegenvallende elektrificatie wegneemt.

Noodzakelijke investeringen infrastructuur

In de begroting wordt ook aandacht besteed aan de noodzakelijke investeringen in het elektriciteitsnet. Het is cruciaal dat het kabinet stuurt op voldoende en tijdige investeringen door (regionale) netbeheerders in elektriciteitsnetten. Er moet voldoende ruimte zijn om anticiperend te investeren en dit moet gemakkelijker worden, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van publieke middelen zoals het Recovery & Resilience fund. Tegelijkertijd blijven netbeheerders verplicht om tijdig te investeren. Er moet gekeken worden hoe netbeheerders gestimuleerd kunnen worden om anticiperend te investeren en of er andere structurele belemmeringen zijn die aangepakt moeten worden.

Energie-Nederland verwelkomt het vrijmaken van 750 miljoen euro voor een landelijke transportinfrastructuur voor groene waterstof (‘Waterstof Backbone’). En het extra budget voor het warmtetransportnet Zuid-Holland. Dit zijn belangrijke eerste stappen in de ontwikkeling van een waterstof-economie. Infrastructuur voor het transport van CO2-vrije waterstof is onontbeerlijk en de Europese Green Deal heeft dit belang verder vergroot.

Pensioenfonds PME neemt stelling in de klimaatdiscussie en verkocht alle beleggingen in de fossiele olie- en gaswinning en -distributie. Het pensioenfonds wil meer beleggen in sectoren die de energietransitie mogelijk maken, zoals netbeheer en energieopslag.

PME vindt de roep om aanpak van klimaatverandering evident. De deelnemers, gepensioneerden en werkgevers van PME zien volgens onderzoek het belang in van een aangescherpt klimaatbeleid. Het IPCC spreekt duidelijke taal die het pensioenfonds niet wil negeren. Steeds meer landen en bedrijven stellen ambitieuze doelen op klimaatgebied. Rechters interpreteren verdragen, wetten en overeenkomsten strikt. Rechterlijke uitspraken in de Urgenda- en Shell-zaak laten zien dat internationale klimaatafspraken niet vrijblijvend zijn. De rechters vinden dat bedrijven deze afspraken in woord én in daad moeten uitvoeren.

Netbeheer en energieopslag

Eric Uijen, voorzitter van het uitvoerend bestuur van PME: ‘Alles wijst dezelfde kant op. Wereldwijd moet en gaat de CO2-uitstoot de komende tien jaar drastisch naar beneden. De gevolgen van klimaatverandering voltrekken zich op dit moment onder onze ogen. Daarom beleggen we meer in sectoren die de energietransitie mogelijk maken, zoals netbeheer en energieopslag.’

Marcel Andringa, uitvoerend bestuurder balans- en vermogensbeheer: ‘Door ons klimaatbeleid binnen onze beleggingen was het aandeel van fossiele olie- en gasbedrijven al flink gekrompen. Door dialoog en uitsluiting viel een aantal individuele bedrijven af. Nu nemen we volledig afscheid van onze belangen in fossiele olie- en gasbedrijven.’

Nu focus op verbruikers

PME zet het engagementprogramma op klimaatverandering voort. Maar het programma krijgt een andere invulling. PME richt zich in het vervolg op grote verbruikers van fossiele energie. Die hebben handelingsperspectief en van hen wordt verwacht dat zij de bakens verzetten richting een schoon energiesysteem.

Ineos sloot onlangs zowel met RWE als Engie een zogenoemd power purchase agreement (PPA) af. Kunstmestproducent Yara deed hetzelfde met Ørsted. Hoewel de motivatie en achtergrond van de samenwerkingen verschillen, zijn het wel typische voorbeelden van hoe de industrie integreert met de energiewereld. Hoe ver bedrijven daar in willen gaan, is met name afhankelijk van de flexibiliteit van de productieprocessen. Maar dat het aandeel duurzame elektriciteit in de energiemix toeneemt, mag duidelijk zijn.

