De ijzerbrandstoftechnologie van RIFT zet forse stappen richting commerciële toepassing. Zo ontwikkelde de startup een reactor die roest weer omzet in ijzerpoeder met behulp van waterstof. Partner Ennatuurlijk test een ijzerpoedergestookte boiler van één megawatt voor stadswarmte. Als de proef goed verloppt, schaalt Veolia de techniek op naar vijf megawatt.

Renawable Iron Fuel Technlogy (RIFT) test de eerste iron fuel productie-installatie ter wereld op het Connectr Energy Demo Field. Een belangrijke stap, want inmiddels is er ook al een intentieverklaring getekend met Connectr partner Veolia. Samen willen zij een eerste vijf megawatt commerciële pilot plant realiseren. Door deze stappen te zetten komt de ijzerbrandstoftechnologie dichter bij commerciële toepassing.

Reactor

IJzerpoeder wordt al eeuwenlang gebruikt in vuurwerk. Het poeder ontbrandt zeer snel en laat daarbij veel thermische energie los. Wat overblijft is roest. RIFT gebruikt ijzerpoeder als brandstof voor de productie van hogetemperatuurwarmte. Daarmee is het een duurzaam alternatief voor bijvoorbeeld gasboilers, kolencentrales of endotherme industriële processen.

RIFT bouwt een circulair systeem dat het geoxideerde ijzerpoeder met behulp van waterstof regenereert. In de onderzoeksfase stuurde men de roest nog naar Italië, waar de enige reactor stond die de oxidatiereactie kon omkeren. Nu hebben de ondernemers zelf een reactor gebouwd op het Energy Demo Field.

Boiler

Tegelijkertijd test men ook een zogenaamde iron fuel boiler in de Warmtekrachtcentrale van energieleverancier Ennatuurlijk. Het duurzame energiebedrijf wil vanaf eind mei zijn warmtenet voeden met deze nieuwe ijzerbrandstoftechnologie. Goed voor de verwarming van ongeveer 500 van de 6.500 op het warmtenet aangesloten huishoudens.

Belangrijk onderdeel van de pilot wordt het verder testen van de technologie op leveringsbetrouwbaarheid en regelbaarheid. Maar ook de hele logistiek en het omzetten van het roest wederom naar ijzer in RIFT’s iron fuel productie test systeem moet goed worden getest. Als deze test naar tevredenheid verloopt, zal men samen met Veolia opschalen naar de vijf megawatt installatie. Die zou volgens planning eind 2023 operationeel moeten zijn.

Eerdere tests

Het Metal Power consortium testte de technologie in 2020 al op kleine schaal bij de brouwerij van Bavaria in Lieshout. Een honderd kilowatt boiler produceerde twee dagen lang warmte voor de brouwerij van Swinkels Family Brewery.

In het Belgische gedeelte van North Sea Port wordt gewerkt aan een netwerk van pijpleidingen voor waterstof, CO2 en warmte. North Sea Port, Fluxys Belgium, ArcelorMittal Belgium en de Federale minister van Energie Tinne Van der Straeten spraken dit woensdag af.

De pijpleidingen verbinden bedrijven die waterstof, CO2 en warmte produceren, importeren, vervoeren en opslaan met bedrijven die dit als grondstof gebruiken in hun productieprocessen. Vraag en aanbod worden dus op elkaar afgestemd, een cruciale stap in het uitbouwen van een Belgische waterstofhub. Het nieuwe netwerk in het Belgische deel wordt aangesloten op het pijpleidingennetwerk in Nederland. Vervolgens moet deze pijpleidinginfrastructuur in het havengebied aansluiten op het landelijke netwerk van Fluxys.

