Het kabinet wil dat er een landelijk transportnetwerk voor waterstof komt. Het is een opdracht waarmee Hynetwork Services aan de slag gaat. De eerstvolgende stap voor deze volle dochter van Gasunie is het verbinden van vijf grote industriële clusters. ‘Het is nu van belang dat we een markt op gang brengen’, stelt Eddie Lycklama à Nijeholt.

De aanleg van een infrastructuur voor waterstof vraagt om een nuchtere blik. Want zo nieuw en technisch ingewikkeld is het ook weer niet, stelt Eddie Lycklama à Nijeholt, programma manager Hydrogen Backbone Netherlands bij Gasunie. Tot zestig jaar geleden was stadsgas een belangrijke energiedrager in Nederland en daarbuiten. ‘Dat bestond al gauw voor de helft uit waterstof’, stelt hij. In Nederland verdwenen de gasfabrieken, waarin de mengsels van waterstof, methaan en koolmonoxide werden geproduceerd met de opkomst van aardgas.

Juist de aardgasinfrastructuur die toen werd aangelegd, biedt momenteel een springplank voor de wederopstanding van waterstof. Lycklama à Nijeholt: ‘Om de vijf grote industriële clusters in Nederland aan elkaar te verbinden, is circa twaalfhonderd kilometer leiding nodig. Daarvoor kan meer dan duizend kilometer bestaande infrastructuur worden ingezet. Dat voorkomt al veel overlast voor de omgeving. Zie het als een snelweg, die moet worden gerenoveerd. We vervangen alleen de toplaag.’

50 bar

Nadat een deel van de aardgasinfrastructuur wordt losgekoppeld, is slechts een beperkt aantal aanpassingen nodig. ‘Natuurlijk inspecteren we de leidingen en vervangen we delen waar nodig. Ook maken we ze schoon en moeten we afsluiters vervangen. Echter, bij waterstof is niet zoals bij aardgas elke tien kilometer een afsluiter nodig, maar maximaal elke tachtig kilometer. Dus dat scheelt alvast.’

Doordat de moleculen van waterstof lichter zijn dan die van aardgas, is in Nederland geen extra compressie onderweg nodig. De druk die bij de invoer wordt meegegeven, kan zelfs lager zijn dan bij aardgas. Zelfs dan gaat waterstof ongeveer drie keer zo snel door de buis. Lycklama à Nijeholt: ‘Aardgas krijgt een druk mee van 66 bar. Waterstof krijgt straks bij de invoer 50 bar mee. Dat is genoeg om aan de grens met Duitsland nog 30 bar over te houden. Dat is voldoende. Gaan we waterstof straks exporteren, dan is wellicht op de grens wel extra compressie nodig.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Lycklama

Eddie Lycklama à Nijeholt (Gasunie): ‘Hoe meer waterstof je naar Chemelot brengt, hoe minder CO2 je hoeft af te voeren.’

Hydrogeneren

Het ministerie van EZK heeft Gasunie aangewezen om in Nederland een waterstofinfrastructuur aan te leggen, de zogenoemde backbone. Die handschoen heeft Gasunie opgepakt. Dat gebeurt echter wel onder een andere naam en juridische entiteit. ‘Gasunie is indertijd opgericht om aardgas te transporteren. Willen we waterstof of bijvoorbeeld CO2 transporteren, dan moeten we daar andere organisaties voor oprichten. Voor CO2 is dat bijvoorbeeld onder meer Porthos.’

Voor waterstof is de nieuwe entiteit Hynetwork Services. ‘Al eerder hebben we deze honderd procent dochter opgericht voor transport van waterstof tussen Dow in Terneuzen en Yara in Sluiskil.’ Sinds eind 2018 wisselen de twee chemiebedrijven waterstof uit via een niet meer in gebruik zijnde gastransportleiding van Gasunie. De oprichting van een nieuwe entiteit is dus niet meer nodig. ‘Binnen Hynetwork Services gaan we ook de backbone uitrollen.’