De inzet van groene elektriciteit is een van de instrumenten van de zware industrie om haar CO2-uitstoot te verlagen. Nu kan die elektriciteit worden ingezet om elektrische pompen of verlichting te voeden, maar nog interessanter wordt het als de stroom de inzet van (proces)gas kan vervangen. Steeds meer (petro)chemische bedrijven sluiten dan ook zogenaamde power purchase agreements  (PPA’s) af met energiebedrijven. De PPA is een redelijk nieuw instrument dat de ontwikkeling, bouw en financiering van hernieuwbare energieprojecten ondersteunt. Traditionele PPA’s hebben doorgaans een looptijd van tien tot soms zelfs 35 jaar. In die jaren krijgt de klant vaak tegen een vaste prijs hernieuwbare energie. Veel leveranciers bieden daarbij nog extra diensten.

Groene ammoniak

Ammoniak krijgt inmiddels al mythische proporties in de discussie rondom de overgang naar een koolstofemissieloze energievoorziening. Waar waterstof alleen vloeibaar wordt bij zeer lage temperaturen, is ammoniak dat bij kamertemperatuur. Ideaal om waterstof (en stikstof) over grotere afstanden te transporteren. Het lijkt dan ook niet heel verwonderlijk dat een van de grootste kunstmestproducenten ter wereld een rol wil spelen in deze interessante markt. Want kunstmest bestaat voornamelijk uit ammoniak: een anorganische verbinding van waterstof en stikstof, waarvan het deel waterstof nu nog uit aardgas wordt gewonnen. Het is echter ook mogelijk ammoniak te produceren door stikstof te laten hydrogeneren met groene waterstof. Op die manier zou in afgelegen gebieden geproduceerde groene waterstof eenvoudig via schepen kunnen worden getransporteerd.

Offshore windenergie-leveranciers lijken de Nederlandse industrie steeds vaker te vinden bij het afsluiten van PPA’s.

Het Noorse bedrijf Yara vond een sterke bondgenoot in het Deense Ørsted dat steeds meer offshore windparken ontwikkelt. De samenwerking kan goed uitpakken voor beide bedrijven omdat Ørsted zeker is van een vaste afname van zijn windstroom. Yara op haar beurt bespaart honderdduizend ton CO2, wat het bedrijf emissierechten oplevert. Om de omzet van elektriciteit naar waterstof mogelijk te maken, investeren de bedrijven eerst in een honderd megawatt elektrolyzer. Daarmee kan Yara jaarlijks 75 duizend ton groene ammoniak produceren. Dat is nog maar tien procent van de totale capaciteit van de grootste ammoniakfabriek in Sluiskil. Voordat het zover is, moeten de bedrijven er nog wel zeker van zijn dat de subsidie en regelgeving voor waterstof in orde is. Maar als dat obstakel is genomen, verwacht men rond 2024/2025 operationeel te zijn.

Ørsted staat momenteel op het punt het windpark op zee Borssele 1&2 in gebruik te nemen. Dit windpark is het op één na grootste ter wereld, gelegen voor de kust van Zeeland, vlakbij de fabriek van Yara in Sluiskil. De groene ammoniak wordt voorlopig nog ingezet bij de productie van groene meststoffen. Daarmee kan de voedselketen verder CO2-neutraal worden gemaakt. In de toekomst kan de groene ammoniak mogelijk ook worden gebruikt voor klimaatneutrale scheepsbrandstof.

Propaandehydrogenatie

Ineos kan organische grondstoffen voorlopig niet vervangen, maar wel zorgen dat de productie ervan duurzaam verloopt. Het bedrijf tekende in 2016 een overeenkomst met de stad Antwerpen en de Vlaamse overheid voor de bouw van twee chemische installaties voor de productie van ethyleen en propyleen. Die zouden medio 2025 in gebruik moeten worden genomen. Helaas gooit corona ook bij dit zogenaamde Project One roet in het eten. Met name de propaandehydrogenatie-eenheid wordt voorlopig vooruitgeschoven. Dat is jammer omdat deze kraker grotendeels op groene elektriciteit zou draaien. De ingekochte duurzame energie kan echter alsnog worden aangewend in de ethaankraker, die als eerste wordt gebouwd. De voor het proces benodigde waterstof is namelijk honderd procent groen.

power purchase agreement

Offshore Windpark Burbo Bank Extension

Overigens zijn de contracten van zowel Engie als RWE al begin dit jaar ingegaan. De stroom wordt voorlopig dan ook nog ingezet op de sites van Ineos in Zwijndrecht en Lillo. Ook daar bekijkt men de mogelijkheden voor elektrificatie en de inzet van waterstofgas in de productieprocessen of de warmtekrachtcentrale. Engie levert de komende tien jaar stroom uit zijn Norther offshore windpark. De overeenkomst geldt voor een capaciteit van 84 megawatt. Het Franse bedrijf berekende al dat Ineos in die tien jaar meer dan één miljoen ton CO2-uitstoot vermijdt.