Industriële spelers binnen North Sea Port kunnen voor het transport van hun CO2, waterstof en warmte gebruik maken van het pijpleidingennetwerk. Dat is van belang voor bijvoorbeeld ArcelorMittal Belgium om de CO2-uitstoot te verminderen bij de productie van (groen) staal en dit als grondstof voor andere bedrijven aan te bieden. Ook is de infrastructuur voor waterstof en CO2 nodig om hergebruik van CO2 mogelijk te maken. Zoals in projecten als North-C-Methanol waarbij een industrieel consortium groene waterstof wil combineren met CO2 voor de productie van groene methanol. Het grensoverschrijdende karakter van de waterstofinfrastructuur is van belang in het kader van de aantakking van de windmolenparken in Zeeland: windenergie die voor de productie van waterstof wordt gebruikt.

WarmtelinQ onderzocht de haalbaarheid van een regionaal systeem dat warmte van de bedrijven in het Rotterdamse havengebied transporteert naar Rotterdam en Den Haag. Gasunie publiceerde onlangs het integrale ontwerp voor een dergelijk systeem. En nu blijkt uit de zojuist gepubliceerde Voorjaarsnota dat het project nog eens tien miljoen euro subsidie krijgt. Én een lening van 37,5 miljoen euro voor een aftakking naar de regio Leiden.  

Gasunie onderzocht op verzoek van het ministerie van EZK hoe een duurzaam warmtesysteem in de provincie Zuid-Holland eruit zou kunnen zien. Dit leidde tot een integraal ontwerp voor het warmtetransportnet Zuid-Holland. Het onderzoek Integraal Ontwerp warmtetransport Zuid-Holland weegt de mogelijkheden af voor een regionaal warmtesysteem. Regionaal warmtetransport kan, door warmtevraag en -aanbod te koppelen, een oplossing vormen voor de urgente vraag naar duurzame warmte en vermindering van CO2-uitstoot.

Transitieplannen

Aan het integraal ontwerp ging uitgebreid onderzoek vooraf naar de balans tussen verwacht gebruik, technische mogelijkheden en beschikbaarheid van restwarmte in de Rotterdamse Haven. Uit het onderzoek blijkt dat WarmtelinQ vanuit maatschappelijk oogpunt bezien een optimaal warmtesysteem is, dat bovendien groeimogelijkheden biedt.

Het Integraal Ontwerp is gebruikt als onderbouwing voor de Regionale Structuurvisies Warmte van de RES Rotterdam-Den Haag en heeft de potentie om ook andere RES-regio’s van input te voorzien. Het Integraal Ontwerp kan daarnaast als basis dienen voor de gemeentelijke Transitievisies Warmte.

De Rijksoverheid lijkt de plannen volop te steunen maakte een extra bedrag van tien miljoen euro vrij. Dit is in aanvulling op de 75 miljoen euro die is opgevraagd vanaf de aanvullende post. Daarnaast wordt een lening van 37,5 miljoen euro afgegeven voor de aftakking naar de regio Leiden (WarmteLinQ+)

Stepping Stones

Het ontwerp van WarmtelinQ gaat uit van een aantal ‘stepping stones’ die samen een transportnetwerk voor warmte vormen: WarmtelinQ als hoofdtransportleiding van de Rotterdamse haven naar Leiden en aftakkingen vanuit het tracé Vlaardingen-Den Haag naar de tuinbouwgebieden Westland en Oostland. Tegen de tijd dat het systeem wordt overvraagd zou een leiding vanuit Europoort meer warmtebronnen in de Rotterdamse haven kunnen aansluiten.

Ook de al bestaande warmteleidingen, onder andere in de Rotterdamse regio, zijn meegenomen in het integraal ontwerp. Al met al zou hiermee ongeveer een kwart van de warmtevraag in de bebouwde omgeving van Zuid-Holland kunnen worden ingevuld, vanuit verschillende bronnen.

De warmte die bij de productie van waterstof ontstaat, kan worden ingezet in huishoudens, kassen en kantoren. Dat zegt Havenbedrijf Rotterdam, die het beschikbare warmteaanbod in 2030 schat op 23 petajoule. Daarmee kan de Rotterdamse haven in 2030 omgerekend circa 500.000 huishoudens van warmte voorzien. In 2050 kan dit zelfs oplopen tot zo’n één miljoen huishoudens.