Het verraadt meteen ook de volgorde van de eerste stappen die Hynetwork Services zet. Lycklama à Nijeholt: ‘Eerst onderzoeken we binnen grote industriële clusters zelf hoe we vraag en aanbod van waterstof aan elkaar kunnen koppelen. Zoals bij Dow en Yara. Als de één te veel heeft, dan brengen we dat bij een ander die juist waterstof kan gebruiken.’ Verschillende industriële clusters werken al aan een regionale waterstof infrastructuur.

De volgende stap is om dat ook landelijk te gaan doen. De aanleg van de zogenoemde backbone, de ruggengraat van het toekomstige waterstofnet. ‘Dat betekent dat we ons gaan richten op het verbinden van de vijf grote industriële clusters.’ Daarbij gaat het om de Rijnmond, de IJmond, het gebied van North Seaports (Zeeland en Gent), de Eemsdelta en Chemelot.

Het lijkt niet meer dan een logische stap. In de procesindustrie is al veel vraag naar waterstof, bijvoorbeeld voor de ontzwaveling van brandstoffen en de productie van kunstmest. En ook voor nieuwe ontwikkelingen is straks waterstof nodig. Denk aan de chemische recycling van afvalplastics. Hydrogeneren lijkt de aangewezen route om bijvoorbeeld chloor en fosfor uit de stromen te halen.

Elektronen

Bijzonder is de puzzel rond Chemelot, ziet ook Lycklama à Nijeholt. De andere vier clusters liggen aan zee, dus dicht bij bestaande en toekomstige offshore windparken. De productie van groene waterstof zal daar eenvoudiger zijn. Bovendien zijn daar ook meer mogelijkheden voor blauwe waterstof. CO2 kan dichtbij in uitgeproduceerde gasvelden worden opgeslagen. Chemelot en ook grote Duitse industrieclusters iets verderop, liggen wat dat betreft minder gunstig. Er wordt zelfs onderzocht of CO2 uit Limburg en Duitsland naar de Noordzee kan worden gebracht. ‘Dat kan natuurlijk ook. Echter hoe meer waterstof je naar Chemelot brengt, hoe minder CO2 je hoeft af te voeren.’

Chemelot en ook de Duitse chemiebedrijven onderzoeken daarom meer opties. Zo krijgt de turquoise route daar meer aandacht. Via methaanpyrolyse kan ook waterstof worden geproduceerd uit aardgas met koolstof als tweede product. Grootschalige aanvoer van aardgas is voor Chemelot vooralsnog geen probleem.

Ook elektrificatie van fabrieken is een belangrijke route. Niet voor niets zet Chemelot de lobby voor verzwaring van het elektriciteitsnet rond het cluster zwaar aan. Lycklama à Nijeholt begrijpt dat volkomen. ‘Je moet je altijd afvragen wat het meest efficiënt is. Dat kan per situatie verschillend zijn. In veel gevallen kan elektrificeren het meest voor de hand liggen.’

Wel wil hij het toch wat in perspectief zetten. ‘Momenteel wordt tachtig procent van ons energieverbruik geregeld met moleculen en slecht twintig procent met elektronen.’ De meeste auto’s rijden nog op benzine en diesel. Ook aardgas is nog steeds een belangrijke brandstof op heel veel plaatsen, stelt hij. ‘Het zou al heel knap zijn als het in 2050 fifty-fifty is.’

Scheiden

Bij het verbinden van de vijf clusters komt ook wat de projectdirecteur het zesde cluster noemt in beeld. ‘Dat zijn alle industrieën samen die niet in één van de vijf clusters liggen. Daar krijgen we als Gasunie ook veel vragen over. “Wanneer worden wij aangesloten op het waterstofnet?” Liggen de fabrieken toevallig op de route van de backbone, dan is een aansluiting relatief eenvoudig te realiseren. Het meest tricky is de afstand tot het hoofdnetwerk.’

LycklamaHet levert weer nieuwe puzzels op. Regionale netwerken kunnen daarin een belangrijke rol spelen. Als verschillende andere bedrijven in een regio ook waterstof kunnen en willen gebruiken is dat natuurlijk een groot voordeel. ‘Bij ons geldt re-use before buy before build. Als we een bestaand regionaal gasnet kunnen inzetten voor waterstof, dan heeft dat natuurlijk voordelen.’ Maar ook dat is niet eenvoudig. Wat betekent het voor de leveringszekerheid? En wil en kan iedereen wel over? ‘We onderzoeken volop technieken om bijvoorbeeld aardgas en waterstof te scheiden. Dan kan na gemengd transport het aardgas bijvoorbeeld richting de huishoudens en waterstof richting een deel van de industrie.’