De overeenkomst van RWE geldt eveneens voor tien jaar. Het bedrijf verwacht jaarlijks 198 gigawattuur groene stroom te kunnen leveren van zijn Northwester 2-offshore windpark. De PPA vertegenwoordigt ongeveer 25 procent van de elektriciteit die Northwester 2 opwekt. Dankzij de PPA vermindert Ineos de koolstofvoetafdruk in België met 745.000 ton CO2 tijdens de looptijd van de overeenkomst.

Trend

De offshore windenergie-leveranciers lijken de Nederlandse industrie inmiddels steeds vaker te vinden bij het afsluiten van PPA’s. Zo kregen kregen AkzoNobel Specialty Chemicals, DSM, Google en Philips in 2018 voor het eerst stroom van het windpark Bouwdokken. Een jaar later volgde de elektriciteit van windpark Krammer. In de twee jaren daarvoor tekenden de partijen de samenwerkingsovereenkomst voor de bouw van de twee windparken met een gezamenlijk vermogen van 140 megawatt.

Alle vier de bedrijven streven naar een honderd procent groene energievoorziening. Net als overigens 280 andere bedrijven die zich committeerden aan de Climate Group RE 100 doelstelling van honderd procent groene energie. Google en Philips hadden dat streven met deze investering al bereikt. Akzonobel, nu Nobian (was hiervoor Nouryon, red.) zat ongeveer op de helft.

Shell sloot eind vorig jaar nog een vijftienjarige PPA af met de ontwikkelaars van het Dogger Bank Windpark: SSE Renewables en Equinor. Het Dogger Bank Windpark A en B, dat voor de kust van Yorkshire ligt heeft een vermogen van maar liefst 2,4 gigawatt. Shell zal daarvan 480 megawatt gebruiken.

Waterstof kan als opslagmedium een belangrijke rol spelen in het afstemmen van energieproductie en -consumptie.

Elektrificatie

Tegelijk met de vergroening van de elektriciteitsvoorziening, bekijken de bedrijven ook hoe ze hun processen kunnen elektrificeren. De elektrochemische processen van Nobian, dat chloor produceert uit zout, zijn het eenvoudigst te vergroenen. Maar het bedrijf wil ook andere processen elektrificeren. Zo onderzoekt men de inzet van e-boilers voor de productie van stoom.

Intussen onderzoeken Shell en Dow of ze in de toekomst elektrische fornuizen kunnen inzetten. Deze technologie staat nu echter nog in de kinderschoenen. In de tussentijd bekijken de bedrijven wel hoe ze andere processen kunnen elektrificeren. Zo verving Shell Moerdijk tijdens een grote stop de stoomaandrijving van de MSPO-1 door een elektrische aandrijving. Op jaarbasis zorgt deze nieuwe aandrijving voor een CO2-reductie van dertienduizend ton.

Minstens zo interessant lijkt het om de groene stroom aan te wenden voor de productie van groene waterstof. Zeker als opslagmedium kan waterstof een belangrijke rol spelen in het afstemmen van energieproductie en -consumptie. Nobian heeft wat dat aangaat de meeste ervaring met elektrolyseprocessen. Het bedrijf heeft meer dan honderd jaar ervaring met elektrolyse en beheert wereldwijd meer dan 1.000 megawatt aan elektrolyse-capaciteit. Deze technologie wordt nu nog met name gebruikt voor de productie van chloraat, chloor en loog, maar door elektrolyse van water is het ook mogelijk op grotere schaal groene waterstof te produceren.

Ook andere bedrijven hebben interesse in elektrolysecapaciteit. De energiebedrijven omdat ze daarmee meer kans maken op het binnenhalen van concessies. De industriële gebruikers kunnen de waterstof op hun beurt inzetten in hun processen. Onderdeel van het CrossWind-project, een joint venture tussen Shell en Eneco, is dan ook de aanleg van een tweehonderd megawatt elektrolyzer. De windenergie komt van het offshore windpark Hollandse Kust. Het windpark heeft een geïnstalleerd vermogen van in totaal 759 megawatt en levert ten minste 3,3 terawattuur groene stroom per jaar.