Het produceren van waterstof gaat gepaard met efficiëntieverliezen. Een vuistregel is dat circa 25 procent van de energie verloren gaat bij de productie van waterstof. Die 25 procent komt vrij in de vorm van warmte. Indien men deze warmte echter opvangt en als voeding voor een warmtenetwerk gebruikt, is dit efficiëntieverlies plotseling een bron van energie voor andere toepassingen.

Gasunie zette in samenwerking met Havenbedrijf Rotterdam het project WarmtelinQ op voor de aanleg van een hoofdtransportleiding voor warmte van de haven naar Den Haag. Uiteindelijk is het ook de bedoeling dat de kassen in het Westland hierop worden aangesloten. WarmtelinQ is de eerste fase van een regionaal warmtenet door de provincie en voorziet in de levering aan omgerekend 130.000 huishoudens.

Zware elektrolyzers

Zwaardere elektrolyzers zijn sterk in opkomst. Zo werken Nouryon, bp en Havenbedrijf Rotterdam in het H2-Fifty project aan een installatie met een vermogen van 250 megawatt en ontwikkelt Shell een waterstoffabriek van circa 200 megawatt vermogen. Energiebedrijf Uniper en Havenbedrijf Rotterdam onderzoeken op hun beurt de komst van een waterstoffabriek met een capaciteit van 100 megawatt vermogen. Dat zijn aanzienlijke opschalingen van de capaciteit. Even ter vergelijking: In Nederland is de grootste elektrolyzer nu één megawatt en Duitsland telt een exemplaar van 10 megawatt.

Warmtebronnen

Het totaal beschikbare warmteaanbod uit de haven komt volgens de laatste inzichten op 23 PJ in 2030. Daarvan komt 11,9 petajoule warmte uit de waterstoffabrieken en 12,1 petajoule uit de chemiesector. In 2050 is het warmteaanbod opgelopen tot 45 PJ. Omgerekend naar alleen huishoudens biedt de haven daarmee in 2030 warmte voor circa 500.000 huishoudens. In 2050 is het aanbod voldoende voor zo’n 1 miljoen huishoudens. Met collectieve warmte als vervanger van cv’s op aardgas kan een volgroeid warmtenet in Zuid-Holland op jaarbasis 2 tot 3 miljoen ton CO2 reduceren.

Duurzaam warmtecollectief WarmingUP ontvangt een 9,3 miljoen euro subsidie van RVO uit het Meerjarige Missie-gedreven Innovatieprogramma (MMIP). Met een investering van 9,6 miljoen euro van de samenwerkingspartners komt het totaal aan financiële middelen op 18,9 miljoen euro. WarmingUP, onder leiding van TNO, is als collectief in staat om vraagstukken over kostenreductie en verduurzaming in de warmteketen integraal aan te pakken.

Als onderdeel van het Klimaatakkoord wordt de gebouwde omgeving aardgasvrij gemaakt. Warmtenetten zijn daarbij één van de oplossingen. Uitdaging daarbij is om in de bestaande bouw op een kosteneffectieve manier, duurzame warmte te leveren. Verder is een versnelling van het realisatietempo nodig. Gezien de grote opgave waar Nederland voor staat. Een consortium van partijen die actief zijn in de hele keten, van warmtebron tot klant, ging hiervoor een samenwerking aan. RVO maakte bekend dat het nieuwe innovatief duurzaam warmtecollectief WarmingUP 9,3 miljoen euro subsidie ontvangt. Dit geld komt uit het Meerjarige Missie-gedreven Innovatieprogramma (MMIP). Met een investering van 9,6 miljoen euro door de samenwerkingspartners zelf komt het totaal aan beschikbare financiële middelen op 18,9 miljoen euro.

Warmteketen

In de integrale warmteketen van bron tot klant, werken verschillende partijen. Om de hele warmtevoorziening efficiënter te ontwerpen, aan te leggen en te beheren zijn systeem- en procesinnovaties noodzakelijk. Het warmtecollectief WarmingUP is opgericht om deze innovaties in samenhang en in hoger tempo te ontwikkelen.