Eddie Lycklama à Nijeholt (Gasunie): ‘Bij ons geldt re-use before buy before build.’

Extra zuiveren

Een belangrijke doelgroep voor waterstof lijkt ook vrachttransport. Hoewel er al personenauto’s op waterstof op de markt zijn en Lycklama à Nijeholt er zelf ook één rijdt, heeft de batterijenauto een duidelijke voorsprong opgebouwd. Dat ligt wellicht anders bij zwaar vrachttransport over de weg, via het water en mogelijk zelfs via de lucht. Batterijen nemen al gauw veel gewicht en ruimte in, wat ten koste gaat van de lading. ‘Vrachtvervoer is naar ons idee de volgende stap, na de regionale industrie. Daarbij onderzoeken we of de distributie van waterstof dan via flessen moet gebeuren, of dat we daar de backbone ook al voor kunnen inzetten.’

Er zijn veel discussies over de gewenste zuiverheid. Elektrolyse van water levert zuivere waterstof op. Bij de gangbare productie van waterstof uit methaan ligt de zuiverheid echter op ongeveer 96 procent. ‘De brandstofcellen in vrachtauto’s vragen om 99,9 procent zuiverheid. In de industrie ligt dat anders. Uit een marktconsultatie blijkt dat de meeste klanten prima uit de voeten kunnen met 98 procent. Dan rijst natuurlijk de vraag: tot welk niveau ga je extra zuiveren? Het is nu van belang dat we een markt op gang brengen en dan is het wenselijk om de kosten zo laag mogelijk te houden en de toegankelijkheid open.’ Het lijkt hem daarom verstandiger dat waterstof indien gewenst na transport extra wordt gezuiverd.

Tien procent

Dan het huishoudelijke gebruik. Voor velen is het de vraag of waterstof ooit een belangrijke rol gaat spelen in onze huizen. Aardgas is niet op korte en middellange termijn weg te denken. Als vervanging wordt stevig ingezet op elektrificatie, warmtepompen, betere isolatie. ‘Vergeet biogas niet’, vult Lycklama à Nijeholt aan. Nu al is vijf procent van het aanbod biogas, en dat aandeel neemt alleen maar toe, is zijn overtuiging. Het is ook niet ondenkbaar dat het huishoudelijke gas in de toekomst weer een mengsel wordt, net als in de tijd van het stadsgas. ‘Volgens onderzoek kan het huidige aardgas voor huishoudelijk gebruik zonder problemen worden bijgemengd met tien procent waterstof. Sommige bronnen beweren al twintig procent. Maar daar durf ik mijn hand nog niet voor in het vuur te steken. Nu is 0,02 procent toegestaan. Het lijkt me logisch dat dat verandert.’

European Industry & Energy Summit 2021

Tijdens de European Industry & Energy Summit 2021 (7 en 8 december in Rotterdam Ahoy en online) is Eddie Lycklama à Nijeholt een van de podiumgasten in het onderdeel Next Steps in Hydrogen. Dan vertelt hij meer over de aanleg van het waterstofnetwerk in Nederland. Het is dan mogelijk om vragen te stellen, ook online.

Kijk voor het volledige programma op www.industryandenergy.eu

De industrie in Noord-Nederland heeft inzichtelijk gemaakt hoeveel elektriciteit het de komende jaren nodig heeft om te kunnen verduurzamen. Conclusie is dat er tijdig moet worden geïnvesteerd in uitbreiding van de energie-infrastructuur.

Het noordelijke industriecluster voorziet een aanzienlijke groei in elektriciteitsgebruik. Elektrificatie bij bestaande, maar ook bij nieuw te vestigen bedrijven, is een belangrijke route bij het omlaag brengen van de CO2-emissie. Doel is om deze per ton geproduceerd product in 2030 te hebben gereduceerd met meer dan zeventig procent ten opzichte van 1990.