Havenbedrijf Rotterdam maakte al een terrein vrij met ruimte voor in totaal twee gigawatt conversiecapaciteit, ofwel elektrolyzers en bijbehorende assets. Als alles daadwerkelijk doorgaat zal Shell in 2023 dagelijks zo’n vijftig tot zestigduizend kilogram waterstof maken. Deze groene waterstof gebruikt Shell in het begin in zijn krakers in Pernis. De ambitie is om vanaf 2023 voldoende groene waterstof te hebben om de transportsector rechtstreeks te verduurzamen.

Zonneparken

Hoewel veel eigenaren van offshore windparken power purchase agreements afsluiten, weten zonneparkbeheerders de industrie inmiddels ook te vinden. Zo tekende PV-ontwikkelaar Solaria begin dit jaar een PPA met Shell Energy Europe voor zes zonne-energiecentrales in Spanje met een gecombineerde capaciteit van driehonderd megawatt. De overeenkomst heeft een looptijd van tien jaar en de stroomlevering begint na de voltooiing van de installaties. Men verwacht dat de centrales samen ongeveer 570 gigawatt elektriciteit per jaar produceren. Shell had al een PPA in Spanje afgesloten voor een PV-installatie van 26,1 megawatt.In 2019 sloot Shell nog een vergelijkbare deal met de Noord-Amerikaanse tak van EDF. Het bedrijf tekende voor een vijftien jaar lange afname van stroom van een zonnepark in Californië. Het bedrijf gebruikt ‘slechts’ 132 megawatt van de in totaal vijfhonderd megawatt vermogen van het Palen Solar’s Maverick 7 Solar Project.

Ineos is een stroomafnameovereenkomst aangegaan met RWE voor de aankoop van offshore windenergie in België. Het chemiebedrijf krijgt vanaf volgend jaar groene stroom van het Northwester2 windpark in de Belgische Noordzee.  

Het contract loopt tien jaar en start in 2021. RWE voorziet Ineos van groene stroom met een capaciteit van 56 MW (198 GWh op jaarbasis). De overeenkomst is goed voor circa 25 procent afname van de hernieuwbare stroom van Northwester2. Het vermindert de CO2-voetafdruk van Ineoa in België met 745.000 ton over de volledige looptijd van het contract. Dit is te vergelijken met het van de weg halen van 65.000 personenauto’s elk jaar.

Het is het tweede contract in hernieuwbare energie voor Ineos. In september kondigde ze een overeenkomst met Engie aan. Samen verlagen de deals de koolstofafdruk van Ineos in België met bijna twee miljoen ton.

De polycarbonaatfabriek van Sabic in Cartagena, Zuid-Spanje, draait in 2025 volledig op hernieuwbare energie. Als eerste grootschalige chemische productiesite ter wereld. Daartoe tekende het Saoedische chemiebedrijf een belangrijke overeenkomst met Iberdrola, een wereldwijd opererend elektriciteitsbedrijf.

Zonne-energie speelt een prominente rol spelen bij deze ambitie. Voor 70 miljoen euro bouwt Iberdrola de komende jaren een fotovoltaïsche (PV) installatie met een capaciteit van 100 MW. Maar liefst 263.000 panelen worden op grond geplaatst. De zonnecentrale wordt eigendom van Sabic en wordt het de grootste industriële duurzame elektriciteitscentrale van Europa.

2025

De centrale zal naar verwachting in 2024 volledig operationeel zijn. In 2025 moet de chemielocatie in Cartagena vervolgens volledig op duurzame energie draaien. Cartagena lijkt met haar geografische ligging een belangrijk voordeel te hebben. Zuid-Spanje heeft jaarlijks veel zonne-uren, waardoor de elektriciteitsprijs per kilowattuur laag komt te liggen.

Het Nederlandse schone-energie conglomeraat Koolen Industries is aandeelhouder geworden van EIT InnoEnergy, drijvende kracht achter innovaties voor duurzame energie in Europa. Deze samenwerking moet de commercialisering van schone energie start-ups versnellen. Ook zorgt de samenwerking voor een bundeling van expertise met een uitgebreid netwerk. Zo is er meer ondersteuning mogelijk voor start-ups in dit veld.

