Er hangt letterlijk en figuurlijk een donkere wolk in de lucht. Nederland moet in tien jaar tijd de CO2-uitstoot bijna halveren. Dat betekent dat de industrie staat voor de (onmogelijke?) opgave om 14,3 miljoen ton extra CO2-uitstoot te reduceren in 2030. Is dit haalbaar? Hans van der Spek van FME is optimistisch. ‘Mits wij alle ruimte geven aan procesefficiëntie.’

De klokt tikt door. Eind 2015 is het Klimaatakkoord ondertekend en toen leek 2030 nog redelijk ver weg. Over een paar weken is het 2020 en dan is het tijdspad naar 2030 slechts een decennium. Is die gestelde CO2-reductie wel een haalbare kaart? Als we kijken naar de snelheid – of liever gezegd traagheid – waarmee de mogelijkheden en benodigdheden om in te kunnen zetten op elektrificatie, waterstof en CO2-afvang en -opslag zich ontwikkelen, dan moeten we concluderen dat de daadwerkelijke uitstootreductie pas na 2025 op gang komt. Dan gaan we de doelstelling niet halen.

6 miljoen ton in 2025

Hans van der Spek, programmadirecteur CleanTech bij FME, erkent dit. ‘De grote transities die op stapel staan, daar geloof ik in. We moeten ook niet stoppen met het aanleggen van nieuwe infrastructuur, het aanpassen van de wet- en regelgeving en het uitdenken van nieuwe businessmodellen. Dit zijn echter langdurige en ook kostbare trajecten.’ En toch is Van der Spek optimistisch. Sterker nog: FME en VEMW hebben een nieuwe stip op een horizon gezet, die nota bene dichterbij is. ‘Met ‘Project 6-25’ hebben we de ambitie neergelegd om voor 2025 minimaal 6 miljoen ton CO2 te besparen door versnelde uitrol van innovatieve technologie met bewezen impact.’ Voor dit project werd de samenwerking gezocht met bedrijven die werken aan nieuwe, innovatieve technologie die nog niet grootschalig wordt toegepast en die significante impact heeft of gaat hebben op reductie of flexibilisering van energieverbruik en/of broeikasgasuitstoot. Deze baanbrekende technologieën om processen in de industrie efficiënter te maken, worden nu al succesvol geïmplementeerd. Project 6-25 zoekt verbinding binnen de keten zodat samen, stap voor stap, snelle en concrete resultaten worden behaald.

Innovaties

Het optimisme van Van der Spek wordt aangewakkerd door de resultaten die een aantal van deze partijen hebben aangetoond. Zonder anderen tekort te willen doen, wil Van der Spek twee voorbeelden uitlichten. ‘Het bedrijf EnerGQ benadert het industriële proces als een menselijk lichaam waarbij je de energiestromen kunt vergelijken met de bloedsomloop . Beide geven signalen af, als er ergens iets aan de hand is. Als je gericht gaat meten, ontdek je waar de pijnpunten zitten. Op basis van data, worden patronen geïdentificeerd en wordt onderzocht welke aanpassingen leiden tot verbeteringen. Het menselijk lichaam heeft wellicht fysiotherapeutische handelingen nodig en in een fabriek kun je processen bijsturen.’ De KLM gebruikt deze techniek in hun Boeing vliegtuigen, weet Van der Spek. ‘Uit de data bleek bijvoorbeeld dat de ene piloot zuiniger vloog dan de ander. EnerGQ zette deze bevindingen om in concrete vlieginstructies en inderdaad, er werd minder brandstof verbruikt.’ EnerGQ richt zich in de eerste plaats op energiebesparende maatregelen, maar de data kan natuurlijk ook worden benut om kosten te verlagen, de veiligheid te verbeteren of storingen te voorkomen.