De verwachting is dat er al in 2025 meer dan vier keer meer elektriciteit zal worden gebruikt dan in 2020. In 2030 is er meer dan acht keer zo veel elektriciteit nodig als in 2020, groeiend naar een factor van zestien in 2050. Als ook de plannen voor grootschalige groene waterstofproductie worden meegenomen, is de geraamde groeifactor nog substantieel hoger.

Knelpunten

Grootschalige elektrificatie gaat al op korte termijn grote knelpunten opleveren voor de industrie in Noord-Nederland. In het cluster Delfzijl kan het bestaande elektriciteitsnet al voor 2025 niet voldoen aan de toenemende elektriciteitsvraag. Richting 2030 wordt dit probleem nog groter en ontstaat ook krapte bij fabrieken buiten de verschillende clusters en in het cluster Emmen.

Naast een enorme uitbouw van elektriciteitsinfrastructuur is er ook voldoende duurzame elektriciteitsopwekking uit voornamelijk wind op zee nodig. Netbeheerders geven aan dat voor grote infra-investeringen doorlooptijden van 7 tot 15 jaar nodig zijn. Dit maakt duidelijk dat per direct moet worden begonnen met de versterking van het elektriciteitsnet en de extra opwekking van groene stroom om de elektrificatie van de industrie te kunnen faciliteren. Maar ook de eerste stappen richting een waterstofeconomie moeten nu gezet worden, zodat waterstof op tijd als alternatief beschikbaar is.

Ineos investeert meer dan twee miljard euro in de productie van groene waterstof in heel Europa. Het bedrijf bouwt daarvoor in de komende tien jaar fabrieken in België, Noorwegen en Duitsland. Ook zijn investeringen gepland in het VK en Frankrijk.

De eerste installatie die Ineos bouwt, is een 20 MW-elektrolyzer. Hiermee kan het bedrijf schone waterstof produceren door middel van elektrolyse van water, aangedreven door koolstofvrije elektriciteit in Noorwegen. Dit project leidt tot een minimale reductie van naar schatting 22.000 ton CO2 per jaar door de ecologische voetafdruk van de activiteiten van Ineos in Rafnes te verkleinen en als hub te dienen voor de levering van waterstof aan de Noorse transportsector.

Duitsland

In Duitsland is Ineos van plan om een 100 MW elektrolyzer op grotere schaal te bouwen om groene waterstof te produceren op de locatie in Keulen. Waterstof uit de installatie gebruikt ze bij de productie van groene ammoniak. Het Keulen-project resulteert in een vermindering van de CO2-uitstoot van meer dan 120.000 ton per jaar. Het biedt ook kansen om E-Fuels te ontwikkelen via Power-to-Methanol-toepassingen op industriële schaal.

Ineos ontwikkelt andere projecten in België, Frankrijk en het VK en het bedrijf verwacht verdere partnerschappen aan te kondigen met toonaangevende organisaties die betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwe waterstoftoepassingen.

Infrastructuur

In november 2020 lanceerde Ineos een nieuw bedrijf als onderdeel van dochterbedrijf Inovyn, dat een exploitant is van elektrolyse. Het nieuwe bedrijfsonderdeel is opgericht voor de ontwikkeling en opbouw van groene waterstofcapaciteit in heel Europa, ter ondersteuning van het streven naar een koolstofvrije toekomst.

Het Ineos-waterstofbedrijf krijgt zijn hoofdkantoor in het VK hebben en heeft als doel capaciteit op te bouwen om waterstof te produceren in het Ineos-netwerk van locaties in Europa, naast partnerlocaties waar waterstof de decarbonisatie van energie kan versnellen.

Ineos is ook van plan nauw samen te werken met Europese regeringen om ervoor te zorgen dat de nodige infrastructuur wordt aangelegd voor waterstof.

Foto: Ineos in Rafnes. Credit: Ineos

Gasunie heeft een obligatielening met een waarde van 300 miljoen euro en een looptijd van 15 jaar uitgegeven. Het bedrijf koppelt reductiedoelen aan de lening. Als deze niet worden gehaald, moet het bedrijf investeerders meer rente betalen.