Ondernemer en CEO van Koolen Industries, Kees Koolen, was al een vroege investeerder in Uber en voormalige CEO van booking.com. Hij richtte Koolen Industries begin 2019 op met de ambitie om schone energie toegankelijk en betaalbaar te maken. Sindsdien heeft Koolen Industries geïnvesteerd in een aantal projecten en bedrijven. Hieronder vallen Super B (lithiumbatterijen) en Floading (slimme laadinfrastructuur), om de positieve impact die deze bedrijven op het milieu kunnen hebben te vergroten. Eerder berichtte Het Nieuwe Produceren over de batterijcampus die hij op de voormalige vliegbasis Twente realiseerde met Lithium Werks.

CEO van EIT InnoEnergy Benelux Jacob Ruiter verwacht dat Koolens ondernemersgeest en uitgebreide wereldwijde netwerk het aanbod sterker zullen maken. Hij kan er ook aan bijdragen EIT InnoEnergy’s bestaande start-up-portfolio naar een hoger niveau te tillen. ‘Voor het duurzaamheidslandschap had dit niet op een beter tijdstip kunnen komen; de klimaatcrisis blijft maar groeien en dit samengaan van twee belangrijke krachten zal ons helpen bij de overgang naar een koolstofarme toekomst.’

Cleantech innovaties

EIT InnoEnergy biedt innovaties toegang tot financiering,  een kortere marktintroductietijd en vermindert het totale risico. Daarnaast heeft het ook een eigen wedstrijd, Global Call for Start-ups, waar de allerbeste innovaties op het gebied van cleantech – dit omvat onder andere hernieuwbare energie, mobiliteit en slimme steden – een plek kunnen winnen in een van de ondersteuningsprogramma’s en voor de beste start-up is er ook een geldprijs.

‘Ik was voor het eerst onder de indruk van EIT InnoEnergy toen ik in 2019 de finale van hun Global Call for Start-ups bijwoonde’,  aldus Koolen. Beiden zijn investeerders in Hardt Hyperloop en Elestor. ‘Als aandeelhouder kunnen we vroeg investeren in cruciale innovaties en maximaal van waarde zijn voor hun traject naar commercieel succes.’

EIT InnoEnergy ondersteunt meer dan 30 start-ups en innovaties in de Benelux en nog eens 200 in heel Europa. Het bedrijf heeft meer dan €500 miljoen geïnvesteerd sinds de oprichting in 2010.

 

Nederland en het Duitse Noordrijn-Westfalen werken nauw samen aan een duurzame energie- en industriesector. Beide partijen stimuleren grensoverschrijdende samenwerking tussen bedrijven en kennisorganisaties om klimaatdoelstellingen kracht bij te zetten. Tijdens de derde Combined Energy Conference die op 29 januari 2020 in Arnhem werd gehouden, werd onder meer onder de noemer HY3 een gezamenlijke studie naar de haalbaarheid van een grensoverschrijdende waardeketen voor groene waterstof, strekkend van de Noordzee tot aan industriële clusters in het grensgebied gelanceerd.

Het HY3-project is een samenwerking tussen Nederland, Duitsland en de deelstaat Noordrijn-Westfalen. De drie partijen in de samenwerking wijzen ieder een onderzoeksinstelling aan die gezamenlijk onderzoek zullen doen naar de haalbaarheid van een transnationale groene waterstofeconomie.

Het HY3 onderzoek wordt uitgevoerd als trilateraal project van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van Nederland; het Ministerie van Economische Zaken, Innovatie, Digitalisering en Energie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen en het Bondsministerie van Economische Zaken en Energie van Duitsland. Elk van de drie partijen heeft een instelling aangewezen om het project te leiden of zal dit in de komende tijd doen. Nederland heeft TNO aangewezen en Noordrijn-Westfalen heeft onderzoekscentrum IEK-3 Forschungszentrum Jülich aangewezen.

Benodigde hoeveelheid waterstof

De studie, die tegen de zomer van 2020 klaar moet zijn, geeft een antwoord op de vraag hoeveel waterstof de grote industriële clusters straks nodig hebben; hoeveel groene waterstof er op zee, en ook op land, is te produceren; welke volumes waar zijn op te slaan en hoeveel capaciteit het transportnetwerk moet bieden.