Doel

WarmingUP, onder leiding van TNO, is als collectief in staat om vraagstukken over kostenreductie en verduurzaming integraal aan te pakken. Ze kan oplossingen daarvoor ontwikkelen die op vele locaties toepasbaar zijn.

Het belangrijkste doel van WarmingUP is de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen die betaalbaar, duurzaam, betrouwbaar, praktisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Het betekent bijvoorbeeld dat met nieuwe kennis duurzame warmtebronnen met verschillende niveaus van temperatuur en volumes slim kunnen worden gecombineerd. Ook kennisontwikkeling voor het realiseren van grootschalige warmteopslagsystemen en het integreren daarvan in warmtenetten is een beoogd resultaat. Het collectief onderzoekt bijvoorbeeld waar en tegen welke kosten ze warmte kunnen winnen via aquathermie of geothermie. Tot slot richt het samenwerkingsverband zich op de ontwikkeling van nieuwe samenwerkings- en financieringsvormen én nieuwe werkwijzen om maatschappelijk draagvlak te realiseren.

Nouryon neemt de warmtekracht-eenheid Delesto 2 weer in gebruik. De installatie op het Chemiepark Delfzijl fungeert vanaf eind 2020 als start-stopinstallatie voor de levering van elektriciteit aan het openbare net op piekmomenten. Ruim acht jaar nadat de eenheid uit gebruik is genomen.

Aanleiding voor het besluit van Nouryon zijn de veranderingen in de energiemarkt, stelt het bedrijf in een open brief aan relaties. Denk daarbij aan de voorgenomen sluiting van kolencentrales en de enorme toename van duurzame energie in de vorm van wind- en zonne-energie. Dat maakt de inzet van flexibele units, zoals gasgestookte warmtekrachtcentrales, volgens Nouryon noodzakelijk. De gunstige prijsontwikkelingen en -verwachtingen op de elektriciteitsmarkt als gevolg hiervan spelen ook een belangrijke rol in het besluit.

Twintig arbeidsplaatsen

De warmtekrachtcentrale  gaat vanaf eind 2020 actief bijdragen aan de transitie naar een stabiel en duurzaam elektriciteitssysteem. De installatie zal daartoe jaarlijks zo’n 125 tot 200 keer als start-stopinstallatie worden ingezet gedurende beperkte periodes van de dagen of weken. Het zwaartepunt zal waarschijnlijk liggen in de herfst, winter en voorjaar. Met de herstart komt 350 MW aan elektrisch vermogen beschikbaar. Voor de site Delfzijl is dit besluit volgens Nouryon van groot belang. De uitstoot van CO2 van een gasgestookte centrale is ongeveer de helft van die van een kolencentrale. Met het besluit zijn in totaal twintig directe arbeidsplaatsen gemoeid.

Kolenstroom

Energiebedrijf Delesto is tegenwoordig honderd procent in handen van Nouryon. Gedwongen door de verslechterende energiemarkt nam het bedrijf in maart 2012 Delesto 2 voorlopig uit bedrijf. De slechte situatie op de energiemarkt werd toen veroorzaakt door een hoge inkoopprijs voor aardgas in relatie tot de lage prijs voor elektriciteit. Ook de concurrentie van goedkope kolenstroom speelde toen mee en ook het groeiende aanbod van gesubsidieerde zonne- en windenergie.

 

 

Energiebedrijf Azteq heeft in Antwerpen een zonnespiegelpark geïnstalleerd. Het park genereert groene warmte op basis van geconcentreerd zonlicht. Het is een proefproject om de haalbaarheid van de technologie aan te tonen. Naast Vlaanderen, staan ook projecten in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Spanje op stapel.

Industriële bedrijven halen de warmte voor hun processen nu nog uit de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals aardgas. Bij concentrated solar thermal energy (CST) concentreren parabolische spiegels het zonlicht en zetten het rechtstreeks om in warmte. De temperatuur kan daarbij oplopen tot vierhonderd graden Celsius. Hoogwaardige warmte dus, en daardoor geschikt voor industriële processen.