Han Fennema, Chief Executive Officer van Gasunie: ‘We transformeren van een gastransportbedrijf naar een energie-infrastructuurbedrijf. Tegen deze achtergrond geven we nu deze Sustainability-Linked Bond (de obligatielening, red.) uit, communiceren we onze transitiestrategie en werken we samen met onze investeerders bij het realiseren van deze strategie. Wij koppelen economische prikkels aan onze toezegging om specifieke duurzaamheidsresultaten te behalen in lijn met onze Visie 2030.’

Voor de obligatielening heeft Gasunie twee doelen gekozen die per 31 december 2030 moeten zijn bereikt. De eerste doelstelling is specifiek voor de gastransportsector en houdt in dat de uitstoot van methaan met ongeveer 75 procent moet worden verminderd ten opzichte van 1990 en met 50 procent ten opzichte van 2020. Dat laatste is meer dan de reductiedoelstelling van 30 procent die onlangs in het kader van de Global Methane Pledge is gepubliceerd. De tweede doelstelling heeft betrekking op de CO2-equivalente emissies die Gasunie zelf in de hand heeft en die zij tegen 2030 met 30 procent moet hebben teruggebracht op basis van een relatieve-waardemaatstaf.

7 miljard euro

De obligatie heeft een effectieve rentevoet van 0,763 procent. De zelfopgelegde duurzaamheidsdoelen kunnen leiden tot een couponverhoging van 0,10 procent als Gasunie op 31 december 2030 één doelstelling niet heeft behaald. En van 0,20 procent als het bedrijf beide doelstellingen niet heeft behaald. De obligatie krijgt een notering aan Euronext Amsterdam. De opbrengst wordt aangewend voor de herfinanciering van aflopende schulden en voor algemene bedrijfsdoeleinden.

De totale investeringsagenda van Gasunie voor de komende tien jaar, vastgelegd in onze Visie 2030, kan oplopen tot circa 7 miljard euro. Meer dan de helft van deze investeringen is bestemd voor de energietransitie.

Gasunie en North Sea Port hebben een overeenkomst ondertekend voor de ontwikkeling van een regionaal transportnetwerk voor waterstof in Zeeland. Het Hydrogen Delta Network NL moet een open netwerk worden dat in 2027 wordt verbonden met de landelijke waterstofinfrastructuur die Gasunie in Nederland ontwikkelt.

Momenteel is het Zeeuwse industriële cluster, met 520.000 ton per jaar, goed voor 35 procent van de vraag naar waterstof in Nederland. Voor een regionale infrastructuur voor waterstof moet de markt zich ontwikkelen en zijn ook aanvullende activiteiten noodzakelijk. Zo wordt gewerkt aan elektrolyse, waarbij met duurzaam opgewekte elektriciteit CO2-vrije waterstof wordt gemaakt. In Zeeland zijn inmiddels al meerdere elektrolyseprojecten aangekondigd. Naast de ontwikkeling rondom grootschalige elektrolyse biedt de regio ook goede kansen voor import van waterstof via locaties in het havengebied van North Sea Port.

Het aanbod van waterstof komt vooral uit Vlissingen en de afnemers van waterstof zitten vooral in de Kanaalzone Terneuzen-Gent. De komende periode wordt gekeken naar de beste manier om Vlissingen en Terneuzen met elkaar te verbinden. De regio biedt kansen voor het hergebruik van bestaande aardgasleidingen (via land) maar ook het kruisen van de Westerschelde behoort tot de mogelijkheden (wellicht een gezamenlijke kruising met meerdere soorten leidingen en kabels).

Netwerk België

Gelijktijdig met de ontwikkeling van het Zeeuwse waterstofnetwerk ontwikkelt North Sea Port samen met gastransportbedrijf Fluxys en ArcelorMittal een vergelijkbaar regionaal netwerk in België. Eind 2025 is de waterstofinfrastructuur in de deltaregio gereed.

Naar verwachting wordt het Zeeuwse netwerk in 2027 verbonden met de landelijke waterstofinfrastructuur die Gasunie in Nederland ontwikkelt. Deze backbone verbindt niet alleen de Nederlandse industriële clusters met elkaar, maar heeft ook verbindingen met de waterstofopslag in Noord-Nederland, Duitsland en andere delen van België.