Het tweede voorbeeld is Qpinch. ‘Dit bedrijf heeft een technologie ontwikkeld waarmee zij langs de chemische weg, dus niet met mechanische warmtepomp technologie, laagwaardige restwarmte kunnen omzetten in hoogwaardige proceswarmte.’ Waar restwarmte nu massaal wordt weggekoeld, onbenut wordt gelaten, kan het nu met duurzame elektriciteit worden opgewaardeerd tot bruikbare proceswarmte. ‘In de regio Rotterdam gaat jaarlijks voor 6 miljoen euro aan restwarmte verloren. Met hergebruik kunnen we zoveel winnen en enorm veel besparen.’

Financiering

Dit klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Je zou haast verwachten dat bedrijven in de rij staan om hierin te investeren, maar volgens Van der Spek zijn bedrijven voorzichtig. Hij begrijpt dit ook. ‘Je kunt je geld maar een keer uitgeven en investeren in innovaties is spannend.’ Om dergelijke hobbels en bobbels weg te kunnen nemen, is gekozen voor deze zorgvuldige, projectmatige aanpak. ‘Het vooronderzoek, waarin werd nagegaan in hoeverre de industrie behoefte heeft aan deze aanvliegroute, is afgerond. Dit traject vindt weerklank, dus we zijn nu dit programma verder aan het ontwikkelen. Het is meer dan het samenbrengen van partijen.’ Een van de stappen die moeten worden gezet is het valideren van de technologieën. Hiervoor wordt een onafhankelijk bureau ingeschakeld. ‘Zij gaan na in hoeverre de impact van de gepresenteerde technologie geen luchtfietserij is. Heeft datgene dat wordt geclaimd, reëel potentieel? Kunnen ze het waarmaken?’ Dit is uiteraard ook weer een belangrijk aspect voor het rondkrijgen van de financiering. ‘We zijn enorm blij met de Rabobank als partner. Ook zij geloven in deze manier om CO2-reductie versneld voor elkaar te krijgen.’ Een andere hobbel voor bedrijven om te investeren in innovaties, is de druk op het Capex budget. ‘Ook deze hindernis kan overwonnen worden. Allereerst: de technologieën uit het 6-25 portfolio hebben vrijwel altijd een terugverdientijd van minder dan vijf jaar. Verder is het mogelijk de besparing als een service in te kopen. Dit drukt dan op het Opex en niet op het Capex budget.’ Uitdaging voor het project is dus om te bewerkstelligen dat in samenwerking met private en/of publieke partijen nieuwe financieringsconstructies of tijdelijk additioneel Capex-budget beschikbaar wordt gesteld.

Die donkere wolk hangt er nu eenmaal. De verplichting om het komende decennium 14,3 miljoen ton CO2-uitstoot extra te besparen ligt er. ‘Het moment dat het pijpenstelen gaat regenen met verplichtingen en ‘gij moet’ en ‘gij zult’ zit er aan te komen. Dan kun je beter nu zelf de regie pakken en stappen gaan zetten met behulp van bewezen technieken. Het project-platform wordt een learning community waarbinnen we leren van ervaringen en succesverhalen. Met uiteindelijk niet een doel, groener worden, maar ook slimmer en energie-efficiënter. Wie zegt daar nu ‘nee’ tegen?’

European Industry & Energy Summit

Tijdens de European Industry & Energy Summit op 10 en 11 december in de Kromhouthal in Amsterdam, organiseert FME op woensdag 11 december een side event over Project 6-25. Met de presentatie ‘supporting industry to become greener, smarter and energy-efficient’ wordt een ontdekkingsreis gemaakt langs de keten van nieuwe technologie, projectaanpak en financieringsvormen voor industriële verduurzaming.

Medewerkers uit de industrie zijn positief over technologische ontwikkelingen als digitalisering en robotisering. Maar liefst 83 procent van de ondervraagden ziet de nieuwe ontwikkelingen als een kans en juicht deze toe. Dit blijkt uit onderzoek van Berenschot en Tias, in opdracht van ondernemersorganisatie FME.

De ruim 6900 ondervraagden zien dat er op de werkvloer wordt ingezet op nieuwe technologie. Lange tijd werd gevreesd dat dit zou leiden tot banenverlies, maar uit het onderzoek van FME blijkt dit niet zo te zijn. Technologische ontwikkelingen zorgen juist voor nieuwe taken en functies, iets wat vraagt om andere kennis en vaardigheden.