De technologie produceert drie keer meer energie per geïnstalleerde vierkante meter dan een zonnepaneleninstallatie. Bovendien kan de warmte worden opgeslagen in geïsoleerde vaten, zodat ze ook ’s nachts bruikbaar is. De technologie is een volledig groen alternatief voor de industriële warmtebehoefte en kan daardoor een significante bijdrage leveren aan reductie van de CO2-uitstoot.

Drie proefprojecten

Azteq heeft een park van 1.100 vierkante meter parabolische zonnespiegels geplaatst op de site van het logistieke bedrijf Adpo in Beveren. De zonnespiegels van elk vijf meter lang zijn in lijnen van 120 opgesteld en bewegen met de zon mee om het invallend zonlicht op collectorbuizen te concentreren. Adpo gebruikte tot nu toe gas voor de productie van stoom om tanks en containers op te warmen en te reinigen. Daarvoor zijn temperaturen van meer dan 140 graden Celsius nodig. Het zonnespiegelpark gaat jaarlijks 500 MWh gasverbruik vervangen.

De installatie bij Adpo is nog maar het eerste zonnespiegelpark. Ook in Oostende en Genk komen proefinstallaties met zonnespiegels. In totaal zullen deze drie installaties tussen de 1.260 en 1.390 MWh groene warmte per jaar produceren. De drie proefprojecten kosten bij elkaar 1,425 miljoen euro, waarvan 819.000 euro door de Vlaamse Regering wordt gefinancierd.

Duurzaamheid en innovatie is belangrijk op Chemelot. Een van de bedrijven op het terrein waarvoor dit ook geldt is Utility Support Group (USG). Het bedrijf gaat op korte termijn een haalbaarheidsonderzoek uitvoeren naar een demonstratie power-to-heat installatie.

Power-to-heat (P2H) is een verzamelterm voor het omzetten van elektriciteit in stoom en warmte. Het is op korte termijn te realiseren en vormt een eerste stap in de transitie naar volledige elektrificatie van de industrie, die het gebruik van fossiele brandstoffen overbodig maakt. Voor USG betekent power-to-heat het produceren van warmte of stoom op basis van groene elektriciteit.

Verduurzaming

Sonny Schepers, senior sustainability engineer bij USG, vertelt: ‘Er komt steeds meer druk te liggen op de industrie om de emissie van broeikasgassen te reduceren en invulling te geven aan verduurzaming. We weten dat we in 2050 de emissie van broeikasgassen met 95 procent gereduceerd moeten hebben ten opzichte van 1990. Het gevaar bestaat dat verduurzaming teveel een ambitie blijft. We kunnen natuurlijk veel praten en bedenken, maar het is nog beter om te zien dat we nu concreet invulling gaan geven aan die ideeën.’

Drie externe partijen werken mee aan het onderzoek: Stork Thermeq met expertise op het gebied van elektrische stoomketels, Huikeshoven BV met expertise op het gebied van industriële gloeispiralen en Recoy met expertise op het gebied van de financiële optimalisatie van P2H.

Haalbaarheidsstudie

P2H wordt in recente studies (door onder andere VEMW en VNCI) als een kansrijke en concrete mogelijkheid voor vergroening van de industrie genoemd. Gezien deze potentie van P2H voor de verduurzaming van Chemelot, is het zaak om concrete stappen te zetten en te beginnen met het opbouwen van praktijkervaring. De haalbaarheidsstudie zal niet alleen antwoord geven op de vraag of een demo P2H-installatie mogelijk is, maar ook waar mogelijke beperkingen liggen.

Sonny: ‘Zonder concrete invulling van innovaties en verduurzaming lopen we een achterstand op, met als risico het ingrijpen van de overheid als duurzaamheidsplannen van Chemelot niet worden verwezenlijkt. Om duurzaamheid te stimuleren, denkt de overheid op dit moment na over in te zetten instrumenten en wij verwachten dat op korte termijn subsidiemogelijkheden ontstaan voor P2H. Daar wil je natuurlijk ook snel op kunnen inspringen. Verder biedt P2H in de toekomst financiële voordelen als elektriciteitsprijzen dalen terwijl CO2 en gasprijzen stijgen of als onbalansprijzen steeds grilliger worden.’