Hydrogen Delta Network NL wil de ontwikkeling van de vraag naar en het aanbod van waterstof door bedrijven in de Zeeuwse regio faciliteren. Via een ‘Expression of Interest’ worden de specifieke activiteiten, wensen en eisen voor vraag en aanbod op het gebied van capaciteit en volume in kaart gebracht. Hiermee wordt de leidingcapaciteit, -dimensionering en -route verder bepaald. Op basis van de uitkomsten hiervan wordt begin 2022 de route voor het regionale waterstofnetwerk bepaald. Eind 2022 moeten vervolgens de noodzakelijke investeringsbesluiten genomen worden.

De aanvoerleiding naar Chemelot, die beschadigd raakte door de recente wateroverlast, is succesvol hersteld. Dit betekent dat een aantal fabrieken weer gaat opstarten om daarna weer op volle sterkte te kunnen opereren.

De uitbedrijfname van de pijpleiding had tot gevolg dat er tijdelijk verminderde aanvoer van grondstoffen was. Hierdoor moesten fabrieken of bepaalde fabrieksonderdelen vaker stoppen en weer opstarten. Dit gold onder andere ook voor de naftakraker Olefins 4 van Sabic. Vanaf aanstaande maandag wordt het opstartproces van deze naftakraker ingezet en die is naar verwachting in de loop van dinsdag afgerond. Om de naftakraker gecontroleerd en veilig op te starten, wordt er gebruik gemaakt van het fakkelsysteem. Het fakkelen kan gepaard gaan met licht- en/of geluidsoverlast.

De beschadiging leidde niet tot bodem- of watervervuiling.

Een van de aanvoerleidingen naar chemiesite Chemelot in Geleen is door de recente wateroverlast beschadigd. Hierdoor is er tijdelijk minder aanvoer van grondstoffen naar Chemelot, waardoor niet alle fabrieken op volle sterkte kunnen opereren.

Bedrijven werken sinds de uitbedrijfname van de pijpleiding aan het herstel daarvan. De beschadiging heeft niet geleid tot bodem- of watervervuiling. De tijdelijk verminderde aanvoer van grondstoffen kan als gevolg hebben dat fabrieken of bepaalde fabrieksonderdelen vaker moeten stoppen en weer opstarten. Dit kan gepaard gaan met een bruine pluim of fakkel boven het Chemelot-terrein.

Tekort aan proces-/koelwater

De wateroverlast zorgde er ook voor dat voor het eerst het Platform Industriële Incidentbestrijding (PII) is ingezet. Limburg werd medio juli tot rampgebied verklaard. Chemiesite Chemelot in Geleen ligt net buiten het getroffen gebied en ondervond naast de beschadigde aanvoerleiding geen overlast van het wassende water. Tot op 16 juli de dijk van het Julianakanaal in Meerssen dreigde te bezwijken. Omringende dorpen en buurtschappen werden snel geëvacueerd. Chemelot zou bij een dijkdoorbraak niet onder water komen te staan, maar zou bij een te grote daling van het waterpeil in het Julianakanaal wel te maken krijgen met een tekort aan proces-/koelwater, want dit wordt betrokken uit het Julianakanaal. Met als gevolg tijdelijk afschakelen van fabrieken.

Water naar de site brengen

Vorig jaar is het Platform Industriële Incidentbestrijding (PII) opgericht, een samenwerkingsverband van de bedrijfsbrandweer van Dow Terneuzen, Shell Moerdijk, Gezamenlijke Brandweer Rotterdam en Sitech Geleen. Om toerbeurt staat bij elk lid een PII-coördinator paraat. De aanvrager signaleert een probleem, alarmeert via het PII-alarmnummer de dienstdoende PII-coördinator en overlegt hoe verder te handelen. In dit geval kwam het telefoontje van Sitech. Na overleg werd besloten alle leden van het PII te alarmeren. Het Actiecentrum Chemelot kwam met het idee om water naar de site brengen, en het PII bleek daarin een rol te kunnen spelen met het beschikbaar stellen van hun benodigde systemen.