Daarbij laat het onderzoek zien dat medewerkers graag willen meebewegen en zich verantwoordelijk voelen om bij te blijven. De veranderingen in het werkproces zorgen er juist voor dat het werk leuker en uitdagender wordt. Overigens blijkt uit het onderzoek dat dé medewerker niet bestaat. Zo zijn er geen verschillen waarneembaar tussen jonge en oude generaties, opleidingsniveau of sector.

Leven-lang-leren

De steeds verdergaande digitalisering kan het concurrentievermogen vergroten, waardoor nieuwe en andere werkgelegenheid ontstaat. Directievoorzitter Berenschot Hans van der Molen: ‘De bedrijven en overheid moeten samen zorgen voor de noodzakelijke scholing om medewerkers te laten werken met nieuwe technologie. Uit dit onderzoek blijkt dat 99 procent van de medewerkers graag wil ontwikkelen.’ FME-voorzitter Ineke Dezentjé Hamming sluit zich hierbij aan: ‘Het is de hoogte tijd om een leven-lang-leren mogelijk te maken. Bedrijven, scholen en overheid kunnen daar samen voor zorgen.’

 

Uit de COEN-enquête van het CBS blijkt dat de ondernemingen in de technologische industrie de wind in de zeilen hebben. Positief nieuws, maar de FME, de ondernemersorganisatie voor de industrie, maakt zich grote zorgen over het tekort aan vakkrachten in de technologische industrie. ‘Een goed opgeleide beroepsbevolking is een fundamentele randvoorwaarde voor economische groei.’

FME wil daarom dat een nieuw kabinet techniekonderwijs topprioriteit geeft, investeert in Smart Industry en de daling van onderzoek en innovatie uitgaven keert. Een modern, innovatief industriebeleid moet zorgen voor een snellere energietransitie, betere zorg en meer veiligheid. Als we niet verder investeren in het innoverend vermogen, worden de slimme oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen elders ontwikkeld en vermarkt.

Belemmering

De technologische industrie maakt een sterke groei door en dat betekent ook dat er meer werkgelegenheid is. Nog steeds zijn er veel vacatures en dat belemmert de innovatiekracht en groei van de ondernemingen. Uit de conjunctuurenquête blijkt dat 1 op de 7 ondernemers het tekort aan arbeidskrachten als de grootste belemmering voor groei ervaart. Dit geeft aan hoe groot de behoefte is aan goed gekwalificeerd personeel.

Op alle niveaus in het onderwijs ligt er een uitdaging. FME-voorzitter Ineke Dezentjé Hamming: ‘Aangezien het belang van digitale vaardigheden voor de ontwikkeling van onze sector groot is, moet het onderwijssysteem snel veranderen. In het basisonderwijs zouden bijvoorbeeld alle kinderen in aanraking moeten komen met techniek. En ook de gouden handjes die een mbo-opleiding hebben afgerond zijn hard nodig.’

In de Tweede Kamer is gesproken over de examencommissies in het mbo en de rol van het bedrijfsleven hierin. De VVD heeft een amendement ingediend waarin de partij vast wil leggen dat examencommissies minimaal één lid moeten hebben uit het regionale bedrijfsleven.

FME (ondernemersorganisatie voor de technologische industrie) vindt het voorstel van de VVD positief. FME-voorzitter Ineke Dezentjé: ‘Terecht onderstreept de VVD hiermee nogmaals dat de aansluiting tussen bedrijfsleven en onderwijs geborgd moet worden.’

Naast betrokkenheid tijdens het sluitstuk van opleidingen is betrokkenheid van de technologische industrie tijdens de ontwikkelfase van technische opleidingen van nog groter belang. Onder aanvoering van Smart Industry verandert de sector in hoog tempo, de technologische industrie levert graag haar bijdrage tijdens de ontwikkeling van het curriculum. FME is dan ook verheugd dat Daniël van der Ree (VVD) hier ook aandacht voor heeft gevraagd. Dezentjé: ‘We moeten het onderwijscurriculum met elkaar innoveren om zo studenten zo goed mogelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt.’