De studie start in november en wordt naar verwachting in januari 2019 afgerond. Bij een positieve uitkomst zal een investeringsvoorstel worden uitgewerkt voor de daadwerkelijke realisatie van een demo P2H-installatie.

Warmte terugwinnen uit rookgassen was altijd erg lastig. Door de zure stoffen in rookgas corroderen warmtewisselaars snel. HeatMatrix heeft een warmtewisselaar van kunststof gemaakt die zelfs in de corrosieve omgeving van CPVC-fabrikant Lubrizol in Delfzijl blijft staan. HeatMatrix is met dit project een van de finalisten van de Northern Enlightenmentz verkiezing. Een verkiezing die de industrie in de noordelijke provincies in Nederland wil inspireren bij het toepassen van hoopgevende innovaties.

Wie zit erachter?
Het Gelderse bedrijf HeatMatrix, dat in 2008 is ontstaan als spin-off van Shell Chemical legacy Hexion.

Wat doet HeatMatrix?
Wie uit rook- of uitlaatgassen van bijvoorbeeld drogers warmte wil terugwinnen, stuit op een probleem. Door de zure stoffen in rookgas corroderen warmtewisselaars van metaal, waardoor de apparatuur snel kapot gaat. CEO Frank Tielens: ‘Een andere oplossing is om een exotisch materiaal te gebruiken dat tegen corrosie kan, maar dat is heel duur en dan heb je geen businesscase. Daarom doet niemand iets met warmtewisselaars.’

HeatMatrix bedacht voor dit complexe probleem een simpele oplossing. Ze maakten de warmtewisselaar van een polymeer. Tielens: ‘Anderen hebben dat in het verleden ook geprobeerd, maar die stuitten weer op een ander probleem: de kunststof breekt door hevige trillingen in de luchtstroom. Wij hebben dat opgelost door de buizen over de hele lengte met een mannetje-vrouwtje-verbinding aan elkaar te zetten, waardoor een stabiele honingraatstructuur ontstaat.’

Wat kan er met deze warmtewisselaar?
Overal waar zure rookgassen zijn, kan nu warmte worden teruggewonnen. Met die warmte, meestal van tweehonderd graden Celsius, wordt koude buitenlucht opgewarmd die vervolgens teruggevoerd kan worden naar het verbrandingsproces. Tielens: ‘Doordat daar in plaats van koude lucht warme lucht wordt verbrand, bespaar je automatisch energie. Dat kan tot vijf procent oplopen. En omdat je minder brandstof nodig hebt, stoot je automatisch een zelfde percentage minder CO2 uit.

Hetzelfde is met de uitlaatgassen van drogers te doen. Het principe is daar net iets anders. Daar wordt met de warme lucht uit de droger ook weer koude buitenlucht opgewarmd, maar deze wordt rechtstreeks teruggevoerd in het proces. Tielens: ‘Die lucht wordt niet eens verbrand en daardoor krijg je een energiebesparing die tot wel 25 procent kan gaan.’

Wat is er bij Lubrizol gedaan?
Bij Lubrizol maken ze gechloreerd PVC-granulaat. Dit product is onder andere terug te vinden in kunststofleidingen, fittingen, afsluiters voor watersystemen, sprinklerinstallaties, creditcards en gevelbeplating. Tielens: ‘Lubrizol wilde meer energie besparen en bijdragen aan het milieu. Onze warmtewisselaar kon daarbij helpen.’