Pompen

De bedrijfsbrandweer van Gezamenlijke Brandweer Rotterdam, Shell en Dow rukten met grootwater-transportsystemen en grootvermogen-bluswaterpompen op naar Chemelot. De Nationale Politie ondersteunde de verplaatsing van de eenheden. Het plan was om een slangenverbinding te leggen tussen de Maas bij de Urweg in Urmond en het waterinnamepunt van de Chemelot-site. Rond 20:30 uur waren alle eenheden aanwezig op de site. Ter plaatse voerden de liaisons samen met de Officier van Dienst Chemelot de verkenning uit betreffende opstelplaatsen voor pompen en slangenwegen.

Toen de slangen met een vrachtwagen op het traject werden uitgerold, kwam het signaal dat de noodreparatie aan de dijk in het Julianakanaal was gelukt en de geëvacueerde bewoners terug konden naar hun dorpen. Toen wist ook het actiecentrum van Chemelot dat het kanaal bruikbaar zou blijven voor de aanvoer van water.

Havenbedrijf Rotterdam en de Rotterdam Rijn Pijpleiding Maatschappij (RRP) starten deze week een haalbaarheidsstudie voor de ontwikkeling en aanleg van buisleidingen voor verschillende productstromen tussen Rotterdam, industriepark Chemelot (Limburg) en Noordrijn-Westfalen.

De buisleidingenbundel kan de strategische positie van de haven van Rotterdam in Noordwest-Europa versterken, biedt Chemelot verdere verduurzamingskansen en kan uitgroeien tot een belangrijke aanvoerroute voor de Duitse industrie die sterk inzet op CO2-vermindering.

Havenbedrijf Rotterdam en RRP (aandeelhouders Shell, Ruhr Oel en bp) voeren de haalbaarheidsstudie gezamenlijk uit. Het projectteam werkt nauw samen met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat, maar ook Binnenlandse- en Buitenlandse Zaken. Het is de intentie van het projectteam om een publiek-private ketensamenwerking te ontwikkelen, waarbij ook andere partijen zich kunnen aansluiten.

Waterstofplan Duitsland

Het projectteam borduurt voort op het werk van een initiële studie naar deze buisleidingen van het Havenbedrijf, Chemelot (Limburg) en het Rijk onder de noemer ‘Delta Corridor’. Daarin is al een positief signaal afgegeven over de versterking van de west-oost verbindingen mits de vraag uit Duitsland in voldoende mate stijgt.

Dat laatste lijkt het geval nu Duitsland dit jaar een ambitieus waterstofplan presenteerde ter waarde van negen miljard euro waarbij de import voor een belangrijk deel via Rotterdam kan verlopen. De waterstof wordt zowel gebruikt als energiedrager en als grondstof, in bijvoorbeeld de petrochemie en staalindustrie.

Het Havenbedrijf-RRP team richt zich op de technische en commerciële aspecten van de buisleidingen voor waterstof, CO2, LPG en propeen voor de verschillende industriële clusters en bedrijven in Nederland en Duitsland. De buisleidingen worden hierbij in principe ontwikkeld als ‘common carrier leidingen’ waarbij verschillende partijen gebruik kunnen maken van deze leidingen. Los van de aanvoer van producten die bijdragen aan verduurzaming, reduceren de ondergrondse leidingen ook de behoefte van vervoer per trein.

Tracé

Het voorziene tracé van de Delta Corridor loopt van Rotterdam via Moerdijk, Tilburg en via Venlo naar Chemelot en Noordrijn-Westfalen. Een gecombineerde aanleg van verschillende leidingen levert aanzienlijke synergievoordelen op. Daarom wordt bij de inventarisatie van leveranciers en afnemers meteen ook onderzocht in hoeverre er behoefte bestaat om de voorziene bundel uit te breiden met additionele leidingen voor andere producten en stroomkabels. Ook wordt gekeken naar kansen om andere industriële clusters in Nederland en België op de bundel aan te sluiten.