Industriële partijen met interesse in waterstof productie, transport of gebruik worden uitgenodigd om deel te nemen aan het project om informatie te leveren over potentiële vraag en aanbod van groene waterstof.

Concrete samenwerkingsprojecten

Het thema van de Combined Energy Conference is CO2-reductie in de energie- en industriesector. De conferentie is bedoeld om de relaties tussen de deelnemende partijen te versterken en concrete samenwerkingsprojecten tot stand te brengen door workshops op het gebied van waterstof, CO2-reductie in de industrie en hernieuwbare energie te faciliteren.

Onder de 350 deelnemers bevonden zich vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven, kennisinstellingen, brancheorganisaties en de overheid uit Nederland en Noordrijn-Westfalen. Onder de sprekers bevonden zich minister Wiebes (EZK), minister Pinkwart (NRW) en Ahmed Marcouch, burgemeester van Arnhem.

Minister Wiebes: “Noordrijn-Westfalen is als industriële ruggengraat van Duitsland een belangrijke partner voor Nederland voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen en het creëren van economische kansen in de transitie naar klimaatneutraliteit. Onze regio is bovendien uniek gepositioneerd voor groene waterstof: we beschikken al over grensoverschrijdende infrastructuur, logistieke routes en onderzoeksinstituten. Met de verwachte groei van windenergie op zee en de groeiende vraag naar groene waterstof in de industrie, zijn alle voorwaarden aanwezig om een voorloper te worden in de transitie naar een duurzame economie.”

Waterstof aantrekkelijk

Om de CO2-uitstoot door zware industrie in bijvoorbeeld het Roergebied te minimaliseren is het gebruik van groene waterstof een aantrekkelijke optie. Die kan bijvoorbeeld worden geproduceerd vanuit wind op zee op de Noordzee, ten noorden van Duitsland en Nederland. Maar hoe komt deze waterstof van de Noordzee naar het Roergebied? Door het vrijkomen van de gastransport infrastructuur van Gasunie als gevolg van het sluiten van het Groningen gasveld is deze inzetbaar voor waterstof transport, met exportmogelijkheid naar Duitsland.

TNO en partners onderzoeken de haalbaarheid van dit plan, dat de decarbonisatie van de Duitse en Nederlandse industrie dichterbij moet brengen. Begin oktober tekenden minister Wiebes van EZK en zijn Duitse ambtgenoot Altmaier een intentieverklaring voor samenwerking tussen beide landen rond de energietransitie. Waterstof is hierin een belangrijk onderdeel als schone brandstof voor industriële productie. TNO voert de haalbaarheidsstudie uit dat zich richt op de marktvraag en onderzoeksinstituut Jülich dat onderzoek doet naar grootschalige productie van groene waterstof. Gasunie gaat na hoe hun netwerk geschikt is te maken voor transport en TNO neemt zowel waterstof transport als opslag in zoutcavernes onder de loep.

 

RVO lanceert een nieuwe duurzame innovatieregeling met de naam Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI). De regeling richt zich op projecten voor ‘Wind op zee’, ‘Hernieuwbare energie op land’, ‘Gebouwde omgeving’ en de ‘Industrie’.

De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de MMIP’s die aan de basis liggen van de MOOI-regeling. Zij kunnen in 2020 mogelijke indieners adviseren bij het vinden van goede partners en samenwerkingsverbanden. Ook de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ondersteunt mogelijke aanvragers met advies, toegang tot netwerken en informatie over energie-innovatie en de voorwaarden van de MOOI-regeling.

Budget

Voor de vier thema’s van de MOOI-regeling is in totaal 65 miljoen euro beschikbaar. Daarvan krijgt het thema Wind op Zee 10,1 miljoen, hernieuwbaar op land 10,9 miljoen en de gebouwde omgeving 27 miljoen euro. Innovaties die de industrie verduurzamen kunnen aanspraak maken op totaal 17 miljoen euro.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor de MOOI-regeling moeten projecten een flinke omvang hebben van een nog nader te bepalen bedrag. Aanvragers moeten een innovatieplan voorleggen met daarin Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden (Smart) opgestelde mijlpalen om de voortgang te kunnen volgen. In het project moet duidelijk sprake zijn van een integrale aanpak. Daarom moeten meerdere bedrijven uit de innovatieketen aangesloten zijn bij het project. Dit zijn bij voorkeur organisaties vanuit verschillende disciplines en consortia.