Als het granulaat uit de productie komt dan is het nog wat vochtig en moet het worden gedroogd. De warme uitlaatgassen van de droger wilden ze opnieuw gebruiken in hun proces. Maar daar zit het probleem, want bij de productie is zoutzuur aanwezig. Een gewone warmtewisselaar zou gaan corroderen. Tielens: ’Wij hebben die van ons op het dak gezet. Hij trekt lucht uit hun CPVC-granulaatdroger en daarmee warmen we koude buitenlucht op en stoppen we terug in het proces, waardoor een kringloopsysteem ontstaat. We zijn superblij dat het werkt, want als het bij Lubrizol werkt, dan werkt het overal.’

Waarom moet HeatMatrix de Northern Enlightenmentz winnen?
HeatMatrix heeft ervoor gezorgd dat alle bedrijven een warmtewisselaar in kunnen zetten om energie te besparen en hun CO2- uitstoot te verminderen. De uitvinding van het Gelderse bedrijf bespaart tot 5 megawatt. De terugverdientijd van de kunststof warmtewisselaar is drie jaar of korter.

De andere finalisten zijn BioMCN en de samenwerking tussen ESD-SIC en ENGIE.

 

 

Northern Enlightenmentz

De Northern Enlightenmentz verkiezing is in het leven geroepen door Industrielinqs pers en platform, uitgever van onder meer het platform Petrochem. De verkiezing is bedoeld om de industrie in de noordelijke provincies in Nederland te inspireren bij het toepassen van hoopgevende innovaties. En om innovaties en processen die de groene industriële revolutie kunnen veroorzaken een duwtje in de rug te geven. Dit jaar zijn de genomineerden BioMCN, HeatMatrix en de samenwerking tussen ESD-SIC en ENGIE. De winnaar wordt bepaald door een jury (verdeelt 60 punten), de bezoekers van het EemsDeltavisie congres (20 punten) en internetstemmen (20 punten). Houd deze website in de gaten om te kunnen stemmen op uw favoriet. Tijdens ons congres EemsDeltavisie op 14 september in Delfzijl wordt de winnaar bekend gemaakt.

Dertig procent van de warmte die de industrie nodig heeft, zou in de toekomst door ultra diepe geothermie geleverd kunnen worden. De ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu, EBN, TNO en zeven consortia van bedrijven hebben vandaag de zogeheten Green Deal Ultra Diepe Geothermie (UDG) ondertekend. Dit is een belangrijke stap om de mogelijkheden voor UDG in Nederland in kaart te brengen en een basis te leggen voor verdere ontwikkeling van deze technologie.

Minister Kamp (Economische Zaken): ‘Het kabinet streeft ernaar om in 2050 de CO2-uitstoot in Nederland naar bijna nul terug te brengen. Daartoe is het noodzakelijk om voor de warmtevoorzieningen alternatieven te ontwikkelen. Geothermie, waarbij warmte uit de diepe ondergrond naar het oppervlak wordt gehaald, is zo’n alternatief. De geothermieprojecten die we al kennen zijn nog niet geschikt voor hoge temperatuur warmtevoorziening voor de industrie. Om de warmtevraag in deze sector te verduurzamen is het noodzakelijk geothermie op grotere diepten toe te passen.’ UDG is gericht op het benutten van warmte op een diepte van meer dan 4.000 meter.

Eerste resultaten in 2020

De zeven consortia bestaan elk uit een groep partijen die zich samen ten doel hebben gesteld om binnen afzienbare tijd in Nederland een UDG project te ontwikkelen. De consortia worden vertegenwoordigd door Vermilion Energy Netherlands, FrieslandCampina, GOUD, Parenco/QNQ, Geothermie Brabant, Huisman equipment en Havenbedrijf Rotterdam.

Uitgebreid geologisch onderzoek moet nu eerst meer duidelijkheid bieden over de mate waarin de consortia kunnen verwachten warmte van de juiste temperatuur en onder de juiste omstandigheden aan te treffen. Ook moet er inzicht komen in de meest kansrijke aanpak voor het uitvoeren van succesvolle boringen. Op basis hiervan kan doorontwikkeling van de projecten plaatsvinden. Naar verwachting zullen in 2020 de eerste resultaten in de vorm van pilotprojecten zichtbaar worden.