Een aanzienlijk deel van het tracé valt samen met de ligging van de bestaande RRP-leidingen. Via deze leidingen transporteren bedrijven al sinds de jaren ‘60 van de vorige eeuw jaarlijks tientallen miljoenen tonnen aan grondstoffen en producten tussen Rotterdam en Noordrijn-Westfalen.

De Russische president Vladimir Poetin meldde dat de eerste leiding van de gaspijplijn Nord Stream 2 klaar is. Het project waar in 2015 de handtekeningen voor werden gezet, zou volgens de initiële planning eind 2019 al in gebruik moeten zijn genomen. Amerikaanse bemoeienis vertraagde het project echter. Nu zeggen de Amerikanen geen sancties meer te willen opleggen aan bedrijven die aan de leiding werken.

Bij de ingebruikname van de eerste Nord Stream-leiding werd al duidelijk dat Duitsland meer behoefte had aan Russisch gas. De dubbele Baltische pijpleiding heeft een capaciteit van 110 miljard kuub gas per jaar. In september 2015 tekenden Gazprom, E.ON, BASF/Wintershall, OMV, Engie en Royal Dutch Shell een contract om twee extra leidingen te bouwen naast de twee bestaande pijplijnen van Nord Stream.

Gazprom krijgt een belang van 51 procent in het project, Engie negen procent en de overige vier partners elk tien procent. De investering heeft een waarde van 9,9 miljard euro en betreft de aanleg van een derde en vierde pijplijn met een totale capaciteit van 55 miljard kuub per jaar.

Tweede leiding

Inmiddels is de eerste leiding klaar. De pijpleiding is meer dan 1200 kilometer lang en loopt via de Oostzee. Met Nord Stream 2 moet de capaciteit voor gasleveranties van Rusland aan Duitsland worden verdubbeld. In de tussentijd werken de aannemers hard aan de tweede leiding.

De Verenigde Staten onder leiding van senator Ted Cruz waren fel gekant tegen de leiding die Moskou meer macht gaf in Europa. Toen Cruz dreigde met sancties trok het Nederlands-Zwitserse offshorebedrijf Allseas haar pijplegger de Pioneering Spirit terug uit het project.

Politieke druk

Ook Polen en Oekraïne hadden bezwaar tegen de leiding. In het verleden zette Rusland de landen onder druk door hogere prijzen te vragen of zelfs de gastoevoer te stoppen. De verstoorde politieke verhoudingen zorgde er voor dat een groot deel van de leiding via de zee gaat. Gasunie handelt al jaren met Gazprom en zegt nooit problemen te hebben ondervonden met de Russische gastoevoer.

In het Belgische gedeelte van North Sea Port wordt gewerkt aan een netwerk van pijpleidingen voor waterstof, CO2 en warmte. North Sea Port, Fluxys Belgium, ArcelorMittal Belgium en de Federale minister van Energie Tinne Van der Straeten spraken dit woensdag af.

De pijpleidingen verbinden bedrijven die waterstof, CO2 en warmte produceren, importeren, vervoeren en opslaan met bedrijven die dit als grondstof gebruiken in hun productieprocessen. Vraag en aanbod worden dus op elkaar afgestemd, een cruciale stap in het uitbouwen van een Belgische waterstofhub. Het nieuwe netwerk in het Belgische deel wordt aangesloten op het pijpleidingennetwerk in Nederland. Vervolgens moet deze pijpleidinginfrastructuur in het havengebied aansluiten op het landelijke netwerk van Fluxys.

Industriële spelers binnen North Sea Port kunnen voor het transport van hun CO2, waterstof en warmte gebruik maken van het pijpleidingennetwerk. Dat is van belang voor bijvoorbeeld ArcelorMittal Belgium om de CO2-uitstoot te verminderen bij de productie van (groen) staal en dit als grondstof voor andere bedrijven aan te bieden. Ook is de infrastructuur voor waterstof en CO2 nodig om hergebruik van CO2 mogelijk te maken. Zoals in projecten als North-C-Methanol waarbij een industrieel consortium groene waterstof wil combineren met CO2 voor de productie van groene methanol. Het grensoverschrijdende karakter van de waterstofinfrastructuur is van belang in het kader van de aantakking van de windmolenparken in Zeeland: windenergie die voor de productie van waterstof wordt gebruikt.