Aanvragen

Samenwerkende partijen kunnen vanaf begin 2020 tot midden april de eerste schetsen van hun voorstel indienen bij RVO.nl. In deze vereiste voorronde toetst RVO of de aanvraag aansluit op de regeling.

RVO.nl geeft dan met een adviescommissie advies over het plan en de voorgestelde samenwerking. Soortgelijke projecten kunnen met elkaar in contact worden gebracht, waar de Topconsortia van Kennis en Innovatie (TKI) bij kunnen helpen. De partijen kunnen de adviezen verwerken in hun definitieve aanvraag. De voorronde sluit naar verwachting in april en de definitieve indiening in september.

BASF, Borealis, BP, LyondellBasell, Sabic en Total hebben samen het Cracker of the Future Consortium opgericht. De zes chemiegiganten onderzoeken hoe ze gezamenlijk elektrisch aangedreven nafta- of stoomkrakers kunnen ontwikkelen. 

Stoomkrakers bieden een mogelijkheid om de uitstoot van broeikasgassen in de industrie te verminderen. Een optie  is om de kraakovens elektrisch te verwarmen in plaats van te vertrouwen op fossiele brandstoffen. Deze route kent wel een aantal uitdagingen. Vooral de technologische en economische haalbaarheid ten opzicht van bestaande krakers zijn belangrijke punten.

Doelstelling

De samenwerking staat in het kader van de trilaterale strategie van Nederland, Vlaanderen en NoordRijn-Westfalen om voorop te lopen in verduurzaming van de chemie. De zes leden van het consortium zijn onder voorzitterschap van de Brightlands Chemelot Campus begonnen met het verkennen en screenen van technische opties. Als een mogelijke technische oplossing wordt geïdentificeerd, bepalen de partijen of ze gezamenlijke ontwikkelingsprojecten willen voortzetten.

Eerder werd al bekend dat bijvoorbeeld BASF onder de naam e-Furnace afzonderlijk elektrificatie van petrochemische installaties onderzoekt. Door het nu gezamenlijk op te pakken, kunnen de zes chemiebedrijven de ontwikkeling versnellen. Bovendien kunnen de kosten per bedrijf naar beneden.

De zoutproductie van Nouryon in Hengelo wordt verder verduurzaamd door levering van duurzame stoom uit de biomassa-energiecentrale van Twence. De twee bedrijven tekenden maandag een overeenkomst. Hiermee kan Nouryon circa 50.000 ton CO2 per jaar besparen. Dat is vergelijkbaar met de uitstoot van meer dan 400 miljoen autokilometers.

Knut Schwalenberg, directievoorzitter Nouryon Nederland: ‘Het zout uit Hengelo is onmisbaar voor de Nederlandse en Duitse industrie, maar de productie heeft veel warmte nodig. Daarom zetten wij onverminderd in op groene energie en zien we deze samenwerking met Twence als een belangrijke stap in de verdere verduurzaming van onze processen en producten.’ Jaarlijks bespaart Nouryon dankzij de stoomtoevoer van Twence 60 tot 80 miljoen kubieke meter aardgas, gelijk aan het gemiddelde verbruik circa 33 tot 45 duizend huishoudens.

Stadsverwarmingsnet

Twence levert sinds 2011 stoom vanuit haar afvalenergiecentrale via een pijpleiding aan Nouryon in Hengelo. Deze stoom, die wordt gebruikt voor de indamping van pekel voor de zoutproductie, wordt voor ruim de helft als duurzaam aangemerkt vanwege het biogene gehalte in restafval. Sinds de ingebruikname van de vernieuwde biomassa-energiecentrale kan Twence ook volledig groen opgewekte stoom leveren.

Warmte uit de biomassacentrale van Twence wordt ook geleverd aan het stadsverwarmingsnet in Enschede en de stoom is beschikbaar voor bedrijven in de omgeving met een grote warmte- of koudevraag. De energie kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor koeling, verwarming van gebouwen, of proceswarmte voor industrie.