Onder de naam Innovation Industries is een nieuw technologiefonds opgericht dat gaat investeren in circa twintig veelbelovende hightech bedrijven in Nederland. Het fonds wil hoogwaardige kennis, die aanwezig is op de technische universiteiten, binnen TNO en ECN, versneld omzetten in succesvolle bedrijven. Daarnaast is het doel om bestaande hightech bedrijven (zogenaamde scale-ups) te ondersteunen bij hun groei.

Vanuit dit investeringsfonds wordt 75 miljoen euro geïnvesteerd. Het fonds richt zich in het bijzonder op bedrijven die met hun producten of technologieën een positieve bijdrage leveren aan de grote maatschappelijke uitdagingen van dit moment waaronder klimaatverandering, zorg, mobiliteit en voeding.

De technische universiteiten en toegepaste kennisinstellingen zetten zich gezamenlijk in voor het effectief vertalen van kennis naar economische bedrijvigheid in Nederland. Voorheen werkte elke universiteit met een eigen investeringsfonds of methodiek om startups te helpen, maar er was geen landelijk systeem. Innovation Industries biedt coördinatie, versterking en de mogelijkheid tot opschaling van innovatieve ondernemers.

De Technische Universiteit Eindhoven, Universiteit Twente, Wageningen University & Research en TNO treden naast een samenwerking met het fonds tevens als investeerder toe tot het fonds. Het fonds heeft verder investeringen ontvangen van het Europese Investeringsfonds (European Investment Fund), het Pensioenfonds voor Metaal en Elektro (PME) alsmede ECN, PPM Oost, Topfonds Gelderland en het Innovatiefonds Overijssel. Ook de leden van het fondsmanagement zullen in het fonds participeren evenals een groep van overwegend Twentse investeerders, die al eerder investeerden in de voorloper van dit fonds; het Twente Technology Fund.

De TU Eindhoven gaat onderzoeken waarom veel beoogde katalysatoren in de industrie niet werken. Onderzoeker Evgeny Pidko wil de resultaten gebruiken om gericht duurzame katalysatoren te kunnen ontwerpen. Onder meer voor de omzetting van biomassa. Het onderzoek ontvangt twee miljoen euro van de European Research Council.

Katalysatoren zijn materialen die chemische reacties helpen zonder er zelf aan deel te nemen. Ze laten de reacties sneller of bij lagere temperaturen verlopen of zorgen voor minder afval. Vaak gaat het niet om een enkele stof, maar samenwerkende materialen in katalytische systemen.

De ontwikkeling van een katalysator begint gebruikelijk met de ontdekking van een stof die katalytisch actief is. Daarna zoeken wetenschappers op fundamenteel niveau uit hoe de katalysator werkt. Door deze aanpak wordt echter niet duidelijk waarom veel beoogde katalysatoren niet werken. Bovendien worden veel potentiële katalysatoren over het hoofd gezien. Ook verliezen sommige katalysatoren na een tijdje hun werking. Vaak om onbekende redenen.

Duurzame omzetting van biomassa

Pidko wil met zijn project genaamd DeLiCat (Death and Life of Catalysts) nu gaan doorgronden waarom sommige katalysatoren niet ‘leven’ en andere wel. Hij gaat de nieuwste chemische inzichten gebruiken voor computersimulaties, om de complexe reactieprocessen te ontrafelen. Met die kennis wil hij multifunctionele katalytische systemen ontwerpen. Het liefst zonder dure zeldzame metalen. Ze moeten bovendien blijvend werken en weinig afval genereren. Vervolgens gaat Pidko experimenten doen om te zien of de ontworpen systemen ook in het echt zo werken zoals voorspeld.

Methanolbatterij

Duurzame omzetting van biomassa in nuttige basischemicaliën is een van de twee onderzoeksonderwerpen van Pidko en zijn team. Daarnaast kijken ze naar alcoholen als opslagmedium voor waterstof. Katalysatoren moeten ervoor zorgen dat waterstof er snel in kan worden opgeslagen en ook weer snel aan onttrokken. Eerder werk van onder meer Pidko leidde al tot een snelle methode voor waterstofopslag in mierenzuur. Methanol zou nog beter zijn. Dat kan drie keer zoveel waterstof opslaan. Heel interessant voor waterstofopslag in bijvoorbeeld auto’s met een brandstofcel. ‘Als we een methanolbatterij kunnen maken, dat zou echt een doorbraak zijn’, aldus Pidko.